Minder ernstig – Vaker gestraft – Een onderzoek naar de aard en kwalificatie van jeugdcriminaliteit

PotholesGraffitiDit onderzoek is uitgevoerd door het Bonger Instituut voor Criminologie i.s.m. de leerstoel-groep Strafrechtwetenschappen, Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Rozenberg Publishers 2012. ISBN 978 90 361 0299 5

m.m.v. Jennifer Doekhie, Marijn Everartz en Niels Büller

Begeleidingscommissie
Dr. Jan Nijboer (voorzitter) – Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit der Rechtsgeleerdheid
Drs. Essy van Dijk – Ministerie van Veiligheid en Justitie, WODC
Mr. Janine Berton – Arrondissementsparket Den Haag
Drs. Gert-Jan Terlouw − Ministerie van Veiligheid en Justitie, Directie Justitieel Jeugdbeleid
Drs. Peter Versteegh – Politie Haaglanden
Universiteit van Amsterdam
Bonger Instituut voor Criminologie www.bonger.nl
Ministerie van Veiligheid en Justitie Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) www.wodc.nl

Inhoudsopgave

1. Inleiding
– Nederlandse trends in officiële cijfers over jeugdcriminaliteit
– Verklaringen voor trends in officiële criminaliteitscijfers
– De rol van media
– Inflatie van geweld
– Ontwikkelingen in het (jeugd)strafrecht
– Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen en hypothesen
– Begrippen
– Opzet in grote lijnen

2. Methode
– Steekproef
– Checklist
– Verloop dossieronderzoek
– Dossiers, incidenten, feiten, checklists en synopsissen
– Vignetten
– Aanvullende steekproef
– Statistische analyse
– Focusgroep

3. Verdachten
– Leeftijd
– Geslacht
– Etnische achtergrond en nationaliteit
– Woonsituatie
– School en werk Read more

Bookmark and Share

Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Inleiding

ball-chain-prisonJongeren die met elkaar op de vuist gaan, politieagenten bedreigen, auto’s beschadigen, muren met graffiti bekladden. Het zijn allemaal gedragingen die de laatste decennia een steeds prominentere plaats hebben gekregen in de media en de politiek en ook in toenemende mate de criminaliteitsstatistieken zijn gaan vullen. Een veelgehoorde klacht is niet alleen dat dergelijke vormen van jeugdcriminaliteit steeds vaker voorkomen, maar ook dat de gedragingen ernstiger zijn geworden. Geweld zou steeds vaker zwaarder letsel teweegbrengen en vernieling zou steeds grotere schade veroorzaken. Gaan we af op de statistieken van politie en justitie, dan hebben de aanhangers van deze benadering het gelijk aan hun kant. Want deze cijfers laten op de langere termijn een duidelijke stijging zien in jeugdcriminaliteit, in het bijzonder in geweldsdelicten. Critici stellen hier vaak tegenover dat zulke officiële cijfers een vertekend beeld van de jeugdcriminaliteit geven. Voor politie en justitie zouden gedragingen waarvoor jongeren voorheen niet werden aangepakt, steeds vaker aanleiding vormen voor aanhouding en vervolging, met als gevolg dat jongeren eerder in de criminaliteitsstatistieken terechtkomen. Daarbovenop zouden rechters vergelijkbare gedragingen steeds strenger zijn gaan bestraffen.

Deze verschillende visies op ontwikkelingen in (reacties op) jeugdcriminaliteit kunnen worden samengevat in drie theorieën. Volgens de verergeringstheorie is de jeugdcriminaliteit (a) toegenomen en/of (b) ernstiger van aard geworden, terwijl volgens de kattenkwaadtheorie politie en justitie (a) eerder, c.q. vaker optreden tegen gedragingen die voorheen niet werden gekwalificeerd als jeugdcriminaliteit en/of (b) soortgelijke gedragingen zwaarder zijn gaan classificeren. Daarnaast onderscheiden we de strafverzwaringstheorie. Daar waar de kattenkwaadtheorie betrekking heeft op hoe vaak politie en justitie optreden tegen jeugdcriminaliteit, gaat de strafverzwaringstheorie over de wijze waarop justitie reageert, namelijk (a) vaker sanctioneren en/of (b) met strengere maatregelen.

Alle drie theorieën komen we, impliciet of meer expliciet, tegen in de literatuur. Zo spreekt de Nederlandse strafrechtgeleerde Buruma (2005) van miniaturisering van het strafrecht; de tendens om ergerlijk gedrag steeds vaker te criminaliseren. Deze visie sluit aan bij de kattenkwaadtheorie. Ook buitenlandse juristen en criminologen zijn actief in onderzoek naar en de discussie over trends in jeugdcriminaliteit. Bepaald niet de minste hiervan is de Amerikaanse strafrechtwetenschapper Zimring. In de Verenigde Staten lieten de cijfers van politie en justitie over moord, verkrachting en mishandeling een sterke stijging zien. Dat vormde een krachtig bewijs voor aanhangers van de verergeringstheorie. Aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam in de Verenigde Staten veel aandacht te liggen op gewelddadige jeugdcriminaliteit en werd gepleit voor een hardere aanpak hiervan (Butts & Travis, 2002). Over de validiteit van de toename in geregistreerde criminaliteit als empirische ondersteuning voor de verergeringstheorie stelt Zimring (1998a, 1998b) echter dat de stijging in de Amerikaanse politiecijfers over aggravated assault (geweld onder verzwarende omstandigheden, bijvoorbeeld gebruik van een wapen) vooral kwam door re-classificatie bij de politie in plaats van door gewelddadiger gedrag van jongeren.

How assaults are counted and classified is essentially a matter of police discretion. Changing police standards can have a huge impact on statistical trends.” (Zimring, 1998a, p. 736).

Zimring spreekt van een verschuiving in de grens tussen simple en aggravated assault, oftewel een upgrading van gedrag dat voorheen werd geclassificeerd als lichter geweld, naar zwaarder geweld. Door re-classificatie wordt de drempel om aangifte te doen steeds lager en kunnen gedragingen steeds gemakkelijker als crimineel bestempeld worden, waardoor de officiële criminaliteits-statistieken een kunstmatige stijging van de criminaliteit teweegbrengen:

While the statistics indicate an increase in assaults, the actual behavior had remained unchanged.”
(Zimring, 1998a, p. 743). Read more

Bookmark and Share

Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Methode

PotholesGraffitiDe empirische basis voor dit onderzoek wordt gevormd door 600 strafdossiers die bij het Openbaar Ministerie (OM) zijn binnengekomen, zodat niet alleen de zaken die aan de rechter zijn voorgelegd kunnen worden geanalyseerd, maar ook de zaken die door het OM zijn geseponeerd of getransigeerd. Daarnaast kan deels teruggekeken worden naar wat de politie over deze zaken noteerde.[i]

In dit hoofdstuk beschrijven we eerst hoe de steekproef van strafdossiers is getrokken en welke selectie hierbij gemaakt werd. Vervolgens wordt de procedure uitgewerkt die we hanteerden bij het in kaart brengen van relevante informatie in de dossiers. Daarna schetsen we in het kort het verloop van het dossieronderzoek. Aansluitend wordt uitgelegd hoe de (voor dit onderzoek relevante) handelingen van verdachten zijn genoteerd en vervolgens gecategoriseerd in de vorm van vignetten, waarbij tevens wordt toegelicht hoe hierbij een verdeling is gemaakt naar lichte, matige en zwaardere gevolgen in de vorm van letsel of schade. Aangezien voor een vergelijking tussen 1999 en 2008 de steekproef niet voldoende vergelijkbare handelingen opleverde is een extra steekproef van 200 strafdossiers meegenomen in het onderzoek. De hierbij gehanteerde selectieprocedure wordt uitgelegd. Tegen het eind van dit hoofdstuk wordt de statistische analyse toegelicht. Afsluitend wordt besproken hoe een focusgroepgesprek met experts uit het vakgebied is gevoerd.

Tabel 2.1 Aantal dossiers OM naar arrondissement, leeftijdscategorie, jaar en CBS-categorie

Tabel 2.1 Aantal dossiers OM naar arrondissement, leeftijdscategorie, jaar en CBS-categorie

Steekproef
De basissteekproef bestaat uit 600 strafdossiers van jeugdige verdachten, verdeeld over de CBS-categorieën Bedreiging, Mishandeling, Openbaar Gezag, Openbare Orde en Vernieling, de leeftijdscategorieën 12-17-jarigen en 18-24-jarigen, en de jaren 1999 en 2008.
Voor deze categorieën is gekozen omdat eerder een stijging in jeugdcriminaliteit bij beide leeftijdscategorieën was gesignaleerd (zie Hoofdstuk 1). Voor de jaren 1999 en 2008 is gekozen omdat voor recentere jaren de afdoening nog niet altijd bekend was en voor oudere jaren informatie moeilijker beschikbaar is.[ii]
Het was ondoenlijk om de steekproef te verdelen over alle 19 arrondissementsparketten van het OM in Nederland. Om toch een zekere mate van landelijke representativiteit en variatie te verkrijgen, is ervoor gekozen het onderzoek uit te voeren in de parketten Amsterdam (stedelijk gebied) en ‘s-Hertogenbosch (meer landelijk gebied). Deze keuze is o.a. gemaakt op basis van het aantal beschikbare dossiers per arrondissement. Tezamen vormen deze twee parketten een redelijke afspiegeling van de landelijke situatie.
Het totaal aantal beschikbare dossiers van jeugdige verdachten in de vijf CBS-categorieën in ’s-Hertogenbosch en Amsterdam bedraagt 8.890, waaronder 3.096 uit 1999 en 5.794 uit 2008. Zie Tabel 2.1 voor meer gedetailleerde aantallen. Read more

Bookmark and Share

Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Verdachten

ball-chain-prisonIn dit hoofdstuk schetsen we een beeld van de 600 verdachten van de openbare orde en gewelddelicten waarop deze dossierstudie primair is gebaseerd.[i] Dat gebeurt aan de hand van enkele algemene achtergrondkenmerken (leeftijd, geslacht, etnische achtergrond, nationaliteit, woonsituatie); school/studie en werk; psychische en andere problemen; en recidive. Naast een algemene schets per kenmerk wordt steeds getoetst of er verschillen zijn tussen 1999 en 2008. Daarnaast wordt ingegaan op eventuele verschillen tussen de vijf CBS-categorieën (Bedreiging, Mishandeling, Openbaar Gezag, Openbare Orde en Vernieling). We spreken alleen van verschillen als deze statistisch significant zijn (p < .05).

Leeftijd en geslacht
Als gevolg van de selectie (zie Hoofdstuk 2) was zowel in 1999 als in 2008 de helft van de verdachten 12-17 jaar en de andere helft 18-24 jaar. Door de selectie bleef ook de verdeling tussen de leeftijdsgroepen per CBS-categorie gelijk.

Figuur 3.1 Aandeel meisjes per CBS-categorie en totaal in 1999 en 2008

Figuur 3.1 Aandeel meisjes per CBS-categorie en totaal in 1999 en 2008

Zoals te zien in Tabel 3.1  was in beide jaren de meerderheid van de verdachten van het mannelijk geslacht (totaal 87.3%), maar in 2008 waren er 1.7 keer zoveel meisjes als in 1999. De toename van het aandeel vrouwelijke verdachten komt vooral voor rekening van de CBS-categorie Bedreiging. In 1999 waren alle verdachten in deze categorie jongen, in 2008 was ongeveer één op de zes meisje (p = .012). Over beide jaren tezamen was het aandeel meisjes het kleinst in de categorie Vernieling (Figuur 3.1).

Etnische achtergrond en nationaliteit
In beide jaren is een ruime meerderheid van de verdachten in Nederland geboren, van de verdachten uit 2008 nog iets meer dan die uit 1999 (Tabel 3.1). Anders gezegd: het percentage allochtone verdachten van de eerste generatie – zelf in het buitenland geboren – ging omlaag (van 22.0% naar 17.3%). De meest voor de hand liggende verklaring is een toename van tweede generatie allochtone

Tabel 3.1 Achtergrondkenmerken van verdachten

Tabel 3.1 Achtergrondkenmerken van verdachten

jongeren, dat wil zeggen: jongeren waarvan één of beide ouders in het buitenland geboren zijn, maar die zelf in Nederland ter wereld kwamen. Toch is de daling van het percentage in het buitenland geboren jeugdigen in de bestudeerde dossiers groter dan op basis van de algemene landelijke cijfers verwacht mag worden. Onder de Nederlandse bevolking van 12-24 jaar daalde het aandeel allochtonen van de eerste generatie namelijk ‘slechts’ van 8.6% in 1999 naar 8.0% in 2008. Uit de vergelijking met de algemene bevolking blijkt tevens dat zowel in 1999 als in 2008 relatief veel verdachten behoorden tot de eerste generatie allochtonen.

Eveneens een ruime meerderheid van de verdachten had de Nederlandse nationaliteit. Het aandeel verdachten met (ook)[ii] een buitenlandse nationaliteit veranderde overigens niet tussen 1999 en 2008. In beide jaren hadden laatstgenoemden het vaakst (ook) een Marokkaans paspoort.

Woonsituatie
Zowel in 1999 als 2008 woonde, voor zover bekend, de meerderheid van de verdachten bij hun ouder(s)/verzorger(s) (Tabel 3.1). Op het eerste gezicht nam dit aandeel zelfs toe, maar we hebben hier waarschijnlijk vooral te maken met een verbeterde registratie. Het aandeel verdachten waarvan de woonsituatie niet in het dossier stond (‘onbekend’ in Tabel 3.1) daalde namelijk tussen 1999 en 2008 aanmerkelijk. Het lijkt zeer aannemelijk dat wanneer in een dossier geen woonsituatie werd vermeld, dat doorgaans was omdat de jongere ‘gewoon’ nog in het ouderlijk huis woonde. Dat zou betekenen dat in beide jaren rond de 80% bij zijn/haar ouder(s)/verzorger(s) woonde. Vrijwel alle zelfstandig wonende verdachten (soms samenwonend met partner en/of kind(eren)) behoorden tot de oudere leeftijdsgroep (18-24 jaar). Andere woonsituaties waren meestal een (zorg)instelling (totaal 26x) of geen vaste woon- of verblijfplaats (18x). Read more

Bookmark and Share

Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Continuïteit en verandering

PotholesGraffitiUit de vergelijking van de strafdossiers uit 1999 en 2008 zijn in voorgaande hoofdstukken zowel overeenkomsten als verschillen tussen de jaren naar voren gekomen. Bij het profiel van de verdachten zagen we bijvoorbeeld een toename van het percentage meisjes (hoofdstuk 3). Wat betreft de concrete handelingen waren binnen de CBS-categorie Bedreiging de bedreigende handelingen in 2008 lichter dan in 1999, binnen de CBS-categorie Mishandeling was er een verschuiving van zwaarder naar lichter letsel, bij de CBS-categorie Openbare Orde werd een duidelijke afname van geweld met gebruik van wapens of andere voorwerpen geconstateerd en ook de CBS-categorie Openbaar Gezag liet een tendens richting lichter verzet tegen politie zien (hoofdstuk 4). De juridische kwalificatie van vergelijkbare incidenten vertoonde vooral veel overeenkomsten tussen beide jaren (hoofdstuk 5). Bij de afdoening bleek bovenal dat jeugdigen die verdacht werden van openbare orde delicten of geweldsdelicten in 2008 vaker dan in 1999 een taakstraf kregen (hoofdstuk 6). Doel van dit hoofdstuk is allereerst de beantwoording van de laatste onderzoeksvraag.

5. In hoeverre kunnen veranderingen in de omvang van de geregistreerde jeugdcriminaliteit worden verklaard uit het verschil in kwalificatie van delicten door politie, Openbaar Ministerie (OM) en Rechterlijke Macht (RM)?
Ter mogelijke verklaring van de hierboven genoemde ontwikkelingen zijn in voorgaande hoofdstukken met name veranderingen in wetgeving en richtlijnen voor vervolging en straftoemeting naar voren gebracht. In dit hoofdstuk trekken we deze lijn door en betrekken hierbij de kennis en ervaring van experts uit de rechterlijke macht, politie, advocatuur en wetenschap, die deelnamen aan een focusgroepsgesprek, met als centraal thema (verklaringen voor) veranderingen in kwalificatie tussen 1999 en 2008.[i] Daarnaast worden de geconstateerde ontwikkelingen tegen het licht gehouden van de drie theorieën uit het inleidende hoofdstuk.

Meer aangiftes en processen-verbaal
Uit het focusgroepsgesprek komt unaniem naar voren dat de politie steeds meer criminaliteit is gaan registreren. Deze ontwikkeling is al eerder ingezet en daarbij heeft het rapport van de Commissie Roethof over de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit een grote rol gespeeld (Commissie kleine criminaliteit, 1984/1986). Maar de praktijkervaring leert volgens de deelnemers dat de kans op registratie tussen 1999 en 2008 nog verder is toegenomen.

Vroeger kreeg je van politie reprimande, nu leidt alles tot proces-verbaal, al dan niet naar aanleiding van aangifte.” Read more

Bookmark and Share

Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Samenvatting en conclusie

ball-chain-prisonAan dit rapport lag de volgende probleemstelling ten grondslag.

Welke concrete handelingen – binnen de delict-categorieën openbare ordedelicten en geweldsdelicten – plegen jeugdigen? Zijn dat andere handelingen dan tien jaar geleden? Worden vergelijkbare incidenten nu anders gekwalificeerd en/of bestraft dan tien jaar geleden?

Deze probleemstelling is vertaald in een aantal onderzoeksvragen en enkele hypothesen. Deze zijn primair onderzocht op basis van een representatieve steekproef van 800 strafdossiers van zaken die bij het Openbaar Ministerie (OM) zijn binnengekomen (500 uit 1999 en 300 uit 2008), gestratificeerd naar vijf delictcategorieën van het CBS (Bedreiging, Mishandeling, Openbaar gezag, Openbare Orde en Vernieling) en leeftijd van verdachten (de ene helft 12-17 jaar en de andere helft 18-24 jaar). Daarnaast werd een focusgroepsgesprek gehouden met ervaren experts uit de rechterlijke macht, politie, advocatuur en wetenschap.

Hieronder worden eerst de belangrijkste bevindingen op hoofdlijnen kort samengevat en daarna worden de resultaten iets uitgebreider thematisch en per onderzoeksvraag en per hypothese weergegeven.

Belangrijkste bevindingen op hoofdlijnen
* De onderzoeksresultaten hebben uitsluitend betrekking op bepaalde geregistreerde openbare ordedelicten en geweldsdelicten in de leeftijdsgroep 12-24 jaar.
* Vergeleken met 1999 was in 2008 binnen de delictcategorie Bedreiging vaker sprake van verbale bedreiging en gebeurde fysieke bedreiging veel minder vaak met een wapen of ander voorwerp. In het algemeen waren de bedreigende handelingen lichter.
* Binnen de delictcategorie Mishandeling was er een verschuiving van zwaarder naar lichter letsel.
* In de delictcategorie Openbare Orde daalde het gebruik van wapens of andere voorwerpen.
* Vergelijkbare handelingen met vergelijkbare gevolgen voor het slachtoffer werden in 1999 en 2008 niet lichter of zwaarder gekwalificeerd.
* Het OM seponeerde in 2008 niet meer of minder vaak dan in 1999.
* De rechter bestrafte vergelijkbare handelingen met vergelijkbare gevolgen voor het slachtoffer in 2008 niet lichter of zwaarder dan in 1999.
* In beide jaren was de kans op straf, transacties door het OM meegerekend, groter bij zwaarder letsel en grotere schade.
* Transacties door het OM meegerekend, werden bedreigende handelingen in 2008 vaker bestraft dan in 1999.
* Het aandeel verdachten dat een taakstraf kreeg van OM of rechter steeg sterk. Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives