High Amsterdam ~ Cocaïne: terug van nooit echt weggeweest

Foto: Floris Leeuwenberg

Foto: Floris Leeuwenberg

Pal naast de Chinese tempel op de Amsterdamse Zeedijk ontvangt Mariani-kenner Chass Vermeulen Windsant ons in zijn sfeervol Aziatisch gedecoreerde woning. Aanleiding voor ons bezoek is de recente opening van een coca-likeurwinkel in de Warmoesstraat, waar ook originele cocabladeren en parafernalia uit zijn privécollectie in vitrines zijn uitgestald. Verheugd deelt Vermeulen Windsant (2010) mee dat zijn studie naar het omvangrijke oeuvre van Angelo Mariani [1838-1914] eindelijk in boekvorm zal verschijnen. Als voorproefje krijgen we naast foto’s van Mariani een serie portretten met getuigschriften te zien van schrijvers, politici, kunstenaars, presidenten, pausen, architecten, bohemiens en adellijke lieden. Sommigen tevreden nippend aan een glaasje verkwikkende cocawijn uit de befaamde donkergroene fles waarvan enkele authentieke exemplaren op zijn salontafel staan uitgestald. Leeg. Op de fles staat in vette letters geëtst: Coca Mariani Paris. Vin Mariani, op de markt gebracht door de oorspronkelijk uit Corsica afkomstige Mariani, was ruim 125 jaar geleden wereldwijd een begrip, getuige de indrukwekkende collectie brieven, tekeningen en uitbundige dankbetuigingen die hij in de loop van zijn leven verzamelde.[i] Door zijn flessen cocawijn aan talloze hoogwaardigheidsbekleders te schenken bewees Mariani over een goede neus voor merchandising te beschikken. Bij het bekijken van een schilderij van Jules Grun uit 1911, waarop de in het Grand Palais verzamelde ‘fine de fleur’ van Parijs is afgebeeld, begint Chass te gniffelen. “Het was altijd feest als iedereen elkaar zag, maar het was pas écht feest als Angelo Mariani ook aanwezig was.”

Van wondermiddel tot zedenbederver
Een jaar voordat Mariani in 1863 een patent verwierf voor zijn cocawijn, slaagde het Duitse farmaceutische bedrijf Merck er als eerste in om ¼ pound (1 pound = 453 gram) cocaïne te produceren. Deze geringe hoeveelheid liep op tot ¾ pound in 1883, om te stijgen naar ruim 3 pound in 1884 en al 158 pound in 1886 (Karch, 2006). Tegen de achtergrond van de ontluikende wereldhandel en de opkomst van Europese en Amerikaanse farmaceutische bedrijven was een klimaat ontstaan dat wetenschappers stimuleerde met verve nieuwe territoria te ontsluiten waaronder het ontrafelen van de ‘geheimen’ van het cocablad. Al tijdenlang circuleerden er talrijke reisverslagen en verhalen van ontdekkingsreizigers, avonturiers en onderzoekers waarin gewag werd gemaakt van de opwekkende kwaliteiten van het cocablad, door ‘wilden’ gekauwd om de erbarmelijke omstandigheden van de mijnbouw in het Andesgebergte te doorstaan.

Veel verhalen en kronieken waren half verzonnen of overdreven mythologiserend. Andere, zoals het standaardwerk van Mortimer in 1901, bevatten daarentegen gedetailleerde en naar het zich liet aanzien betrouwbare informatie over de historie, cultuur en het gebruik van het blad van de heilige plant ‘mama coca’, die oorspronkelijk groeide in Peru en Bolivia en naar schatting al 5000 jaar geleden in ritueel verband door de Inca’s werd gebruikt (Mortimer, 2000). Omdat cocablad, zoals pas later bekend werd, door de maandenlange zeereizen bij aankomst telkens een groot deel van zijn potentie was verloren, gingen er tal van mislukte pogingen aan vooraf, alvorens de jonge Duitse chemicus Friedrich Gaedcke in 1855 het alkaloïde ‘cocaïne’ uit de bladeren van de Erythroxylon coca isoleerde. In 1859 slaagde de Duitse promovendus Albert Niemann er in het zuiveringsproces voor cocaïne te verbeteren (Davenport-Hines, 2001).

De bereiding en (therapeutische) toepassing van coca en cocaïne lopen sinds de ontdekking in het Westen decennialang gelijk op, totdat de eerste verboden – de Amerikaanse Harrison Narcotic Tax Act in 1914 en de Nederlandse Opiumwet in 1919 – van kracht werden. De transformatie van ‘Dr. Coca’ in ’Mr. Caine’ kan als historische metafoor worden gezien voor de grote maatschappelijke veranderingen die zich in Amerika en Europa rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw op allerlei gebied voltrokken; de opkomst van de reclame, de industriële expansie en de daarmee samenhangende migratiestromen van arbeiders. De sterke groei van steden, die leidde tot krachtige sociaal-economische en demografische veranderingen met de daaruit voortvloeiende nieuwe sociaal-maatschappelijke problemen, werd door de Chicago School geboekstaafd (hoofdstuk 2). In die turbulente tijdgeest vuurde de hunkering naar kennis wetenschappers aan om nieuwe krachtige middelen, zoals cocaïne, te ontwikkelen ter bestrijding en genezing van welvaartsziektes. Al snel veranderde de cocaplant van een botanisch studieobject in een medische curiositeit, waar wetenschappers én artsen grote potentie in zagen. De ontdekking en therapeutische toepassingen van cocaïne werden gezien als belangrijke medisch-wetenschappelijke bijdrages aan de volksgezondheid. In dertig jaar tijd zou cocaïne uitgroeien van een in het laboratorium gecreëerde medische ‘wonderdrug’ tot een belangrijke speler in de Amerikaanse drugscultuur. Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Amfetamine: de radicalisering van energie

Nabben10-page-001

Foto Henny Boogert • Gabbers in Sporthallen zuid Amsterdam 1996

In 1887 publiceerde de Roemeense chemicus Edeleanu een artikel over een nieuw middel dat hij  op de Universiteit van Berlijn had gesynthetiseerd: amfetamine. Ruim veertig later werd de draad weer opgepakt door de jonge Britse chemicus Gorden Alles, in zijn speurtocht naar een op adrenaline lijkend medicijn tegen een verstopte verkoudheidsneus.[i] Wellicht niet geheel toevallig begint het succesverhaal van amfetamine uitgerekend in een periode dat het ‘duivelse’ cocaïne succesvol naar de achtergrond was gedrongen. In de loop van de jaren twintig van de 20e eeuw waren gebruikers en de artsen die cocaïne voorschreven dankzij de inspanningen van fanatieke bestrijders (wettelijk) gecriminaliseerd. De cocaïnemarkt zakte in en het middel zou tot aan 1970 nog maar een marginale rol spelen op de mondiale drugsmarkt.

In de periode van 1930-1970 heeft amfetamine (speed, pep), mede door de grillige samenloop van omstandigheden, een stempel gedrukt op de Amerikaanse en Europese samenleving. Zoals veel andere nieuwe medicijnen werd ook amfetamine (in verschillende varianten) enthousiast verwelkomd door de medische stand – en al snel ook door anderen, enerzijds als recreatief genotsmiddel en anderzijds als krijgsdrug in onder andere de Spaanse Burgeroorlog, de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Korea. Zo werd in de Tweede Wereldoorlog pervitine aan honderdduizenden Engelse en Duitse soldaten verstrekt om moeheid tegen te gaan en het uithoudingsvermogen te vergroten (Pieper, 1989). Hunter S. Thompsons (1966) adagium ‘Faster, faster, until the thrill of speed overcomes the fear of death’, spreekt in dat verband boekdelen.

Toen cocaïne begin jaren zeventig een comeback maakte, liep speed in Amerika en Europa aan het einde van zijn hoogtijdagen (1950-1970).[ii] In alle echelons van de moderne consumptiemaatschappij van na de Tweede Wereldoorlog werd amfetamine gebruikt: zowel in politieke kringen als in milieus van kunstenaars en muzikanten, onder studenten en arbeiders. In de grote Amerikaanse steden deden ‘Dr. Feelgoods’ goede zaken, door amfetaminehoudende pillen (‘black beauties’, ‘purple hearts’) met verve als remedie voor allerlei welvaartskwalen aan te prijzen (Inciardi & Cicero, 2009). Vanaf de jaren tachtig verdringen cocaïne en ecstasy in Nederland amfetamine op de recreatieve drugsmarkt langzaam naar de achtergrond. Hoewel amfetamine sindsdien in de schaduw van de andere twee grote stimulantia staat, blijkt de drug telkens weer nieuwe gebruikersgroepen aan te spreken.

Van antidepressivum tot speedspuiters
“Again and again promising new drug therapies slipped the bonds of medical discourse and control. They escaped into a larger realm of popular pleasure and mischief, prompting responses by national and international authorities”, zo betoogt David Courtwright (2001:69). Net als cocaïne, heroïne en morfine evolueert amfetamine van een geneesmiddel tot een drug. Op een junimiddag in 1929 injecteert de jonge wetenschapper Gordon Alles zichzelf met 50 milligram in zout opgeloste amfetamine. Na te zijn bevangen door een gevoel van welbevinden noteert hij de volgende dag in zijn logboek: “Rather sleepless night. Mind seemed to run from one subject to another” (in: Rasmussen, 2008:6). Na herhaalde toediening realiseert hij zich dat amfetamine behalve het openen van de luchtwegen ook euforisch werkt en een krachtig middel tegen uitputting en lusteloosheid is. Hij kon toen niet bevroeden dat juist de euforische en energieke psychoactieve effecten voor miljoenen (recreatieve) gebruikers in de daaropvolgende decennia belangrijke drijfveren zouden worden om amfetamine zowel bij de vrijetijdsbesteding als tijdens het werk te gebruiken.[iii] Wetenschappers ontdekten in de jaren dertig al dat opmerkelijk veel vrijwilligers onder invloed van amfetamine grote voldoening haalden uit arbeid en allerlei klussen zonder enige moeite en tegenzin wisten te klaren. Bovendien werd vaak een goed humeur en een prettig gevoel gerapporteerd. Precies de gemoedstoestand die Alles al eerder had beschreven.

De farmacologische innovatiedrift in de jaren dertig van de vorige eeuw weerspiegelde de nieuwe medische tijdgeest waarin de farmaceutische industrie met grote commerciële voortvarendheid lange tijd amfetaminehoudende producten als geneesmiddel op de mark bracht.[iv] Nog nooit eerder in de geschiedenis was een krachtige psychoactieve stimulant binnen zo’n kort tijdsbestek in zulke extreem grote hoeveelheden op de markt gebracht (Grinspoon & Hedblom, 1975). Amfetaminen waren uniek. De tientallen productvarianten gaven vertrouwen omdat ze met moderne technologische middelen in de laboratoria van grote gerenommeerde bedrijven geproduceerd werden en waren in Amerika en West-Europa lange tijd vrij of op doktersrecept verkrijgbaar. Over het op de markt brengen van benzedrine als nieuw baanbrekend medicijn waren bij het farmaceutische Amerikaanse bedrijf Smith, Kline & French aanvankelijk nog enige bedenkingen vanwege de ‘jumpy’ en ‘peppy’ bij-effecten. Kernachtig gezegd was amfetamine “a drug looking for a disease” (Rasmussen, 2008:27).

Die ziekte diende zich al snel aan. Want zoals vaker in de sociale geschiedenis van het drugsgebruik bleek ook in het geval van amfetamine de tijdgeest de proliferatie van het nieuwe middel aanzienlijk te versnellen. De Beurskrach in 1929 markeerde abrupt het einde van de ‘roaring twenties’. De economische crisis leidde onder andere tot een dramatische toename van het aantal depressies. Toen bleek dat amfetamine (ook) een probaat middel kon zijn voor de behandeling van depressies, zagen farmaceutische bedrijven hun kans schoon en werden de aanvankelijke bedenkingen over de energieke werking al snel bijgesteld. De moordende concurrentie in de speurtocht naar nieuwe wondermedicijnen belandde hierdoor in een nieuwe fase. Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Anesthetica: tussen euforie en narcose

Nabben11-page-001

Foto Floris Leeuwenberg • Dance Valley

Het hyperconsumentisme komt bij het naderen van het millennium tot een kookpunt en loopt opmerkelijk synchroon met het stijgende drugsgebruik. Het geld rolt; Amsterdam werkt én viert feest. Dankzij de mobiele telefoon weet iedereen waar iedereen in het weekend uithangt. Nieuwe clubs, cafés, lounges en terrassen worden bij de vleet geopend en stappers cruisen opgewekt van hot spot naar hot spot. Hypes volgen elkaar koortsachtig op. De prevalentie van het gebruik van illegale middelen (onder andere amfetamine, cocaïne en ecstasy) klimt naar een historisch hoogtepunt. Tegelijkertijd lanceren underground chemici met enige regelmaat nieuwe ecstasyvarianten, die hun weg snel vinden in de ‘gulzige’ uitgaansscene. Het aanbod van verse psychedelische paddenstoelen veroorzaakt een run op de snel groeiende smartshopbranche.

Het is in deze ‘decadente’ periode dat ook de narcosemiddelen doorbreken in het uitgaansleven, eerst lachgas en snel daarna ook GHB en ketamine. Hoewel de markt van narcosemiddelen aanzienlijk kleiner is dan die van stimulantia, hebben ze toch een stempel gedrukt op de gebruikersmarkt. In verschillende scenes worden de nieuwe roesdimensies van de ‘kosmische’ lachgaskick, het ‘sensuele’ GHB en de ‘psychedelische’ ketamine met grote interesse geëxploreerd. Niet precies bekend is wanneer de narcosemiddelen hun carrière buiten de medische setting in het Amsterdamse recreatieve drugsmilieu zijn begonnen. Tot in de laatste versie van het handboek over drugs en verslaving van de psychiater van Epen (1983) – dat in de jaren zeventig en tachtig als standaardwerk gold – wordt met geen woord gerept over GHB en ketamine.[i] De psychiater van Ree (1977) meldt – met uitzondering van een korte lachgaspassage – er evenmin iets over in zijn vele malen herdrukte Prisma pocket over drugs, destijds hét handboek voor gebruikers.

In Uit je bol – het hedendaagse handboek voor psychonauten – schrijven Hellinga & Plomp (2005) wel over de drie narcosemiddelen, maar tasten we weer in het duister over het gebruik in Amsterdam. Ook in de Amsterdamse bevolkingssurveys en de nationale bevolkings-en scholierensurveys zijn narcosemiddelen tot op heden niet in de vragenlijst opgenomen.

De verspreiding, aard en omvang van narcosemiddelen worden in Antenne voor het eerst – kwantitatief en kwalitatief – systematisch in kaart gebracht. Lachgas was het eerste middel waarvan de verspreiding in de panelstudie praktisch vanaf het startpunt kon worden gevolgd. In dit hoofdstuk wordt de verspreiding van narcosemiddelen eerst in vogelvlucht historisch en sociaal-epidemiologisch beschreven, waarna hun entree in de Amsterdamse gebruikerswereld binnen de context van het uitgaansleven wordt geschetst.

Lachgas: van kosmisch tot hippiecrack
Toen de Britse allround-wetenschapper Joseph Priestley – hij publiceerde ook over elektriciteit, kleuren, geschiedenis, filosofie en theologie – na een reeks experimenten in 1772 di-stikstofmonoxide (N20) ontdekte, realiseerde hij zich waarschijnlijk niet dat zijn ontdekking de grondslag zou vormen voor de moderne anesthesiologie. In Experiments and observations on different kinds of air noteert Priestley in 1776 zijn ervaringen met di-stikstofmonoxide en andere gassen. Op de drempel naar de 19e eeuw test Humphry Davy (1799) in het Pneumatic Institute van Bristol di-stikstofmonoxide eerst op zichzelf, vervolgens op dieren en daarna op patiënten en vrijwilligers.

Nadat zijn vriendenkring, bestaande uit schrijvers, uitvinders en artiesten, lucht kreeg van de hilarische experimenten, wilden de eminente heren zich maar al te graag laten bedwelmen door het ‘paradijselijke’ lachgas.[ii] Zijn eerste lachgasexperiment beschrijft Davy als volgt: “Highly pleasurable thrilling particularly in the chest and extremities. The objects around me became dazzling, and my hearing more acute” (in: Holmes, 2008:259). Davy betoogt in 1800 ook dat lachgas analgetische eigenschappen heeft, en gemengd met zuurstof misschien bruikbaar zou kunnen zijn om de pijn bij operaties te verlichten (Vermeulen-Cranch, 1998). Omdat de vrolijk makende roes steeds vaker tot carnavaleske toestanden leidt, wordt het instituut echter op aandrang van de conservatieve buitenwacht in 1801 gemaand haar deuren te sluiten (Sheldin & Wallechinsky, 1992).[iii]

Omstreeks 1840 maakte lachgas een comeback in Amerika, waar Horace Wells in 1844 onder invloed van lachgas een pijnloze tandextractie bij zichzelf uitvoerde. Als gevolg van Wells’ ingreep, maar ook dankzij de eerste succesvolle anesthesie met ether door T.G. Morton in 1846, nam de belangstelling voor verdoving tijdens operatieve ingrepen toe (Snel & Schuyt, 1998). Toch heeft het in Nederland nog betrekkelijk lang, tot 1948, geduurd voordat verdoving met lachgas officieel erkend werd. De Nederlanders waren ‘van nature’ – mede onder invloed van het calvinisme – voorzichtig en conservatief bij de ontwikkeling van de anesthesiologie en zagen pijn als iets onvermijdelijks dat geaccepteerd diende te worden (Vermeulen-Cranch, 1998). Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Regels en roes in het uitgaansleven

Ontwerp M-DSGN - Poster Legalize 2005

Ontwerp M-DSGN – Poster Legalize 2005

De roesbehoefte van de ‘genotzuchtigen’ staat vaak op gespannen voet met de heersende moraal van de ‘genotschuwen’. Het rock-’n-roll virus – deels door amfetamine gevoed – gold ooit als revolutionaire katalysator voor het loslaten van verplichte figuren en sociale omgangvormen binnen de danscultuur. Net als de ‘seksuele wildheid’ die jazz, jive en joints destijds in Amsterdamse dansgelegenheden teweegbracht, joeg rock-’n-roll het gezag de stuipen op het lijf. Tussen het ‘rock around the clock’ van de rockers en het ‘go with the flow’ van house ligt een periode van bijna veertig jaar. De magie van (nieuwe) ritmes is van alle tijden en de fascinatie voor deze toverkracht zal ongetwijfeld ook in de toekomst door nieuwe generaties worden gecultiveerd. “Alle bijzondere, nieuwe muziek groeit nog altijd tegen de verdrukking in. En dat is misschien maar goed ook. Dingen doen die verboden zijn, regels en wetten overtreden, tegendraads zijn: er is weinig waar een nieuwe generatie meer plezier aan beleeft” (Van Veen, 1994:9). Urenlang dansen op house kan zelfs leiden tot trance-ervaringen en tijdelijk zelfverlies (‘extase’) waarbij het individu wordt losgezongen van zijn persoonlijke begrenzing en spiritueel één wordt met zijn fysieke omgeving.

Het aloude idee dat de danscultuur beheersing behoeft, gold zeker niet in het minst voor de nieuwe jongerencultuur die massaal werd bevangen door een mix van house en ecstasy (hoofdstuk 5). Vooral in de beginfase waren spontane en illegale feesten schering en inslag. Onder de thans geldende regelgeving zouden veel van deze feesten verboden worden. Elementaire watervoorzieningen ontbraken, de elektriciteit lag er soms wel erg bloot bij en de brandweer was vaak niet op de hoogte gesteld. Sommige raves gingen gepaard met excessief drugsgebruik en zichtbare handel. Van klimaatbeheersing en chill out ruimtes had nog niemand gehoord. Nooduitgangen ontbraken, evenals professionele eerstehulp teams. Wie last van ‘feestkoorts’ had, moest maar even afkoelen in de frisse buitenlucht. Als gevolg van het steeds massalere karakter én de explosieve mix van ritme en roes, lieten de eerste ongelukken dan ook niet lang op zich wachten. Nieuwe regelgeving was dus geboden om de ‘feestwildheid’ te beteugelen. De – door de gemeente Amsterdam bijna integraal overgenomen – nota Stadhuis en house (1995) bood een eerste (landelijk) kader om de veiligheid en volksgezondheid beter te kunnen waarborgen. In de context van het ‘nieuwe’ Amsterdamse uitgaansleven (hoofdstuk 6) hebben we de dynamiek tussen de drugsmarkten (hoofdstuk 7) en gebruikersmarkten (hoofdstukken 8-10) geschetst en daarbinnen enkele leidende factoren geduid die de afgelopen 15 jaar invloed hebben gehad op de golfbewegingen van drugsgebruik.

In dit hoofdstuk staat het spanningsveld tussen het ‘losbandige’ uitgaansleven en de regelgeving en handhaving centraal. We gaan op zoek naar het antwoord op het tweede deel van onze probleemstelling: in hoeverre en op welke wijze heeft het (strafrechtelijk) drugsbeleid invloed gehad op de drugsmarkt van het Amsterdamse uitgaansleven? Meer in het bijzonder richten we ons op de vraag of zerotolerance hier tot de gewenste reductie van drugsgebruik heeft geleid.

Het uitgaansleven: productie, consumptie en regulatie
Wetenschappers hebben in uiteenlopende toonaarden geschreven over de transformatie van het stadsdomein tot een ‘(p)leisure city’ (Hannigan, 1998) met een bruisende nachteconomie van ‘urban playscapes’ (Chatterton & Hollands, 2002, 2003; Hollands, 2002). Daarbij is binnen het domein van de uitgaansindustrie, en in het bijzonder als het gaat om clubculturen, overal in Europa sprake van overeenkomstige ontwikkelingen. “There is a dynamic in our society that promotes the idea of style of entertainment closely aligned to that of consumption in general into which drug use has been incorporated” (Calafat et al., 2004:18).

Bij vlagen schoksgewijs, maar gestaag, voltrok zich als gevolg van het vervagen van een heersende, gedisciplineerde en burgerlijke levenswijze een proces van sociale en culturele veranderingen (Müller, 2002). De cultuurfilosoof Van den Brink typeert deze ontwikkeling als een historisch proces waarin het sacrale achtereenvolgens transformeerde tot het sociale en vanaf de laat-20e eeuw tot het vitale (in: Lampert & Spangenberg, 2009; vgl. Boutellier, 2005, 2006).

Tegelijkertijd werd echter de ‘euforische stad’, als verzinnebeelding van de economische renaissance in de jaren negentig, vanuit het perspectief van openbare orde en veiligheid ook steeds meer als riskant en soms zelfs bedreigend ervaren, omdat het in uitgaansgebieden een permanente gelegenheidsstructuur creëerde voor overlast en geweld. Veiligheidsindexen wijzen uit dat uitgaan en geweld vaak hand in hand gaan (Bervoets et al., 2008). Daarnaast wijzen criminologen en sociologen erop dat marginale groepen van deelname op (hoogdrempelige) locaties van vermaak (permanent) dreigen te worden uitgesloten (Chatterton & Hollands 2002; Hayworth, 2004; Young, 2007).

Het complexe politieke vraagstuk van openbare orde en veiligheid is door de continue massadruk op de Amsterdamse binnenstad alleen maar pregnanter geworden. Hoe kan de feesthorde het meest effectief worden bedwongen en hoe kan de toestroom van duizenden bezoekers in het weekend op het Rembrandtplein en Leidseplein of die van honderdduizenden Koninginnedagvierders het best worden gemanaged? Bezwerende politiële termen als ‘crowd control’ en ‘crowd management’ klinken dan ook steeds vaker (Schaap, 2009). “De openbare ruimte wordt in toenemende mate een strijdperk van bezetting en ontzetting, van antisociaal gedrag en de strijd daartegen” (Boutellier, 2010). Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Samenvatting en conclusies

Foto Ziggy Love - Roxy

Foto Ziggy Love – Roxy

De Amsterdamse drugsmarkt is sinds de jaren negentig van de vorige eeuw met de komst van ecstasy en allerlei andere drugs complexer geworden. De nieuwe roescultuur verspreidde zich tegelijkertijd met het houseritme als een veenbrand over het uitgaansleven. De snelheid waarmee ecstasy uitgroeide tot de meest populaire illegale drug na cannabis en de steeds frequentere gezondheidsverstoringen die daarmee gepaard gingen, overvielen beleidsmakers en gezondheidsinstellingen. Om voortaan adequater én in een vroeger stadium te kunnen anticiperen op (nieuwe) drugstrends werden op nationaal en lokaal niveau monitoringsystemen in het leven geroepen. Ook vanuit strafrechtelijk oogpunt kwam de plotselinge opkomst van ecstasy als een verrassing, en ook hier bleven maatregelen niet uit. Toen was gebleken dat Nederland een voornaam productieland van ecstasy was, werd het opsporingsapparaat fors uitgebreid en versterkt met de USD (Unit Synthetische Drugs). De resultaten lieten niet lang op zich wachten; producenten werden aangepakt, productiecentra ontmanteld en grote partijen drugs en precursoren geconfisqueerd.

In Amsterdam werd vanaf 1993 met Antenne een methode geïmplementeerd om op empirische en controleerbare wijze veranderende leefstijlen en gebruik van genotmiddelen binnen Amsterdamse uitgaans scenes van jongeren en jongvolwassenen systematisch in kaart te brengen. De leidende gedachte was dat drugstrends – zoals de snelle opkomst van ecstasy liet zien – zich in het Amsterdamse uitgaansleven meestal in een vroeger stadium voordoen dan elders in het land. Antenne bestaat uit een combinatie van drie onderzoeksmethoden: een kwalitatieve panelstudie waarin tweemaal per jaar insiders individueel worden geïnterviewd over hun trendsettende en trendvolgende netwerken in het uitgaansleven; kwantitatieve surveys naar middelengebruik in specifieke doelgroepen, waaronder clubbezoekers; en preventie-indicatoren die cijfers genereren over informatie- en adviesvragen, voorlichtingscontacten op party’s, en testuitslagen van vrijwillig aangeleverde drugs.

In dit proefschrift stond de panelstudie centraal. De informatie van het panel (met gemiddeld 24 leden per ronde) in de periode 1994-2008 is een continue leidraad geweest om nieuwe ontwikkelingen in het uitgaansleven vroegtijdig te signaleren en te volgen. Door deze kwalitatieve informatie te combineren met kwantitatieve gegevens uit Antenne en andere bronnen (triangulatie), hebben we langere termijn drugstrends in kaart kunnen brengen.

De probleemstelling luidde: “Welke ontwikkelingen hebben zich sinds het begin van de jaren negentig voorgedaan op de drugsmarkt van het Amsterdamse uitgaansleven, en in hoeverre en op welke wijze zijn (strafrechtelijk) drugsbeleid en andere factoren hierop van invloed geweest?”

Om te achterhalen welke factoren het succes dan wel de neergang van een middel kunnen verklaren, is Zinbergs (1984) theoretische model van drug-set-setting een vruchtbaar vertrekpunt én anker geweest. In aanvulling op Zinbergs model hebben we een vijftal ‘trenddimensies’ onderscheiden:

1. de historische, sociaal-culturele en economische condities waaronder nieuwe (risico) groepen zich op nieuwe (uitgaans) settings manifesteren (drug, set en setting);
2. de sociaal-culturele en symbolische uitgaanscontext van trendsetters en trendvolgers in het huidige uitgaansleven (setting);
3. de translokale distributie en het aanbod op de drugsmarkt(en), bestrijding, prijsontwikkeling en kwaliteit (drug);
4. aard, verspreiding, omvang en imago van psychoactieve middelen op een pluriforme gebruikersmarkt (set); en
5. beleid, regelgeving en handhaving ten aanzien van drugs(gebruik) én de reactie van consumenten hierop, in het bijzonder binnen het Amsterdamse uitgaansleven (drug, set en setting). Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Summary And Conclusions

NabbenThe trade in recreational drugs in Amsterdam became a good deal more complex in the 1990s when ecstasy and a range of other drugs arrived on the market. To the rhythm of house music, a new euphoric culture spread across Amsterdam nightlife like a bushfire. Policymakers and health care institutions were caught unawares by the rapidity with which ecstasy developed into the most popular illicit drug after cannabis, as well as by the acute health effects it was causing. The health authorities set up national and local-level monitoring systems to enable more prompt and appropriate responses to new or unexpected drug trends in the future. The abrupt arrival of ecstasy also triggered shock waves from a criminal justice point of view, and here, too, new measures were taken. Especially when it emerged that the Netherlands was also a leading ecstasy-producing country, the investigative machinery was aggressively expanded and reinforced by a Synthetic Drugs Unit (USD). Results were not long in coming. Drug manufacturers were arrested, production sites dismantled and large parties of drugs and precursors seized.

With the founding of the annual Amsterdam Antenna drugs barometer in 1993, an empirical method was implemented to systematically and verifiably document the changing lifestyles and use of recreational substances in the nightlife scenes frequented by adolescents and young adults. The idea was that drug trends (as illustrated by the rapid rise of ecstasy) usually manifest themselves in Amsterdam at an earlier stage than in the rest of the country. Antenna is a combination of three research methods: a qualitative panel study in which insiders in drug-taking scenes are interviewed twice a year about the trendsetting and trend-following networks they are part of; quantitative surveys on substance use in specific risk groups, including clubgoers; and drug prevention indicators that generate statistics on information and advice requests, drug education contacts at dance events, and tests of voluntarily submitted drugs.

The Antenna panel study was a central source of data in the study I reported in this book. Information obtained from the panel (which averaged 24 members per interview round) in the period 1994-2008 provided a continuous frame of reference for the early identification and monitoring of fresh developments in Amsterdam nightlife. By combining this qualitative information with quantitative data from Antenna and other sources (triangulation), I was able to map out a number of longer-term trends in drug use. My research question was: What developments and trends occurred in Amsterdam nightlife from the early 1990s to the late 2000s, and to what extent and in what ways did criminal justice policies and other policies and factors influence such developments?

In my attempts to identify factors that could explain the success or demise of specific drugs, Norman Zinberg’s (1984) theoretical drugset-setting model served me both as a fruitful point of departure and as an anchor. As an enhancement to Zinberg’s model, I distinguished five ‘trend dimensions’:
1. the historical, sociocultural and economic conditions under which new drug-using groups and risk groups emerge in new settings, particularly in nightlife environments (drug, set and setting);
2.  the sociocultural and symbolic nightlife contexts of contemporary trendsetters and trend followers (setting);
3.  translocal distribution and the supply situation in drugs markets, policing, price trends and quality (drug);
4. the nature, spread, scale of consumption and image of particular psychoactive substances in a diversified consumer market (set); and
5. policy, regulations and enforcement with respect to drugs and drug use, as well as drug users’ responses to such strategies, in particular in Amsterdam nightlife environments (drug, set and setting). Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives