Uitgelicht ~ Recht maakt krom wat recht is, en daar is niks kroms aan

RechttevoetOmslagElke bestuurder die verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke ordening en verkeersveiligheid moet zich bij het lezen van Schnabels exposé ongemakkelijk gaan voelen. Is het door een gebrek aan kennis en kunde aan de kant van deskundigen, die hun adviseren over verkeer en verkeersveiligheid? Is het hun eigen onmacht om dat wat deze deskundigen aanbevelen te realiseren? Of zijn het de burgers, die zich deels niet laten leiden door wat voor slim uitgedacht routeplan dan ook? Hoe dan ook, na zelf eens het tracé op de fiets te hebben afgelegd, moeten de bestuurders erkennen dat het beschreven tracé niet bepaald ideaal is. Deze vaststelling brengt ze echter niet meteen in verlegenheid. Het gaat hier om een complexe materie, zo hoort men ze redeneren. We moeten rekening houden met tal van uiteenlopende belangen. Het gaat om de belangen van voetgangers, fietsers en automobilisten, van omwonenden, het milieu en het stadsgezicht en natuurlijk mogen we ook de financiële belangen niet uit het oog verliezen. Vanwege die uiteenlopende belangen is het onmogelijk om een tracé uit te zetten en in te richten waar iedereen volledig gelukkig mee zal zijn. Bestuurders moeten afwegingen maken, waardoor hun besluiten veelal een compromiskarakter vertonen. Vanuit bestuurlijk opzicht is daar niks mee. Maar als het bestuur dan op toch wel enkele heel problematische knelpunten wordt gewezen, zoekt het een uitweg. Ook die knelpunten onderkennen bestuurders en delen hier zelfs de kritiek van de burger, maar… die juristen, hè. Het bestuur is in deze moderne rechtsstaat nu eenmaal gebonden aan het recht en dat maakt dat we wat krom is nog onmogelijk recht kunnen krijgen. Wet- en regelgeving en juristen zijn daar debet aan, zo mopperen de bestuurders. Hebben ze een punt?

In zeker opzicht hebben ze gelijk. Juristen zijn preciezen. Wet- en regelgeving zijn voor hen min of meer heilig en als burgers daar een beroep op doen, gaat het recht voor op bestuurlijke prudentie. Het wordt door bestuurders dan ook vaak opgemerkt: recht en rechtspraak zijn een blok aan hun been. Rechters zijn echter niet onder de indruk van dergelijke opmerkingen. We leven nu eenmaal in een rechtsstaat en daar gaat het recht voor op het bestuur. Zint het u niet, zorg er dan voor dat de regels worden veranderd.

Bestuurders hebben echter niet helemaal gelijk (sommigen zullen zeggen dat bestuurders helemaal geen gelijk hebben). Alhoewel bestuurders zeker wel worden gehinderd door het recht in de uitvoering van hun plannen, kunnen ze zich er ook achter verschuilen. Bekijk namelijk de problematiek eens door de bril van de burger. Wie het niet eens is met besluiten van het bestuur moet in de pen en bezwaar aantekenen. Als die burger ontvankelijk is en als belanghebbende wordt aangemerkt zal hij door een speciale commissie worden gehoord. Deze bezwaarcommissie kijkt nog eens naar de afwegingen die aan het bestuurlijk besluit ten grondslag liggen. Het is niet uitgesloten dat het bestuur wordt teruggefloten, maar als het geen gekke dingen heeft gedaan, zal het besluit wel overeind blijven. Dan zit er voor de burger weinig anders op dan de rechter opzoeken. Zeker in kwesties waarbij het draait om wegaanleg is het dan wel raadzaam een advocaat, dan wel een andere juridisch deskundige in te huren. Read more

Bookmark and Share

Dilemma 1 ~ Wandelen langs een fietsroute

Dilemma1Als je aan het verkeer in Utrecht deelneemt, merk je al na een paar kilometer de gevolgen van tegenstrijdige regelgeving.

Is het mogelijk deze regels beter op elkaar af te stemmen en te laten aansluiten bij de dagelijkse praktijk van gebruikers? Of is dat in onze wereld van overregulering een utopie?

Bookmark and Share

Opmerkelijke processen

rechtvoetopmerk1

Het kort geding in de Arrondissementsrechtbank (Hamburgerstraat 28) te Utrecht in verband met het kappen van bomen voor de aanleg van Rijksweg 27 door het landgoed Amelisweerd tussen Utrecht en Bunnik, met links op de voorgrond de president van de rechtbank, prof. mr. V.J.A. van Dijk. Rechts de advocaat van de vereniging Vrienden van Amelisweerd, mr. B. Tomlow en links de advocaat van de Staat der Nederlanden, mr. Den Hartog, en mr. B. Keulen, de advocaat van de gemeente Utrecht.

Inleiding
Toegang tot recht is een van de basisbeginselen van de rechtsstaat. Access to justice als onderdeel van de Rule of Law en als waarborg tegen klassenjustitie en eigenrichting.

In de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontstond de sociale advocatuur met het streven naar rechtshulp voor iedereen en naar structurele rechtshulp. In een tijd waarin de regering ernaar streeft om fors te bezuinigen, lijkt zij het voeren van processen het liefst te willen voorkomen, of tenminste aan banden te willen leggen. Schakelt de gemiddelde Nederlander te gemakkelijk de rechter in? Kim van der Kraats geeft een beeld van wat voor soort processen kunnen spelen.

Rechtspraak maakt samenleven mogelijk. Dat is de ‘slogan’ van de Raad voor de rechtspraak. Het geeft de diepe verbondenheid van rechtspraak en samenleving aan. Rechtspraak niet vanuit een ivoren toren, maar middenin en ten dienste van de maatschappij. Het kan dan ook niet anders dan dat rechtszaken de samenleving weerspiegelen. De (opmerkelijke) Utrechtse rechtszaken geven informatie over wat Utrecht kenmerkt. Die kenmerken bepalen ook voor een belangrijk deel de (opmerkelijke) zaken die aan de rechter worden voorgelegd.

Wie denkt aan Utrecht, denkt aan de Dom. De Dom is onderdeel van het religieuze leven in de stad, die ook wel kerkenstad wordt genoemd. Utrecht is de zetel van de Rooms-Katholieke aartsbisschop van Nederland. Dat heeft tot verschillende opmerkelijke rechtszaken in Utrecht geleid. Zo onder meer het kort geding dat het COC in 1987 tegen kardinaal Simonis aanspande wegens zijn uitspraken over homoseksualiteit. In het radioprogramma “Het voordeel van de twijfel” had Simonis onder meer gezegd dat homoseksueel zijn een afwijking is, homoseksuele daden objectief gezien niet juist zijn en een samenleving kunnen ontwrichten en dat hij zich kan voorstellen dat verhuurders naar de seksuele geaardheid van een potentiële huurder vragen omdat zij niet aan een onjuiste levenswijze willen bijdragen. Het COC eiste in kort geding rectificatie van zijn mening in een aantal dagbladen. Partijen kwamen naar de rechtbank, die tot 2001 aan de Hamburgerstraat was gevestigd. Toen in 1580 het klooster werd opgeheven, had het Provinciale Hof van Utrecht zich daar al gevestigd en in 1876/1877 was het kantongerecht daar ingetrokken. In 1912 kreeg het kantongerecht op het voorterrein een afzonderlijk gebouw, van waaruit ze in 1980 vertrok naar het Janskerkhof 11-13.[i]

De rechtbank bleef tot 2001 gevestigd aan de Hamburgerstraat en aldaar oordeelde de president van de Utrechtse rechtbank op 5 maart 1987 in het geding tussen het COC en Simonis dat de door Simonis verkondigde leer over homoseksualiteit al eeuwen door de kerk wordt verkondigd en daarmee valt onder de godsdienstvrijheid. Hij wees de eis van het COC af (onder meer) omdat hij het vrijwel uitgesloten achtte dat met het discriminatieverbod werd beoogd die leer te verbieden en hij meende dat er “nog niet kan worden gesproken van algemeen aanvaarde opvattingen” die maken dat de uitspraken onrechtmatig zijn wegens “het in strijd zijn met geldende rechtsopvattingen”.[ii] Hieruit blijkt wel dat de president aansluiting zocht bij de op dat moment levende opvattingen in de samenleving. Daarbij liet hij ook nog zien een vooruitziende blik, een goed gevoel voor maatschappelijke ontwikkelingen te hebben. Hij wees er namelijk op dat een aantal wetsvoorstellen in behandeling was om de gelijkstelling tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen en overwoog dat het “geenszins uitgesloten” is “dat daarbij, of kort daarna, dezelfde of gelijksoortige bepalingen van kracht zullen worden met betrekking tot het onderscheid maken naar geslachtelijke geaardheid”. Read more

Bookmark and Share

Uitgelicht ~ Volkerts van Dijk (1913 – 2008)

rechtvoetvolkerts

Portret Volkerts van Dijk door Erika Visser, privécollectie

Voor een portret bij een hoofdstuk over opmerkelijke processen in Utrecht komen verschillende Utrechters in aanmerking. In dit hoofdstuk is de naam Van Dijk al een aantal keren gevallen.

Volkerts Johannes Anthonie van Dijk en Utrecht zijn met elkaar verbonden. Van Dijk werd er op 5 maart 1913 geboren en hij bleef er wonen tot zijn dood op 6 april 2008. Bijna een eeuw dus. Het grootste gedeelte van de vorige eeuw.[i] Van Dijk is een man van de twintigste eeuw.

Meer dan zestig jaar woonde hij met zijn vrouw Mathilde in Tuindorp aan de Albrecht Thaerlaan met uitzicht op station Overvecht. Zij had een zoon. Hun huwelijk bleef kinderloos. Mathilde is ruim een maand na het overlijden van haar echtgenoot gestorven op honderdéénjarige leeftijd. Na zijn pensionering in 1983 kreeg Volkerts van Dijk een aantal keren te maken met een depressie die een verlammende uitwerking op hem had. Ook anderszins liet zijn gezondheid steeds meer te wensen over. Zijn jaren in de eenentwintigste eeuw waren niet zijn beste. Buiten het geluid van optrekkende en voorbijsuizende treinen werd het steeds stiller bij hem thuis aan de Thaerlaan. Volkerts van Dijk deed eindexamen aan het Stedelijk Gymnasium in Utrecht waarna hij Nederlands recht studeerde aan de Utrechtse universiteit. Op 10 juli 1940 promoveerde hij bij prof. mr. Chr. Zevenbergen op het proefschrift “Geschiedenis, aard en werking van het eigendomsvoorbehoud”. Van Dijk had van 1938 tot 1940 het Romeinsrechtelijke pactum reservati dominii bestudeerd.[ii] Hij hield van het Latijn en het Romeinse Recht en vond dat beide onderwerpen hoorden tot de noodzakelijke basiskennis van de jurist.

Van 1965 tot 1969 was Van Dijk hoogleraar Burgerlijk Procesrecht aan de Utrechtse universiteit. Hij heeft na zijn middelbare schooltijd altijd belangstelling gehouden voor de rechtswetenschap. Zijn belangrijkste sporen heeft hij echter nagelaten in de rechtspraktijk. Weinig publicaties zijn van hem bekend, maar zijn taalvaardigheid was indrukwekkend. Hij was kritisch en liet het blijken als hij vond dat een tekst beneden de maat was. Daarom werd hij door menig student, rechter en advocaat gevreesd wanneer zij een stuk aan hem ter beoordeling moesten voorleggen. Zeker is dat hij beducht was voor een mogelijke aantasting van zijn onafhankelijkheid als rechter wanneer hij zou publiceren.

In de rechtspraktijk was Van Dijk onder meer advocaat van 1935 tot 1938 bij mr. H.G.V. Hijmans aan het Jansdam 7 bis en bedrijfsjurist bij de verzekeringsmaatschappij Tiel-Utrecht.
Van 1947 tot 1983 was hij rechter in Utrecht en vanaf 1968 president van de rechtbank. Als president kreeg hij landelijke bekendheid door een groot aantal spraakmakende kortgedingen.
Ook was hij na de Tweede Wereldoorlog nog enkele jaren plaatsvervangend lid van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel, die onder meer was belast met vragen omtrent de eigendom van huizen die tijdens de oorlog aan Joden waren onttrokken en aangaande andere transacties uit de bezettingstijd. De Raad hield destijds zitting in het Utrechtse stadhuis.

De oorlog heeft Van Dijk tot zijn dood parten gespeeld. Zeker in de laatste fase van zijn leven bracht hij bij een ontmoeting vaak de Tweede Wereldoorlog ter sprake. Al voor de oorlog waren zijn ouders verhuisd naar Westerveld. Zijn vader was daar directeur van het crematorium. In het geheim hield zijn vader de gegevens bij van de gefusilleerden die door de Duitsers daarheen werden gebracht.
Van de rechtspleging gedurende de oorlog was hem weinig bekend omdat hij toen nog werkte bij de Tiel-Utrecht. Wel wist hij zich goed te herinneren dat enkele leden van de rechterlijke macht en van de advocatuur ‘fout’ waren geweest. De toenmalige president van de rechtbank was lid van de NSB. In zijn archief bevonden zich stukken uit die periode waaronder een rede van een Utrechtse advocaat van 19 december 1940, die destijds tot veel commotie had geleid. Daarin werden Utrechtse rechters en advocaten verdacht gemaakt. Zij zouden zijn ‘vergiftigd door de vrijmetselarij’. Read more

Bookmark and Share

Dilemma 2 ~ Opmerkelijke processen

Dilemma2Een uitgangspunt in de rechtsstaat is de vrije toegang van iedereen tot de rechtspraak. Dit kan leiden tot overbelasting van de rechter, oplopende kosten en een lange duur van de processen.
De overheid heeft maatregelen genomen ter voorkoming van deze nadelige effecten. Zij verhoogde de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtshulp.
De griffierechten gingen omhoog. Deze maatregelen beperken de toegang tot de rechter.

Het dilemma dringt zich op: ‘snel recht’ met selectie en voorrang aan de poort of ‘langzaam recht’ met toegang tot de rechter voor iedereen op volgorde van binnenkomst?

Bookmark and Share

De Utrechtse School

rechtvoetschoolInleiding
De praktijk van de strafrechtspleging is vaak een goede afspiegeling van het niveau van de rechtsstaat. Hoe wordt gedacht over rechtsbescherming bij rechtshandhaving? Hoe wordt de burger beschermd tegen de staat en tegen populisme? Worden straffen, waaronder lijfstraffen en doodstraf, in het openbaar ten uitvoer gebracht? Oog om oog, tand om tand?
Humaan straffen of harde repressie toepassen? Hoe een evenwicht te bereiken tussen recht doen aan het slachtoffer en het kanaliseren van de behoefte aan vergelding? Vragen waarop de Utrechtse School een antwoord heeft proberen te geven. Willem Bekkers ging op zoek naar de ontstaansgeschiedenis van de Utrechtse School.

“Als we als een van de kernfuncties van het strafrecht nog steeds het kanaliseren van de behoefte aan vergelding zien op een manier waarbij rechtsbescherming van alle betrokkenen en evenredigheid tussen daad en straf vooropstaan…..”[1]

Inleiding
Met schuld en onschuld, met straffen en het geven of krijgen van een herkansing heeft ieder mens, jurist en niet-jurist, bijna dagelijks te maken. Dat geldt gelukkig niet voor criminaliteit, althans criminaliteit waarbij wij zelf of een van onze naasten dader of slachtoffer zijn. Maar ook wanneer we niet zelf of een van onze naasten daarbij direct betrokken zijn, kan criminaliteit ons allemaal beroeren. Bijvoorbeeld bij ernstige gewelds- of levensdelicten. Eerder zal in dat geval in de samenleving worden gedacht aan vergelding dan aan humaan straffen. Juist dan is het kanaliseren van de behoefte aan vergelding noodzakelijk. Of dat kanaliseren zal lukken hangt in belangrijke mate af van het optreden van de aanklager, de advocaat en de rechter en niet te vergeten van de vraag of de uitvoerende macht, eenvoudig gezegd “de politiek”, zich afzijdig houdt zolang de zaak onder de rechter is. In de rechtsstaat is het immers de rechter die de evenredigheid tussen daad en straf moet vaststellen en niemand anders. Zo hebben we dat democratisch afgesproken met elkaar in onze rechtsstaat.

Vergelding
Over vergelding en humaan straffen is door de eeuwen heen verschillend gedacht. Wie – in kringen van juristen – het heeft over humaan strafrecht komt al gauw uit bij “de Utrechtse School”. Deze school ontstond kort na de Tweede Wereldoorlog op initiatief van de Utrechtse hoogleraar Pompe.
Hoe een samenleving omgaat met een gepleegd misdrijf en de vergelding, met schuld en boete, met de misdadiger en het slachtoffer, zegt iets over de samenleving zelf en de conditie en de vitaliteit van de rechtsstaat. Wie staat centraal in het strafproces? De verdachte of het slachtoffer? Of de verdachte én het slachtoffer?
Na twee, betrekkelijk kort op elkaar volgende wereldoorlogen met al hun verschrikkingen en een financiële crisis met grote armoede en wanhoop ontstond wereldwijd, maar vooral in Europa, een sterkte behoefte aan het creëren van een hoopvolle toekomst door nationale en internationale samenwerking en van een humane samenleving met gepaste zorg van de staat voor degenen die deze zorg nodig hadden.
De Utrechtse School, die heeft bestaan van 1947 tot 1963, past goed in dit beeld. Zowel aan de werken van Pompe als aan het ontstaan van de talloze mensenrechtenverdragen kort na de Tweede Wereldoorlog ligt ten grondslag de centrale gedachte: respect voor de menselijke waardigheid.
Nederland heeft door de eeuwen heen een strafrechtelijk verleden dat er niet om liegt.[2] Vaak was het strafproces een schijnvertoning en leverde het alleen maar verliezers op. De straffen waren wreed, met name de schavotstraffen.[3] Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives