Uitgelicht ~ Willem Molengraaff (1858-1931)

rechtvoetmolengraaff

Portret Willem Molengraaff in de Senaatszaal

Nijmegen was Molengraaffs geboorteplaats. Na het doorlopen van de Latijnsche School begon hij in 1875 aan de rechtenstudie in Leiden. Hij rondde die in 1880 af met een proefschrift, getiteld Internationale Averij-Grosse Regeling. Zoals zo veel jonge juristen viel hij voor de bekoring van de hoofdstedelijke advocatuur. Dit nobele beroep verhinderde hem niet stevig aan de weg te timmeren. Samen met zijn confrères Hendrik Lodewijk Drucker (1857-1917) en Samuel Katz (1845-1890) richtte hij in 1882 het Rechtsgeleerd Magazijn op. Het tijdschrift had tot doel de ramen open te zetten in het muffe huis van de Nederlandse rechtsgeleerdheid. Molengraaff, Drucker en Katz stonden een actieve rol van de staat in het maatschappelijk leven voor. Het recht moest in overeenstemming worden gebracht met de sociale behoeften van de samenleving. Moraal en fatsoen zagen zij als richtsnoer voor de wetgever en de rechter.

Molengraaffs faam in juridisch Nederland groeide snel. In 1883 preadviseerde hij – nog geen 25 – voor de Nederlands(ch)e Juristen-Vereniging (NJV) over de noodzakelijkheid en wenselijkheid van het onderscheid tussen het burgerlijk recht en het handelsrecht. De slotsom van zijn uitvoerige historisch rechtsvergelijkende tournee was dat er geen sprake kon zijn van een handelsrecht, dat gelijkwaardig was aan het burgerlijk recht. Het handelsrecht was aan het burgerlijk recht ondergeschikt. Het regelde een aantal voor de handel belangrijke onderwerpen, die in beginsel door de dogmatiek van het burgerlijk recht werden beheerst. Na het preadvies van Molengraaff is de overbodigheid van een afzonderlijk handelsrecht nauwelijks meer betwijfeld. Het heeft toch nog een halve eeuw geduurd, voordat het onderscheid tussen burgerlijk recht en handelsrecht bij wet van 2 juli 1934 (Stb. nr. 347) werd opgeheven.

Een week na de succesvolle verdediging van het preadvies op de NJV-vergadering van 31 augustus 1883 trad Molengraaff als adjunct-secretaris toe tot de in 1879 ingestelde Staatscommissie tot herziening van het Wetboek van Koophandel. Molengraaff kreeg de taak toebedeeld ‘het faillietenrecht te behandelen’. Hij toog aan het werk. Zeven maanden later (!), in november 1884, had hij het ontwerp voor een nieuwe faillissementswet af. In 1885 werd hij secretaris van de Staatscommissie.

Op ongeveer hetzelfde moment, op 24 januari 1885, volgde Molengraaffs benoeming tot hoogleraar handelsrecht en burgerlijke rechtsvordering in Utrecht. Hij ging wonen op de Maliebaan, nr. 43b. Zijn oratie droeg de titel: Het verkeersrecht in wetgeving en wetenschap. Het thema van zijn beschouwing was het noodlottige dualisme tussen het recht uit de wetboeken en het feitelijke, in de maatschappij levende recht, met name op het gebied van het handelsrecht.
Molengraaff ontpopte zich snel tot een van de gezaghebbendste beoefenaren van het handels- én burgerlijk recht in Nederland. Het artikel, waarmee hij zijn naam definitief vestigde, lag op het snijvlak van beide rechtsgebieden: “De ‘oneerlijke concurrentie’ voor het Forum van den Nederlandschen Rechter”. Het verscheen in het Rechtsgeleerd Magazijn van 1887 (p. 373-435). In Molengraaffs tijd van opkomende industriële activiteit was de repressie van de oneerlijke mededinging een actueel thema. Hij suggereerde een later befaamd geworden criterium om dit euvel te bestrijden:
Hij die anders handelt dan in het maatschappelijk verkeer den eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog op zijne medeburgers behoort te handelen, is verplicht de schade te vergoeden, die derden daardoor lijden.

De Hoge Raad heeft Molengraaffs criterium overgenomen in zijn beroemde arrest Lindenbaum/Cohen van 31 januari 1919 (NJ 1919, p. 161).

Vanaf 1889 verscheen zijn omvangrijke Leid(d)raad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht. Het boek domineerde na verschijning meer dan een halve eeuw dit rechtsgebied. Molengraafff schreef een baanbrekend NJV-preadvies op het gebied van het verzekeringsrecht. Daarnaast werkte hij gestaag door aan de voltooiing van de nieuwe Faillissementswet. Het wetsontwerp werd uiteindelijk op 30 september 1893 (Stb. nr. 140) wet. Zij trad op 1 september 1896 in werking. Molengraaff liet onmiddellijk daarna een handboek over de wet verschijnen: De Faillissementswet verklaard (1896).

De werkkracht van Molengraaff ging die van een normaal mens ver te boven. Naast zijn universitaire werk aanvaardde hij allerlei functies in het bedrijfsleven. Hij werd commissaris bij een aantal bedrijven (waaronder De Nederlandsche Bank). Daarnaast ontplooide hij zich politiek. Molengraaff werd in 1897 voorzitter van de Liberale Unie, het verband van de progressieve liberalen. Hij was in 1901 een van de oprichters van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) en korte tijd eerste voorzitter. Van 1900 tot 1918 was hij lid van de Provinciale Staten van Utrecht voor de VDB. Hij ijverde voor de invoering van het algemeen kiesrecht. Dit achtte hij noodzakelijk voor de verwezenlijking van sociale wetgeving in Nederland. Molengraaff stond bekend als een voorvechter van vrouwenrechten. Hij was lid van het Comité tot Verbetering van den Maatschappelijken en den Rechtstoestand der Vrouw.

Aan de vooravond van de 20e eeuw was Molengraaff optimistisch gestemd over de vooruitgang en de voorspoed in de tijden die kwamen. Hij had visioenen van het ontstaan van een wereldrecht, dat hij verbond met de eenwording van de mensheid. De nieuwe eeuw bracht hem in 1902 het rectoraat van de universiteit. Als wetgever zette hij zich in 1905 aan het ontwerp van een nieuwe zeewet. Het ontwerp kwam in 1907 af, maar verdween in een bureaula van het Ministerie van Justitie.

Molengraaffs afscheid als hoogleraar kwam voor de buitenwacht onverwacht. Hij nam in 1917 ontslag. De belangrijkste reden hield vermoedelijk verband met het feit dat het huis aan de Maliestaat 1A, dat hij vanaf 1891 bewoonde, hem deed herinneren aan zijn vrouw, die op 28 oktober 1915 was overleden. Daarnaast was hij diep teleurgesteld over het onvermogen van de Nederlandse wetgever. Hij sprak op 8 juni 1917 in zijn afscheidsrede, ‘Een Terugblik’, bitter over de hopeloze, onherstelbare veroudering van de Nederlandse wetboeken, in het bijzonder van het Wetboek van Koophandel.

In april 1917 kreeg Molengraaff een aanstelling als commissaris-adviseur bij de Rotterdamse Bank Vereniging. Deze betrekking liet hem voldoende ruimte voor het werk aan nieuwe wetgeving. Hij was de motor achter de oprichting van de Vereeniging Handelsrecht. Haar doel was “het verkrijgen van eene handelswetgeving, welke aan de eischen der tegenwoordige samenleving voldoet”. Molengraaff werd in 1919 benoemd tot lid van de Staatscommissie Burgerlijke Wetgeving en voorzitter van de subcommissie Handelswetgeving. Hij nam onmiddellijk het politiek verweesde zeerecht ter hand. Dankzij zijn optreden werd het ontwerp in 1924 eindelijk wet. In 1927 verscheen het eerste gedeelte van zijn Kort Begrip van het Nieuwe Nederlandsche Zeerecht. Molengraaff heeft zich daarnaast met andere handelsrechtelijke wetgeving beziggehouden, zoals het recht met betrekking tot de koopmansboeken, de makelaardij en het wisselrecht.

Molengraaff was in 1925 naar Den Haag verhuisd. De nabijheid van de wetgever joeg hem op. In de lente van 1931 werd hij ziek. Molengraaff overleed op 7 juli in zijn woonplaats Den Haag. Twee dagen later werd hij begraven op de Tweede Algemene Begraafplaats te Utrecht.

Bookmark and Share

Freedom Time : Negritude, Decolonization, And The Future Of The World

October 7, 2015 Freedom Time: Negritude, Decolonization, and the Future of the World

A panel discussion with Gary Wilder, Etienne Balibar, and Gayatri Chakravorty Spivak, moderated by Bachir Diagne

Gary Wilder’s book Freedom Time: Negritude, Decolonization, and the Future of the World (Duke University Press, 2015) reconsiders decolonization from the perspectives of Aimé Césaire (Martinique) and Léopold Sédar Senghor (Senegal) who, beginning in 1945, promoted self-determination without state sovereignty. As politicians, public intellectuals, and poets they struggled to transform imperial France into a democratic federation, with former colonies as autonomous members of a transcontinental polity. In so doing, they revitalized past but unrealized political projects and anticipated impossible futures by acting as if they had already arrived.

Gary Wilder is Director, Mellon Committee on Globalization and Social Change and Professor, Ph.D. Program in Anthropology and Ph.D. Program in History, the Graduate Center of the City University of New York. Joining him for this panel discussion are Etienne Balibar (Visiting Professor at the ICLS and Department of French, Columbia) and Gayatri Chakravorty Spivak (University Professor in the Humanities, Columbia), with Bachir Diagne (Chair of Department of French and Professor of Philosophy, Columbia) as moderator.

Event co-sponsored by the Columbia Maison Française, Institute of African Studies, and Institute for Comparative Literature and Society.

Bookmark and Share

British Pathé ~ Housing Problems (1973)


Location unknown – probably a Northern town in England.

Bookmark and Share

British Pathé ~ Housing Problems (1950-1959)


This is Pinewood Stock Cans material.

Bookmark and Share

Unilever ~ Young Entrepreneurs Are Changing The Game In India’s Slums

Image: Pollinate Energy

Image: Pollinate Energy

Katerina Kimmorely is the co-founder and director of Pollinate Energy. Based in Bangalore, the company sets up networks of micro-entrepreneurs to distribute sustainable technology (like solar lights and clean cookstoves) on payment plans to India’s urban poor.

n 2012, India experienced the largest blackout the world has ever seen. Over 700 million people, 10% of the world’s population, were plunged into darkness. The story grabbed headlines, but the daily reality did not: there are 400 million people in India with no access to electricity. Having just spent several months in Bangalore’s peripheral slum communities witnessing this hardship firsthand, the blackout was the catalyst for Katerina, 27, and her team to found Pollinate Energy.

Read more: https://www.globalcitizen.org/young-entrepreneurs-are-changing-the-game-in-india/

 

Bookmark and Share

The Kingdom Of The Netherlands In The Caribbean: 1954-2004. What Next?

KingdomContents

– Preface (see below)
Ernst M.H. Hirsch Ballin ~ Introduction
Lammert de Jong ~ Repairing a not so united Kingdom. Can it be done?
Denicio Brison ~ The Kingdom’s Charter (Het Statuut): Fifty years in the wilderness
Francio Guadeloupe ~ The Politics of Autochthony and Economic Globalization: seamy sides of the same coin
Denicio Brison – In reaction to Francio Guadeloupe
Francio Guadeloupe ~ The need for a critical imagination. In reaction to comments by Denicio Brison
Mito Croes ~ De ‘reinvention’ van het Koninkrijk
Douwe Boersema ~ 50 jaar Statuut en verder
Steven Hillebrink ~ Constitutional In-Betweenity: Reforming the Kingdom of the Netherlands in the Caribbean
Dirk Kruijt & Wim Hoogbergen ~ Suriname 1954-2004. Kroniek van een illusie
About the authors

Preface
This book contains a selection of treatises on the Kingdom of the Netherlands in the Caribbean, 1954-2004. The Netherlands Antilles and Aruba are part of the Kingdom of the Netherlands. The constitution of the Kingdom, Het Statuut (the Kingdom Charter), was formalized in 1954.
In anticipation of the 50th anniversary of the Charter for the Kingdom on 15th December 2004, a conference, workshops and a series of lectures were held in the Netherlands Antilles. On Sint Maarten, the Island government initiated a conference (22 October 2004), which also included representatives of neighboring islands (St. Kitts and Nevis, Anguilla, French St. Martin), to be followed, the next day, by workshops organized by the University of St. Martin. On Curaçao, the University of the Netherlands Antilles arranged a series of lectures for the general public in November and December 2005.
Most of the book is in English, part is in Dutch. This is a reflection of the language practice in the Kingdom of the Netherlands. On Sint Maarten the lingua franca is English. On Curaçao, a Dutch speaking national may lecture in Dutch, though a presentation in Papiamento would certainly add to the speaker’s standing. Notwithstanding, all lectures on Curaçao were in Dutch. The chapter on Suriname has been included in order to present a more complete picture of the Charter’s 50 years history.
The authors present a medley of interests in the Kingdom of the Netherlands: young scholars, seasoned academics, a former Aruban minister-plenipotentiary in the Netherlands and a former Dutch resident- representative in the Netherlands Antilles. The book’s Introduction is by Ernst M.H. Hirsch Ballin, a former minister of Kingdom Affairs and presently a member of the Council of State of the Kingdom. For many years he has maintained a deep-rooted and well documented interest in the Kingdom of the Netherlands in the Caribbean.

The book’s cover shows a picture of a statue of a black Caribbean woman wrapped in the colors of the Kingdom of the Netherlands.[i] We had some doubts about this choice of cover. Could it be labeled as frivolous, irreverent or missing the point? One of the authors convinced us that this statue reflects:
(…) that the Kingdom has been multi-ethnic for centuries; that people of all color have been part of Orange; and that this awareness is growing. This statue is gender sensitive by indicating the role women in colonial dress and head wrap have played in critically translating the Netherlands dominance so that Antilleans and Arubans while being victimized, did not see themselves as victims of history.
The statue symbolizes a new concept of the Kingdom of the Netherlands, and at the same time it explicates that since colonial times the borders of the Kingdom extend far beyond the North Sea. (Francio Guadeloupe)

With vigor and pleasure we have put this book together. Most of us knew each other in cyberspace only; some met for the first time in ‘hard copy’ on Curaçao and Sint Maarten. Very likely new bonds of scholarship have been fastened for the days to come. This book would not have seen the light without the 50-year Charter initiatives of the Island government of Sint Maarten (Sarah Wescot-Williams, Dennis Pantophlet, Dorothy Lake), the University of St. Martin (Josianna Fleming-Artsen, Maria van Enckevort) and the University of the Netherlands Antilles (Miguel Goede and Douwe Boersema). We and our readers owe them much appreciation. Only insiders know how hard it was to find the money to realize these initiatives. Auke van der Berg, Rozenberg Publishers, agreed to run the press again by stating: the future of the Kingdom is our niche.” So be it.

Lammert de Jong
Amsterdam, April 2005

NOOT
i. This statue was a complimentary present to friendly relations of a political party (C 93) on Curaçao that aimed to integrate the Netherlands Antilles as part of the Netherlands. Many years ago I had to honor to be invited on a Sunday morning on Curaçao to speak about various options of Kingdom relations and have since treasured this statue on one of the Caribbean bookshelves in my study. This party did not achieve this goal and the gist of this book does not deal with this option.

Rozenberg Publishers ~ ISBN 978 90 5170 195 1 – 2005

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives