image_pdfimage_print

Kleine dorpen ~ geen sociaal vangnet voor de meest kwetsbare ouderen

image_pdfimage_print

vpl_2016_4_17_24.inddOndanks de vergrijzing en verschraling van het voorzieningenniveau is het dorp nog altijd een aantrekkelijke woonplek voor de oude dag. Het sociaal vangnet biedt soelaas wanneer ouderdomskwalen zich aandienen. Bevestigt ook het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’. Maar niet voor iedereen, isolement en eenzaamheid is voor de meest kwetsbare ouderen een hardnekkig probleem, zelfs in kleine dorpsgemeenschappen.

Het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’ maakt deel uit van het onderzoeksprogramma De Sociale Staat van het Platteland (SSP). De afgelopen tien jaar is de sociale conditie van het platteland vanuit diverse invalshoeken onder de loep genomen in een reeks rapporten. Daarin lezen we hoe dorpen van karakter veranderen en gaandeweg ook stedelijke trekjes krijgen. In dit jongste rapport onderzoekt Lotte Vermeij van het SCP wat dorpsgenoten betekenen voor het groeiende aantal ouderen in dorpen. Een actueel thema in een tijdsgewricht waarin ouderen langer zelfstandig willen wonen, ook als zich gebreken aandienen. En de overheid uit financiële noodzaak de rem zet op de toenemende behoefte aan voorzieningen voor ouderen. Het gevolg hiervan is dat ouderen die hulp aan huis nodig hebben, in de toekomst steeds vaker een beroep moeten doen op de mensen in hun omgeving. Het SCP wil weten wat dit betekent voor ouderen in kleine dorpen waar voorzieningen speciaal voor ouderen doorgaans ontbreken. Hoe is het daar gesteld met de zelfredzaamheid? In hoeverre zijn dorpsgenoten bereid om bij te springen? Een andere reden om dit rapport tegen het licht te houden, is de vraag of grotere dorpen en steden op dit punt iets kunnen leren van kleine dorpsgemeenschappen? Zijn er overeenkomsten, of zijn de omstandigheden in kleine dorpen juist heel uitzonderlijk?

Eenzaamheid ligt op de loer
In ‘Kleine gebaren’ nuanceert het SCP het clichébeeld van het kleine dorp als een hechte gemeenschap waar ‘noaberschap’ vanzelfsprekend is en dorpsgenoten automatisch voor elkaar klaar staan. De enquête onder 7000 bewoners van dorpen met minder dan 3000 inwoners, wijst uit dat ouderen over het algemeen uiterst tevreden zijn met hun dorp, slechts een kleine minderheid ziet dat anders. Wel neemt het aantal contacten met dorpsgenoten op oudere leeftijd geleidelijk aan af. En hun beeld van het dorp wordt op oudere leeftijd iets minder rooskleurig. Ouderen die zichtbaar onthand zijn, kunnen op een helpende hand rekenen. De mate van aansluiting bij dorpsgenoten speelt niet zo’n grote rol bij de praktische hulp die ouderen nodig hebben. De waarde van contacten ligt op een ander vlak. Het onderhouden van dorpscontacten blijkt vooral een buffer te zijn tegen sociaal-emotionele problemen. Daar zit gelijk ook de grootste pijn bij de meest kwetsbare ouderen, met name bij bewoners die van een laag inkomen moeten rondkomen. Zij missen de aansluiting en raken hierdoor steeds verder in een isolement. En dan ligt eenzaamheid op de loer. Deze dorpsbewoners laten zich somber uit over de lokale omgangsvormen. En geven aan dat ze geen behoefte hebben aan hulp. Het laat zich aanzien dat deze ouderen hun verwachtingen al veel eerder naar beneden hebben bijgesteld. Read more

Bookmark and Share

Emily Badger ~ How To Make Expensive Cities Affordable For Everyone Again

image_pdfimage_print
Bay

Picture: www.zimbio.com

Last week, we wrote about a new report from the California Legislative Analyst’s Office that found that poorer neighborhoods that have added more market-rate housing in the Bay Area since 2000 have been less likely to experience displacement. The idea is counterintuitive but consistent with what many economists theorize: Build more housing, and the cost of it goes down. Restrict housing, and the cost of it rises. If you’re a struggling renter, you’re better off if there’s more housing for everyone.

Many readers responded by saying “of course! supply and demand!” as if we’d just uncovered the obvious. Many others responded “of course! supply and demand!” — by which they meant, facetiously, that market dynamics clearly don’t work this way in neighborhoods like the Mission in San Francisco, where poor residents feel pushed out by tech workers moving in.

Read more: https://www.washingtonpost.com/expensive-cities

Bookmark and Share

Emily Gordon ~ ‘We Are Nobody’s Diaspora’ — How Caribbean Culture Has Been Preserved

image_pdfimage_print
Photo: en.wikipedia.org

Photo: en.wikipedia.org

The art of storytelling is widely regarded as the oldest form of education, entertainment and cultural preservation.
In fact, some assert society can be transformed by storytelling.

Christopher Laird’s keynote address at the 18th Annual Africana Studies Student Research Conference and Luncheon explored this notion in Bowling Green State University’s Olscamp Hall Friday.
In his address “Nobody’s Diaspora? Africa in the Moving Picture Memory of the Caribbean,” the film producer, director and writer discussed how Caribbean culture has been preserved and shared through a digital archival process that has helped record aspects of Caribbean culture and politics and project it across the world.

The address’s title was inspired by Trinidadian author and activist Marion Patrick Jones, who spoke out against the concept of “being someone’s diaspora,” a scenario in which the effects of European and American colonialism and imperialism frames Caribbeans as  “overseas” Europeans, Indians, Chinese and Africans.

Read more: http://www.sent-trib.com/we-are-nobody-s-diaspora

Bookmark and Share

Adam Greenfield ~ Where Are The World’s Newest Cities … And Why Do They All Look The Same?

image_pdfimage_print
Ills.: en.wikipedia.org

Ills.: en.wikipedia.org

At present we share our planet with some 7.5 billion other human beings, and as swollen as that number may already sound, it is projected to hit 10 billion before levelling off sometime around the middle of the century.

Global population may never scale the vertiginous peaks foreseen in the panicky neo-Malthusian literature of the mid-20th century, chiefly Paul and Anne Ehrlich’s famous jeremiad of 1968, The Population Bomb. Nor will overpopulation’s effects, as they fold back against the cities of the global north, much resemble the apocalyptic depictions in the era’s pop culture; 1973’s Soylent Green, for example, opens with a title card informing the viewer that 40 million souls reside in the smog-choked New York City of 2022, and that seems more than a little hard to imagine now. But neither is it a state of affairs one can dismiss casually. Every last one of those 10 billion human beings is going to need a place to live.

Read more: http://www.theguardian.com/where-world-newest-cities

Bookmark and Share

Ik heb het beest in de bek gekeken. In gesprek met Frank Siddiqui

image_pdfimage_print

frankomslagFrank is geen vriendjesmaker. Hebben we ooit zo lang en persoonlijk met elkaar zitten praten als nu, op een paar nazomeravonden in 2015? Zelden. We liepen twintig jaar rond in hetzelfde circuit, kruisten elkaars wegen vaak, werkten dezelfde kant op – maar we deelden, denk ik, ook eenzelfde koppige arbeidsethos, een reserve tegen al te veel versluierende gezelligheid, misschien ook een zeker ontzag dat je bij wederzijdse bewondering wel eens in de weg kan zitten. Veel lange avonden met opgewonden gesprekken, drank en steeds wilder anecdotes hebben we dus niet gedeeld.

Maar je kan ook achteraf vaststellen dat je eigenlijk al jaren vrienden bent. Niet omdat je zoveel tijd met elkaar hebt doorgebracht, maar omdat je met terugwerkende kracht weet dat het altijd belangrijk was te voelen, ook op de momenten dat je zelf even de weg kwijt was of de energie zoek raakte, dat de ander in de buurt was en door hetzelfde vuur gedreven werd. Dat blijkt wel, nu we de geschiedenissen van ons persoonlijk engagement naast elkaar leggen.

Frank was er eerder bij dan ik. ‘Mijn missie, eind jaren tachtig’, zegt hij, ‘was meteen: de beelden die er van moslims bestaan accepteer ik niet.’ Afkomstig uit de kraakscene zag hij in die tijd weer perspectief op werk. Hij koos voor de journalistiek. Zijn scriptie aan de School voor Journalistiek in Utrecht ging over het beeld van moslims in de media.

Dat beeld recht te zetten, uit te breiden en er andere beelden tegenover te zetten, het werd de constante in het journalistieke werk dat hij daarna jarenlang uitvoerde: als verslaggever bij Trouw, in de werkgroep Migranten en Media van de NVJ, als mede-oprichter van het magazine Fast Forward, ‘voor Nieuwe Nederlanders met ambitie’.

Terugkijkend is het een helder verhaal. De ‘zoon van een islamitische werkelijkheid’ kwam te werken bij dagblad Trouw, als verslaggever met een vrije rol. ‘Ik wilde het beeld van moslims gaan nuanceren. Op de krant stonden die helemaal in het out-group perspectief. Er was geen identificatie mee, ze stonden erbuiten. De groep werd een soort. Heel begrijpelijk, maar je moet er wel iets aan doen. En dus stelde ik de vraag: hoe leven deze mensen, wat doen ze in het dagelijks leven? Tegenover de grote problematieken – huisvesting, werkloosheid, integratie, criminaliteit – moet je gewone mensen zetten. Niet vanuit het achterstandsdenken dat toen heerste in de linkse hoek. Dat was een en al zieligheid. Zo neem je mensen niet serieus. Ik wilde vooral de tweede generatie uit die sfeer van achterlijkheid halen. Wij dachten toen ‘onze’ arbeiderskinderen de universiteit bereikten, dat de emancipatie voltooid was. Maar nu kwam deze hele generatie eraan!’

Ik was in die tijd boekhandelaar. De Verloren Tijd, inmiddels Stichting Perdu, was mijn domein. Ik las ingewikkelde boeken, leerde ingewikkelde schrijvers kennen en gunde mezelf alleen op zondagmiddag wat afleiding. Als keeper van het tweede elftal van Arsenal in Buitenveldert. En mijn elftal zat vol met die tweede generatie: Youssef, Ahmed, Yassine, Khalid en de anderen. Marokkaanse Amsterdammers in de twintig. Leuke, praatgrage jongens, tegen een stootje bestand. Zielig kon ik ze moeilijk vinden, als ze weer eens vier man voorbij pingelden of die spits onderuit kegelden voordat hij het mij moeilijk kon maken.
Ik maakte mee hoe de schalen met zoetigheid binnenkwamen na een avondwedstrijd tijdens de ramadan. En het grappige was: op die bijna ongeletterde voetbalclub waren zij de enigen die niet raar opkeken als ik zei dat ik een boekwinkeltje had.

Vrijdagmorgen om half zeven komen de eerste moskeegangers aangelopen. In de Amstel lichten smeltende ijsschotsen op in de ochtendschemering. De moskee is alleen te herkennen aan twee kleine arabische bogen, midden tussen de woonhuizen. Een zwak verlicht uithangbord boven de ingang vermeldt de naam van God. Al kabir el maschid staat er in het arabisch boven: ‘De grote moskee’. Het bord staat scheef, aangereden door een vrachtwagen. Geld om het recht te zetten is er niet. (Trouw, 31 januari 1997, Frank Siddiqui en Esme Choho)

Omdat er een controverse woedde rond de Al Kabir moskee ging Frank verslag doen. ‘De grootste Marokkaanse moskee van het land stond op 200 meter van onze redactie aan de Wibautstraat. Wisten ze niet. Er werd kwaad gereageerd op mijn reportages. Henk Muller, de islamoloog van de Volkskrant, prikte zijn vinger in mijn borst: Jij praat met de vijand! Mohammed Rabbae was bang dat de Amicales er weer voet aan de grond zouden krijgen. Het moskeebestuur was radeloos. Hoe moesten ze dat beeld rechtzetten? Gewoon, dacht ik: be there, kijk maar. Ik zat bij de ramadan, bij de gebeden, tussen die honderden mannen. Het doordringende moment van het amen in zo’n dienst …’

Fatima Mernissi had een mooi boek geschreven over de hadiths: de apocriefe, niet opgeschreven uitspraken van de profeet. Ik ging praten met een groep vrouwen die de moskee bezochten over de invloed van die hadiths op hun leven. Als man. Journalistiek echt een hoogtepunt. Maar die klootzak van een Jaffe Vink zette er als kop boven: ‘Wij hebben gelukkig allemaal goede mannen.’ Het was allemaal heel emotioneel voor mij. Te emotioneel. En ik had me nog niet echt een sterke positie kunnen verwerven. Ik had goede credits, maar men twijfelde of ik echt dit onderwerp moest doen. Op een gegeven moment heb ik het losgelaten. Je loopt gewoon stuk.’

Plotseling, ergens midden in het gebed, beantwoorden de mannen de zang van de imam met aan langgerekt, geneuried amieeen. De toon wordt zo lang aangehouden, dat iedereen er haarzuiver op af kan stemmen. Een amen dat diepe snaren beroert.

Intussen werkte ik in De Balie aan het Leidseplein. Op een dag kreeg ik een telefoontje van het stadhuis. Salman Rushdie kwam op bezoek, of ik dat wilde helpen organiseren. De fatwa gold nog, de beveiliging was immens. In de gepantserde bunker onder de Stopera vroegen we aan Rushdie wat wij in Nederland konden doen om zijn zaak te helpen. Hij keek mij aan, met die lepe ogen, en zei: ‘Jij werkt toch in een debatcentrum? Organiseer het gesprek met de moslims in Nederland.’ En dus gingen we dat doen. Onhandig, op de tast, maar toch.

Adriaan van Dis, Ed van Thijn, Sajida Abdus-Sattar, imam Van Bommel, Haci Karacaer, een jonge Ahmed Aboutaleb, een nog jongere Fatima Elatik (die ook al opdook in Franks reportage over de Al Kabir moskee) – ze zaten er allemaal.
Frank was minder gehoorzaam. Minder gevoelig voor reputaties ook. ‘De Rushdie-affaire zorgde voor een aardschok in de media. Een psychologisch spel met ongelooflijk veel impact. Iedereen koos de kant van Rushdie. Kranten zijn echt gemeenschappen, intern ontloopt niemand de communis opinio. Er zijn leidende meningen, controversiële meningen en meningen die niet getolereerd worden. In dit geval was dat de tussenpositie, en die koos ik. Collega’s die vroegen of ik me al solidair had verklaard stelde ik een wedervraag: ‘Ik heb het boek nog niet gelezen, jij wel?’

Toen ik het eenmaal uit had groeide mijn ambivalentie: het is een prachtig boek, maar het is godslasterlijk. Je moet proberen te beseffen wat zoiets betekent als je dat in die cultuur parachuteert. In die context probeerde ik het te zien. Ik schreef een komisch stuk over een film die ik in Pakistan had gezien: slapstick op een eiland, waar de piraten jacht maakten op Rushdie. De bioscoop puilde uit, de mensen kwamen juichend naar buiten. Het was een feest. Mijn stuk viel helemaal niet goed op de redactie. Er woedde een cultuurstrijd.

De strijd tussen de goede en de slechte wereld. De Muur was gevallen, de Sovjet-Unie bestond niet meer. Zouden er nieuwe connecties ontstaan, of gingen we op zoek naar een nieuwe vijand? De islam, zei men, vormde een tegenbeeld van onze zuivere cultuur. ‘Die mensen hebben de Verlichting niet meegemaakt,’ klonk het, ‘ze hebben geen wetenschap.’ In die mal werden alle argumenten gearrangeerd. En dat is nog steeds zo.’

In die jaren was Anil Ramdas de ster van De Balie. Welsprekender, vindingrijker, invloedrijker dan de rest. Geen moslim, weliswaar, maar wel een gekleurde man. Hadden we onze eigen Salman Rushdie gevonden? ‘Anil was zeker een icoon voor mij,’ zegt Frank. ‘Een watervlugge denker, iemand die ook wel ruimte maakte voor anderen met een moeilijke achternaam. Ik had maar af en toe direct met hem te maken. Hij was kieskeurig in het samenstellen van zijn entourage, gewone journalistjes hoorden daar niet bij. We hadden wel raakvlakken: onze families kwamen uit hetzelfde gebied in India. Hij kon heel aimabel zijn, maar ook heel arrogant en neerbuigend.’

Frank koos zijn eigen weg. Hij vertrok bij Trouw en richtte in 2000 samen met Moustapha Oukbih en Özkan Gölpinar het nieuwe tweewekelijkse magazine Fast Forward op. ‘Zelf een blaadje maken, full-color, met goede fotografen, dat vond ik te gek. Dat was mijn derde weg. De missie was: de tweede generatie migranten is een volstrekt capabele, begeerlijke groep om in je bedrijf te hebben. Wij zouden dat laten zien, bedrijven gingen ervoor betalen. Alles vanuit de wens om te ontsnappen aan de benauwdheid van dat integratiedebat. Wij lieten mensen met high potential zien, die een plek verdienden in de echelons van het bedrijfsleven, waar die hele discussie niet bestond.’

Fast Forward was een hoopvol, overtuigend blad. Ik schreef een column en voelde me vereerd tussen zoveel nieuwe, getalenteerde gezichten te staan. Maar het liep niet goed af. Instortende reclamemarkt, onderlinge frictie, wat het ook was: Frank bleef met de inboedel zitten. ‘Dat kostte me een burn-out van twee jaar. Ik moest achteraf zeven ton subsidie verantwoorden. De allochtone Opzij: we waren er bijna, maar net op het moment van de grote sprong ging het mis. Dat heeft me geknakt.’

Ikzelf was toen al vertrokken bij De Balie, om te gaan reizen en schrijven. Meestal heb ik het er maar niet over dat ik ook geen zin meer had in de weerstand tegen nog meer kleur en diversiteit in de organisatie. Na 11 september en de moorden op Fortuyn en Van Gogh begonnen veel schrijvers en journalisten van mijn generatie het moeilijk te vinden de juiste toon en de juiste argumenten te vinden in een steeds feller, populistisch klimaat. De zelfgekozen dood van Anil Ramdas voelde haast als een symbolisch moment. Een moment om te kiezen: jezelf opnieuw uitvinden in het publieke debat of juist een heel andere richting opzoeken.

Hierover te praten met Frank, op een nazomeravond in 2015, betekent: eerlijkheid, opflakkerende woede, twijfel over het Nederland van nu, maar ook: op de teleurstellingen verworven mildheid, de mildheid van de open blik en de zekerheid dat die niet is aangetast, door niets en niemand.
‘De wereld van de media is killing. De moraal in dat vak is rampzalig. Als journalisten eenmaal bloed ruiken, gaan ze er allemaal op af. Kijk naar alle zogeheten moslim-woordvoerders die in de loop der jaren naar voren zijn getreden. Allemaal zijn ze in hun carrière geknakt. De gevangenis-imams, de
specialisten in de ziekenhuizen. Er dook iets uit hun verleden op, de werkgever werd gebeld, weg waren ze. Ik kan het niet anders zien dan als verholen racisme.’

‘Ik was moeilijk misschien, te solistisch, te eigenwijs. Maar ik heb het beest in de bek gekeken. En ik heb er geen spijt van. Niet dat ik in de media heb gewerkt, niet dat ik eruit ben gestapt. Het roer kan een aantal malen om, in het leven. Nu heb ik de liefde met Lonnie, ik heb Harcigny, de creativiteit daar, de vrienden om me heen. Door het boeddhisme heb ik een positieve kijk op leven én sterven. Je bent niet onveranderlijk, gelukkig, dat heb ik geleerd.’


Wat lukt is wat je wilt. Gesprekken met Frank Siddiqui. Eindred. Bart Top.
Rozenberg Publishers 2016 – ISBN 978 90 5170 770 0

Bookmark and Share

How China Studies Started In The Dutch East Indies

image_pdfimage_print

zegelLeiden University has traditionally been the seat of knowledge about South and Southeast Asia. Every year many students graduate here in the languages and cultures of China, Japan and Korea.

Sinologists
But how did this knowledge come to Leiden? To find the answer we have to go back to the Dutch East Indies, Koos Kuiper explains. His PhD defence on 16 February is based on an extensive archive and literature study of the early Dutch sinologists – or China experts.

As early as the colonial period, hundreds of thousands of Chinese people lived in the Dutch East Indies. They played an important role in the economy and indirectly swelled the koffers of the Dutch treasury. This also earned them some privileges. For example, the Chinese were to a certain degree governed by their own elders, and the Chinese council was responsible for registering marriages and funerals, and also dealt with minor civil and penal cases among the Chinese inhabitants.

Read more: https://www.universiteitleiden.nl/dutch-east-indies

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives