Bonushoofdstuk 2017-1 ~ Een nieuwe blik op de Generatie Z en op volgende generaties

Inleiding
Het boek over generaties gaat over een thema in de samenleving dat telkens weer nieuwe ontwikkelingen vertoont. Ook nu weer vereist een stel vernieuwingen de aandacht. Daarom brengt dit bonushoofdstuk onder de aandacht:
– Afstandswerken in een nieuwe vorm,
– Generatie Z in een nieuwe vorm,
– Volgende generaties en de methoden om de groei van het generatiepatroon te bestuderen,
– Slotbeschouwing en conclusies.

Nu al maken nieuwe ontwikkelingen het de moeite waard om het boek met nieuwe informatie aan te vullen. Een mooie rol voor het bonushoofdstuk.

Afstandswerken in een nieuwe vorm
Wie het toekomstige afstandswerken wil verkennen, moet met een aantal algemene eigenschappen rekening houden. Om te beginnen verdient de aandacht, dat afstandswerken in de regel overdag plaatsvindt. Dit gebeurt vooral omdat afwisselend overdag en des nachts werken als extreem vermoeiend pleegt te worden ervaren.

In de tweede plaats is van belang in de gaten te houden, dat afstandswerken in ons land en erbuiten nog steeds in een beginstadium verkeert. Het stel methoden dat ervoor nodig is verkeert nog pas in een beginstadium. Behalve verbetering van de methoden zijn maatregelen tegen hakken noodzakelijk. Ook moeten afstandswerkers voldoende contacten met collega’s en andere personen kunnen onderhouden om vereenzaming te vorkomen.

Ten derde mogen wij niet vergeten dat het doen van uitspraken over de toekomst van afstandswerken te lijden heeft onder de algemene opvatting dat het doen van voorspellingen over onderdelen van de samenleving niet goed mogelijk is. Deze opvatting is aanvechtbaar, omdat voorspellingen in heel wat situaties weldegelijk betrouwbaar en precies vallen te doen. Zoals ten aanzien van de toekomst van het afstandswerken.

Het eerste terrein dat in het boek is besproken bestaat uit onderwijs en coaching. Denk bijvoorbeeld aan het werk van de Open University. Studenten krijgen colleges via digitale communicatiekanalen. Docenten gaan vervolgens met de studenten in discussie eveneens met behulp van telecommunicatie. Afstandsonderwijs en afstands-coaching krijgen inmiddels een steeds grotere rol doordat afstandswerken steeds omvangrijker en belangrijker wordt. De aantallen afstandswerkers gaan sterk groeien. Het gaat steeds vaker om individuen die onderwijs, training en coaching nodig hebben.

Afstandswerkers zijn in toenemende mate relatief jonge werkers. Daarbij gaat het veelal om economische vluchtelingen uit veilige gebieden, die naar een goed inkomen streven. Om een verblijfsvergunning in een welvarend land te kunnen veroveren, doen zij zich vaak voor als politieke vluchtelingen. Het aantal van dergelijke afstandswerkers zal in de komende jaren enorm toenemen zodra de wereldwijde arbeidsmarkt beter van ondersteunende organisaties is voorzien. Bovendien zullen welvarende landen in toenemende mate hun grenzen voor economische vluchtelingen sluiten. Ook zullen deze landen economische vluchtelingen vaker gaan terugsturen naar hun thuisland, zeker indien is aangetoond dat het om veilige gebieden gaat.

Nieuwe en omvangrijkere vormen van afstandswerken zullen verder optreden in commerciële sectoren in de samenleving. Denk bijvoorbeeld nu al aan het programmeren door jonge afstandswerkers vanuit landen zoals Bulgarije in opdracht van ondernemingen in landen zoals Nederland. Beginvormen van dergelijke beroepsbezigheden zijn al in het boek behandeld. Nieuw is de te verwachten sterke groei als gevolg van het groeiende uitzettingsbeleid in Westerse landen. Hierbij gaat het om probleemvormen die nieuw beleid noodzakelijk maken. Bijvoorbeeld het meer inspelen op de wereldwijze arbeidsmarkt.

Vooral binnen de betrokken landen zullen nieuwe vormen van afstandswerken opkomen in de sfeer van gezondheidszorg en sociale dienstverlening. De aantalen hulpbehoevende senioren stijgen steeds sterker als gevolg van de vergrijzing. Hogere kosten van gezondheidszorg en thuiszorg dwingen eveneens tot het zoeken naar oplossingen.

Tenslotte verdient video surveillance de aandacht. Camera’s registreren alle bewegingen binnen het bewaakte terrein. Er zijn echter menselijke actoren noodzakelijk om de geregistreerde beelden te interpreteren en indien nodig maatregelen te nemen.

Generatie Z in een nieuwe vorm.
Niet alleen in het afstandswerken maar ook binnen Generatie Z zullen nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. Wat dit aangaat vereist vooral de toenemende werkdruk de aandacht. Ten eerste omdat leden van oudere generaties steeds meer een beroep op leden van Generatie zullen gaan doen. Digitaal aangestuurde apparaten worden immers steeds gecompliceerder als gevolg van de groeiende complexiteit van de betrokken software. Ten tweede omdat de leden van Generatie Z ook zelf steeds zwaarder belast zullen worden. Dit houdt verband met de groeiende complexiteit van de samenleving in het algemeen.

Verder is te verwachten dat ook de leden van Generatie Z zelf doorlopend nieuwe kennis en vaardigheden zullen moeten verwerven. Immers de informatica zal ook in de komende jaren stormachtig groeien. Gelukkig staat voor dergelijke bijscholing het afstandsonderwijs ter beschikking. Ook zullen de leden van Generatie Z moeten inspelen op nieuwe en gecompliceerdere apparatuur.

Nauw hierbij betrokken is de internationalisering van de mondiale en dus ook de Nederlandse samenleving. Hier ligt een nauwe samenhang met de groei van het afstandswerken. Afstandswerkers binnen Generatie Z zullen steeds vaker langs digitale weg opleidingen in andere landen in het Westen en in andere werelddelen gaan verzorgen. De hiervoor noodzakelijke kennis van het Engels is reeds aanwezig of is sterk aan het toenemen.

Volgende generaties en de methoden om deze groei van het generatiepatroon te bestuderen.
Dan vragen nu de generaties ná Generatie Z onze aandacht. Meestal duren generaties ongeveer twintig jaar en dus loopt Generatie Z thans ten einde. Er is nog geen duidelijkheid over eventuele ingrijpende structurele doorbraken in de samenleving die een nieuwe generatie kunnen inluiden. Wellicht blijven de onderdelen van Generatie Z nog een tijdlang beeldbepalend bestaan. Om een dergelijke ontwikkeling bespreekbaar te maken heb ik besloten om de nieuwe generatie aan te duiden als Generatie D, of Generatie Digitaal-Plus. Het gebruiken van deze naam maakt het mogelijk om hierna nieuwe generaties te voorzien met letters volgend op letter D in het alfabet. Aan een dergelijke letter verbonden kunnen nieuwe namen van generaties in gebruik genomen worden.

Wat valt nu reeds over Generatie D en haar opvolgers te zeggen? Om dit te verkennen komen nu een aantal hypothesen aan de orde.

Hypothese 1: In de komende cohorten zullen de leden in de formatieve periode in hun levensloop in elk geval te maken krijgen met nieuwe innovaties op het gebied van de informatica. De betrokken innovaties zullen voor een belangrijk deel in het verlengde van de voorafgaande innovaties liggen.

Hypothese 2: De naamgeving aan komende generaties zal wederom spontaan verlopen. Generaties zullen meerdere namen krijgen die algemeen inburgeren.

De eerste hypothese heeft betrekking op ontwikkelingen die betrekkelijk betrouwbaar en precies vallen te voorspellen. De waarschijnlijkheid van de te verwachten ontwikkelingen valt te onderbouwen door te wijzen op hetgeen tussen 1985 en 2017 is gebeurd met betrekking tot de informatica. Het betreft toenemende complexiteit en betrouwbaarheid. Verder toenemende toepasbaarheid in de praktijk in de samenleving. Ook toenemend inspelen op deze ontwikkelingen door vele leden van Generatie Z omdat dit inspelen sterk in het voordeel van deze leden werkt.

De tweede hypothese verwijst naar de gevolgen van het vrijwel geheel ongeorganiseerd plaatsvinden van structurering en benoeming van de betrokken processen. Er is thans geen reden om aan te nemen dat in deze gang van zaken verandering zal optreden.

Dan nu een specificatie van de methoden om de groei van het generatiepatroon te bestuderen. Deze methoden zijn in het bek uitvoerig besproken en dus is hier met een korte typering. Het gaat om een onderzoeksterrein dat het verzamelen van drie soorten informatie nodig maakt.

In de eerste plaats is informatie nodig die is gebaseerd op conventioneel empirisch maatschappijwetenschappelijk onderzoek. Het verzamelen van hypothesen en het toetsen van deze hypothesen in op het experimenteel model gebaseerde onderzoekshandelingen. Een voorbeeld vormt het bestuderen van aspecten van de cohorten die samen de babyboom vormen. Een tweede voorbeeld vormt ‘generational accounting’. Als derde voorbeeld kunnen de hoofdstukken in het boek dienen die op empirisch onderzoek zijn gebaseerd.

In de tweede plaats is informatie noodzakelijk die is gebaseerd op het rekening houden met de relatief omvangrijke aanwezigheid van ‘systeemruis’ in het onderzoeksterrein. Het gaat om dynamische systemen. Dergelijke dynamische systemen vereisen idealisaties. Wat houdt dit in? ‘Een deel van de werkelijkheid word geïsoleerd, irrelevante aspecten worden terzijde gelaten, invloeden van buitenaf worden verwaarloosd. Zonder zulke idealisaties zijn de natuurwetenschappen onmogelijk’. (H. Broer, Jan van de Craats en Ferdinand Verhulst, Chaostheorie. Utrecht 1995, blz. 141). Als voorbeeld kan naar deel een uit het boek worden verweven.

In de derde plaats is informatie van belang die tot het spraakgebruik van alledag behoort. Wie een voorbeeld zoekt kan het interview met mij over ‘generaties’ in De Telegraaf opzoeken dat op 4 maart 2017 wordt gepubliceerd.

Hypothesen komen meestal om te beginnen in de derde categorie naar voren en ondergaan vervolgens herformulering ten bate van toepassing in de tweede en/of de eerste categorie. De driehoek van deze drie categorieën is gebruikelijk ten aanzien van alle onderzoeksproblemen die veel systeemruis vertonen. In het boek over de chaostheorie lezen wij dat zelfs in de natuurwetenschappen het toepassen de dergelijke categorieën noodzakelijk is. De generatiesociologie zou onmogelijk zijn zonder de toepassing van de genoemde drie categorieën.

Slotbeschouwing en conclusies
Bonushoofdstuk 2017-1 illustreert dat het patroon van generaties telkens nieuwe trekken gaat vertonen. Het boek over het generatiepatroon moet dan ook regelmatig met nieuwe informatie aangevuld worden. Dit bonushoofdstuk vormt een onderdeel van deze doorlopende stroom van informatie.

Dit bonushoofdstuk maakt verder duidelijk dat in het boek twee onderzoeksterreinen met elkaar verbonden zijn. Enerzijds het afstandswerken. Anderzijds Generatie Z en haar opvolgers. Deze twee onderzoeksterreinen beïnvloeden elkaar doorlopend. Wie in onze tijd vat wil krijgen op het patroon van generaties zal aan deze twee onderzoeksterreinen aandacht moeten besteden. Populair uitgedrukt betekent dit: Er is grote kans dat de laatste economische vluchteling lid is van Generatie D en besluit om alsnog in zijn thuisland te blijven en van daaruit met behulp van afstandswerken in zijn levensonderhoud te voorzien.

Het bonushoofdstuk wijst er vervolgens op dat het generatiepatroon veel systeemruis vertoont en dat deze eigenschap het noodzakelijk maakt om een passend onderzoeksmodel toe te passen. De driehoek van ten eerste nauwkeurig en precies toetsend onderzoek telkens wanneer dit toepasbaar is. Ten tweede idealisaties om de kernelementen duidelijk te maken. Ten derde toepassing van het algemeen spraakgebruik om het omgaan met de betrokken verschijnselen in het leven van alledag gestalte te geven.

Tenslotte toont dit bonushoofdstuk aan dat het verdere leven van Generatie Z, plus de vermoedelijke levens van de hierop volgende generaties, heel wat trekken vertonen die in flinke mate voorspelbaar zijn.

Bookmark and Share

Zo zijn onze manieren ~ Visies op multiculturaliteit in Nederland ~ Inhoudsopgave

Geen multicultureel drama of naief multiculturalisme maar een realistisch optimistische kijk op multiculturaliteit in Nederland. Vanuit persoonlijke ervaringen of op basis van eigen onderzoek geven de auteurs van deze serie stof tot nadenken over wat ieders bijdrage kan zijn aan een samenleving waarin iedereen tot zijn recht kan en mag komen.
Deze serie artikelen roept ons op de moed te hebben om de Nederlandse samenleving te beschouwen als ‘onder voortdurende constructie’. De auteurs laten zien dat (voor-)oordelen en rigide uitgangsposities niet leiden tot het vaak bezongen ideaal van integratie, maar juist bijdragen tot een verdergaande polarisatie en onbegrip. Iedereen die gelooft in radicale zelfkritiek en respectvolle kritiek van andersdenkenden moet deze serie lezen. Rozenberg Publishers – 2007 – ISBN 978 90 5170 862 2

Inhoudsopgave
Francio Guadeloupe, Vincent de Rooij – Inleiding

Deel I – Het verleden: De wortels van het nu

Lammert de Jong – Tegen de autochtone klippen op
Gloria Wekker – Een Nederlands Fotoboek … Momenten in de multiculturele samenleving
Maria van Enckevort – When Coming Home is no longer a Home-Coming
Brada Kwasi Koorndijk – Multiculturaliteit in Nederland: gevangen in een web van definities
Vincent de Rooij – Multiculturaliteit en meertaligheid: Een kritische beschouwing van het Dutch-only vertoog
Thijl Sunier – What’s in a name?

Deel II – Het heden: Een kritische beoordeling

Feia Tol – De inburgeringscursus: Eenheid of verdeeldheid?
Lucia Lindner – Inburgeren in Ghanees transnationalisme
Yiufai Chow – Multiculturele schizophrenie: ‘Jij bent anders, jij bent Chinees’
Mattijs van de Port – De Islam bestaat niet
Francio Guadeloupe – De zon van multiculturaliteit: Accepteren van wie we zijn
Irene Stengs – Intercultureel intermezzo

Deel III – De toekomst: Bakens van hoop

Pien van Langen – Een smeltkroes in het verpleeghuis
Chantal Gill’ard – We zijn allemaal verschillend en dat blijft
Daan Beekers – Verwante vreemden: Jonge moslims in een ontkerkelijkte samenleving
Erna Kerkhof – Berichten uit Niksland
Jeroen de Kloet – Een pleidooi voor multiculturele vervuiling
Yolanda van Ede – Doggy hondjes
Peter Geschiere – Nawoord

Over de auteurs

Bookmark and Share

Zo zijn onze manieren ~ Inleiding

Inleiding
Dit boek wil op een kritische en onbevangen wijze kijken naar multiculturaliteit in Nederland. U leest het goed: multiculturaliteit, en niet multiculturalisme. Het –isme in multiculturalisme geeft aan dat het gaat om een ideologische stroming en dit boek wil niet de kritiekloze vertolker zijn van een specifiek politiek-maatschappelijk ideaal. De bijdragen in dit boek zijn bedoeld als kritische reflecties op de multiculturele staat waarin Nederland zich bevindt: die multiculturele conditie benoemen we hier met de term multiculturaliteit. Multiculturaliteit is geen politiek-maatschappelijk ideaal; het is een gegeven, een realiteit waarmee we ons moeten verhouden. En dat is precies wat de auteurs van dit boek doen: sommigen laten zien hoe moeilijk we het hebben met multiculturaliteit en wat de redenen daarvoor zijn; anderen zetten uiteen hoe mede-Nederlanders van verschillende afkomst door moeilijkheden heen elkaar leren kennen en waarderen en met elkaar tot nieuwe gedeelde praktijken komen; maar ook wordt duidelijk dat multiculturaliteit cultuurverschillen kan opleveren die niet of nauwelijks te overbruggen zijn en mogelijk kunnen leiden tot een nieuwe verzuiling van de samenleving. Dit boek geeft dus geen pasklaar antwoord op de problemen die onze multiculturele samenleving stelt; integendeel, de algemene strekking van de essays in dit boek is dat pasklare of eenduidige antwoorden op onze problemen niet bestaan. Het gemak waarmee vele politici spreken over integratie, Nederlandse identiteit, en eenduidige loyaliteit daaraan, is misleidend en gevaarlijk omdat het medeverantwoordelijk kan zijn voor processen die velen onder diezelfde politici willen stoppen: uitsluiting, xenofobie, politiek extremisme.

‘Zo zijn onze manieren…’ roept de vraag op over wiens manieren het in dit boek gaat. Natuurlijk klinkt in deze regel uit het bekende kinderliedje door dat dit ‘onze’ slaat op de mensen die het voor het zeggen hebben. In multicultureel Nederland zijn dat de witte Nederlanders die ieder die anders is dan zij simpelweg meedelen: dit is hoe wij het doen, als je mee wilt doen moet je doen zoals wij. Maar er is ook een meer subversieve lezing van het ‘onze’ mogelijk. Al die ‘andere’ Nederlanders kunnen immers ook zeggen: ‘zo zijn onze manieren…’.

Ook zij kunnen hun voorwaarden stellen aan de manier waarop wij met z’n allen, Nederlanders van allerhande komaf, met elkaar omgaan. Als iedereen gehoord wil worden en serieus genomen wil worden –en dat is toch waar het in een democratische, open samenleving om draait- moet dat ‘onze’ dus op alle Nederlanders slaan. Als dat zo is komt het integratiebetoog dat uitgaat van een denken waarin minderheden zich dienen te assimileren aan de dominante meerderheid, op losse schroeven te staan. Als we iedereen erbij willen houden zullen we ook naar iedereen moeten willen en kunnen luisteren, contact maken en conflicten aan durven gaan in een inter-culturele dialoog die kan, maar niet hoeft te leiden tot nieuwe manieren van denken en handelen. In plaats van veilig terug te vallen op starre gepolariseerde posities, roepen wij daarom alle Nederlanders op om de moed te hebben het contact en daarmee ook de discussie met anderen aan te gaan.

De auteurs van dit boek hebben de uitdaging opgepakt om buiten de tegenwoordig als veilig geldende grenzen van het assimilatiedenken te treden en hun mening te geven over multicultureel Nederland. Onder de auteurs bevinden zich wetenschappelijke onderzoekers, activisten, studenten, onafhankelijke intellectuelen, docenten, consultants, artiesten, en web chatters: een ratjetoe van mensen met verschillende politieke overtuigingen die niet onverschillig willen toezien hoe grote groepen in onze samenleving lijden door uitsluiting en discriminatie op basis van uiterlijke kenmerken, geslacht, seksuele geaardheid, religie, of klasse. ‘Wij’, de verzameling auteurs van dit boek vormen tezamen een kritische club, een collectief zonder ideologisch zwaartepunt of gedeelde dogma’s, een veelkleurige, multi-religieuze/multi-atheïstische verzameling van mensen die zeggen wat zij belangrijk achten, een nederige club ook die accepteert dat Nederlanderschap geen vaststaand gegeven is maar voor iedereen anders, voor elk van ons meervoudig en veranderlijk kan en mag zijn. Read more

Bookmark and Share

Tegen de autochtone klippen op

New York/Amsterdam, oktober 2007

I also noticed that strangers may live here, but on your conditions, your standards, your codes, your history, your enlightenment, and your ethics. You, who once was so versatile in how relative everything was, who knew how to survive surrounded by frenetic bombastic countries, are yourself becoming more and more snugly fixated on what you have and what you are, in stead of re-imagining strangers into a new community of wholeness. Charity you do, yes, lots of it. But you can only deal with us, the Third World, as charity and never as equals because you deeply believe: what you are, you have achieved by your hardworking selves, and what we are, is because we keep on lazily failing ourselves. (Antjie Krog, 2006) [1]

Démasqué
De confrontatie met niet-westerse nieuwkomers op het eigen terrein van de Nederlandse natie heeft geleid tot een démasqué van het tolerante Nederlandse ego van de Gouden Eeuw en het grenzeloze multinationale karakter van de Nederlandse handelsgeest. Het kosmopolitische aureool waarmee Nederland omgeven was heeft zijn glans verloren en veel van wat Nederland als klein land zo groot maakte staat thans ter discussie.

De verbeelding van Nederland, van wat Nederland is, van wat Nederland is geweest, wortelt diep. In de schilderijen van Rembrandt van Rijn, Rembrandt’s verbeelding dus, zou te zien zijn dat hij vrijzinnig en tolerant was.[2] Het immigrantenkarakter van de Dutch society in de Gouden Eeuw is door Jonathan Israël geboekstaafd.[3] Buitenlandse zeelui werkten in de havens en op de schepen. In het Amsterdam van de jaren 1650 trouwden meer buitenlandse mannen dan nieuwkomers afkomstig uit Republiek. Meer dan 40 procent van de zeelieden in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie kwam in de jaren 1650 uit het buitenland. De steden in Holland en Zeeland wedijverden om de Hugenoten uit Frankrijk, hun geld en vaardigheden. Hugenoten maakten 7 procent van de bevolking van de grootste steden uit.[4]

Jan Marijnissen stelt, en hij niet alleen, dat hier een traditie van tolerantie is die teruggaat tot de zeventiende eeuw en die te maken heeft met onze handelsgeest: ‘Het is een misvatting te denken dat Nederlanders in essentie racistisch zijn en discrimineren.’(cursief; ldj)[5] Ook Paul Scheffer heeft vertrouwen: ‘De meeste mensen hebben in beginsel niets tegen de aanwezigheid van migranten in Nederland en willen vreedzaam met hen samenleven.’(cursief; ldj)[6] Wordt met dit in beginsel en in essentie bemanteld dat het in de praktijk anders uitpakt? De kwestie van het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali werd in de buitenlandse pers geboekstaafd als ‘a victory for intolerance in Holland’. Haar boek ‘The Caged Virgin’ werd in New York geadverteerd met een melodramatische verwijzing naar ‘now abandoned by her adoptive country.’ De Nederlandse minister-president sprak van imagoschade.[7] De vrees het historische kapitaal van een tolerante natie te verliezen is terecht, maar er is veel meer aan de hand. Jan Latten oreert dat Nederland zwanger is van segregatie en benadrukt dat normen, óók die over segregatie, kunnen veranderen, óók in Nederland.[8] De beeldvorming van de nieuwkomers wordt bewust gederailleerd om een overtrokken Nederlands cultuurbegrip te consolideren. Het gedrag van populistische politici biedt rugdekking aan sluimerend xenofoob gedrag; inderdaad, het wordt daardoor gelegitimeerd. De Nederlandse politiek schrikt er voor terug vreemdelingenhaat en racisme aan de kaak te stellen.[9] Het buitenland kijkt verbijsterd toe; Nederland lijkt een bange, kleinburgerlijke natie.[10] Het poldergepruttel van de Nederlandse natiestaat over vreemde (-lingen) zaken is niet van deze tijd. Read more

Bookmark and Share

Een Nederlands Fotoboek ~ Momenten in de multiculturele samenleving.

Voor Kwame Nimako[i]

I. Artis, 1954
In ons familiefotoboek zit een serie kiekjes van een bezoek dat het gezin Wekker aan Artis bracht. Het moet in de zomer van 1954 geweest zijn. Artis is onze buur, want we wonen op een bovenwoning in de oude Joodse buurt, op de Plantage Kerklaan. Eind 1951 migreerden we vanuit Suriname. Mijn vader, die hoofd van de recherche in Paramaribo is, wil in Nederland rechten studeren.

Oom Erwin en tante Nita uit Paramaribo zijn die zomer voor zaken in Nederland en ter gelegenheid daarvan vindt het uitje naar Artis plaats. Tante Nita heeft, met haar pas aangeschafte toestel, de zwart-wit foto’s genomen. Het is een zomerse dag, getuige onze lichte kleren en hier en daar valt zonlicht op de hoge bomen, die Artis omzomen. Onze ouders zijn niet te zien op de foto’s, alleen wij, vijf kinderen. Mijn oudste broer is 11, ik ben 4 jaar oud. De twee jongens dragen broeken tot op hun knie en de drie meisjes, van wie ik de jongste ben, hebben geruite plooirokjes en witte sokjes aan. Wij hebben pijpenkrullen en mijn moeder heeft elke morgen een uur werk aan het oliën en het in de krul draaien van ons haar. Het ergert haar verschrikkelijk als onbekenden ons willen aanraken; met name onze gezichten en ons haar nodigen daar kennelijk onweerstaanbaar toe uit. Regelmatig wordt er geroepen dat we “net poppen” zijn.

Op een van de foto’s staan wij in een kringetje rondom een ezeltje. Vooral de jongste kinderen hebben een uitdrukking van verrukking op hun gezicht. Op de volgende foto zit ik vóór mijn zus Dulci op de ezel, allebei met een stralende lach, die bij haar het fietsenrek in haar mond blootlegt.
Maar wat die foto uniek maakt is dat een deel van de omgeving is meegenomen. Misschien wilde tante Nita iets vastleggen van de vreugde die het moment uitstraalt. Want aan de randen van de foto is te zien dat een menigte witte mensen zich om ons heen heeft verzameld: mannen maar vooral vrouwen, aan wie nog de naoorloogse sfeer van armoede en troosteloosheid kleeft. Maar voor even is de zon doorgebroken: terwijl wij naar het ezeltje kijken, kijken zij naar ons, met evenveel verrukking en overgave.
Zwart, of bruin(-tje) zoals het toen nog heette, is leuk als het klein en schattig is. Ook onder een aantal andere omstandigheden is zwart leuk. Als het amusant is en zich voegt in stereotype beelden; als het atletisch is, maar met weinig tekst en zekere geen kritische tekst; mooi en exotisch mag ook, graag zelfs. Maar meestal is zwart niet leuk en zeker niet als het zelfbewust is.

II. Polderen, 2005-2006.
Iets van die verrukking voor het vreemde, het exotische, was nog steeds waar te nemen in debatten of berichtgeving waarin het tweede kamerlid voorde VVD Ayaan Hirsi Ali een rol speelde. Dat was niet het enige vertoog dat circuleerde met betrekking tot Hirsi Ali, maar het was wel constant en invloedrijk sinds zij haar opwachting maakte op het Nederlandse politieke toneel. Hirsi Ali werd opgeroepen als een mooie, intelligente, welsprekende Afrikaanse prinses. Hoewel het haar als prinses aan niets ontbrak, was zij zo nobel dat zij eigenhandig het feminisme ten behoeve van minder bedeelde Islamitische vrouwen uitvond en in haar eentje ter hand nam. Het was een grote schande dat nog nooit iemand zich over de problemen van deze vrouwen had uitgelaten, zo heette het, en ook Ayaan zelf droeg niet weinig bij aan deze indruk. Als ze al eens iemand citeerde waren dat steevast witte mannen, Voltaire, Bernard Lewis, Bolkestein (Moors 2005), niet direct degenen aan wie het feminisme schatplichtig was, maar ja, een kniesoor die daarop lette. Hirsi Ali was een geleerde, een een- en- twintigste eeuwse incarnatie van Voltaire. In dit vertoog was zij een mengeling van een koninklijk zwart fotomodel, voorzien van een allercharmantst accent, en een geleerde, kortom een buitengewoon aantrekkelijk object van adoratie, een symbolisch “ons-soort–mensen”. Read more

Bookmark and Share

When Coming Home is no longer a Home-Coming

Life can only be understood backwards, but it must be lived forwards.
Søren Kierkegaard, Journals

Geboren en getogen in de provincie Limburg moest ik Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) leren spreken tijdens mijn kleutertijd. Degenen die het Limburgse accent nooit konden kwijtraken zouden levenslang worden beoordeeld – of is het veroordeeld? – als lijdende aan een “boerse afwijking”. Alsof beschaafd en accent niet samengaan, of erger nog elkander zouden uitsluiten? Een opvatting waarmee mijn Antilliaanse partner, en met hem vele andere nieuwkomers in de Nederlandse samenleving, wordt gekonfronteerd als gevraagd wordt “Bent U al lang in Nederland? Waar hebt U zo goed Nederlands leren spreken?”

In de jaren zestig, tijdens mijn eerste poging tot studeren aan de toen nog Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, ben ik mijn Limburgse accent snel kwijtgeraakt. Afkomstig uit een agragrische gemeenschap, met als zogenaamde verdienste de eerste studente te zijn aan een niet-katholieke universiteit in het zondige Amsterdam van de provo’s, wenste ik elke associatie met mijn afkomst als ‘boerentrut’ te vermijden. Verblijf in het buitenland en functionele meertaligheid hebben het accent nog verder verwaterd zodat niemand meer horen kan waar ik vandaan kom als ik Nederlands spreek. “Je kunt echt niet horen dat je uit Limburg komt” wordt verondersteld een kompliment te zijn. Waar hebt U zo’n ‘Beschaafd’ Nederlands leren spreken?

Nu ik – tegen de zestig – terugblik merk ik echter dat mijn Limburgse roots sterker zijn dan de Nederlandse nationaliteit. Dit is mede beinvloed door het feit dat ik bijna de helft van mijn leven in s’Nederlands Overzeesche Gebiedsdelen heb doorgebracht. Het Engels is mijn eerste taal geworden en als ik Nederlands spreek en schrijf (iets wat ik nog zelden doe) maak ik me steeds meer schuldig aan germanismen en anglicismen. Desondanks had ik moeite om op het Net te lezen dat Wilders zoveel stemmen had verkregen in Limburg omdat hij “ein vaan us” zou zijn. Die moeite had te maken, niet alleen met de manier van schrijven [ien van ôs, zou ik geschreven hebben], maar meer nog met het feit dat ik niet langer weet wie bedoeld wordt met “us / ôs”.

Sinds vijfentwintig jaar is Sint Maarten home. Ik woon en werk hier in de sector onderwijs. Ik stem en betaal belasting (ja, dat doet men hier ook!). Betrokkenheid bij het gebeuren in de gemeenschap is bepalend om een gevoel van thuis te hebben; zowel voor mezelf als voor de gemeenschap. In het begin leek dit thuisgevoel bepaald te worden door de keuze tussen een tropical paradise or an icebox – wat niet moeilijk was. Ik herinner me mijn eerste bezoek aan Nederland en de woorden van De Génestet:

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!
Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter


  • Ads by Google
  • Archives