Träume ich von Israel

Mati Shemoelof. Ills. Joseph Sassoon Semah

Träume ich von Israel
frag ich mich, was kann noch werden
ich will bessere Nachrichten in der Zeitung lesen
mein Arabisch aufbessern, mit ihm Frieden schließen

ich will in Gaza meine Gedichte lesen, dann in den Nahostzug steigen
in Haifa halten (‘n paar Kleider und Bücher nehm ich mit)
und zur Überraschungsparty meiner Großmutter fahren
in Bagdad

Denk ich an Israel,
an ihren Beitritt in die Nahostunion,
die, wie die europäische –
Israel, was lachst Du mich aus,
Wirklichkeit zeugt doch für das unsichtbare Ringen der Träume

Ich will dahingleiten, frei in der Luft, die sich zwischen Haifa und Beirut erstreckt
will, wie die Wandervögel, ganz Europa durchwandern, Asien und Afrika,
ohne Paß, ohne Nationalität wissen sie mehr über uns,
als wir je wissen werden

unsere Konflikte und Probleme kennen sie
und kommen doch jedes Jahr aufs Neue zurück
(muß leider gerade lesen sie werden weniger)

Träume über Israel, ganz gewöhnliche,
ich phantasiere über Möglichkeiten,
Dich neu zu dichten.

Mati Shemoelof – Bagdad, Haifa, Berlin. Gedichte. AphorismA Verlag, Berlin, 2019. ISBN 978 3 96575 076 1

Bookmark and Share

Mati Shemoelof & Joseph Sassoon Semah ~ How to Explain Hare Hunting To A Dead German Artist

Joseph Sassoon Semah, How to Explain Hare Hunting to a Dead German Artist, February 24, 1986. Photography: Olaf Bergmann. Courtesy of Joseph Sassoon Semah

Tohu Magazine, February 6, 2019. Joseph Sassoon Semah, a Baghdad-born artist who now lives and works in Amsterdam, is about to embark on an extensive multi-site project, in Amsterdam, Jerusalem, and Baghdad. Berlin-based poet and author Mati Shemoelof talks with him about his years living as an artist in Israel versus being a Babylonian Jew and an artist in Europe. They discuss Judaism, diaspora, exclusion, and acts of concealment and building.

The artist Joseph Sassoon Semah has never before given an interview to an art publication in Israel. The Israeli art world has not adequately recognized his work. Although he showed in several important institutions in Israel and worked with key curators, it was negligible compared with the scope of his oeuvre, especially following his move from Israel to Europe. What would have happened had he stayed in Israel? Was he stumped by his diasporic state or was he ahead of his time in dealing with the Jewish component of his art? It is not merely an objective issue to be measured by the number of exhibitions, but rather the artist’s subjective sense of his position in the art field. I gather from Semah that he has remained on the outside, beyond the walls of Jerusalem. In Europe, too, and especially in the Netherlands, his work is not widely known yet. This interview stems from my own interest in Semah’s identity (we are both of a Jewish Iraqi descent) and his work, but also as an intra-European process of an artistic, inter-generational analysis attempting to formulate the role of Jewish culture in Europe.

Semah was born in Baghdad, Iraq, in 1948. His grandfather, Hacham Sassoon Kadoorie, was the chief rabbi of Baghdad’s Jewish community until his passing in 1971, even after they had all emigrated. In 1950, Semah and his family were uprooted from Iraq, and they moved to Israel. He grew up in Tel Aviv. Traumatized by his military service in the 1967 and 1973 wars, he chose exile and has been living in the Netherlands since 1981. The grandfather’s continued residence in Baghdad, along with some 20,000 more Jews, brings to mind Semah’s own position in Amsterdam (his grandfather did not immigrate to Israel, and Semah emigrated from Israel – both had chosen a diasporic existence as a Jewish minority under a Muslim/Christian majority), where he now lives with his partner, Linda Bouws. She runs the institute they co-founded, Metropool – Studio Meritis MaKOM: International Art Projects. My grandmother, Rachel Kazaz, had also been among the displaced Baghdadi Jews. My acquaintance with the pain and the uprooting enabled me to write about the mysterious affair that drove the Jews of Iraq to abandon their property, their culture, and their way of life within just a year; the affair that involved bombing Jewish centers in Baghdad, including the synagogue of Semah’s grandfather.[1]

Read more

Bookmark and Share

Stijlcitaat of plagiaat? Een vergelijking tussen Godfried Bomans en andere auteurs in 2 delen

Maarten t Hart. Foto: wikipedia

I.
Is men het, dan is men het ook – Onmiskenbare overeenkomsten tussen het werk van Dickens en van Bomans en ’t Hart

Wanneer is er nog sprake van inspiratie en wanneer van leentjebuur? Wanneer is iets een  literair stijlcitaat en wanneer ouderwets jatwerk? De grens tussen je laten souffleren of je laten inspireren is zelden scherp.

Om een verhaal of roman te schrijven put een auteur behalve uit zijn fantasie ook uit zijn eigen ervaringen. Daaronder vallen ook zijn leeservaringen. Elke schrijver is beïnvloed door de werken die hij gelezen (en vooral herlezen) heeft. Die invloed blijkt doorgaans uit verwantschap in thematiek, symboliek en stijl. Veel lastiger is het passages te vinden waarin concrete overeenkomsten zijn aan te wijzen tussen het oorspronkelijke werk en dat van een schrijver die met dat werk bekend is. En nog lastiger – maar wel intrigerender – is de vraag die in het verlengde daarvan ligt: wanneer is er nog sprake van beïnvloeding en wanneer van kopieerlust of plagiaat?

Als we plagiaat niet beperkt definiëren – d.w.z. als het woordelijk overnemen van (fragmenten uit) werk van anderen, maar daaronder ook laten vallen het aantoonbaar van beelden gebruik maken en uit de sfeer lenen van andere auteurs, blijkt dat de grens tussen wat nog wel geplagieerd is en wat (nog net) niet, niet alleen vaag is ook maar subjectief.
Dat bleek mij toen ik twee fragmenten van Dickens vergeleek met de corresponderende fragmenten uit werk van twee Nederlandse auteurs, Maarten ‘t Hart en Godfried Bomans, beide erkende Dickens-kenners.
Bij ‘t Hart viel me een passage op die me sterk deed enken aan een scene in het tweede hoofdstuk van Great Expectations (1861):

My sister had a trenchant way of cutting our bread-and-butter for us, that never varied. First, with her left hand, she jammed the loaf hard and fast against her bib – where it sometimes got a pin into it, and sometimes a needle, which we afterwards got into our mouths. Then she took some butter (not too much) on a knife and spread it on the loaf, in an apothecary kind of way, as if she were making a plaister – using both sides of the knife with a slapping dexterity, and trimming and moulding the butter off round the crust. Then, she gave the knife a final smart wipe on the edge of the plaister, and then she sawed a very thick round off the loaf: which she finally, before separating from the loaf, hewed into two halves, of which Joe got one, and I the other.

Deze opmerkelijke manier om een boterham te smeren en af te snijden – in die volgorde – keert terug in Maarten ‘t Harts roman De droomkoningin (1980):

Zo zat ik even later met tante Riekie in de kleine huiskamer achter de winkel. Al dadelijk zag ik dat ze alles veel te woest deed. Bovendien smeerde ze het brood op een wonderlijke manier. Met het broodmes deed ze een woedende uitval naar de botervloot, zwaaide dan de van een grote geleklodder voorziene punt naar het brood toe en smeerde het brood op het snijvlak. Daarna pas sneed ze de boterham af.
Vol verbazing staarde ik naar deze ongebruikelijke gang van zaken. Toen ze opnieuw wilde beginnen,
merkte ik op: ’Je moet eerst de boterham eraf snijden.’
’Wel allemachtig, klein kreng, wat zal ik nou beleven? Zal ik niet weten hoe je brood moet klaarmaken? Ik heb al in duizenden gezinnen gebakerd, ik ben hier ook al geweest.’
’Wanneer?’ vroeg ik verbaasd.
’Toen jij geboren werd.’
‘Toen ik geboren werd?’
‘Ja.’
‘Heb je de engel gezien die mij gebracht heeft?’
’Engel? Engel? Allemachtig, moet je zo’n kleine snotneus horen! Hier, je boterham. Wat wil je erop?’
’Kaas.’
‘Kaas? Op je eerste boterham al kaas? Wat een verwennerij! Daar doe ik niet aan mee, jij eet maar netjes basterdsuiker op je eerste boterham. Het geld groeit hier niet op jouw vaders rug.’
‘Van mijn moeder mag ik wel kaas op m’n eerste boterham.’
‘Niks mee te maken, verwend kreng. Eerst bruine suiker.’
Met twee armen en handen tegelijk was ze in de weer om mijn boterham van bastaardsuiker te voorzien. Ze stampte zelfs met haar voet. De suikerpot vloog door de lucht alsof hij gevleugeld was; haar armen in de zwarte mouwen fladderden als roeken over de tafel en de kromme, gesnavelde vingers stortten de suiker op en vooral naast de boterham zodat het leek of alles werd omgekeerd: daar lag het sneeuwwitte tafellaken en nu daalde er bruine aarde op neer. Met het broodmes plette ze de suiker op de boterham tot een gladde bruine ijsbaan. Toen zette ze hem voor mij neer. Ik keek naar al die platgeslagen suiker en zei laconiek, terwijl ik het bord waarop het brood lag, wegduwde: ‘Dan hoef ik niet.’

Read more

Bookmark and Share

Tamar Morad, Dennis Shasha & Robert Shasha ~ Iraq’s Last Jews: Stories Of Daily Life, Upheaval, And Escape From Modern Babylon

Palgrave Studies In Oral History- 2008 – Series Editors’ Foreword
In another book in the Palgrave Studies in Oral History series, Soldiers and Citizens, an Assyrian Christian explains how his group in the Iraqi town of Dora was threatened with death if they didn’t convert to Islam or pay a special tax or abandon their homes and leave within 24 hours. He remarked, “I heard there was talk of doing to the Christians what they did to the Jewish in the 1940s.”1 The year 1941 witnessed the Farhoud, a Nazi-inspired pogrom, which began a series of events that propelled a Jewish exodus from Iraq. Of the approximately 137,000 who resided in Iraq during the early 1940s, 124,000 had fled, most to Israel, by 1952. The relatively few left behind suffered as a result of the Six Day War in 1967 when Iraq restricted their movement, jobs, and opportunity to communicate in and outside of the country. Some suffered imprisonment and torture. Hence, the once vital and vibrant Iraqi Jewish community had all but disappeared from its homeland by the 1970s. Oral histories have widely documented the Holocaust, but the stories recounted in this volume are less well-known and serve to expand our knowledge of Middle Eastern Jews outside of Israel. Oral history is particularly well suited to capture the drama and trials of this historical experience and to humanize the past condition of a community that exists in exile. With American attention focused upon Iraq as a consequence of two recent wars, public curiosity about that nation will benefit from these accounts. Iraq’s Last Jews joins a number of other volumes in this series that consider issues of world-historical significance. Whether it be the contemporary Iraq War or the decades-past Chinese Cultural Revolution, or any number of other topics, the series encourages the employment of oral history to investigate the memories of ordinary and extraordinary people in order to make sense of past and present.
Bruce M. Stave University of Connecticut – Linda Shopes Carlisle, Pennsylvania

Preface
Some 2,500 years after the first Jews established roots in Babylon, the once-vibrant and prosperous Jewish community of Iraq has disappeared. A community that numbered close to 140,000 in the late 1940s—and comprised fully one-third of Baghdad’s population—consisted of a mere 20 when U.S. tanks rolled into the Iraqi capital in 2003. Today, fewer than ten Jews remain in Iraq. Yet as late as the 1920s and 1930s, Iraqi Jews felt the heady potential of full equality in a secular society for the first time in their long history of subordination to Muslim rulers. From music to politics to commerce, Jews played a major role in Iraqi society and culture. For centuries after the destruction of the Second Temple in Jerusalem, Babylon was the world’s epicenter of Jewish life and religion—the place where the Babylonian Talmud was written and where rabbis from across the region and Europe came to learn from the most scholarly sages. But the community dissolved in the middle of the 20th century when pro-Nazi forces, Arab nationalism, and the formation of Israel led to violence against and a general sense of insecurity among Iraqi Jews, causing them to flee, mostly over the course of about a year and a half. This book tells the story of that last generation, people who in many cases grew up with strong patriotic feelings but were always prepared for a future beyond Iraq’s borders—just in case. The storytellers of these first-person accounts vary as widely as any group of Jews does, reflecting the breadth and texture of the community: wealthy businessmen and Communists, popular musicians and reformist writers, Iraqi patriots and early Zionists. Many had close friends among the Muslims and Christians of Iraq of whom they speak warmly. They tell the tales of a people with a love for their birth country that persisted even as they were forced to leave their homes. The story of the final decades of the Jewish community in Iraq divides into three periods. First is the period before 1939 when the Jews in Iraq saw themselves as part of the Iraqi national fiber in government, commerce, and the arts. That ended verbally with the rise of Nazi influences and violently with the Farhoud, a pogrom against the Jews, in 1941. Second is the period between then and 1953 when Arab hostility toward the new state of Israel turned most Jews into Zionists and the vast majority of the community left. The final period records an Iraq that drifted towards increasingly autocratic leadership, culminating in the sadistic dictatorship of Saddam Hussein, with the Jews often playing the role of scapegoat. Finally, the book closes with several moving retrospectives of the community. These stories are sometimes funny, often tragic, touching, and insightful. Readers will find that the editors, in addition to recording descriptions of daily life, have also uncovered acts of heroism, adventure, and intrigue: from the undercover Israeli agents who helped orchestrate the mass emigration of Iraqi Jews to the young Jewish state at mid-century, to those who argued for the lives of their loved ones in the brutal prisons of Saddam Hussein. What has been compiled here, ultimately, is a book about quiet bravery in times of distress and a celebration of the possibility of peace.

Copyright © Tamar Morad, Dennis Shasha, and Robert Shasha, 2008. All rights reserved. First published in 2008 by PALGRAVE MACMILLAN® in the United States—a division of St. Martin’s Press LLC, 175 Fifth Avenue, New York, NY 10010.

The complete book: https://epdf.pub/iraqs-last-jews-stories-of-daily-life-upheaval-and-escape-from-modern-babylon-pa.html

Bookmark and Share

Sinan Çankaya ~ Mijn ontelbare identiteiten

Sinan Çankaya Ills.: Joseph Sassoon Semah

Sinan Çankaya krijgt een uitnodiging te spreken op het veertigjarige jubileum van zijn oude middelbare school in Nijmegen. De uitnodiging vormt de rode draad in ‘Mijn ontelbare identiteiten’ waarin hij zijn verhaal vertelt tegen de achtergrond van de debatten over integratie, cultuur en racisme. Jeugdobservaties wisselen zich af met observaties over identiteit.
Het is een gevecht tussen wortelen en vluchten, tussen ‘wij’ en ‘zij’, tussen straat en school, tussen erbij en er niet bij horen, tussen individualisme en collectivisme. Op de dag van de jubileumviering, waarin hij zijn voormalige geschiedenisleraar Nico Komst weer ontmoet,ooit de tweede man van de extreemrechtse Centrumpartij, vertelt hij zijn verhaal. ‘Mijn ontelbare identiteiten’ is het literaire debuut van Sinan Çankaya.

Nederland ziet zich wel als tolerant, maar Sinan Çankaya ervaart de werkelijkheid anders: een werkelijkheid met alledaags racisme, mediageweld, politieke koehandelaars, en bevooroordeelde journalisten.
Alhoewel hij in Nederland is geboren, voelt hij zich een ronddolend lichaam zonder wortels.
‘Ik heb een lichaam dat niet helemaal Nederlands blijkt te zijn, en daar word ik steeds aan herinnerd.’
Hij is veroordeeld tot niemandsland. Hij is opgegroeid met het idee van vaderlandslievend te moeten zijn, want een ’goede Turk’ is trots op zijn oorsprong, volk en vlag. Voor zijn ouders was die identiteit heel echt. Als zestienjarige dacht hij ook zo, als dertienjarige droeg hij een gouden halsketting met de Turkse vlag. Op school werd hij beschouwd als ‘Turk’, verantwoordelijk voor alle kwesties over Turken en Turkije.
In de moskee slaat de iman hem omdat hij de verzen te Nederlands uitspreekt.

Toen hij culturele antropologie ging studeren en een andere wereld leerde kennen, veranderde hij radicaal, werd hij migrant binnen zijn eigen familie, de pijnlijkste vorm van verplaatsing.
Maar ook na de coup in Turkije in 2016 wordt hij voor Turk uitgemaakt. Hijzelf is euforisch als Turkije van Nederland wint in een voetbalwedstrijd. Toen hij onderzoek naar diversiteit en discriminatie binnen de politieorganisatie ging doen, werd hij voor de organisatie niet meer ‘lid van de familie’ maar ‘de ander’. Zijn kritiek op het politieapparaat werd niet gewaardeerd.
Ook als docent wordt hij als te radicaal ervaren.

Identiteiten zijn niet van onszelf, ze bevinden zich tussen onszelf en anderen in. Het zijn schuivende identiteiten, de situatie bepaalt of je ergens bij hoort, aldus Çankaya.
Sinan Çankaya laat in ‘Mijn ontelbare identiteiten’ hoe moeilijk het is jezelf te definiëren in een wereld waar andere mensen steeds hun vooroordeel over je klaar hebben, je nog steeds niet bij Nederland hoort. Wat is dan je eigen bewegingsvrijheid? We worden niet alleen gedefinieerd, maar we definiëren ook onszelf. Hoe vind je een weg door het mijnenveld van identiteiten?
Zijn antwoord is dat opgelegde identiteiten je nooit helemaal kunnen vastgrijpen en verankeren.

Mijn ontelbare identiteiten is een confronterend verhaal over opgroeien in Nederland als kind van migranten.

Sinan Çankaya – Mijn ontelbare identiteiten. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2020. ISBN 9789403184005

Sinan Çankaya is cultureel antropoloog en schrijver. Hij werkt als universitair docent aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Çankaya  geeft colleges Bestuurswetenchappen en Politicologie

Bookmark and Share

Philip Roth ~ The Plot Against America

About The Plot Against America
Set in Newark, New Jersey, in the early 1940s, The Plot Against America tells the story of what it was like for the Roth family and Jews across the country when the isolationist aviation hero Charles Lindbergh was elected president of the United States. Roth’s richly imagined novel begins in 1940, with the landslide election of Lindbergh, who blamed the Jews for pushing America toward war with Nazi Germany. Lindbergh’s admiration of Hitler and his openly anti-Semitic speeches cause increasing turmoil in the Roth household, and in nine-year-old Philip, as political events at home and abroad overtake their daily lives. Alvin, the orphaned nephew the family has taken in, runs away to Canada to fight the Nazis. Sandy, Philip’s older brother, ascribes his parents’ fears to paranoia and embraces Lindbergh’s Just Folks program, which sends him and other Jewish children to live in the “heartland” for a summer. Philip’s mother, Bess, wants the family to flee to Canada before it is too late to escape. But his fiercely idealistic father, Herman, refuses to abandon the country where he was born and raised as an American. Overwhelmed by the tensions around him, Philip tries to run away. “I wanted nothing to do with history,” he says. “I wanted to be a boy on the smallest scale possible. I wanted to be an orphan.” But history will not let go, and as America is whipped into a deadly frenzy by demagogues, the Roths and Jews everywhere begin to expect the worst. In The Plot Against America Philip Roth writes with a historical sweep and lyrical intimacy that have rarely been so skillfully combined. As the novel explores the convulsive collision of history and family, readers take a chilling look at devastating events that could have occurred in America–and consider the many possible histories existing beneath the one that actually happened.

About Philip Roth
In 1997 Philip Roth won the Pulitzer Prize for American Pastoral. In 1998 he received the National Medal of Arts at the White House, and in 2002 received the highest award of the American Academy of Arts and Letters, the Gold Medal in Fiction, previously awarded to John Dos Passos, William Faulkner, and Saul Bellow, among others. He has twice won the National Book Award, the PEN/Faulkner Award, and the National Book Critics Circle Award. In 2005 Philip Roth has become the third living American writer to have his work published in a comprehensive, definitive edition by the Library of America.

Source: http://www.houghtonmifflinbooks.com/

The Plot Against America – PDF-format: https://m.reddit.com/theplotagainstamericabyphiliproth/

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives