Boerenbruiloftghurt en schabouwelijk: neologismen en vergeetwoorden

Taal leeft. Dat wil zeggen dat er woorden verdwijnen, dat er nieuwe woorden bij komen of bestaande woorden een tweede of andere betekenis krijgen. Dat woorden verdwijnen is wel erg neutraal gezegd. Dat nieuwe woorden of betekenissen ontstaan, wordt meestal goed geboekstaafd, bijvoorbeeld in taalrubrieken in dag-, week- of maandbladen, in boeken die een overzicht van nieuw aangetroffen woorden bieden of in verkiezingen van het woord van het jaar. En in elke nieuwe druk van de serieuze woordenboeken staan honderden neologismen ofwel nieuwvormingen.

Zulke overzichten zijn er niet van woorden die niet of nauwelijks meer gebruikt worden, woordenboeken schrappen gewoon wat niet meer in de gratie is, het valt niet op dat je een bepaald woord al een paar jaar niet meer gehoord hebt. Woorden verdwijnen niet, ze sterven af.

Dat wordt duidelijk zichtbaar als er toch eens een poging tot overzicht gedaan wordt, zoals in 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Utrecht/Antwerpen, 2015). Daarin staan honderden woorden die aangedragen zijn door luisteraars van het radioprogramma de Taalstaat, die een bedreigd of inmiddels uitgestorven woord opperden en aldus het “Gezelschap Van Geadopteerde Vergeetwoorden” vormden.
Woorden als stoop (oude maat voor vloeistoffen), geverseerd (bedreven, ingewijd in), mitsgaders (alsook, benevens) en peeuwen (klagen, jeremiëren). Of winterkeuken (gerechten die ’s winters gegeten worden), schabouwelijk (zeer bedenkelijk, heel slecht), druistig (wild, onbesuisd), kwispedoor (spuwbak) en kalefakker (praatjesmaker).
De schrijfster Nelleke Noordervliet, die de selectie deed, stelt in haar Inleiding: “Dat woorden in onbruik raken is niet verwonderlijk, maar met hun verdwijnen nemen ze een heel klein stukje geschiedenis met zich mee.” En: “Nee, we kunnen niet alles redden. Maar we kunnen wel onze taal in al haar rijkdom gebruiken.”

Corona
Neologismen ontstaan vaak in een cluster, een woordfamilie, een qua thema of vakgebied samenhangend geheel. Voor de hand liggende voorbeelden zijn popmuziek – rap, ska, grunge, ambient, noise – en de digitale revolutie, de wereld van printen en appen, van vlog en sexten.
Een actueel voorbeeld van zo’n cluster biedt de coronapandemie. Die heeft inmiddels al zo veel nieuwvormingen doen ontstaan, dat Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, er een heus boek mee kon vullen: De taal van het nieuwe normaal. Corona in 1000 en enige woorden (Varik, 2020). Uiteraard komen daarin de termen ter sprake die sinds enige tijd tot ons dagelijks spraakgebruik horen, van af- en opschalen tot lockdown, van virusdreiging en vaccinatiewedloop.
Maar het bevat ook pareltjes, met soms wel een beetje erg ruime toelichting: “doornroosjedeal: afspraak waarbij een levensvatbare onderneming die door bijzondere omstandigheden, zoals corona, financieel in moeilijkheden verkeert tijdelijk uitstel van betaling van de schuldeisers krijgt om niet failliet te hoeven gaan, zodat de onderneming bij een normalisering van de omstandigheden door kan; genoemd naar het sprookje Doornroosje van de gebroeders Grimm, dat gaat over een prinses die door een betovering honderd jaar in slaap ligt in een door doornstruiken omgeven kasteel, totdat een prins haar komt wakker kussen.”, “huidhonger: behoefte aan fysieke aanraking, m.n. bij mensen die langdurig alleen moeten zijn, bv. wanneer ze in hun eentje in quarantaine of zelfisolatie zitten”, “niesdab: niesreflex waarbij iemand zijn neus naar zijn elleboogholte van zijn ene arm brengt en daarin niest, terwijl hij zijn andere arm zijdelings omhoogsteekt, zo genoemd naar de dansmove dab” en “hoestschaamte: schaamte die iemand ervaart als hij hoest in het gezelschap van anderen die weleens zouden kunnen denken dat hij een ziekte heeft waardoor hij anderen zou kunnen besmetten”. Het is niet gewaagd te stellen, dat de meeste van deze woorden en uitdrukkingen zeer tijdgebonden zijn en een volgende druk van de Dikke Van Dale niet zullen halen.
Den Boon ziet trouwens een parallel tussen de opmars van het virus en de groei die hij verwacht voor de pandemieneologismen: ”Lexicografisch gezien is dit niet meer dan een eerste inventarisatie van de coronawoordenschat, waarvan de omvang zich de komende jaren ongetwijfeld verdubbelt of verdrie- of verviervoudigt.”
Hij schreef overigens ook, samen met Julius ten Berge, het Verdwijnwoordenboek. Woorden die wegvielen uit onze woordenschat (’s-Hertogenbosch, 2008).

Scrummen
Waar vergeetwoorden bij gebrek aan gebruik langzaamaan uit beeld verdwijnen, is van nieuwvormingen meestal wel duidelijk waar en wanneer zij het licht zagen. Als Geert Wilders in de Tweede Kamer de hoofddoekjes van moslima’s “kopvodden” noemt, mag u rustig aannemen, dat daar brainstormsessies aan voorafgegaan zijn om tot een term te komen die tegelijk zo kwetsend mogelijk is en makkelijk in het spraakgebruik blijft hangen.
Dus als uw vaatwastabletten “zijdeglansparels” blijken te bevatten of in uw half volkoren zit “broodverbetermiddel“, stel u daarbij dan gerust een sessie voor waarin duur betaalde en daarom in strak pak gestoken en in door de zaak geleasde Maserati’s rond rijdende copywriters in lange vergaderingen en via speelse associatie-rondes tot die briljante vondsten komen. Japke-d. Bouma kent die sessies uit eigen ervaring en geeft in Ga lekker zèlf in je kracht staan. De ergste clichés op kantoor (Amsterdam, 2019) een vermakelijke blik in zo’n brainstormzitting, al heet dat tegenwoordig in die praktijk “scrummen”:
“Scrummen is een hele toestand met regels, rollen en pokerkaarten (..). Dat lijkt allemaal niet zo revolutionair, maar het grote voordeel van scrummen is dat er voor al die dingen die we al miljarden jaren hetzelfde deden nu allemaal chille Engelse woorden zijn verzonnen.
Zo heet een manager een ‘scrum master’, heet het begin een ‘kick off’, werk je niet, maar hou je korte ‘sprints’, heet de baas een ‘product owner’, heeft de klant een ‘user story’, en wordt de vergadering ‘stand up’ genoemd omdat je er bij moet staan want anders wordt het een gewone vergadering en dat is niet hip.”

Karnevers
Zo’n explosieve combinatie van creativiteit en speelsheid leidt gemakkelijk tot excessen, althans lexicografische. Een praktijkvoorbeeld.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw was het oma. Grootmoeders cake, de opoe-fiets, grandma’s freshly baked cookies: als het maar op de een of andere manier aan een grootmoederfiguur was gekoppeld, gaf dat een product meteen een aura van ouderwetse betrouwbaarheid, vooroorlogse degelijkheid en onweerstaanbare nostalgie.
De advertenties en reclamecampagnes wedijverden om het meest getrouwe cliché van de oer-oma: een door het leven gegroefd gelaat maar met liefdevolle ogen, een brilletje – niet het allergoedkoopste uit de winkel maar toch onmiskenbaar van het ziekenfonds -, vertederend krullende grijze lokken, blauwgrijze spoeling van Schwarzkopf en een zwarte omslagdoek (zelf gehaakt!) rond de schouders tegen een kille nazomerbries.
Maar aan grootmoeders wervingskracht kwam in de jaren tachtig een einde toen de Hema – toch al nooit te beroerd om op een tendens in te haken – de opoefiets in haar kleurenfolders opnam. Toen moesten de reclamemakers uitkijken naar een ander clichébeeld. Nou ja, clichébeeld, in reclametermen heet dat vermoedelijk ‘een vergeneraliseerd individu met grote identificeringswaarde’. En dat werden Jan en Marie.
Lang voor het op het Binnenhof begon door te dringen, hadden de reclamejongens namelijk al heel scherp door dat het milieu een onderwerp met toekomst was: uitgestrekte groene weiden, tevreden grazende koeien, imposante wolkenluchten boven een polderdijk; u dacht toch niet dat Martine Bijl voor haar lol tussen de spitskolen zat?

Pieter Bruegel de Oude – De boerenbruiloft (1567 of 1568)

De mensen hadden weer behoefte aan bewust eten, aan vers en gezond, aan goed kauwen voor je het doorslikt. Uit die filosofie kwam de boerenlandmelk voort. Vanuit die gedachte werd de met natuurlijke rechtsdraaiende melkzuren verrijkte drinkyoghurt ontworpen. Met dat beeld voor ogen kwam iemand op het idee de eeuwenoude hangop ‘umer’ te gaan noemen en op het deksel “herinnert aan hangop” te zetten.
En het werkte. Wat het verschil was, wist geen mens, maar het heette boerenland-dit of karnevers-dat, en dus werd het gekocht. En gevreten. Maar er is een grens, zelfs voor reclamemakers. Die werd bereikt toen P.N. – voluit: Boerderijmelkveredeling P(uur) N(atuur), dat zegt eigenlijk al genoeg – een “overheerlijke zachtzure standyoghurt” op de markt bracht. (Standyoghurt is, volgens mijn op kringlooppapier gedrukte macrobiologische encyclopedie, een lobbige roeryoghurt. Nu weet ik nog niets.)
Op de beker waarin dit kostelijk vocht verpakt is, prijkt met gepaste trots de naam: Boerenbruiloftghurt van Jan en Marie. Daaronder staat een hoogst onduidelijke afbeelding. Een bejaarde, wat kromgetrokken man giet een emmer leeg in een melkbus – dat zal Jan zijn – en wat verder zit iemand in zo’n alle geslachtskenmerken vervagende overall een koe te melken; dat moet dus Marie wezen.
Wat die twee oudjes, die tweemaal daags door noodweer en tegenwind het land op moeten om de uiers te legen, met een boerenbruiloft van doen hebben, is volmaakt onbegrijpelijk. En dat is misschien ook wel juist de bedoeling, want wat een boerenbruiloft – hossen, hijsen, speeksel dat uit de mondhoeken druipt, een eeltige hand die onder een rok tast; ja, als het op clichés aankomt, weet ik ook van wanten – met de lobbigheid van dioxinevrije melkzuren te maken heeft, zou zelfs de duurst betaalde reclamejongen, Maserati of niet, nog niet duidelijk kunnen maken.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Merlijn Twaalfhoven – Het is aan ons ~ Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.

Merlijn Twaalfhoven. Ills.: Joseph Sassoon Semah

In zijn idealistische en bevlogen boek ‘Het is aan ons’ beschrijft Merlijn Twaalfhoven hoe iedereen kan bijdragen aan het oplossen van wereldproblemen. Hij stelt zich ten doel de wereld te redden en analyseert hoe het kunstenaarschap hierbij kan helpen: kunst kan houvast bieden in onzekere tijden. Twaalfhoven spreekt niet over een mooi afgerond kunstwerk – kunst moet open zijn – en iedereen moet eraan mee kunnen doen. Kunst is een speeltuin, een laboratorium voor nieuwe verbintenissen en onbevangen vragen. Het proces verloopt van Waarnemen, Voelen, Denken naar Maken. Het komt samen in een praktisch idealisme.
Twaalfhoven is op zoek naar ‘de verbinding van de nabijheid’.
Dat vereist een systeemverandering, een gezamenlijke toekomstvisie die op een waarachtige manier de menselijke waarden naar buiten brengt. Een praktisch, procesmatig idealisme.

Als componist en theatermaker organiseerde Merlijn Twaalfhoven wereldwijd voorstellingen. Hij ging de concertzaal uit en zette de muziek midden in de wereld. Als altviolist reisde hij in 1996 naar Bosnië, vlak nadat de vrede was getekend. Zijn concerten werden ‘unieke ontmoetingen’. De plaats waar werd gespeeld, werd van cruciaal belang. Hij zag wat muziek kan betekenen, al was het natuurlijk niet voldoende om een blijvende verandering tot stand te brengen. Met zijn werk voegt hij ‘een druppeltje toe aan een emmer die zich langzaam vult met vrede, moed, hoop, contact en gelijkwaardigheid’. Hij maakt ons deelgenoot van zijn reizen naar ook andere conflictgebieden waar kunst het verschil kan maken: zoals een Syrisch vluchtelingenkamp in Jordanië, de buitenwijken van Sarajevo, een huiskamerfestival in Jeruzalem, een oude pistolenfabriek in Zaandam, de Carnegie Hall in New York en een VN-conferentie in Alpbach, waar de kunstenaar werd uitgenodigd om te praten over de rol van kunst bij het halen van VN-doelen. De ontmoeting leidde helaas niet tot een concreet vervolg.

Het maken van kunst is vooral uitbesteed aan professionals, aldus Twaalfhoven. We lijken het vermogen te verliezen om zelf emoties, twijfels en dromen tastbaar te maken en vertraging te creëren. Maar schoonheid en verwondering verdienen een plek in ons leven.
Iedereen heeft een kunstenaar in zich, vrij vertaald naar Joseph Beuys. We hebben een ‘kunstenaarsmindset’ nodig, een speelse, onderzoekende, open en creatieve houding om bij te dragen aan een betere wereld. We hebben het allemaal in ons om krachten te bundelen, verhalen te vertellen, en iets van waarde te maken, tastbaar te maken wat in onszelf zit. Dan maken we het verschil.
‘Het is aan ons’, aldus Merlijn Twaalfhoven.

Hij sluit af met wat we kunnen leren van de kerk:
Ten eerste: markeer tijd en ruimte
Ten tweede: vind je houvast
Ten derde: spreek je idealen uit
Ten vierde: doe het samen
En ten slotte: vier je voortgang!

Atlas Contact, Amsterdam, 2020. ISBN9789045039800

Merlijn Twaalfhoven is componist en oprichter van The Turn Club, een samenwerkingsverband van kunstprofessionals, veranderaars en bruggenbouwers. Hij werkte o.a. met Het Nationale Ballet, Toneelgroep Amsterdam en het Kronos Quartet.

De bijeenkomst in Paradiso (d.d. 1 november 2020) naar aanleiding van het verschijnen van het boek ‘Het is aan ons. Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.’:

Bookmark and Share

Nieuwe informatie over de onderduik in Jutphaas

November 2020. Nadere informatie over mijn grootvader Egbertus Hendrikus Schellinger (Bert) en diens dochter (mijn moeder) Johanna Elisabeth Margaretha Hendrika Schellinger (Joke).

Bert Schellinger
Bert werd geboren te Den Helder, 7 juni 1895. Zijn ouders en voorouders kwamen van Oudeschild (Texel). Later verhuisde hij naar Amsterdam. Hij trouwde op 2 februari 1921 met Johanna Elisabeth de Vries (eveneens Joke) te Weesp.
Op 30 januari 1939 verhuisden ze naar de W.A. Vultostraat 98 in Jutphaas. In dit huis heeft later 7 maanden lang Sonja van Es ondergedoken gezeten. Het huis werd ook als doorgangshuis gebruikt.
Op de kaart van Utrecht zie je dat deze straat in het verlengde ligt van de Constantijn Ezaijstraat, waar Paula en Coen verbleven bij de familie Jan Kooy. Dit was een collega van Bert. Beide mannen waren sergeant in het leger, bij hetzelfde legeronderdeel en beide geboren in Den Helder, bovendien vrijwel even oud.

In maart 1944 verhuisde hij naar de Van Humboldstraat 103 bis te Utrecht en later in februari 1945 naar de Weerdsingel W.Z.11 bis., ook in Utrecht. Eind 1947 verhuisde hij naar Amsterdam. Het paar scheidde van elkaar in 1957, waarna hij opnieuw trouwde met Hendrika Johanna (Henny) Bruintjes. Hij is overleden op 23 september 1976. Hij was toen 81. Zijn eerste echtgenote Joke overleed in 1979. In dat zelfde jaar overleed ook zijn tweede vrouw.

Joke Schellinger
Bert had twee dochters: Betty, geboren 12 juni 1922 en Joke, geboren 20 november 1923. Naar verluid verbleef zijn echtgenote (mijn oma) gedurende lange tijd tijdens de oorlog in een sanatorium, dochter Betty woonde in Eindhoven. Dochter Joke woonde samen met Bert in Jutphaas. Na de oorlog kreeg Joke een relatie met een zekere Jan van der Kooi (niets van doen met de Jan Kooy uit het boek). Uit deze relatie kwamen twee kinderen voort, ik zelf op 25 september 1950 en mijn broer Bert in december 1953 (overleden in 2009). Nadat deze relatie werd beëindigd, trouwde zij in 1953 in Amsterdam met de weduwnaar Cees Faber, die al 5 kinderen had. Uit deze nieuwe relatie werden nog 2 kinderen geboren. Mijn moeder Joke overleed op 13 mei 1982.

Bert Schellinger in 1957, Joke Schellinger, data niet bekend, naar schatting, tussen 1943 en 1947. 

Bookmark and Share

Hogeschool van Amsterdam – Literatuur en Vertellen. Deze ontspoorde wereld

Als je de website https://literatuurenvertellen.webnode.nl bezoekt, kijk Paula Bermann je aan.
De site is gemaakt als onderdeel van het vak Literatuur en Vertellen van de Hogeschool van Amsterdam. Eén van de boeken die de studenten mochten lezen was Deze ontspoorde wereld.

Op verzoek van een docent heeft een van de kleinkinderen van Paula Bermann, Linda Bouws, vragen beantwoord over de publicatie en de mogelijke impact die de uitgave had op de familie.

Over de geschiedenis van de dagboeken (vijf schriften)

Linda Bouws: ‘De dagboeken van mijn grootmoeder Paula Bermann stonden bij ons thuis in de kast in de Van Eeghenstraat. Hoe ze daar zijn terechtgekomen is niet duidelijk. De dagboeken moeten uit het onderduikadres van mijn grootouders, vlak voor ze verraden zijn, zijn verplaatst naar een veiliger plek. Als kind werd ik door ze aangetrokken, maar kon ze niet lezen: dicht geschreven cahiers in het Duitse Kurrentschrift, in een heel evenwichtig handschrift. Mijn moeder Sonja, haar zuster Inge en broer Hans hebben zo’n veertig jaar na het beëindigen van WO II besloten de vier cahiers te laten vertalen in modern Duits door Johan H. Winkelman. Hij heeft er drie jaar over gedaan. Mijn moeder, haar zus en haar broer wilden het niet publiceren, de tekst was te emotioneel en confronterend.’

Vraag:
Het dagboek is pittig wat betreft de inhoud. Het biedt een inzicht in politiek en oorlog, maar vooral ook in een persoonlijke situatie. Doordat het een dagboek is, staan er buitengewoon openhartige gedachten en gedachtegangen in. Hoe was dat voor jullie om te lezen? En later gepubliceerd en geopenbaard te zien? 

Linda Bouws: ‘Als ik voor mij zelf spreek: ik had het dagboek in de Duitse vertaling al gelezen toen het in 1987 en de volgende jaren werd vertaald in modern Duits, en was er toen zeer door geraakt, ook om mijn grootmoeder te leren kennen. Ik was vooral geïntrigeerd door de verhalen over mijn moeder Sonja en de andere familieleden, en hoe het hun allemaal is vergaan. Al lezend wist ik ook hoe het Paula, Coen en Inge was vergaan nadat ze opgepakt waren, Paula’s trieste zelfmoord na de dood van haar man en dat maakte het lezen extra wrang. Bij de voorbereidingen van de Nederlandse publicatie werd ik ook geraakt door de politieke observaties in haar boek en de paralellen met nu. De meeste kleinkinderen hadden de dagboeken niet gelezen, of slechts fragmenten. Het kwam hard binnen.’

Een aardige opdracht was om de studenten een selectie te laten maken van boeken genoemd in Deze ontspoorde wereld. Zie: Steinz en Bermann (PDF)
Deze powerpoint presentatie geeft een goede indruk van de opdrachten: Deze ontspoorde wereld ppt (PDF)

Op de website literatuurenvertellen.webmode.nl staan de boeken die bij het project aandacht kregen. Alleen ontbreekt het boek waarvan de auteur je aankijkt als je de site bezoekt.

Bookmark and Share

Current Sufism In Israel. The Way Of Abraham – A Bridge Between Religions

Shelley Elkayam – Ills.: Joseph Sassoon Semah

Current Sufism in Israel El Tarika El Ibrahimiyyah – The Way of Abraham – A Bridge between Middle East Religions

Introduction
I wish to thank the University of Goettingen for inviting me to lecture at the Intercultural Theology program on the Current Sufism in Israel and on Sephardic Ultra-Orthodoxy in Israel.
I will begin by introducing my subject with some historical background. Then, I would like to make a reference to the specific audience sitting here right now because it is a very special audience. On the one hand, it  is German; on the other, it is an international audience. So we have to consider how do we speak to such a local yet global group.
At that point, I will present the thesis of this lecture.

So, let us now discuss the issue of the Sephardic Jews. Who are they?
The reason why one knows so little about the Sephardic or Oriental Jews is also a matter of scientific concern for those of us who study Intercultural Theology. Thus, let us have a quick look at a long and serious matter such as The Stage of History.

Yes, stage as in Stage Theater, with the very writers who write the script and the very actors who play the protagonists and the very hegemonic audience who wish to see themselves on stage, or else the very far exotic other. Then we shall move forward to have an idea about the intellectual assets of the ISRAEL Sufi way and perhaps if time allows, we shall read during our workshop some of the devotional texts studied by the Israel Sufi Way, such as El-Ghazali. So hopefully you should have some taste regarding the intercultural Theology that is bridging between religions in the Middle East today, and we shall conclude with that today.

Background
In the Jewish State of Israel, Sufi activity had been almost eliminated by the disruption of the War in 1948, partly revived after the renewal of contacts between Palestinians in Israel and in the West Bank and Gaza “in the wake of 1967 Arab Israeli War” and suppressed in the Second Intifada, also known as the Oslo War and the Al- Aqsa Intifada (2000 to 2005). This Intifada raged between the 20th and the 21st century.

In this lecture I focus on Sufism in Israel as manifested by The Israeli Sufi Way. The Israeli Sufi Way is known as The Sufi Way of Abraham. In Hebrew – One of Israel’s two national languages, it sounds Derekh Avraham (אברהם דרך). In Arabic, the other national language, it sounds Al-Tariqah Ibrahimiyyah or Ibrahimiyyah-Al (א-טַּרִיקַה אל-אִבְּרַאהִימִיַּה) / الإبراهميّة  الطّريقة ).

The members of the Israeli Sufi Way come from various circles: Academy, conservative and orthodox Rabbinic institutes and leadership of other Sufi brotherhoods of Israel: Qadiriyyah, Shadhiliyyah-Yashrutiyyah and Naqshbandiyyah.

Ibrahimiyyah defines itself (2014) publicly as an inter-religious movement encouraging dialogue between Jews, Christians and Muslims. This inter-religious character is a “post-Sufi” strategy as well as a spiritual response to the particular modern European challenges of the State of Israel, tackling the Israeli East-West debate.
The Sufi leadership of the 3 Muslim brotherhoods responded to the challenge of the peculiar circumstances in which they live in the Middle East, by joining the Ibrahimiyyah and establishing it as the Israeli Sufi Way of Abraham.

This Israeli Sufi brotherhood was created during the 1990s right at the end of the twentieth century. Public activity gathered momentum during the first decade of the twenty first century, with a double mission of both peace between Jews and Muslims, and spiritual search for Medieval Jewish Sufi roots. Special attention is given to 16th century Safed (in the Land of Israel) and of Egypt and North Africa and since the Sufi festival in 2010 also to Indian Jewish Sufism of perhaps 12 century.

Read more

Bookmark and Share

Zoveel soorten van verdriet: poëziecitaten in rouwadvertenties

Dood ben ik pas als jij me bent vergeten
Rust nu maar uit
Weggaan is iets anders dan het huis uitsluipen

Het gebruik om iemands overlijden publiekelijk te melden door middel van een rouwannonce in een dagblad is zeker meer dan twee eeuwen oud. Puck Kooij heeft er een boek aan gewijd. De titel, Heden gij, morgen ik. Gedenken in proza en poëzie (Amsterdam, 1995) is een variant op het gezegde “Heden ik, morgen gij” (in het Latijn hodie mihi, cras tibi), afkomstig uit een apocrief bijbelboek, met de betekenis “Wat mij vandaag overkomt, kan u morgen treffen”.

Kooij stelt in haar boek, dat de eerste rouwadvertentie verscheen in de “Oprechte Haarlemse Dingsdagse Courant van den 16 Augustus, 1791”. Die luidde

’s Gravenhage den 15 Augustus. ”In den nacht van den 12 op den 13 deezer, is alhier, aan den gevolgen van eene Borstkwaal, in den ouderdom van byna 67 Jaaren, overleden, de Wel-Eerwaardige en zeer Geleerde Heer CASPARUS VAN DER HEIDE.{..}
Zyne Assche ruste in vrede, en zyn Aandenken blyve in zegen, by alle zyne binnenlandsche en buitenlandsche Vrienden en Bekenden, aan welken mits deezen, hun geleeden verlies wordt bekend gemaakt, door den aangestelden Testaments-Executeur.“

Was de toon van zulke aankondigingen, hoewel plechtig, vooral zakelijk en informatief, gaandeweg verandert die. Kooij: “Halverwege de 19 de eeuw worden advertenties gekenmerkt door een soberder woordgebruik. (..) Spectaculaire veranderingen in de rouwadvertenties in vorm en inhoud deden zich vooral voor in de jaren negentig van de 20 e eeuw. De uitlatingen en uitroepen werden steeds creatiever en vrijmoediger, zodanig dat van terughoudendheid nauwelijks meer sprake is en de ‘emotie-cultuur’ hoogtij vierde.”

Tot die veranderingen hoort sindsdien ook het in de annonce opnemen van poëzieregels die een gemoedstoestand weergeven, hetzij nog door de overledene bij leven zelf bepaald, hetzij door de nabestaanden. Rouwpoëzie is minder bekend onder de naam funeraire poëzie, wat afstamt van het Franse funéraire, een begrafenis betreffend. Het komt ook voor in het woord funerarium, rouwcentrum.

Misschien wel het meet sprekende voorbeeld van de rol die een poëziecitaat ging innemen in de rouwannonce, is een gedicht van Nel Benschop (1918-2005):

In memoriam voor een vriend

Rust nu maar uit – je hebt je strijd gestreden.
Je hebt het als een moedig man gedaan.
Wie kan begrijpen, wat je hebt geleden?
En wie kan voelen, wat je hebt doorstaan?
Rust nu maar uit – je taak is afgekomen;
vandaag heeft God de kroon op ’t werk gezet
dat je eenmaal in Zijn kracht hebt ondernomen.
De zin was af. God heeft een punt gezet.
Maar ‘t valt ons moeilijk om de zin te vatten
van ‘t zwijgen van je laatste harteklop.
Misschien alleen maar dit: de afgematten
en moeden varen als met arendsvleuglen op …

Benschops bundels horen tot de best verkochte in ons land en de beginregel(s) van dit In memoriam horen tot de meest geciteerde. De columnist Nico Scheepmaker viel op dat dit citeren niet altijd geheel letterlijk gebeurde. Sterker nog, hij turfde de varianten en wijdde daar in 1985 een artikel aan voor het maandblad Onze Taal, onder de titel “Rust nu maar uit: 77 variaties”. (Het stuk verscheen ook in een bundeling van zijn columns, Maar mooi! Beschouwingen over poëzie. Amsterdam, 1992).
Zelden werd het gedicht in zijn geheel geciteerd, meestal werd volstaan met de eerste vier regels.
Varianten daarop waren bijvoorbeeld

Rust nu maar uit in vrede
Jij hebt je strijd gestreden
Geen mens begrijpt wat jij hebt doorstaan
Vol moed heb jij het begaan

of

Rust nu maar uit,
je hebt je strijd gestreden.
Wie kan voelen wat je hebt doorstaan,
wie kan begrijpen wat je hebt geleden.
Je hebt het als een moedig man doorstaan.
Rust nu maar uit

Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives