Inge – Altijd in beweging. Elke stap een nieuw evenwicht.


Neergaan is niet altijd vallen
Je legt je benen zachtjes neer in een spagaat
Je armen eroverheen
Je hoofd eroverheen
In de lucht klinkt de muziek door
De aarde draait onder je door
Wiegt je
Na een paar maten draai je langzaam weer omhoog
Een pirouette
De armen reiken
Hoger en hoger
Je springt en bent los


Om te kunnen dansen moeten je voeten altijd wakker zijn, klaar staan voor de volgende pas. Ook als je stil staat. Balans betekent ook: altijd klaar zijn voor een volgende beweging.
Inge, een blonde vrouw met rustige heldere ogen, danst al sinds ze jong is. Haar eerste stapjes zette ze in Voorhout en door een verhuizing zette ze haar eerste danspassen in Enkhuizen. Toen ze ging studeren sprong ze naar Amsterdam, waar ze danste van Bos en Lommer naar de Baarsjes naar het Javaplein naar de Insulindeweg. En ook naar de Bootstraat op Wittenburg waar ze bij een hospita woonde. Toen ze er voor het eerst met de bus heen ging, dacht ze “Waar gáát deze bus naartoe??”

De Oostelijke Eilanden zijn eilanden en zo voelen ze ook echt, al liggen ze in Amsterdam Centrum. Ze vond het een heel fijne buurt, compact, midden in de stad én met een echt dorpsgevoel. Ze bracht het jongste kind van de hospita ook wel eens naar school, de buurtschool waar haar eigen zoon inmiddels ook heen gaat. Want na jaren, en meerdere andere woonplekken, woont ze nu alweer een aantal jaar op Wittenburg, op een steenworp afstand van haar oude hospita.

Toch was het niet een bewuste keuze om precies hier weer terecht te komen. Ze was in Amsterdam gaan studeren omdat dat toch wel the place to be was. Als tiener ging je winkelen in Amsterdam, als twintiger ging je studeren in Amsterdam. Maar studeren was geen vrijheid-blijheid voor Inge. Omstreeks de start van haar studie orthopedagogiek werd haar vader ernstig ziek en tegen het einde van haar studie overleed hij, veel te jong, op zijn vijftigste. Die jaren van zijn ziekte waren heel zwaar voor haar. Ze pendelde veel heen en weer tussen Amsterdam en Enkhuizen. En naar de balletschool in het naburige Grootebroek, want dat was haar redding: héél véél dansen.
Dan kon ze alles even opzij zetten. Terwijl ze in Amsterdam niet echt een sociaal leven opbouwde, vormde de groep mensen waarmee ze danste haar sociale leven, haar wortels. Het was een plek waar ze zich geborgen voelde en waar ze in de beweging tot rust kon komen.
Haar moeder begreep dat niet. ‘Die balletschool heb je toch al helemaal gezien? Moet je niet eens van ballet af? Je woont in Amsterdam. Maak je eens los.’ Ze wilde Inge juist altijd stimuleren om er op uit te trekken, de wereld te zien, onafhankelijk te zijn. En tegelijk vindt ze tegenwoordig de afstand Enkhuizen-Amsterdam juist erg groot, nu ze oma is. Inge voelt de afstand ook, maar voelt hem anders dan haar moeder. Een kilometer is altijd 1000 meter, maar voor de één is dat een hardlooprondje tijdens een verkoudheid, voor de ander is soms elke stap teveel.

Na haar studie begon ze te werken als gezinsvoogd en na een jaar kwamen er heel veel kilometers tot haar moeder in Enkhuizen bij toen ze voor een organisatie in Boston in de Verenigde Staten ging werken. In een uitwisselingsprogramma bracht ze over hoe in Europa met jeugdzorg wordt omgegaan. En via dat programma leerde ze een man kennen waar ze tot over haar oren verliefd op werd. Een Zwitser waarmee ze op avontuur ging door de VS, en waarmee het avontuur door ging toen Inge naar Nederland en hij naar Zwitserland terug ging. Weer pendelde Inge veel, tot hij besloot bij haar te komen wonen, op dat moment weer even in Enkhuizen.

Read more

Bookmark and Share

Noam Chomsky: Trump Has Revealed The Extreme Fragility Of American Democracy


Noam Chomsky

Even after Trump-appointed bureaucrat Emily W. Murphy of the General Services Administration signed a letter enabling Biden to start working with federal agencies and prepare for a transition of power, Donald Trump has personally continued to resist conceding, thus breaking the tradition of a peaceful transition to power.

What is he after with his bogus legal challenges of a “rigged and stolen” election? Can he really hope for a legislative coup? Is the contemporary United States a country divided not merely on political and ideological issues among its body politic, but, more frighteningly, along different conceptions of reality? And will Trumpism continue after Trump has left office? Revered public intellectual Noam Chomsky sheds light on these questions with groundbreaking insights in this exclusive interview for Truthout.

C.J. Polychroniou: U.S. election officials have declared the 2020 election “the most secure in American history.” Yet, the Trump campaign continues to mount legal challenges to the electoral process, pushing outrageous falsehoods, while Rudy Giuliani has gone so far as to make outlandish claims of a vast global conspiracy to steal the election from the Great Leader. In your view, what is really behind Trump’s legal challenges?

Noam Chomsky: Speculation of course, but I’ll indulge in a bad dream — which could become reality if we are not on guard, and if we fail to recognize that elections should be a brief interlude in a life of engaged activism, not a time to go home and leave matters in the hands of the victors.

I suspect that Trump and associates regard their legal challenges as a success in what seems a plausible strategy: keep the pot boiling and keep the loyal base at fever pitch, furious about the “stolen” election and the efforts of the insidious elites and the “deep state” to remove their savior from office.

That strategy seems to be working well. According to recent polls, “Three-quarters (77%) of Trump backers say Biden’s win was due to fraud” and “The anger among Trump’s base is tied to a belief that the election was stolen.” Rejection of the legal challenges with ridicule may please liberal circles, but for the base, it may be simply more proof of the Trump thesis: the hated elites will stop at nothing in their machinations.

Meanwhile, this strategy requires keeping the wrecking ball — Trump’s symbol — actively at work. Do nothing to deal with the pandemic, even delay in providing data to Biden’s team while a top nurse’s union warns of “catastrophic death” in the growing chaos while “our hospitals are knowingly still not prepared” and the government is on vacation.

Viewed through the lens of this vile strategy, if the pandemic gets worse, so much the better. Then local officials will try to impose restrictions and even lockdowns to control patriotic Americans — in line with the plans of the supposed “Communist-run deep state” — leading to economic harm and intrusions on normal life. Meanwhile, Trump and his associates could abandon other normal governmental activities so that when Biden establishes what they describe as a “fake government” on inauguration day, the immediate problems will be severe and failure likely.

On that day, which will live in infamy among the faithful, Trump might set up what he claims is an authentic government in Mar-a-Lago, with Mitch McConnell’s Senate in his pocket and a furious popular base. The next step would be to make the country ungovernable, a specialty that McConnell has been perfecting for a decade and that an accomplished demagogue like Trump can manage reflexively. Everything that goes wrong can be blamed on the treacherous “elites.”

Trump and associates might, as some have speculated, set up an alternative media empire, incorporating talk radio and other far right outlets but perhaps not Fox, which has shown occasional signs of disobedience. Then they could come roaring back into power in 2022-2024, feeding on growing discontent.

They would then be free to destroy the environment with abandon and maximize short-term profit for their primary constituency, impose discipline on what remains of government, tame the media, institute harsh authoritarian measures elsewhere, and continue with their abject service to their masters — the real elites, the very rich and the corporate sector, the decision-makers, as recent academic research once again establishes very clearly.

It’s of no little interest that we have to turn to the world’s leading business journal, the very respectable London Financial Times, to read some elementary truths about what could once claim to be a leading democracy: “Anyone with a pulse,” Financial Times Associate Editor Rana Foroohar writes, “knows that in the US today the system is rigged in favour of the wealthy and powerful.” Foroohar adds:
One particularly illuminating paper [just cited] found that considering the opinions of anyone outside that top 10 per cent was a far less accurate predictor of what happened to government policy. The numbers showed that: ‘not only do ordinary citizens not have uniquely substantial power over policy decisions; they have little or no independent influence on policy at all’. We have had decades of legislative tweaks to everything from tax policy to corporate governance and accounting standards that have favoured capital over labour. Supreme Court decisions such as the Citizens United case have also dramatically increased the amount of money funneled into political campaigning. This has left the nature of America’s political economy perilously close to an oligopoly.

If the Trump strategy is anything like the speculation outlined above, the prevailing oligopoly might look like a fond memory.

Anger and contempt for “elites” is not a mistake, even if the real elites are effectively concealed by the propaganda machine.

Read more

Bookmark and Share

Boerenbruiloftghurt en schabouwelijk: neologismen en vergeetwoorden


Taal leeft. Dat wil zeggen dat er woorden verdwijnen, dat er nieuwe woorden bij komen of bestaande woorden een tweede of andere betekenis krijgen. Dat woorden verdwijnen is wel erg neutraal gezegd. Dat nieuwe woorden of betekenissen ontstaan, wordt meestal goed geboekstaafd, bijvoorbeeld in taalrubrieken in dag-, week- of maandbladen, in boeken die een overzicht van nieuw aangetroffen woorden bieden of in verkiezingen van het woord van het jaar. En in elke nieuwe druk van de serieuze woordenboeken staan honderden neologismen ofwel nieuwvormingen.

Zulke overzichten zijn er niet van woorden die niet of nauwelijks meer gebruikt worden, woordenboeken schrappen gewoon wat niet meer in de gratie is, het valt niet op dat je een bepaald woord al een paar jaar niet meer gehoord hebt. Woorden verdwijnen niet, ze sterven af.

Dat wordt duidelijk zichtbaar als er toch eens een poging tot overzicht gedaan wordt, zoals in 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Utrecht/Antwerpen, 2015). Daarin staan honderden woorden die aangedragen zijn door luisteraars van het radioprogramma de Taalstaat, die een bedreigd of inmiddels uitgestorven woord opperden en aldus het “Gezelschap Van Geadopteerde Vergeetwoorden” vormden.
Woorden als stoop (oude maat voor vloeistoffen), geverseerd (bedreven, ingewijd in), mitsgaders (alsook, benevens) en peeuwen (klagen, jeremiëren). Of winterkeuken (gerechten die ’s winters gegeten worden), schabouwelijk (zeer bedenkelijk, heel slecht), druistig (wild, onbesuisd), kwispedoor (spuwbak) en kalefakker (praatjesmaker).
De schrijfster Nelleke Noordervliet, die de selectie deed, stelt in haar Inleiding: “Dat woorden in onbruik raken is niet verwonderlijk, maar met hun verdwijnen nemen ze een heel klein stukje geschiedenis met zich mee.” En: “Nee, we kunnen niet alles redden. Maar we kunnen wel onze taal in al haar rijkdom gebruiken.”

Neologismen ontstaan vaak in een cluster, een woordfamilie, een qua thema of vakgebied samenhangend geheel. Voor de hand liggende voorbeelden zijn popmuziek – rap, ska, grunge, ambient, noise – en de digitale revolutie, de wereld van printen en appen, van vlog en sexten.
Een actueel voorbeeld van zo’n cluster biedt de coronapandemie. Die heeft inmiddels al zo veel nieuwvormingen doen ontstaan, dat Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, er een heus boek mee kon vullen: De taal van het nieuwe normaal. Corona in 1000 en enige woorden (Varik, 2020). Uiteraard komen daarin de termen ter sprake die sinds enige tijd tot ons dagelijks spraakgebruik horen, van af- en opschalen tot lockdown, van virusdreiging en vaccinatiewedloop.
Maar het bevat ook pareltjes, met soms wel een beetje erg ruime toelichting: “doornroosjedeal: afspraak waarbij een levensvatbare onderneming die door bijzondere omstandigheden, zoals corona, financieel in moeilijkheden verkeert tijdelijk uitstel van betaling van de schuldeisers krijgt om niet failliet te hoeven gaan, zodat de onderneming bij een normalisering van de omstandigheden door kan; genoemd naar het sprookje Doornroosje van de gebroeders Grimm, dat gaat over een prinses die door een betovering honderd jaar in slaap ligt in een door doornstruiken omgeven kasteel, totdat een prins haar komt wakker kussen.”, “huidhonger: behoefte aan fysieke aanraking, m.n. bij mensen die langdurig alleen moeten zijn, bv. wanneer ze in hun eentje in quarantaine of zelfisolatie zitten”, “niesdab: niesreflex waarbij iemand zijn neus naar zijn elleboogholte van zijn ene arm brengt en daarin niest, terwijl hij zijn andere arm zijdelings omhoogsteekt, zo genoemd naar de dansmove dab” en “hoestschaamte: schaamte die iemand ervaart als hij hoest in het gezelschap van anderen die weleens zouden kunnen denken dat hij een ziekte heeft waardoor hij anderen zou kunnen besmetten”. Het is niet gewaagd te stellen, dat de meeste van deze woorden en uitdrukkingen zeer tijdgebonden zijn en een volgende druk van de Dikke Van Dale niet zullen halen.
Den Boon ziet trouwens een parallel tussen de opmars van het virus en de groei die hij verwacht voor de pandemieneologismen: ”Lexicografisch gezien is dit niet meer dan een eerste inventarisatie van de coronawoordenschat, waarvan de omvang zich de komende jaren ongetwijfeld verdubbelt of verdrie- of verviervoudigt.”
Hij schreef overigens ook, samen met Julius ten Berge, het Verdwijnwoordenboek. Woorden die wegvielen uit onze woordenschat (’s-Hertogenbosch, 2008).

Waar vergeetwoorden bij gebrek aan gebruik langzaamaan uit beeld verdwijnen, is van nieuwvormingen meestal wel duidelijk waar en wanneer zij het licht zagen. Als Geert Wilders in de Tweede Kamer de hoofddoekjes van moslima’s “kopvodden” noemt, mag u rustig aannemen, dat daar brainstormsessies aan voorafgegaan zijn om tot een term te komen die tegelijk zo kwetsend mogelijk is en makkelijk in het spraakgebruik blijft hangen.
Dus als uw vaatwastabletten “zijdeglansparels” blijken te bevatten of in uw half volkoren zit “broodverbetermiddel“, stel u daarbij dan gerust een sessie voor waarin duur betaalde en daarom in strak pak gestoken en in door de zaak geleasde Maserati’s rond rijdende copywriters in lange vergaderingen en via speelse associatie-rondes tot die briljante vondsten komen. Japke-d. Bouma kent die sessies uit eigen ervaring en geeft in Ga lekker zèlf in je kracht staan. De ergste clichés op kantoor (Amsterdam, 2019) een vermakelijke blik in zo’n brainstormzitting, al heet dat tegenwoordig in die praktijk “scrummen”:
“Scrummen is een hele toestand met regels, rollen en pokerkaarten (..). Dat lijkt allemaal niet zo revolutionair, maar het grote voordeel van scrummen is dat er voor al die dingen die we al miljarden jaren hetzelfde deden nu allemaal chille Engelse woorden zijn verzonnen.
Zo heet een manager een ‘scrum master’, heet het begin een ‘kick off’, werk je niet, maar hou je korte ‘sprints’, heet de baas een ‘product owner’, heeft de klant een ‘user story’, en wordt de vergadering ‘stand up’ genoemd omdat je er bij moet staan want anders wordt het een gewone vergadering en dat is niet hip.”

Zo’n explosieve combinatie van creativiteit en speelsheid leidt gemakkelijk tot excessen, althans lexicografische. Een praktijkvoorbeeld.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw was het oma. Grootmoeders cake, de opoe-fiets, grandma’s freshly baked cookies: als het maar op de een of andere manier aan een grootmoederfiguur was gekoppeld, gaf dat een product meteen een aura van ouderwetse betrouwbaarheid, vooroorlogse degelijkheid en onweerstaanbare nostalgie.
De advertenties en reclamecampagnes wedijverden om het meest getrouwe cliché van de oer-oma: een door het leven gegroefd gelaat maar met liefdevolle ogen, een brilletje – niet het allergoedkoopste uit de winkel maar toch onmiskenbaar van het ziekenfonds -, vertederend krullende grijze lokken, blauwgrijze spoeling van Schwarzkopf en een zwarte omslagdoek (zelf gehaakt!) rond de schouders tegen een kille nazomerbries.
Maar aan grootmoeders wervingskracht kwam in de jaren tachtig een einde toen de Hema – toch al nooit te beroerd om op een tendens in te haken – de opoefiets in haar kleurenfolders opnam. Toen moesten de reclamemakers uitkijken naar een ander clichébeeld. Nou ja, clichébeeld, in reclametermen heet dat vermoedelijk ‘een vergeneraliseerd individu met grote identificeringswaarde’. En dat werden Jan en Marie.
Lang voor het op het Binnenhof begon door te dringen, hadden de reclamejongens namelijk al heel scherp door dat het milieu een onderwerp met toekomst was: uitgestrekte groene weiden, tevreden grazende koeien, imposante wolkenluchten boven een polderdijk; u dacht toch niet dat Martine Bijl voor haar lol tussen de spitskolen zat?

Pieter Bruegel de Oude – De boerenbruiloft (1567 of 1568)

De mensen hadden weer behoefte aan bewust eten, aan vers en gezond, aan goed kauwen voor je het doorslikt. Uit die filosofie kwam de boerenlandmelk voort. Vanuit die gedachte werd de met natuurlijke rechtsdraaiende melkzuren verrijkte drinkyoghurt ontworpen. Met dat beeld voor ogen kwam iemand op het idee de eeuwenoude hangop ‘umer’ te gaan noemen en op het deksel “herinnert aan hangop” te zetten.
En het werkte. Wat het verschil was, wist geen mens, maar het heette boerenland-dit of karnevers-dat, en dus werd het gekocht. En gevreten. Maar er is een grens, zelfs voor reclamemakers. Die werd bereikt toen P.N. – voluit: Boerderijmelkveredeling P(uur) N(atuur), dat zegt eigenlijk al genoeg – een “overheerlijke zachtzure standyoghurt” op de markt bracht. (Standyoghurt is, volgens mijn op kringlooppapier gedrukte macrobiologische encyclopedie, een lobbige roeryoghurt. Nu weet ik nog niets.)
Op de beker waarin dit kostelijk vocht verpakt is, prijkt met gepaste trots de naam: Boerenbruiloftghurt van Jan en Marie. Daaronder staat een hoogst onduidelijke afbeelding. Een bejaarde, wat kromgetrokken man giet een emmer leeg in een melkbus – dat zal Jan zijn – en wat verder zit iemand in zo’n alle geslachtskenmerken vervagende overall een koe te melken; dat moet dus Marie wezen.
Wat die twee oudjes, die tweemaal daags door noodweer en tegenwind het land op moeten om de uiers te legen, met een boerenbruiloft van doen hebben, is volmaakt onbegrijpelijk. En dat is misschien ook wel juist de bedoeling, want wat een boerenbruiloft – hossen, hijsen, speeksel dat uit de mondhoeken druipt, een eeltige hand die onder een rok tast; ja, als het op clichés aankomt, weet ik ook van wanten – met de lobbigheid van dioxinevrije melkzuren te maken heeft, zou zelfs de duurst betaalde reclamejongen, Maserati of niet, nog niet duidelijk kunnen maken.

Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar:– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Merlijn Twaalfhoven – Het is aan ons ~ Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.


Merlijn Twaalfhoven. Ills.: Joseph Sassoon Semah

In zijn idealistische en bevlogen boek ‘Het is aan ons’ beschrijft Merlijn Twaalfhoven hoe iedereen kan bijdragen aan het oplossen van wereldproblemen. Hij stelt zich ten doel de wereld te redden en analyseert hoe het kunstenaarschap hierbij kan helpen: kunst kan houvast bieden in onzekere tijden. Twaalfhoven spreekt niet over een mooi afgerond kunstwerk – kunst moet open zijn – en iedereen moet eraan mee kunnen doen. Kunst is een speeltuin, een laboratorium voor nieuwe verbintenissen en onbevangen vragen. Het proces verloopt van Waarnemen, Voelen, Denken naar Maken. Het komt samen in een praktisch idealisme.
Twaalfhoven is op zoek naar ‘de verbinding van de nabijheid’.
Dat vereist een systeemverandering, een gezamenlijke toekomstvisie die op een waarachtige manier de menselijke waarden naar buiten brengt. Een praktisch, procesmatig idealisme.

Als componist en theatermaker organiseerde Merlijn Twaalfhoven wereldwijd voorstellingen. Hij ging de concertzaal uit en zette de muziek midden in de wereld. Als altviolist reisde hij in 1996 naar Bosnië, vlak nadat de vrede was getekend. Zijn concerten werden ‘unieke ontmoetingen’. De plaats waar werd gespeeld, werd van cruciaal belang. Hij zag wat muziek kan betekenen, al was het natuurlijk niet voldoende om een blijvende verandering tot stand te brengen. Met zijn werk voegt hij ‘een druppeltje toe aan een emmer die zich langzaam vult met vrede, moed, hoop, contact en gelijkwaardigheid’. Hij maakt ons deelgenoot van zijn reizen naar ook andere conflictgebieden waar kunst het verschil kan maken: zoals een Syrisch vluchtelingenkamp in Jordanië, de buitenwijken van Sarajevo, een huiskamerfestival in Jeruzalem, een oude pistolenfabriek in Zaandam, de Carnegie Hall in New York en een VN-conferentie in Alpbach, waar de kunstenaar werd uitgenodigd om te praten over de rol van kunst bij het halen van VN-doelen. De ontmoeting leidde helaas niet tot een concreet vervolg.

Het maken van kunst is vooral uitbesteed aan professionals, aldus Twaalfhoven. We lijken het vermogen te verliezen om zelf emoties, twijfels en dromen tastbaar te maken en vertraging te creëren. Maar schoonheid en verwondering verdienen een plek in ons leven.
Iedereen heeft een kunstenaar in zich, vrij vertaald naar Joseph Beuys. We hebben een ‘kunstenaarsmindset’ nodig, een speelse, onderzoekende, open en creatieve houding om bij te dragen aan een betere wereld. We hebben het allemaal in ons om krachten te bundelen, verhalen te vertellen, en iets van waarde te maken, tastbaar te maken wat in onszelf zit. Dan maken we het verschil.
‘Het is aan ons’, aldus Merlijn Twaalfhoven.

Hij sluit af met wat we kunnen leren van de kerk:
Ten eerste: markeer tijd en ruimte
Ten tweede: vind je houvast
Ten derde: spreek je idealen uit
Ten vierde: doe het samen
En ten slotte: vier je voortgang!

Atlas Contact, Amsterdam, 2020. ISBN9789045039800

Merlijn Twaalfhoven is componist en oprichter van The Turn Club, een samenwerkingsverband van kunstprofessionals, veranderaars en bruggenbouwers. Hij werkte o.a. met Het Nationale Ballet, Toneelgroep Amsterdam en het Kronos Quartet.

De bijeenkomst in Paradiso (d.d. 1 november 2020) naar aanleiding van het verschijnen van het boek ‘Het is aan ons. Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.’:

Bookmark and Share

Nieuwe informatie over de onderduik in Jutphaas


November 2020. Nadere informatie over mijn grootvader Egbertus Hendrikus Schellinger (Bert) en diens dochter (mijn moeder) Johanna Elisabeth Margaretha Hendrika Schellinger (Joke).

Bert Schellinger
Bert werd geboren te Den Helder, 7 juni 1895. Zijn ouders en voorouders kwamen van Oudeschild (Texel). Later verhuisde hij naar Amsterdam. Hij trouwde op 2 februari 1921 met Johanna Elisabeth de Vries (eveneens Joke) te Weesp.
Op 30 januari 1939 verhuisden ze naar de W.A. Vultostraat 98 in Jutphaas. In dit huis heeft later 7 maanden lang Sonja van Es ondergedoken gezeten. Het huis werd ook als doorgangshuis gebruikt.
Op de kaart van Utrecht zie je dat deze straat in het verlengde ligt van de Constantijn Ezaijstraat, waar Paula en Coen verbleven bij de familie Jan Kooy. Dit was een collega van Bert. Beide mannen waren sergeant in het leger, bij hetzelfde legeronderdeel en beide geboren in Den Helder, bovendien vrijwel even oud.

In maart 1944 verhuisde hij naar de Van Humboldstraat 103 bis te Utrecht en later in februari 1945 naar de Weerdsingel W.Z.11 bis., ook in Utrecht. Eind 1947 verhuisde hij naar Amsterdam. Het paar scheidde van elkaar in 1957, waarna hij opnieuw trouwde met Hendrika Johanna (Henny) Bruintjes. Hij is overleden op 23 september 1976. Hij was toen 81. Zijn eerste echtgenote Joke overleed in 1979. In dat zelfde jaar overleed ook zijn tweede vrouw.

Joke Schellinger
Bert had twee dochters: Betty, geboren 12 juni 1922 en Joke, geboren 20 november 1923. Naar verluid verbleef zijn echtgenote (mijn oma) gedurende lange tijd tijdens de oorlog in een sanatorium, dochter Betty woonde in Eindhoven. Dochter Joke woonde samen met Bert in Jutphaas. Na de oorlog kreeg Joke een relatie met een zekere Jan van der Kooi (niets van doen met de Jan Kooy uit het boek). Uit deze relatie kwamen twee kinderen voort, ik zelf op 25 september 1950 en mijn broer Bert in december 1953 (overleden in 2009). Nadat deze relatie werd beëindigd, trouwde zij in 1953 in Amsterdam met de weduwnaar Cees Faber, die al 5 kinderen had. Uit deze nieuwe relatie werden nog 2 kinderen geboren. Mijn moeder Joke overleed op 13 mei 1982.

Bert Schellinger in 1957, Joke Schellinger, data niet bekend, naar schatting, tussen 1943 en 1947. 

Bookmark and Share

Hogeschool van Amsterdam – Literatuur en Vertellen. Deze ontspoorde wereld


Als je de website bezoekt, kijk Paula Bermann je aan.
De site is gemaakt als onderdeel van het vak Literatuur en Vertellen van de Hogeschool van Amsterdam. Eén van de boeken die de studenten mochten lezen was Deze ontspoorde wereld.

Op verzoek van een docent heeft een van de kleinkinderen van Paula Bermann, Linda Bouws, vragen beantwoord over de publicatie en de mogelijke impact die de uitgave had op de familie.

Over de geschiedenis van de dagboeken (vijf schriften)

Linda Bouws: ‘De dagboeken van mijn grootmoeder Paula Bermann stonden bij ons thuis in de kast in de Van Eeghenstraat. Hoe ze daar zijn terechtgekomen is niet duidelijk. De dagboeken moeten uit het onderduikadres van mijn grootouders, vlak voor ze verraden zijn, zijn verplaatst naar een veiliger plek. Als kind werd ik door ze aangetrokken, maar kon ze niet lezen: dicht geschreven cahiers in het Duitse Kurrentschrift, in een heel evenwichtig handschrift. Mijn moeder Sonja, haar zuster Inge en broer Hans hebben zo’n veertig jaar na het beëindigen van WO II besloten de vier cahiers te laten vertalen in modern Duits door Johan H. Winkelman. Hij heeft er drie jaar over gedaan. Mijn moeder, haar zus en haar broer wilden het niet publiceren, de tekst was te emotioneel en confronterend.’

Het dagboek is pittig wat betreft de inhoud. Het biedt een inzicht in politiek en oorlog, maar vooral ook in een persoonlijke situatie. Doordat het een dagboek is, staan er buitengewoon openhartige gedachten en gedachtegangen in. Hoe was dat voor jullie om te lezen? En later gepubliceerd en geopenbaard te zien? 

Linda Bouws: ‘Als ik voor mij zelf spreek: ik had het dagboek in de Duitse vertaling al gelezen toen het in 1987 en de volgende jaren werd vertaald in modern Duits, en was er toen zeer door geraakt, ook om mijn grootmoeder te leren kennen. Ik was vooral geïntrigeerd door de verhalen over mijn moeder Sonja en de andere familieleden, en hoe het hun allemaal is vergaan. Al lezend wist ik ook hoe het Paula, Coen en Inge was vergaan nadat ze opgepakt waren, Paula’s trieste zelfmoord na de dood van haar man en dat maakte het lezen extra wrang. Bij de voorbereidingen van de Nederlandse publicatie werd ik ook geraakt door de politieke observaties in haar boek en de paralellen met nu. De meeste kleinkinderen hadden de dagboeken niet gelezen, of slechts fragmenten. Het kwam hard binnen.’

Een aardige opdracht was om de studenten een selectie te laten maken van boeken genoemd in Deze ontspoorde wereld. Zie: Steinz en Bermann (PDF)
Deze powerpoint presentatie geeft een goede indruk van de opdrachten: Deze ontspoorde wereld ppt (PDF)

Op de website staan de boeken die bij het project aandacht kregen. Alleen ontbreekt het boek waarvan de auteur je aankijkt als je de site bezoekt.

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us:
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives