Art Manifestation ‘On Friendship/(Collateral Damage) III – The Third GaLUT – Upcoming Events

Upcoming events:

10. Location: Museum Hedendaagse Kunst De Domijnen, Ligne 5, Sittard
Date: 20 October 2019 – 26 Januari 2020
Retrospective Joseph Sassoon Semah: opening 20 October, 13.00 hrs.
A large retrospective with artworks by Joseph Sassoon Semah: “Being touched by an angel just before birth.” Curator: Roel Arkesteijn.

13. Location: Kunstenaarsboekwinkel Boekie-Woekie, Berenstraat 16, Amsterdam
Date: 19 October – 15 November 2019
Exhibition: opening 19 October 2019, 17.00 hrs.

14. Location: Werkgebouw het Veem, Van Diemenstraat 410-412, Amsterdam
Date: 25 October – 24 November 2019
Exhibition

The complete program: http://rozenbergquarterly.com/art-manifestation-on-friendship-collateral-damage-iii-the-third-galut-baghdad-jerusalem-amsterdam-the-guest-becomes-host/

Het complete programmahttp://rozenbergquarterly.com/kunstmanifestatie-on-friendship-collateral-damage-iii-the-third-galut-baghdad-jerusalem-amsterdam-gast-wordt-gastheer/

Bookmark and Share

The Charlie Hebdo Attacks In Paris: Defining Islamophobia And Its Socio-Political Applications

Ills.: UK Human Rights Blog

Abstract
This article assesses how contemporary definitions of Islamophobia, especially the influential Runnymede report’s definition, met difficulties and challenges after the January 2015 attacks in Paris. It analyses the reactions of European government officials, and oppositional political parties to these attacks through Political Discourse Analysis (PDA). The results show the ambiguous criteria defining Islamophobia in these speeches. The main implication is that more effort is needed to produce a refined and operational definition of Islamophobia.

Key words: Islamophobia, Runnymede Report, Charlie Hebdo attacks, European Union, populism

Introduction
The phenomenon of Islamophobia, considered as fear, dislike or prejudice against Islam and its followers, is arguably as long as Islam itself. In the contemporary world, a pivotal moment in the study of Islamophobia as a phenomenon and its definition was the publication of a report titled: Islamophobia: A Challenge for Us All (Runnymede Trust, 1997, hereafter: The RT Report) by the Commission on British Muslims and Islamophobia, established by the Runnymede Trust. In a pioneering study the independent race, ethnic and religious equality think-tank attempted at the identification of causes and reasons for the phenomenon of Islamophobia as well as defining it. According to the Runnymede Trust, Islamophobia is: ‘… a shorthand way of referring to dread or hatred of Islam – and, therefore to fear or dislike of all or most Muslims’ (The RT Report, 1). And further: ‘the term Islamophobia refers to unfounded hostility towards Islam. It refers also to the practical consequences of such hostility in unfair discrimination against Muslim individuals and communities, and to the exclusion of Muslims from mainstream political and social affairs’ (ibid.; 4). The report reached much further than a mere identification of the terminology and consequently the definition along with its characteristics (outlined below) remain the most quoted and influential study on Islamophobia as a phenomenon and from an etymological perspective. In an attempt at breaking down the causes and reasons for the ‘hatred’, ‘hostility’ and ‘discrimination’ towards Islam the authors made an essential distinction between ‘legitimate criticism’ and ‘unfounded prejudice and hostility’ towards Muslims (The RT Report; 4). Consequently, the commission proposed closed and open views towards Islam and its believers, illustrating two essentialised approaches a non-Muslim can have towards the Islamic religion and its worshippers. ‘Phobic dread of Islam is the recurring characteristic of closed views. [While] legitimate disagreement and criticism, as also appreciation and respect, are aspects of open views’ (The RT Report; 4). Identification of the two contrastive views was based on acknowledging eight main features of each of them. The eight features of the closed/open views were recognized as: monolithic/diverse; separate/interacting; inferior/different; enemy/partner; manipulative/sincere; criticism of West rejected/considered; discrimination defended/criticized; Islamophobia seen as natural/problematic (The RT Report, p. 5).

Read more

Bookmark and Share

Ikkattinn – Berberse volksverhalen uit Zuid-Marokko

StroomerTalenMarokko

Gesproken talen Marokko

In Noord-Afrika worden van oudsher Berberse talen gesproken. De geschiedenis leert ons dat het altijd al een gebied is geweest waar verschillende culturen elkaar hebben ontmoet en waar verschillende talen naast elkaar hebben bestaan.
Zo werd er tijdens de Romeinse overheersing van Noord-Afrika (van de tweede eeuw voor Christus tot de zesde eeuw na Christus), naast genoemde Berberse talen, Latijn en Punisch gesproken. In het begin van de achtste eeuw na Christus begon de islam zich over Noord-Afrika uit te breiden en dat bracht een verspreiding van Arabische spreektalen met zich mee. Dit proces verliep in het ene gebied langzamer dan in het andere. Zo was waarschijnlijk de overgrote meerderheid van de Marokkaanse bevolking tot ver in de 19e eeuw Berbertalig. In Marokko werden tijdens de periode van koloniale overheersing (1912-1956) Frans en Spaans aan de reeds aanwezige talen toegevoegd.
“In negen landen van Noord-Afrika worden tegenwoordig Berberse talen gesproken. Het totale aantal sprekers is ongeveer vijfentwintig miljoen. We onderscheiden acht à tien verschillende Berberse talen die weliswaar taalkundig sterk verwant, maar in praktijk in wisselende mate onderling ver­staan­baar zijn. Als taalfamilie behoren Berberse talen bij het Afroaziatisch”.

Verreweg de meeste Berbertaligen vinden we in Marokko, een land met 30 miljoen inwoners. Naar schatting de helft van de Marokkanen spreekt van huis uit een van de drie Marokkaanse Berberse talen (voor de geografische verspreiding zie het kaartje): Rifijns Berber (Tarifiyt) in het noorden, met ongeveer twee miljoen sprekers; Midden-Atlas Berber (Tamazight) in het midden, met ongeveer vier miljoen sprekers en Tasjelhiyt Berber (Tasjelhiyt of Tasusi­yt) in het zuiden, met ongeveer negen miljoen sprekers.
Veel Berbertaligen zijn uit hun oorspronkelijke woongebied geëmi­greerd, zowel naar gebieden binnen hun eigen vaderland als naar andere landen. De grootste stad van Marokko, Casablanca, is voor zestig procent Berbertalig; één op de twaalf inwoners van Parijs spreekt een Berberse taal.
Als gevolg van arbeidsmigratie vanuit Marokko, vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw, hebben zich in Nederland veel Marokkanen gevestigd. Thans, 2005, wonen er ongeveer 300.000 Marok­kanen in Nederland. Hiervan is drie­kwart Berbertalig, dus ongeveer 220.000 mensen, waarvan waarschijnlijk 180.000 Rifberbers en 40.000 Berbertaligen uit de Midden-Atlas en Zuid-Marokko.
Het Tasjelhiyt Berber van Zuid-Marokko is naar aantal sprekers de grootste Berberse taal van Marokko. De noordelijke grens van het Tasjelhiyt Berber-taalgebied wordt gevormd door de noordelijke rand van de Hoge-Atlas; de zuidelijke grens is de denkbeeldige lijn van Foum Zguid, een plaats ten zuiden van Ouarzazate, in het oosten, tot het plaatsje Ifni aan de kust in het westen. De oostelijke grens is de denkbeeldige lijn van Demnate, over Ouarzazate naar Foum Zguid. De westelijke grens is de kust van de Atlantische oceaan, tussen de steden Essaouira en Ifni. Ten zuiden van de stad Demnate gaat het Tasjelhiyt Berber geleidelijk over in het Berber van de Midden-Atlas.

as-Sûs al-Aqsâ
Het Tasjelhiyt Berberse taalgebied, dat in oppervlakte ongeveer vier keer zo groot is als Nederland, was bij de oude Arabische geografen en historici bekend als as-Sûs al-Aqsâ “de verafgelegen Sous”. De Sous is de naam van de grote vlakte ten oosten van Agadir. Vandaar dat het Tasjelhiyt Berber ook wel Sous Berber wordt genoemd. In Franstalige werken noemt men deze taal gewoonlijk “Chleuh” of “Tachelhiyt”. Read more

Bookmark and Share

The Dutch Black School: They Are Not Us

Lammert de Jong – Being Dutch. More or less. In a comparative Perspective of USA and Caribbean Practices Rozenberg Publishers 2010. ISBN 978 90 3610 210 0 – The complete book will be online soon. 

‘An Inconvenient Truth’
In the Netherlands, black’ is not black; it is ‘non-western’, including Moroccan, Turkish, and people of Caribbean origin, lumped together as allochtons. In government statistics, schools with more than 70% allochton pupils are generally classified as a black school; schools with less than 20% allochton pupils are graded as white. The black school concept is also used in relation to the surrounding neighborhood. Schools with more pupils of non-western origin than expected in view of the composition of the neighborhood are labeled blacker or, in the case of an over-representation of white pupils, whiter. A deviation of 20% or more between neighborhood and school population classifies a school as too white or too black (Forum, 2007). The number of primary schools with more than 70% allochton pupils is increasing; in Dutch nomenclature: the schools are becoming blacker.

The Dutch black school is a perfidious contraption that locks in children of non-western origin, while its black label flags an underlying apartheid syndrome to underscore for the True Dutch – intentionally or not – how different these allochtons are. Yet the black school touches an open nerve in the Netherlands, a sensitive reality that surpasses its statistical definition. On the one hand the black school reeks of apartheid, which the Dutch so bravely contest when occurring elsewhere in the world. On the other hand the True Dutch are well aware that their entitlement and unencumbered access to white schools is at stake when school segregation is tackled in earnest. So far Dutch counteraction is limited to research and some experimental desegregation projects.

The Dutch black school is embedded in the particular Dutch school system that funds public-secular as well as private-denominational schools. Once, the Dutch school system was driven by the accommodation of different beliefs. On the strength of their belief – church-religion or secular ideology – parents wanted a school for their children that adhered to the values, doctrines, and rules of their faith, and paid for by the state. [Note: In 2009 the Netherlands’ Council of State pointed out that publicly financed orthodox religion-based schools may refuse teachers who identify with a particular gay life style. The fact that a teacher is gay is not sufficient to deny a position, but if he or she is in a same sex relation and married in church or city hall, that may suffice, as such contravenes the orthodox rule that marriage is a holy sacrament between one man and one woman]

Denominational and non-religious schools emphasized particularity, a distinctiveness that corresponded with religious doctrines or ideological orientations. The principle of Freedom of Education (Onderwijsvrijheid) is enshrined in the Netherlands Constitution, art. 23. Over the years parents have come to believe that they are entitled to choose a specific school for their children, which is a travesty of the freedom to choose a particular type of school, based on denominational or secular definition.

Dutch politics wavers when coming to grips with the effects the black school brings – quite literally – home. Most parents don’t set out intending to discriminate, which makes a noble difference, and legally enforced segregation is not on the books. Nonetheless a segregated white-black educational system has become a reality, with most True Dutch children in better schools and having better school careers, and children of allochtons at the other end. And that with long lasting effects after the school years have come to an end. This type of school segregation stigmatizes New Dutch children for life, while reinforcing an allochton footprint that will divide the nation for years to come. Although most political parties assert that integration is the major social issue of our time, they fail to confront the black school with a sense of urgency. Dutch politics still has to acknowledge that the black school emblematizes the allochton population in the Netherlands with an explicit signature: They are not Us.

Black schools are a common feature in most major Dutch cities. So far the black school does not stand out in Dutch politics as a problem that must be solved urgently by law, regulation or in the courts. The black school seems more of an inconvenient truth than a critical social or political issue. To an outsider this must be surprising, given that the Netherlands is known for its rock-solid liberal reputation. How come then that the Netherlands has become a segregated nation? And do they discriminate against people of color? Do the Dutch not know how to handle the ethnic complexities of today’s multi-cultural society? Or is it a lack of compassion for those who do not belong to the white Dutch tribe: Discrimination or not, my children first. Or is it merely a matter of social-economic stratification, a distinction between advantaged and disadvantaged children, so that the Dutch black school is just a myth (Vink, 2010)?

Read more

Bookmark and Share

“Trump Specializes In Showmanship Not Statecraft”: An Interview With Andrew Bacevich

Andrew J. Bacevich. Professor Emeritus of International Relations and History. Photo: Boston University

What are the founding principles of U.S. foreign policy? Was the U.S. ever isolationist as mainstream diplomatic history claims? And what about Donald Trump’s foreign policy? Is he a normal foreign policy president? Is he in favor of U.S. global expansion? Is China emerging as the new global empire? Andrew Bacevich, Professor Emeritus of International Relations and History at Boston University and now president of the Quincy Institute for Responsible Statecraft tackles the above questions in the interview below. A retired US army Colonel who fought in the Vietnam War an lost a son in the Iraq war, Bacevich is the author of numerous works on U.S. foreign policy, including among many others, Washington Rules: America’s Path to Permanent War (2010); The New American Militarism: How Americans Are Seduced by War (2005); Breach of Trust: How Americans Failed Their Soldiers and Their Country (2013; and of the forthcoming book The Age of Illusions: How America Squandered Its Cold War Victory.

C. J. Polychroniou: I would like to start by asking you to reflect on the founding principles of U.S. foreign policy, which many regard as “geopolitical isolationism” and “unilateralism,” and whether this is what the U.S. has practiced for most of its history.

Andrew Bacevich: The overarching theme of U.S. policy from the very founding of the Republic has been 1780s opportunistic expansionism. As far back as the 1780s, the Northwest Ordinances had made it clear that the United States had no intention of confining its reach to the territory encompassed within the boundaries of the original thirteen states.  While the U.S. encountered sporadic resistance during the course of its remarkable ascent, virtually all of it proved to be futile.  With the notable exception of the failed attempt to incorporate Canada into the Union during the War of 1812, expansionist efforts succeeded spectacularly and at a remarkably modest cost.  Already by mid-century, the United States stretched from sea to shining sea.

In 1899, the naturalist-historian-politician-sometime soldier and future president Theodore Roosevelt neatly summarized the events of the century just drawing to a close:  “Of course, our whole national history has been one of expansion.”  When TR uttered this rarely acknowledged truth, a fresh round of expansionism was underway, this time reaching beyond the fastness of North America into the surrounding seas and oceans.  Among Europeans, a profit motivated but racially justified imperialism was in full flower.  The United States was now joining in.  The year before, U.S. forces had invaded and occupied Cuba, Puerto Rico, Hawaii, Guam, and the island of Luzon across the Pacific.  Within two years, the United States had annexed the entire Philippine Archipelago.  Within four years, with Roosevelt now in the White House, U.S. troops arrived to garrison the Isthmus of Panama where the United States, subsequent to considerable chicanery, was setting out to build a canal.  Soon thereafter, to preempt any threats to that canal, successive administrations embarked upon a series of interventions throughout the Caribbean.  Roosevelt, William Howard Taft, and Woodrow Wilson had no desire to annex Nicaragua, Haiti, and the Dominican Republic, they merely wanted the United States to control what happened in those small countries, as it already did in nearby Cuba.  While President Trump’s recent bid to purchase Greenland from Denmark may have has failed, Wilson – perhaps demonstrating greater
skill in the art of the deal – did persuade the Danes in 1917 to part with the Virgin Islands for the bargain price of $25 million.

The U.S. preference for operating unilaterally and its determination to avoid getting entangled in European power politics during this period is of much
less significance than narrative of expansion, as Americans persistently sought more — more territory, more markets, more abundance. Read more

Bookmark and Share

The Making Of The Statute Of The European System Of Central Banks ~ Contents & Readers’ Guide

Contents

List of Acronyms and Abbreviations
INTRODUCTION
Chapter 1: Introductory Chapter
Zur Thematik – Organization of the book – Methodology and sources – Descriptions of the main documents, committees and historical setting

Chapter 2: Integration Theory, Federalism and Checks and Balances
Integration and transfer of power – Federalism – Checks and balances

PART I
Cluster I (Checks and Balances between the ESCB and the Public Authorities)

Chapter 3: Introduction to Cluster I
Basic Community structure – Independence – Accountability

Read more

Bookmark and Share

Herinnering aan André Köbben (1925-2019)

Foto nsv-sociologie.nl

19 augustus 2019. Op 13 augustus, vorige week dus, overleed André Köbben. Hij was mijn leermeester, in allerlei opzichten. Ik ben vier jaar zijn assistent geweest in de jaren zestig van de vorige eeuw, ik ben in 1974 bij hem gepromoveerd. Vandaag wordt hij gecremeerd, in Leiden, waar hij woonde. Er is veel over hem te vertellen, en ik vermoed dat ik dat op deze plaats ook nog wel zal doen. Maar ter herinnering aan hem druk ik op deze dag een ‘gesprek’ met hem af. Ik voerde dat begin 2012, ruim zeven jaar geleden dus, voor een tijdschrift: Tijdschrift over Cultuur en Criminologie, waarin het later dat jaar (het septembernummer) werd geplaatst.

Een gesprek voor het Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit? Je bent van harte welkom, zegt André Köbben aan de telefoon, maar hij geeft me huiswerk op. Hij stuurt me de tekst toe van Bedrog in de wetenschap, die hij begin januari (2012) heeft voorgedragen bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Ook vraagt hij me de nieuwe bundel met criminologische opstellen van Frank Bovenkerk door te nemen: Een gevoel van dreiging. Het ging hem niet om het motto van de bundel, ontleend aan Köbben zelf en met karakteristieke köbbiaanse ironie verwoord:Zelfs zou ik mij willen verstouten u, lezer, de vaderlijke raad mee te geven: in uw eigen belang en dat van anderen, waag u nóóit aan echte voorspellingen. Nee, ik moet lezen wat Bovenkerk heeft geschreven over de Noorse massamoordenaar Anders Breivik, de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, de spray shooting in Alphen aan den Rijn en de aanslag op de koninklijke familie in Apeldoorn in 2009.

De overeenkomsten tussen beide onderwerpen dringen niet meteen tot me door, maar na een kort college zie ik de analogie. André Köbben en ik ontmoeten elkaar bij hem thuis, in zijn gerieflijke Leidse studeerkamer. Opvallend netjes opgeruimd voor een werkkamer, maar wel met overal stapels boeken en notities – een onderzoeker aan het werk. Begin februari. Buiten is het heftig vriesweer en schijnt een oogverblindende zon. In de jaren 1960 ben ik vier jaar zijn assistent geweest en hebben we vaak zo tegenover elkaar gezeten, op zijn kamer in de Amsterdamse Spinhuissteeg, later aan de Keizersgracht; boeken, tijdschriften, blocnotes en losse papieren tussen ons in. Het voelt vertrouwd en eigenlijk volstrekt gewoon, zo hoort het – André aan het woord, ik met een aantekeningenboekje. Nu tutoyeren we elkaar, dat was destijds ondenkbaar. Ook hij heeft zich voorbereid, er ligt een cv voor me klaar, knipsels, tijdschriftartikelen.

In zijn lezing over bedrog valt Köbben met de deur in huis: ‘Op 8 september 2011 kwam het bedrog van Diederik Stapel in de openbaarheid. Het kwam voor iedereen als een donderslag bij heldere hemel.’ Velen denken dat het gaat om een uitzonderlijk geval en sommigen, onder wie de rapporteur over de zaak Stapel, beweren zelfs dat er sprake is van het ‘omvangrijkste bedrog ooit’. Köbben laat zien dat dit niet waar is, maar wat hem boeit is het stereotiepe karakter van zulke reacties. Net als het feit dat je allerlei commentatoren op ziet duiken die onmiddellijk menen te weten wat de oorzaak zou zijn geweest van Stapels bedrog. De gedachte erachter is dat je zulke incidenten eigenlijk zou moeten kunnen voorkomen, dat er maatregelen getroffen zouden kunnen worden om bedrog in de wetenschap uit te roeien. Daar zit een bepaalde logica achter en wel de ‘logica van de risicosamenleving’ – de term wordt gebruikt door Frank Bovenkerk en hij bespreekt het begrip in zijn bundel. De zin van het huiswerk begint te dagen. Als er een gruwelijke aanslag zoals die in Noorwegen gepleegd wordt – heel letterlijk: een donderslag bij heldere hemel – klinken er meteen stemmen die de overheid verantwoordelijk stellen: we hadden die Breivik toch wel eerder kunnen ontmaskeren als gewetenloze killer? De werkelijkheid is ingewikkeld, de misdaadbevorderende factoren die in het leven van Anders Breivik kunnen worden aangewezen, vind je ook bij duizenden anderen en daar gaat het blijkbaar niet mis. Toch wordt er een commissie ingesteld die één of een paar veronderstelde oorzaken belicht waar snel iets aan kan worden gedaan. Helaas is het onduidelijk hoeveel rampen in de toekomst kunnen worden voorkomen door zulke ad-hocmaatregelen. Bovenkerk zegt gelaten: ‘Het wachten is op de volgende calamiteit.’ Read more

Bookmark and Share

Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Inhoudsopgave

Omslag: burobouws.nl

Inhoud

1. Over de rol van ijdelheid in de wetenschap – Voorwoord
2. Jan P. Bakker
3. Uren met Lévi-Strauss
4. Over Norbert Elias
5. Een al te absolute overtuiging – Over Dick Swaab: Wij zijn ons brein
6. De kwestie Buck
7. Het geval van Jan Hendrik Schön
8. De affaire Stapel
9. Inzake Mart Bax
10. Sir Cyril Burt
11. Bernard Berenson tussen kunstwetenschap en handel
12. Rangschikkingen
Geraadpleegde literatuur

‘IJdelheid’, wat is mijn definitie van dat begrip? In de Van Dale wordt ijdelheid omschreven als ‘een te hoge dunk van de eigen voortreffelijkheid’ en als ‘de zucht om door anderen bewonderd en geprezen te worden’. Beide omschrijvingen zijn voor mijn doel bruikbaar. Een zekere mate van ijdelheid in deze betekenis is veel beoefenaars van de wetenschap eigen, met name als ze de positie van hoogleraar bereikt hebben. Mij gaat het hier echter om gevallen waarbij ijdelheid zich in excessieve vorm voordoet. In die zin dat deze ook nog gepaard gaat met de ‘ik heb altijd gelijk’ gedachte, en vaak ook met ‘ik weet toch wel hoe het zit, ook zonder het onderzocht te hebben’.

Eerder verschenen bij Rozenberg Publishers. Amsterdam 2017. ISBN 978 90 3610 493 7

Bookmark and Share

Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Voorwoord

‘IJdelheid’, wat is mijn definitie van dat begrip? In de Van Dale wordt ijdelheid omschreven als ‘een te hoge dunk van de eigen voortreffelijkheid’ en als ‘de zucht om door anderen bewonderd en geprezen te worden’. Beide omschrijvingen zijn voor mijn doel bruikbaar. Een zekere mate van ijdelheid in deze betekenis is veel beoefenaars van de wetenschap eigen, met name als ze de positie van hoogleraar bereikt hebben. Mij gaat het hier echter om gevallen waarbij ijdelheid zich in excessieve vorm voordoet. In die zin dat deze ook nog gepaard gaat met de ‘ik heb altijd gelijk’ gedachte, en vaak ook met ‘ik weet toch wel hoe het zit, ook zonder het onderzocht te hebben’.

Ik heb in ruime mate gegevens verzameld over tien zulke personen. In zeven van mijn casussen ben ik goeddeels tot mijn oordeel over hen gekomen op grond van eigen onderzoek en eigen ervaringen. In twee gevallen heb ik mede gebruik gemaakt van het zorgvuldige werk van een onderzoekscommissie. In drie gevallen heb ik mijn oordeel voornamelijk gebaseerd op doorwrochte studies van anderen. Ik heb niet de pretentie dat het hier gaat om zoiets als een representatieve steekproef. Wel meen ik een scala van gevallen te presenteren die de meeste variaties op dit gebied omvat. Zo heb ik gezocht naar voorbeelden uit onderscheiden gebieden van wetenschap. In zes gevallen zijn het beoefenaars van de sociale wetenschappen (in de ruime zin van het woord), in vier gevallen natuurwetenschappers (in de ruime zin van het woord). In vijf casussen betreft het actuele affaires, in de vijf overige om zaken die zich in het (nabije) verleden hebben voorgedaan. Die te bespreken is van belang, al is het maar om aan te tonen dat misstanden in de wetenschap niet enkel van vandaag of gisteren zijn. In alle tien gevallen betreft het mannen. Geen wonder. Immers in het nabije verleden waren bijna alle beoefenaars van de wetenschap van het mannelijk geslacht, en ook nu nog geldt dat voor een ruime meerderheid. Maar de emancipatie schrijdt met rasse schreden voort! Alweer enkele jaren geleden kreeg voor het eerst een vrouwelijke beoefenaar van de wetenschap een officiële berisping wegens wangedrag in de wetenschap. Ik noem hier geen namen.

Excessieve ijdelheid in de wetenschap, in de hier geformuleerde betekenis van dat woord, heeft vaak schadelijke gevolgen en wordt daarom in dit geschrift bestreden.

Achtereenvolgens bespreek ik leven en werk van de volgende personen: de fysisch geograaf Jan P. Bakker; de antropoloog Claude Lévi-Strauss; de socioloog Norbert Elias; de hersenonderzoeker Dick Swaab; de chemicus Henk Buck; de nanotechnoloog Jan Hendrik Schön: de sociaal psycholoog Diederik Stapel; de antropoloog Mart Bax; de psycholoog Cyril Burt; de historicus Bernard Berenson.

De vraag die als eerste te beantwoorden staat is of ijdelheid in excessieve-mate bij onderzoekers in alle gevallen nadelig is voor de wetenschap.

Bij het schrijven van dit boek heb ik de hulp gehad van Henk Tromp. Hij heeft mijn teksten zorgvuldig gelezen en mij zijn kritiek niet bespaard. Verder, hij weet (bijna) alles van computers en ik (bijna) niks. En tenslotte, het mooie hoofdstuk 11 is van zijn hand.

Ook wil ik Frank Bovenkerk en Lodewijk Brunt bedanken voor hun welkome bijstand. Eens waren zij veelbelovende promovendi van mij, nu zijn zij allebei emeritus hoogleraar. Dat ik dat nog mag meemaken!

Volgende hoofdstukover-de-rol-van-ijdelheid-in-de-wetenschap-jan-p-bakker/

Bookmark and Share
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives