Boerenbruiloftghurt en schabouwelijk: neologismen en vergeetwoorden

Taal leeft. Dat wil zeggen dat er woorden verdwijnen, dat er nieuwe woorden bij komen of bestaande woorden een tweede of andere betekenis krijgen. Dat woorden verdwijnen is wel erg neutraal gezegd. Dat nieuwe woorden of betekenissen ontstaan, wordt meestal goed geboekstaafd, bijvoorbeeld in taalrubrieken in dag-, week- of maandbladen, in boeken die een overzicht van nieuw aangetroffen woorden bieden of in verkiezingen van het woord van het jaar. En in elke nieuwe druk van de serieuze woordenboeken staan honderden neologismen ofwel nieuwvormingen.

Zulke overzichten zijn er niet van woorden die niet of nauwelijks meer gebruikt worden, woordenboeken schrappen gewoon wat niet meer in de gratie is, het valt niet op dat je een bepaald woord al een paar jaar niet meer gehoord hebt. Woorden verdwijnen niet, ze sterven af.

Dat wordt duidelijk zichtbaar als er toch eens een poging tot overzicht gedaan wordt, zoals in 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Utrecht/Antwerpen, 2015). Daarin staan honderden woorden die aangedragen zijn door luisteraars van het radioprogramma de Taalstaat, die een bedreigd of inmiddels uitgestorven woord opperden en aldus het “Gezelschap Van Geadopteerde Vergeetwoorden” vormden.
Woorden als stoop (oude maat voor vloeistoffen), geverseerd (bedreven, ingewijd in), mitsgaders (alsook, benevens) en peeuwen (klagen, jeremiëren). Of winterkeuken (gerechten die ’s winters gegeten worden), schabouwelijk (zeer bedenkelijk, heel slecht), druistig (wild, onbesuisd), kwispedoor (spuwbak) en kalefakker (praatjesmaker).
De schrijfster Nelleke Noordervliet, die de selectie deed, stelt in haar Inleiding: “Dat woorden in onbruik raken is niet verwonderlijk, maar met hun verdwijnen nemen ze een heel klein stukje geschiedenis met zich mee.” En: “Nee, we kunnen niet alles redden. Maar we kunnen wel onze taal in al haar rijkdom gebruiken.”

Corona
Neologismen ontstaan vaak in een cluster, een woordfamilie, een qua thema of vakgebied samenhangend geheel. Voor de hand liggende voorbeelden zijn popmuziek – rap, ska, grunge, ambient, noise – en de digitale revolutie, de wereld van printen en appen, van vlog en sexten.
Een actueel voorbeeld van zo’n cluster biedt de coronapandemie. Die heeft inmiddels al zo veel nieuwvormingen doen ontstaan, dat Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, er een heus boek mee kon vullen: De taal van het nieuwe normaal. Corona in 1000 en enige woorden (Varik, 2020). Uiteraard komen daarin de termen ter sprake die sinds enige tijd tot ons dagelijks spraakgebruik horen, van af- en opschalen tot lockdown, van virusdreiging en vaccinatiewedloop.
Maar het bevat ook pareltjes, met soms wel een beetje erg ruime toelichting: “doornroosjedeal: afspraak waarbij een levensvatbare onderneming die door bijzondere omstandigheden, zoals corona, financieel in moeilijkheden verkeert tijdelijk uitstel van betaling van de schuldeisers krijgt om niet failliet te hoeven gaan, zodat de onderneming bij een normalisering van de omstandigheden door kan; genoemd naar het sprookje Doornroosje van de gebroeders Grimm, dat gaat over een prinses die door een betovering honderd jaar in slaap ligt in een door doornstruiken omgeven kasteel, totdat een prins haar komt wakker kussen.”, “huidhonger: behoefte aan fysieke aanraking, m.n. bij mensen die langdurig alleen moeten zijn, bv. wanneer ze in hun eentje in quarantaine of zelfisolatie zitten”, “niesdab: niesreflex waarbij iemand zijn neus naar zijn elleboogholte van zijn ene arm brengt en daarin niest, terwijl hij zijn andere arm zijdelings omhoogsteekt, zo genoemd naar de dansmove dab” en “hoestschaamte: schaamte die iemand ervaart als hij hoest in het gezelschap van anderen die weleens zouden kunnen denken dat hij een ziekte heeft waardoor hij anderen zou kunnen besmetten”. Het is niet gewaagd te stellen, dat de meeste van deze woorden en uitdrukkingen zeer tijdgebonden zijn en een volgende druk van de Dikke Van Dale niet zullen halen.
Den Boon ziet trouwens een parallel tussen de opmars van het virus en de groei die hij verwacht voor de pandemieneologismen: ”Lexicografisch gezien is dit niet meer dan een eerste inventarisatie van de coronawoordenschat, waarvan de omvang zich de komende jaren ongetwijfeld verdubbelt of verdrie- of verviervoudigt.”
Hij schreef overigens ook, samen met Julius ten Berge, het Verdwijnwoordenboek. Woorden die wegvielen uit onze woordenschat (’s-Hertogenbosch, 2008).

Scrummen
Waar vergeetwoorden bij gebrek aan gebruik langzaamaan uit beeld verdwijnen, is van nieuwvormingen meestal wel duidelijk waar en wanneer zij het licht zagen. Als Geert Wilders in de Tweede Kamer de hoofddoekjes van moslima’s “kopvodden” noemt, mag u rustig aannemen, dat daar brainstormsessies aan voorafgegaan zijn om tot een term te komen die tegelijk zo kwetsend mogelijk is en makkelijk in het spraakgebruik blijft hangen.
Dus als uw vaatwastabletten “zijdeglansparels” blijken te bevatten of in uw half volkoren zit “broodverbetermiddel“, stel u daarbij dan gerust een sessie voor waarin duur betaalde en daarom in strak pak gestoken en in door de zaak geleasde Maserati’s rond rijdende copywriters in lange vergaderingen en via speelse associatie-rondes tot die briljante vondsten komen. Japke-d. Bouma kent die sessies uit eigen ervaring en geeft in Ga lekker zèlf in je kracht staan. De ergste clichés op kantoor (Amsterdam, 2019) een vermakelijke blik in zo’n brainstormzitting, al heet dat tegenwoordig in die praktijk “scrummen”:
“Scrummen is een hele toestand met regels, rollen en pokerkaarten (..). Dat lijkt allemaal niet zo revolutionair, maar het grote voordeel van scrummen is dat er voor al die dingen die we al miljarden jaren hetzelfde deden nu allemaal chille Engelse woorden zijn verzonnen.
Zo heet een manager een ‘scrum master’, heet het begin een ‘kick off’, werk je niet, maar hou je korte ‘sprints’, heet de baas een ‘product owner’, heeft de klant een ‘user story’, en wordt de vergadering ‘stand up’ genoemd omdat je er bij moet staan want anders wordt het een gewone vergadering en dat is niet hip.”

Karnevers
Zo’n explosieve combinatie van creativiteit en speelsheid leidt gemakkelijk tot excessen, althans lexicografische. Een praktijkvoorbeeld.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw was het oma. Grootmoeders cake, de opoe-fiets, grandma’s freshly baked cookies: als het maar op de een of andere manier aan een grootmoederfiguur was gekoppeld, gaf dat een product meteen een aura van ouderwetse betrouwbaarheid, vooroorlogse degelijkheid en onweerstaanbare nostalgie.
De advertenties en reclamecampagnes wedijverden om het meest getrouwe cliché van de oer-oma: een door het leven gegroefd gelaat maar met liefdevolle ogen, een brilletje – niet het allergoedkoopste uit de winkel maar toch onmiskenbaar van het ziekenfonds -, vertederend krullende grijze lokken, blauwgrijze spoeling van Schwarzkopf en een zwarte omslagdoek (zelf gehaakt!) rond de schouders tegen een kille nazomerbries.
Maar aan grootmoeders wervingskracht kwam in de jaren tachtig een einde toen de Hema – toch al nooit te beroerd om op een tendens in te haken – de opoefiets in haar kleurenfolders opnam. Toen moesten de reclamemakers uitkijken naar een ander clichébeeld. Nou ja, clichébeeld, in reclametermen heet dat vermoedelijk ‘een vergeneraliseerd individu met grote identificeringswaarde’. En dat werden Jan en Marie.
Lang voor het op het Binnenhof begon door te dringen, hadden de reclamejongens namelijk al heel scherp door dat het milieu een onderwerp met toekomst was: uitgestrekte groene weiden, tevreden grazende koeien, imposante wolkenluchten boven een polderdijk; u dacht toch niet dat Martine Bijl voor haar lol tussen de spitskolen zat?

Pieter Bruegel de Oude – De boerenbruiloft (1567 of 1568)

De mensen hadden weer behoefte aan bewust eten, aan vers en gezond, aan goed kauwen voor je het doorslikt. Uit die filosofie kwam de boerenlandmelk voort. Vanuit die gedachte werd de met natuurlijke rechtsdraaiende melkzuren verrijkte drinkyoghurt ontworpen. Met dat beeld voor ogen kwam iemand op het idee de eeuwenoude hangop ‘umer’ te gaan noemen en op het deksel “herinnert aan hangop” te zetten.
En het werkte. Wat het verschil was, wist geen mens, maar het heette boerenland-dit of karnevers-dat, en dus werd het gekocht. En gevreten. Maar er is een grens, zelfs voor reclamemakers. Die werd bereikt toen P.N. – voluit: Boerderijmelkveredeling P(uur) N(atuur), dat zegt eigenlijk al genoeg – een “overheerlijke zachtzure standyoghurt” op de markt bracht. (Standyoghurt is, volgens mijn op kringlooppapier gedrukte macrobiologische encyclopedie, een lobbige roeryoghurt. Nu weet ik nog niets.)
Op de beker waarin dit kostelijk vocht verpakt is, prijkt met gepaste trots de naam: Boerenbruiloftghurt van Jan en Marie. Daaronder staat een hoogst onduidelijke afbeelding. Een bejaarde, wat kromgetrokken man giet een emmer leeg in een melkbus – dat zal Jan zijn – en wat verder zit iemand in zo’n alle geslachtskenmerken vervagende overall een koe te melken; dat moet dus Marie wezen.
Wat die twee oudjes, die tweemaal daags door noodweer en tegenwind het land op moeten om de uiers te legen, met een boerenbruiloft van doen hebben, is volmaakt onbegrijpelijk. En dat is misschien ook wel juist de bedoeling, want wat een boerenbruiloft – hossen, hijsen, speeksel dat uit de mondhoeken druipt, een eeltige hand die onder een rok tast; ja, als het op clichés aankomt, weet ik ook van wanten – met de lobbigheid van dioxinevrije melkzuren te maken heeft, zou zelfs de duurst betaalde reclamejongen, Maserati of niet, nog niet duidelijk kunnen maken.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Current Sufism In Israel. The Way Of Abraham – A Bridge Between Religions

Shelley Elkayam – Ills.: Joseph Sassoon Semah

Current Sufism in Israel El Tarika El Ibrahimiyyah – The Way of Abraham – A Bridge between Middle East Religions

Introduction
I wish to thank the University of Goettingen for inviting me to lecture at the Intercultural Theology program on the Current Sufism in Israel and on Sephardic Ultra-Orthodoxy in Israel.
I will begin by introducing my subject with some historical background. Then, I would like to make a reference to the specific audience sitting here right now because it is a very special audience. On the one hand, it  is German; on the other, it is an international audience. So we have to consider how do we speak to such a local yet global group.
At that point, I will present the thesis of this lecture.

So, let us now discuss the issue of the Sephardic Jews. Who are they?
The reason why one knows so little about the Sephardic or Oriental Jews is also a matter of scientific concern for those of us who study Intercultural Theology. Thus, let us have a quick look at a long and serious matter such as The Stage of History.

Yes, stage as in Stage Theater, with the very writers who write the script and the very actors who play the protagonists and the very hegemonic audience who wish to see themselves on stage, or else the very far exotic other. Then we shall move forward to have an idea about the intellectual assets of the ISRAEL Sufi way and perhaps if time allows, we shall read during our workshop some of the devotional texts studied by the Israel Sufi Way, such as El-Ghazali. So hopefully you should have some taste regarding the intercultural Theology that is bridging between religions in the Middle East today, and we shall conclude with that today.

Background
In the Jewish State of Israel, Sufi activity had been almost eliminated by the disruption of the War in 1948, partly revived after the renewal of contacts between Palestinians in Israel and in the West Bank and Gaza “in the wake of 1967 Arab Israeli War” and suppressed in the Second Intifada, also known as the Oslo War and the Al- Aqsa Intifada (2000 to 2005). This Intifada raged between the 20th and the 21st century.

In this lecture I focus on Sufism in Israel as manifested by The Israeli Sufi Way. The Israeli Sufi Way is known as The Sufi Way of Abraham. In Hebrew – One of Israel’s two national languages, it sounds Derekh Avraham (אברהם דרך). In Arabic, the other national language, it sounds Al-Tariqah Ibrahimiyyah or Ibrahimiyyah-Al (א-טַּרִיקַה אל-אִבְּרַאהִימִיַּה) / الإبراهميّة  الطّريقة ).

The members of the Israeli Sufi Way come from various circles: Academy, conservative and orthodox Rabbinic institutes and leadership of other Sufi brotherhoods of Israel: Qadiriyyah, Shadhiliyyah-Yashrutiyyah and Naqshbandiyyah.

Ibrahimiyyah defines itself (2014) publicly as an inter-religious movement encouraging dialogue between Jews, Christians and Muslims. This inter-religious character is a “post-Sufi” strategy as well as a spiritual response to the particular modern European challenges of the State of Israel, tackling the Israeli East-West debate.
The Sufi leadership of the 3 Muslim brotherhoods responded to the challenge of the peculiar circumstances in which they live in the Middle East, by joining the Ibrahimiyyah and establishing it as the Israeli Sufi Way of Abraham.

This Israeli Sufi brotherhood was created during the 1990s right at the end of the twentieth century. Public activity gathered momentum during the first decade of the twenty first century, with a double mission of both peace between Jews and Muslims, and spiritual search for Medieval Jewish Sufi roots. Special attention is given to 16th century Safed (in the Land of Israel) and of Egypt and North Africa and since the Sufi festival in 2010 also to Indian Jewish Sufism of perhaps 12 century.

Read more

Bookmark and Share

George Orwell – Politics And The English Language

“Politics and the English Language” (1946) is an essay by George Orwell that criticised and ended the “ugly and inaccurate” written English of his time and examines the connection between political orthodoxies and the debasement of language.

The essay focuses on political language, which, according to Orwell, “is designed to make lies sound truthful and murder respectable, and to give an appearance of solidity to pure wind”. Orwell believed that the language used was necessarily vague or meaningless because it was intended to hide the truth rather than express it. This unclear prose was a “contagion” which had spread to those who did not intend to hide the truth, and it concealed a writer’s thoughts from himself and others. Orwell encourages concreteness and clarity instead of vagueness, and individuality over political conformity.

Source: https://en.wikipedia.org/wiki/Politics_and_the_English_Language

Bookmark and Share

‘Limits’ Of Imagining The Pandemic Present

Michel Foucault 1926 – 1984  Photo: wikipedia.org

In 1984, Michel Foucault, the French historian (or) philosopher, associated with the  structuralist (or) post-structuralist movement, extensively commented [i] on the German Philosopher Immanuel Kant’s ‘Was ist Aufklarung?’ (What is Enlightenment?). Thus, two hundred years hence, Foucault knocked at the limits of moments we live through. For him, Kant is responding in the Berlinische Monatsschrift (Berlin monthly, 1784- November), a late enlightenment mouthpiece, on what should be the attitude to present.

The moment we live in was, for Kant, neither a distinct era, not a transition, but rather a grand exit (Ausgang). For Kant majority of human beings, in the time he wrote in (1700s end or 1800s beginning as the case may be), carried on their everyday life with the church and monarchy setting the rhythms. The autonomy to break the rhythm or to think about the present, and thus make the exit, was difficult then, as it is now. For Foucault Kant was to work on the ‘limits’ of the rhythm and the everyday in order to ‘Ausgang’ and reflect on what he was part of.

With the coordinates of daily rhythms overwhelmingly set by the virus and its trajectories, it has become even tougher to separate ourselves from the contingent contexts we are thrown into everyday. The possibility of thinking separate from the frames we are set against, and reflecting on our ‘makes’, will determine not only how we reflect on the times we live in, but also the way we live out.

People across space and time have transformed to cyborgs – the sciences; technological artifacts; institutional orders; as well as disseminations of knowledge literally imbricate lived lives. Risk societies, urban informalities, everyday precarities, techno-social deployments, or surveillance and pastoral orders have scaled our skins and rewired our bodily rhythms. The cyborg identities in their everyday relationship with other cyborgs, with differential make-ups determine the truth orders that govern.
Foucault comes back to haunt the ‘pandemic orders in the making’ prompting an engagement with the limits. Nothing short of a critical ontology of the cyborgs we are, deployed and networked across space and time, by the political every day, can achieve this. Only this can translate into a possibility or impossibility to imagine the limits that are imposed on us by the political systems, exaggerated by the pandemic.

The possibility of knocking at the limits for instance, might come at best as a tragic reflection during the physical ejection of the urban migrant labourer in India from the metropolis. This is not quite an exit and neither does one see the space or time to reflect on the exploitative order that had appropriated him/her along with millions of others as urban cyborgs. A Lebanese Druze leader who has seen the end of a world war, been through a three month war, or the civil wars; still might only see at best an end of the world because the pandemic has only added on to the noise of everyday violence and earth shattering explosions. The fortified corona shelters that the bus bays have transformed into in a hyper vigilant South Korea or a health care regime that fell apart on the corporate altars in the United States also differentially reduce the space of reflection or eventual exit. A self righteous regime like the one in Brazil that would rather bank on military men than people of science; or the celebrations of self sufficiency (atmanirbhar in the Indian state context) when possibilities of social welfare gets precluded; also talk of the times that give no space for exit-thoughts or possibilities for reflection.

In order to critically reflect on the pandemic everyday and eventually for life to live itself out, there is no other way than exposing the conflicts and contradictions inherent to the orders people live in. There is no other way than to reflect on the ‘fixes’ put forward as part of the ‘presents’. Michel Foucault prompts us to knock at the limits once again. The task for the more privileged in places that still maintain social contracts with populations is to think with Foucauldian ‘dispositives’. These are the institutional, administrative, and knowledge structures that both maintain the systems in place and the homeostasis of the cyborg selves we all are. It is only by thinking through the links between practices, and institutional techniques deployed way before pandemics, but enhanced and perpetuated by the virus; that the cyborgs can get deconstructed across places readying for a political present that is yet to be lived into.

Note
[i] What is Enlightenment? in Rabinow (P.), ed., The Foucault Reader, New York, Pantheon Books, 1984:32-50.

Mathew A Varghese, SIRP, Mahatma Gandhi University [Previously Researcher at University of Bergen/ UKZN]

 

Bookmark and Share

Ardhakathanak: A Commoner’s Discovery Of The Mughal Milieu

Ills.: Victoria and Albert Museum, London Mughal painting from 1615-1618

Abstract
The Ardhakathanak by Banarasidas is often considered the first autobiography in Hindi. Completed in the year 1641, the book provides us with a commoner’s understanding of the Mughal world. Often subjected an imperial bias, the book is a wildly neglected source of history. The study attempts to highlight various societal norms and ethics as evidenced by the Ardhakathanak. It undertakes a thematic division in understanding medieval Indian society, focusing on merchant practices, societal norms and Jain religion. Various aspects of a middle class man’s life are unraveled through the course of this study, including education, business decisions, wealth, family, domesticity, religious assimilation, rationality and self-discovery.
The study also embarks on an analysis of the Varanasiya sect of Jain religion briefly. Finally, emerging trends of individuality are highlighted. The study culminates with a brief account of how underutilized this primary source remains despite obvious merits to it.

Keywords: Banarasidas, Ardhkathanak, autobiography, merchant practices, religious pursuits, cultural history.

1. Introduction
The development of the literary genre of autobiography is a fairly ancient one, with St. Augustine’s autobiographical work ‘Confessions’ written in 399 CE. However, the understanding of the term autobiography to be a form of ‘self life writing’ is a recent phenomenon. The Oxford English Dictionary credits Robert Southy to be the progenitor of autobiography in the year 1809. However we find a reference to autobiography or self-biography being used by William Taylor in the Monthly Review of 1797.[i]The motivations for committing one’s life to writing are often religious in nature, to record stages in an individual’s life by which they lose their own identity to celebrate God’s divine power.[ii] Today, these works have become a prominent source of history and are extensively researched to arrive at a deeper understanding of the period it was written in. The earliest known biographical work that was produced in India is the Harshacharita written by Banabhatta in the 7 th century CE. However, truly autobiographical accounts only appear in India with the advent of Mughals. Among these, Baburnama was the earliest, and records Babur’s life between 1483 to 1530.[iii] The autobiographies written during this period were meant to preserve a person’s family history and good deeds for posterity. Thus, the representation of the subject is in light of the reader’s judgement. Therefore, we may conclude that these writings often lack a humanizing touch that can relate the subject to the reader.

One such piece in the ocean of Mughal writings is Banarasidas’s Ardhakathanak. It was first discovered by Nagari Pracharini Sabha and published by Dr. Mataprasad Gupta in 1943.[iv]
Banarasidas was a Jain merchant who lived during the Mughal Era in India. The title of his autobiography translates to ‘half a tale’. The book was completed in the winter of 1641 in the imperial capital of Agra, when Banarasi was 55 years of age. In Jain philosophy, a full life is considered to be of one hundred and ten years. Thus, the title of Banarasi’s book ‘Half a Tale.’ Although, the tale began to be the story of half a life, Banarasi met his demise only two years after the completion of his book, implying that the story covered his entire life. Written in the language of the Indian heartland, Braj Bhasha. Ardhakathanak is considered to be the first autobiography in Hindi.[v] Much to the contrary to other Mughal works, Banarasidas’s tone throughout the book is that of unabashed candor. Over the course of the book, Banarasi establishes a rapport with the reader and slowly but surely becomes a friend. By the time, we reach Banarasi’s close of life, a feeling of a long and fruitful companionship lingers on with the reader. We know Banarasi’s secrets, sorrows and soaring moments. Unlike other autobiographical works of the contemporary period the emphasis is not on making a perfect man devoid of any flaws, fit to govern the territory of India, but to lay bare before the reader the heart and soul of subject, good or bad.

It is evident from the content of the book and style of writing that Banarasi did not expect his autobiography to be read nearly 400 years later. In fact, there was an understanding that it would only be read by limited audience of friends and kinsmen.[vi] In Banarasi’s own words, the only reason he ventured into the business of recording his life, is ‘let me tell you all my story’.
A Jain from the noble Shrimal family,
That prince among men, that man called Banarasi,
He thought to himself, let me tell my story to all [vii]

Read more

Bookmark and Share

Définir l’islamophobie et ses manifestations politiques après les attentats de « Charlie Hebdo »

Ills.: UK Human Rights Blog

Résumé

Cet article examine les difficultés rencontrées par les définitions contemporaines de l’islamophobie, notamment celle de l’influent rapport Runnymede, face aux réactions des responsables politiques européens aux attentats de janvier 2015 à Paris. L’application de la méthode d’analyse du discours politique (ADP) à ces réactions souligne leur ambiguïté eu égard aux définitions contemporaines de l’islamophobie, et justifie de les affiner.

Mots clés
Islamophobie, rapport Runnymede, attentats de Charlie Hebdo, Union européenne, populisme.

Cet article est la version traduite et condensée de: Bogacki Mariusz, de Ruiter Jan Jaap et Sèze Romain, Defining Islamophobia and its socio-political applications in the light of Charlie Hebdo attacks in Paris, Rozenberg Quartely, 2019. URL: 
http://rozenbergquarterly.com/the-charlie-hebdo-attacks-in-paris-defining-islamophobia-and-its-socio-political-applications/

Introduction
L’étude des réactions de peur ou d’hostilité à l’égard de l’islam et des musulmans a connu un tournant avec la publication du rapport Islamophobia : a challenge for us all (Runnymede Trust, 1997 et 2016), par la Commission on British Muslims and Islamophobia, créée par le Runnymede Trust (groupe de réflexion indépendant). Cette étude pionnière propose d’identifier les causes et manifestations de l’islamophobie, définie comme « une hostilité non fondée envers l’islam », une « crainte ou [une] haine de l’islam, et donc […] la peur ou l’aversion des musulmans ou de la plupart d’entre eux » (Runnymede Trust, 1997, 1), et les « conséquences d’une telle hostilité en matière de discriminations […] et d’exclusion des activités politiques et sociales » (idem, 4). Les auteurs opèrent cependant une distinction fondamentale entre « la peur phobique de l’islam [qui] caractérise des attitudes fermées, et les désaccords et critiques légitimes [qui] caractérisent des attitudes ouvertes » (idem, 4). Cette distinction repose sur huit clivages dans la façon d’appréhender l’islam et les musulmans : uniformité/diversité, séparation/interaction, infériorité/différence, adversité/partenariat, manipulation/sincérité, rejet/considération de la critique de l’Occident, justification/réprobation des discriminations, justification/réprobation de l’islamophobie (idem : 5).

Bien que ce rapport demeure une référence, il a commencé à être vigoureusement critiqué dix ans après sa publication, en particulier pour cette distinction entre « attitudes fermées » et « ouvertes ». Cette binarité tend à résumer l’attitude envers l’islam et les musulmans à de l’islamophilie ou à de l’islamophobie, tout en objectivant par effet de miroir des représentations symétriquement opposées de musulmans « bons ou mauvais », quoiqu’il en soit essentialisés, (Allen, 2010, 76). « L’islamophobie ne peut être déterminée et définie par le “type” de musulmans qui en sont victimes. Elle doit aller plus loin et tenir compte de la reconnaissance d’un “caractère musulman” réel ou perçu », car cette approche réduit l’islamophobie à un « phénomène à la fois trop simpliste et largement superficiel, défini davantage par les caractéristiques des victimes que par la motivation et les intentions des auteurs » (idem, 79-80). Or, cette approche néglige ce faisant l’existence d’un angle mort : il existe en effet des préjugés qui ne procèdent pas d’attitudes « fermées », mais qui sont la conséquence de différences de cultures, de représentations du monde et de valeurs. Les musulmans qui ne se laissent pas réduire à cette binarité sont ainsi exclus de ce traitement de l’islamophobie, et peuvent de ce fait devenir les victimes oubliées du phénomène.

Les analyses de Chris Allen invitent à considérer de nouveaux aspects des manifestations de l’islamophobie, toujours plus ambigus et complexes après le 11 Septembre, comme l’illustrent les débats contemporains sur  le niqab, le multiculturalisme et les processus d’intégration religieuse et culturelle en Europe. À sa suite, divers chercheurs ont alors souligné les limites du rapport Runnymede, et proposé des alternatives. Deepa Kumar (2012, 2) et Ibrahim Kalin (2011, 11) se concentrent davantage sur la dimension racialisante du phénomène. Tahir Abbas (2011, 65), Nathan Lean et John Esposito (2012, 13) en analysent les aspects phobiques. Mohamed Nimer (2011, 78), Hedvig Ekerwald (2011) et Tahir Abbas (2011) s’intéressent aux caractéristiques culturelles et religieuses de l’islamophobie. Même Chris Allen (2010, 190) a tenté de proposer une définition alternative qui, si exhaustive soit-elle, présente une longueur et des incohérences telles qu’elle s’avère peu opérationnelle. Jocelyne Césari (2011) est sans doute celle qui acte le plus précisément ces difficultés. Elle souligne que le terme « islamophobie » est contestable parce qu’il est souvent « appliqué de manière imprécise à des phénomènes divers, allant de la xénophobie à l’antiterrorisme. Il regroupe toutes sortes de discours et d’actes en suggérant qu’ils émanent tous d’un même noyau idéologique, issu d’une peur irrationnelle (phobie) de l’islam » (idem, 21). C’est donc l’ambiguïté du terme permise par sa généralité qui rend impossible son application aux phénomènes divers qui peuvent naître des préjugés à l’égard de l’islam, mêlant préjugés et idéologies politiques variées.

Ces débats ont justifié une actualisation du rapport Runnymede, vingt ans après sa publication en 1997, dans l’objectif « d’améliorer la précision et la qualité des débats, ainsi que des politiques publiques pour lutter contre l’islamophobie » (Elahi, Khan, 2017, 1). Sur la base des réactions au rapport Runnymede, le groupe de réflexion en propose deux nouvelles définitions. La première, abrégée, définit l’islamophobie comme un « racisme antimusulman ». La seconde, plus détaillée, la définit comme « toute distinction, exclusion, restriction ou préférence à l’égard des musulmans (ou perçus comme tels) qui a pour objet ou pour effet d’annuler ou de compromettre la reconnaissance, la jouissance ou l’exercice, sur un pied d’égalité, des droits de l’Homme et des libertés fondamentales dans les domaines politique, économique, social, culturel ou tout autre domaine de la vie publique » (ibid.). Certains contributeurs à ce rapport ont également questionné la pertinence du terme « islamophobie ».

Après avoir discuté de notions de « racisme antimusulman », « préjugés antimusulmans » et « discriminations antimusulmans », Shenaz Bunglawala conclut à la nécessité de conserver le terme « islamophobie » pour deux raisons. Premièrement, il ressort des contenus médiatiques (britanniques) que le terme « islam » a plus souvent une charge péjorative que le terme « musulman », « plaçant ainsi l’appartenance perçue à un groupe au cœur de ces stéréotypes » (Bunglawala, 2017, 70). Deuxièmement, « adopter une terminologie centrée sur la victime (i.e. sur le « musulman » et non sur « l’islam ») risquerait de mener la lutte contre l’islamophobie à manquer sa cible et à oublier de prendre en considération le contexte favorable à l’uniformisation des représentations sur l’islam et les musulmans ». À revers des autres contributeurs, Shenaz Bunglawala argue en faveur de la pertinence de la dichotomie opposant attitudes « ouvertes » et « fermées », notamment au regard de la définition de l’islamophobie comme « racisme antimusulman » : « à une époque où les termes “islam”, “islamique”, “islamiste extrémiste” et “islamiste” sont fréquemment chargés de connotations péjoratives, est-il si étonnant que “l’islamophobie” conserve son pouvoir de nommer l’objet de la haine ? » (idem, 72).

Il ressort de ces débats qu’il est nécessaire de se départir des prénotions sur les victimes a priori pour examiner la pertinence des définitions de l’« islamophobie » au regard des manifestations qu’elles recouvrent dans un contexte donné. Sachant qu’elles ont crû tout en se complexifiant après le 11 Septembre, dans quelle mesure la résurgence du djihadisme depuis le milieu des années 2000 en Europe et les réactions qu’elle suscite interrogent-elles la pertinence de ce terme ? Afin d’apporter des éléments de réponse à cette question, seront examinées les réactions des responsables politiques européens à des attentats djihadistes qui les ont récemment tous interpelés : ceux de janvier 2015 à Paris. Ces évènements ont en effet concouru à renforcer les discours et pratiques discriminantes à l’endroit des musulmans dans l’Union européenne (Foundation for Political, Economic and Social Research, 2016), tout particulièrement dans le contexte des débats sur la radicalisation où les populations musulmanes font facilement figure d’ennemi intérieur (Baker-Beall et al., 2015 ; Ragazzi, 2016). Les réactions des responsables politiques à ces attentats sont en effet propres à faire apparaître les ambiguïtés liées à l’appréhension contemporaine de l’islamophobie, donc à inviter à réviser sa définition d’une part, et à réfléchir à ses implications sur les plans politique, législatif et social d’autre part.

Après avoir décrit la méthodologie appliquée pour construire le corpus des discours et les analyser (1), seront présentés les résultats de l’analyse du discours politique (2), avant de conclure par des propositions visant à cerner plus pertinemment les discours discriminatoires à l’endroit de l’islam et des musulmans.

Read more

Bookmark and Share

Frantz Fanon: Black Skin, White Mask [documentary]

Frantz Fanon, also known as Ibrahim Frantz Fanon, was a French West Indian psychiatrist and political philosopher from the French colony of Martinique, whose works are influential in the fields of post-colonial studies, critical theory and Marxism.

Filmmaker and installation artist, Isaac Julien CBE RA, was born in 1960 in London, where he currently lives and works. His multi-screen film installations and photographs incorporate different artistic disciplines to create a poetic and unique visual language. His 1989 documentary-drama exploring author Langston Hughes and the Harlem Renaissance titled Looking for Langston garnered Julien a cult following while his 1991 debut feature Young Soul Rebels won the Semaine de la Critique prize at the Cannes Film Festival.

Bookmark and Share

The Initiative For Fair Open Access Publishing In South Asian Studies ~ The 2020 Manifesto

The 2020 Manifesto for Fair Open Access Publishing in South Asian Studies

Profiteering and restricted access have led to a crisis in academic publishing. The Fair Open Access movement is best promoted by mobilizing individual disciplines. With this manifesto, we, an open group of scholars of classical and modern South Asian Studies, declare our support for Fair Open Access publishing.

§1  As is well known, the impact of publications is very often contingent on factors independent of the quality of the research or the competence of the authors. This includes that the research is published in a renowned journal (or other publication medium), by a renowned editor, or – and this has become a major problem – by a prestigious publishing house.

§2  Most of the prestigious publication media are nowadays controlled by a small number of profiteering international publishers. These companies often sell their products at unjustifiably high prices. Much of the editorial work, on the other hand, is outsourced to researchers (or their co-workers, assistants, employees, secretaries etc.). Because they depend on the prestige capitalized on by the publishers, they generally do this without payment. This situation has led to a real crisis in academic publishing.

§3  The Open Access (OA) movement is a reaction to this development: the advance of digitization has made it easy to make the results of research freely available on the internet. OA publishing offers free access to research, regardless of an individual’s financial means or affiliation with a subscribing institution. In the OA model, the individual reader does not pay (except, of course, in the case of printed works). Instead, the publication costs are borne by universities, libraries, scholarly societies, professional associations or other scholarly institutions. While in the wake of this development a number of institutions have founded in-house publishing projects, some commercial publishers have started to offer OA as well.

§4  In order to compensate for the revenue losses resulting from the free availability of OA publications, however, some profiteering publishers have begun to calculate special fees – imposed on the authors or their institutions. Most often, these fees are unjustifiably high and overcompensate for the production costs. As a growing number of academic institutions nowadays demand that the publications of their employees be OA, they are willing to pay these fees. They even regularly schedule a special budget to finance the publishers.

§5  Ultimately, however, it is the tax payers who have to pay, often several times: funding for research and researchers, library budgets for subscription fees, acquisition of overpriced books, processing costs charged by the publishers for OA publications etc. The only reason this system functions is that researchers and their institutions are dependent on the prestige that profiteering publishers have capitalized on for commercial benefit.

Go to (incl. List of Publishers & Journals): https://foasas.org

Bookmark and Share
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives