B. Traven – Brief aan de Spaanse arbeiders

Rozenberg Quarterly publiceerde onlangs een biografische schets van de Duitse revolutionair Ret Marut, later bekend geworden als de mysterieuze auteur B. Traven. Traven was vooral bekend als auteur van een serie romans over een indianenopstand in Mexico. Incidenteel liet hij zich echter ook uit over actuele politieke kwesties, zoals de Spaanse Burgeroorlog. In 1938 schreef hij een nauwelijks bekend geworden brief aan de arbeidersbevolking in Spanje ter ondersteuning van hun strijd.

In 1926 verscheen de roman Das Totenschiff van B. Traven bij de Berlijnse uitgeverij Büchergilde Gutenberg. Niet lang daarna ontving het Duitse anarchistische tijdschrift Der Syndikalist een brief van B. Traven uit Mexico, waarin deze vroeg of de redactie hem een uitgever in Zweden kon aanraden. De Duitse anarchist Augustin Souchy (1892-1984) was in de jaren twintig redacteur van Der Syndikalist en had tijdens de Eerste Wereldoorlog enige tijd in Zweden doorgebracht. Hij gaf Traven het advies contact op te nemen met de uitgever die in die jaren een aantal publicaties van Souchy had uitgegeven. Tussen deze uitgever Holmström en Traven ontstond vervolgens – per brief – een vriendschappelijke band. Holmström gaf het werk van Traven in het Zweeds uit, blijkbaar zo tot tevredenheid van Traven dat deze de uitgever zelfs uitnodigde hem in Mexico te komen opzoeken. Helaas heeft Holmström aan de uitnodiging nooit gehoor gegeven.

Sociale revolutie
Ruim twaalf jaar later, tijdens de Spaanse Burgeroorlog, vervulde Augustin Souchy een belangrijke functie bij de informatiedienst van de Spaanse anarchistische vakbond CNT, de Confederación Nacional del Trabajo. Souchy behoorde tot een grote groep Duitse intellectuelen en arbeiders die na de fascistische machtsovername in Duitsland het land hadden verlaten en bij het uitbreken van de sociale revolutie in Catalonië naar Spanje waren gereisd.
In een artikel over Traven schrijft Souchy dat hij tijdens de Spaanse Burgeroorlog Traven een brief schreef in verband met Spaanse vertalingen van de romans van Traven en met de vraag of Traven een bijdrage wilde leveren voor het tijdschrift Timón, het theoretisch anarchistische orgaan van de CNT. [1] Ook Pedro Herrera, redacteur van Timón en goede kameraad van Souchy, stuurde een brief aan Traven, maar dan met een uitnodiging naar Spanje te komen.
Een uitnodiging die ongetwijfeld was ingegeven door de populariteit van Travens werk in Spanje en onder degenen die aan de republikeinse zijde tegen Franco vochten. Waarschijnlijk verwachtte men dat de aanwezigheid van Traven in Spanje de strijdende arbeiders een morele steun in de rug zou kunnen geven.

De antwoordbrief van Traven verscheen op 28 mei 1938 in Solidaridad Obrera, het dagblad van de CNT en is gericht aan Herrera, niet aan Souchy. Traven schrijft dat de brief van Herrera de eerste is die hem vanuit Spanje bereikt. Mogelijk haalt Souchy dus in zijn herinneringen aan Traven enige feiten door elkaar. Herrera schreef zijn brief namens de SIA, de Solidarité Internationale Antifasciste. Deze organisatie werd in 1937 opgericht door Spaanse anarchisten om hulp en steun te kunnen bieden aan vrouwen en kinderen die getroffen waren door het oorlogsgeweld. Bovendien hoopte men door middel van de SIA internationaal steun te kunnen verwerven voor de sociale revolutie.

Spanish Earth
Heel waarschijnlijk is dat de uitnodiging van Herrera aan Traven ook is ingegeven door de aanwezigheid in Spanje van gerenommeerde buitenlandse schrijvers die van de oorlog verslag deden en de republikeinse zijde steunden, zoals Ernest Hemingway, John Dos Passos en André Malraux. Bovendien deden veel buitenlandse journalisten vanuit het republikeinse Spanje verslag van de oorlog. Sommigen steunden openlijk de republiek. Hemingway en Dos Passos werkten ook mee aan de documentaire Spanish Earth van de Nederlandse filmmaker Joris Ivens, evenals Orson Welles en de Franse regisseur Jean Renoir. Dankzij de bemiddeling van journaliste Martha Gellhorn, konden Hemingway en Dos Passos de film in het Witte Huis vertonen aan President Roosevelt. Eerder had Roosevelt besloten de republiek niet met wapens te steunen. De vertoning bracht de president echter niet op andere gedachten.

Actualiteit
De brief van Traven is een uniek en opmerkelijk document omdat het een van de weinige keren is dat hij zich heeft uitgelaten over een actuele politieke situatie. In zijn romans zijn soms verwijzingen te vinden naar de actuele situatie in de jaren dertig in Duitsland, en naar de arbeidsomstandigheden van arbeiders in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Maar meestal is zijn kritiek – met een cynische ondertoon – dan nogal algemeen en niet toegespitst op de actuele gebeurtenissen.
De brief is ook opmerkelijk omdat Traven als auteur niet naar buiten wilde treden. Zijn identiteit is jarenlang een mysterie is gebleven en doelwit van vele speculaties. [2] Sommige Travenvorsers zien in zijn ‘Caobacyclus’ – zijn zes romans over een indianenrevolutie in Mexico – zelfs een metafoor voor de situatie in nazi-Duitsland. Uit de brief blijkt duidelijk dat de sympathie van Traven bij de Spaanse revolutionairen ligt. Hij staat ondubbelzinnig achter de strijd tegen het fascisme. Het liefst zou hij de revolutionaire arbeiders willen bijstaan, vergelijkbaar met de wijze waarop de paus steun geeft aan ‘Pancho uit Salamanca’ (Franco).

Populariteit
De brief verscheen in Nederlandse vertaling in De Syndicalist van 9 juli 1938. De Syndicalist was het weekblad van het NSV, het Nederlands Syndicalistisch Vakverbond. Redacteur was Albert de Jong (1891-1970). Wie de vertaling van de brief maakte, is niet bekend. Over de brief van B. Traven is in de Nederlandse literatuur over Traven nooit aandacht besteed.

In De Syndicalist werd gedurende de jaren van de Spaanse Burgeroorlog uitvoerig verslag gedaan over de strijd en de revolutionaire ontwikkelingen in Catalonië.
Behalve veel nieuwsberichten, bevatte de krant ook periodieke analyses van Albert de Jong over de situatie aldaar. Augustin Souchy en Rudolf Rocker leverden beschouwingen vanuit anarchistisch perspectief en veelvuldig werden oproepen gedaan voor inzameling van kleding en voedsel voor de bevolking in Spanje.

De publicatie van de brief door De Syndicalist, bevestigt de populariteit van de romans van Traven in die jaren, niet alleen onder leden van het NSV, maar in bredere zin bij de Nederlandse arbeidersbevolking. Uitgegeven door De Arbeiderspers en verspreid via een netwerk van Arbeiderspers-boekwinkels en wederverkopers, vonden de boeken hun weg naar veelal SDAP-leden in het land, maar ook naar arbeiders van andere politieke richtingen. De anarchistische uitgeverij De Roode Bibliotheek van uitgever Gerhard Rijnders – ook uitgever van het tijdschrift De Vrije Socialist – publiceerde twee titels van Traven, helaas stevig bewerkt en ingekort.

Voornaam
Niet alleen de brief in De Syndicalist, maar ook enkele in het Nederlands gepubliceerde romans van Traven, verschenen onder de naam Ben Traven. Dat de B voor Ben zou staan is niet van Traven zelf afkomstig. Mogelijk vond de uitgever dat een schrijver een voornaam diende te hebben en werd van de B Ben gemaakt. Helaas is de voornaam daarna een eigen leven gaan leiden. Traven heeft altijd ontkend dat de B voor Ben, Benno of Bruno zou staan.

 

 

 

 

 

 

 

Brief
De brief wordt hieronder gepubliceerd in de oorspronkelijke Nederlandse – niet altijd soepel lopende – vertaling, in het toenmalige taalgebruik. De spelling is aangepast aan de huidige schrijfwijze en enkele zetfouten zijn gecorrigeerd.

Waarde kameraad Herrera, ik groet u.

Ik groet u en alle arbeiders, arbeidersvrouwen, boeren en republikeinse soldaten die zo heldhaftig in Spanje tegen het fascistisch beest vechten. Ik groet de grote mannen en vrouwen die Spanje in de perioden van strijd heeft voortgebracht en de Naamlozen, de onbekende soldaten, die met hun leven een nieuwe menselijke historie schrijven. Uw brief, kameraad Herrera, is de eerste die uit uw land in mijn handen is gekomen. Uwe uitnodiging, naar Spanje te komen, voor welke ik alle kameraden van de SIA dankbaar ben, is het grootste eerbetoon, wat mij tot heden ten deel gevallen is. Jammer echter, dat het mij niet mogelijk is, aan die eervolle invitatie te voldoen, om redenen, die u onbekend moeten zijn geweest, toen u mij dit aanbod deed. Mijn bekendheid met de Duitse taal is nog veel minder dan die van de Spaanse, die niet groot is, zoals u trouwens uit dit schrijven wel ontdekt zult hebben. Ik heb overvloedig in Duitse tijdschriften doen bekend maken, dat ik in afstamming, in ras, noch in den bloede, Duitser ben. Een enkele keer ben ik in Duitsland geweest, en dat nog voor de wereldoorlog. Zodat ik het land en de taal te weinig ken om literair werk van Duitsers te kunnen beoordelen. Ik ben geboren in Noord-Amerika en mijn moedertaal is Engels. Wat het beoordelen van Engelse literatuur betreft, zijn er in Engeland mannen genoeg die grotere bekendheid en talent bezitten dan ik. Ongerekend nog de bezwaren, die liggen in de afstand, die mij van de Spaanse kameraden scheidt, die elke vlotte samenwerking tussen ons in de weg staan. Niettemin ben ik u, vrienden ten zeerste dankbaar voor uw uitnodiging. Als iemand mij, onder de schoonste voorwaarden en met volledige garantie voor mijn veiligheid en daarboven nog een geldelijk voordeel, verzocht naar Duitsland te komen, ik zou dat weigeren, daar kunt u zeker van zijn. Zo gering is mijn lust, dit land te zien onder de druk der slavernij, zoals het zich nu bevindt. Hetzelfde oordeel heb ik over het Italiaanse imperium, dat dagelijks meer vordert. Deed echter de Spaanse regering mij een dergelijk voorstel, ik zou het zeer gaarne accepteren, want groot is mijn verlangen Spanje te bezoeken tijdens zijn glorieuze strijd.

Doch neen kameraden, ik zou toch niet gaan. Ik kocht voor het geld, kleding, gecondenseerde melk, koffie en tabak en zond dat, in plaats van mijn persoon. Want net zo groot als mijn lust u te bezoeken, is de zekerheid, dat gij deze artikelen nodig hebt, om stelliger de strijd te winnen, terwijl mijn aanwezigheid nog helpen zal de kamp te winnen, noch nodig is u van goede raad te voorzien. Gij weet zelf zeer goed, wat gij nodig hebt en wat gij wilt. Een schrijver is niet van node, u te vertellen, hoe gij uw positie kunt verbeteren, ook staat hij met hart en ziel aan de zijde van het voor rechtvaardigheid strijdende proletariaat. Er zijn er reeds veel te veel geweest die u goede raad gaven. Als men u, in plaats van de miljoenen woorden, die men toezendt,voor elk miljoen een driemotorig vliegtuig stuurde en voor elke honderd een mitrailleur plus munitie, dan had gij reeds meer dan een jaar geleden de vrede bevochten en de vrijheid verzekerd. Kameraden, ieder overbodig woord is voor u een verloren patroon.

Ik wens zeer u te helpen. Ofschoon mijn boeken in zeventien talen worden gedrukt, ben ik nu nog zonder tehuis en zonder middelen. Ik spreek slechts van mijn huidige armoede, omdat ik het betreur u niet te kunnen bijstaan zoals de paus de onverzadigbare Pancho in Salamanca.
Toch ik bezit iets. En dat stel ik met het grootste genoegen tot uw beschikking. Ik heb een bibliotheek, ze is niet groot noch luxueus. Wat moet ik daarmee, als de Spaanse kameraden haar misschien nodig hebben. Een deel ervan bestaat uit Engelse en Spaanse tijdschriften. Als alles wat ik aan boeken en tijdschriften bezit, u nodig schijnt, geeft mij het adres, de verzending is voor mijn rekening. Alles is nuttig voor onderricht in scholen, kazernes, loopgraven en ziekenhuizen. Wat ik bezit, is voor u. Ik zeg niet, dat ik van ganser harte uw zegepraal wens, omdat ik weet, dat de arbeiders uit de industrie en van het land, en de milicianos de volledige overwinning zullen behalen, al zouden Duitsland en Italië nog 50.000 van hun arme slaven zenden opdat zij als ziek vee de dood ingaan, om de miljoenen aan marken en lires terug te ontvangen, die beide landen in Spanje reeds verspild hebben. Ik denk dat gij vóór december de strijd gewonnen zult hebben. Ben ik te optimistisch? Geen nood, dure hij, zolang hij duurt, de overwinning zal aan u zijn, kameraden. Doch meer dan met de wapenen, zult gij winnen door uw gezonde en vooruitstrevende ideeën: De republiek van 1931 was er één op papier, ja van papier, en daarom niet levensvatbaar. De samenleving, die gij zult stichten, wordt echter gegrondvest door het vergoten arbeidersbloed, het onuitsprekelijke leed, de bovenmenselijke offers en een heldenmoed, die in de historie zijn weerga niet vindt. Daarom zal de republiek sterk zijn, zo sterk,dat zij nimmer door de vijanden der beschaving, vooruitgang en humaniteit meer zal worden aangevallen.

Spaanse kameraden. Ik heb gesproken en ik dank u voor uw attentie. Salud.
Ben Traven

Noten:
1. Johannes Beck, Klaus Bergmann, Heiner Boehncke (Hrgs), Das B. Traven Buch. Rowolt, Hamburg 1976.
2. Zie Martin Smit – Utopie in de jungle: http://rozenbergquarterly.com/utopie-in-de-jungle-zoektocht-naar-de-geheimzinnige-b-traven/

Joris Ivens – Spanish Earth

This documentary film uses footage of war and glimpses of rural Spanish life in its portrayal of the struggle of the Spanish Republican government against a rebellion by right-wing forces led by General Francisco Franco and backed by Nazi Germany and fascist Italy. The film was written by Ernest Hemingway and John Dos Passos (among others) and was narrated by Hemingway.

Bookmark and Share

Would A Bobi Wine Presidential Victory Bring Freedom And Prosperity To Uganda?

Robert Kyagulanyi Ssentamu—better known to the public as Bobi Wine—is a singer turned politician who is currently campaigning in the January 2021 general election to oust Uganda’s President Yoweri Museveni who has been in power for more than 30 years.

Bobi Wine, with a widespread following and popularity among a significant segment of the Ugandan population, has emerged as a strong challenger to Museveni. As a musician, many of Wine’s songs take a socially conscious tone by speaking out against poverty, and in favor of freedom and democracy for Ugandans. Wine grew up in one of the nation’s poorest neighborhoods in the capital city of Kampala and his rise from poverty to being a successful singer, and then an elected Member of Parliament, has been viewed as an inspiration to many of his followers who regard him as ‘the Ghetto President’.

Since Wine’s election as Member of Parliament in 2017, he strongly opposed authoritarian measures imposed by Museveni such as the President’s decision to remove age limits and Wine publicly rallied against the President’s decision to impose a social media tax to stifle opposition towards him on WhatsApp, Facebook, and Twitter.
During this time, Wine also created a national movement called “People Power”— a movement consisting of, as The Economist describes, “a messy coalition of established politicians, frustrated graduates, and the hustlers of his ghetto hinterland.”
The purpose of the movement is to bring awareness to Museveni’s improper governance and to challenge conventional politics. In response to Wine’s public demonstrations against Museveni, Wine has been subjected to state-sanctioned torture and repeated arrest. Most notably, in August 2018, allegedly on the orders of President Museveni, the Ugandan Security Forces fired live bullets into a crowd of Wine supporters, killed Wine’s personal driver, invaded the hotel that Wine was staying in and proceeded to arrest and subsequently torture him and his colleagues.

On July 24 th , 2019, Wine announced his bid to run for president in the 2021 general election. In July 2020, Wine announced himself as the leader of the rebranded and previously obscure political party, the National Unity Platform (NUP). The formation of such a party, with its conventional structure and authority over candidates, comes in contradiction with the spirit of Wine’s People Power movement aimed at challenging conventional politics. In addition, it has been reported that Wine’s new party has engaged in transactional politics. For instance, Derrick Ssonko, who is a mechanic, felt inspirited to run for local councilor, “but the party ticket went to a rival who paid a bribe. He worries that the NUP is ‘old wine in new bottles’ even though everyone he knows will vote for it.”

During his Presidential campaign, supporters of Wine have been met with police violence. In November, 54 people were killed as supporters called for the release of Wine from detention.
Wine had been arrested at a campaign rally. Uganda’s security forces have routinely prevented Wine from attending his campaign rallies and the President has prevented Wine from appearing on TV and radio stations. Most recently, the United States’ Secretary of State, Mike Pompeo, publicly condemned tactics within Uganda to suppress free and fair elections. In addition, Eliot Engel, the chairperson of the US House Committee on Foreign Affairs, has requested that the US impose sanctions on several Ugandan security officials in response to “a worsening of human rights in the country.” In order to prevent Museveni from rigging the election, Wine has said that he hopes for an overwhelming turnout at the ballot box to make it difficult for Museveni to do so.

Uganda consists of a nation where 80% of the population is under the age of 35, and for these individuals, Bobi Wine brings a great deal of hope for a better life. The disparity in the demographics has created a generational divide whereby Museveni is viewed as unpopular among the youth but is viewed as popular among older rural voters who view regime change as “a hauntingly perilous idea”—linking such change to the years of bloody horror that preceded Museveni.
However, it must be met with cautious optimism whether, as a politician, Wine would be able to deliver on his promises or whether Wine’s victory would mean a continuation of corrupt politics. In Wine’s campaign manifesto he states, “Our promise to the youth of Uganda, we shall ensure we find meaningful employment for you. We want to create at least 5 million jobs. We shall invest in technology and a massive scale of industrialization……A vote for NUP is an assurance that citizens will never be persecuted for disagreeing with the government. A vote for NUP is a vote for the protection of our natural resources as a country which Gen. Museveni now treats as his personal wealth. A vote for NUP is a vote for the closing of the income gap between the rich and the poor…. Our promise to all Ugandans is that we shall safeguard their land. We shall put an end to the enormous scale of land grabbing. If it is done, justice must prevail… The National Unity Platform is committed to working with all Ugandans to improve their lives. We believe that immediately after taking over government, every Ugandan from Kaabong to Kisoro, from Yumbe to Busia will experience meaningful change in their way of life……”

Despite such progressive electoral promises, it remains publicly unclear as to how Bobi Wine proposes to accomplish them. Wine’s political headquarters has images of pan-African heroes like socialist leader Thomas Sankara, but Wine has also been known to collaborate with free-market thinktanks. Wine said that his goal is to rebuild public institutions and end decades of personalized rule, but Wine himself has also said, “I don’t have a very radical programme.” In President Museveni’s first year in office, he published a book entitled, “What’s Africa’s Problem?”—in which he stated, “The problem of Africa, in general, and Uganda in particular, is not the people but leaders who want to overstay in power.” Bobi Wine’s call for freedom, democracy, and prosperity for Ugandans were the same political views that Museveni had once politically embraced long ago, but gradually, with time, Museveni became a corrupt authoritarian leader—if Bobi Wine won, would he be capable of ending the repetition of that authoritarian cycle?

Pitasanna Shanmugathas is a second year MGA student. During his undergraduate studies in political science and criminology at the University of Toronto, Pitasanna volunteered with the Canadian Centre for Victims of Torture, primarily providing support to refugees fleeing persecution in their native countries. Pitasanna is the director of a social media group, consisting of over 2,500 members, that speaks out against past and ongoing human rights abuses in Sri Lanka carried out by both state and non-state actors — as director Pitasanna has interviewed Sri Lankan politicians, journalists, and activists to bring greater awareness to the country’s ethnic tensions and human rights abuses. In 2017, Pitasanna launched a petition, which was later introduced in Parliament, calling on the Trudeau government to accept Rohingya refugees into Canada. His career goals include working with organizations to protect the rights of refugees and minority communities and advocating for constitutional reform in nations besieged by conflict.

Bookmark and Share

Essay Essenties Forensische Expertise. Over het ideaal van een Handboek Forensische Expertise

‘’Alfa-Bèta-Cirkel’’, Ontwerp Hans Jakobs, 2020

Inleiding

Met dit essay [1] wil ik een onorthodox voorstel doen tot het vervaardigen van een handboek forensische expertise [2] . Mijn intentie is een echte begrip-verbetering te bewerkstelligen bij alle juridische professionals, bij alle ‘gebruikers van forensische expertise’ in de keten van het strafproces; mijns inziens een tijdloos en zeer nuttig ideaal.

 

Naar aanleiding van recente zitting-bezoeken aan 24 Nederlandse strafzaken waarin deskundigen een belangrijke rol speelden, is mij – in nagenoeg iedere strafzaak – gebleken dat meer begrip en duidelijker uitleg gewenst is van binnen het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gepraktiseerde natuurwetenschappelijk en technisch laboratoriumonderzoek, dat aan sporen wordt verricht, ten dienste van de waarheidsvinding in het strafrecht.

Dit sporenonderzoek in het kader van het strafproces wordt ook wel criminalistiek genoemd. Criminalistiek is het natuurwetenschappelijk deel van de forensische wetenschappen. Het richt zich op natuurwetenschappelijk onderzoek aan bewijsmateriaal ten behoeve van waarheidsvinding in het strafrecht. En het richt zich op de betekenis van de resultaten van zulk onderzoek voor die waarheidsvinding [3] .

De verklaring van een deskundige ter terechtzitting (art. 339, lid 1 sub 4) en het deskundigenrapport, de ‘schriftelijke bescheiden’ (art. 339, lid 1 sub 5) zijn de twee wettige bewijsmiddelen, die de deskundige regarderen ten aanzien van zijn bijdrage aan het bewijs. Samen met: eigen waarneming van de rechter, verklaringen van de verdachte en verklaringen van een getuige (art. 339, lid 1, sub 1, 2 en 3), zijn dit – limitatief – de vijf wettige bewijsmiddelen, die worden erkend in het Wetboek van Strafvordering.

Ondanks dat er in ons land ook forensische expertise wordt verricht door andere instanties, zoals de Politie, (semi) private instituten, – laboratoria en – personen en universiteiten, wil ik om twee redenen het NFI als mijn uitgangspunt nemen:

1. Anno 2020 wordt het leeuwendeel van gerechtelijke onderzoeken aan sporen in verband met strafbare feiten in Nederland nog immer – op hoog wetenschappelijk niveau – door het NFI verricht; in opdracht van het Openbaar Ministerie tijdens de opsporings- en vervolgingsfase, op verzoek van de rechter-commissaris, de rechter en in voorkomende gevallen ook ten dienste van de verdediging, op verzoek van de advocaat.

2. Anno 1995 heb ik het voorrecht gehad om een naslagboek [4] te mogen initiëren en redigeren over gepraktiseerde forensische expertise binnen de toen nog ‘’Gerechtelijke Laboratoria’’ genaamde voorgangers van het NFI.
Met betrekking tot de toen door mij onderscheiden 31 diverse deskundigheidsgebieden, is in solide samenwerking met 31 experts, destijds een krachtige kennisbron ontstaan ten dienste van de staande en de zittende magistratuur, wat tevens is aanbevolen als leerboek voor de Politie Academie.

 

Na 25 jaar acht ik de tijd rijp voor een actuele en gestructureerde herdefiniëring van voorwaarden ter beter begrip van de forensische deskundigheden, in de vorm van een:
Blauwdruk, die de essenties beschrijft van achtergrondkennis, theorie, praktijk en wetenschap, per expertise.

Ter illustratie van de importantie van een systematische samenstelling van een naslag- en leerboek over forensische expertise heb ik de volgende argumenten-vierdeling gemaakt:
A. Waarom: de redengeving, het vinden van redenen,
B. Wat: de inhoudsopgave, het versterken van bètawetenschappen en technieken,
C. Hoe: de methode, het beschrijven van de essentie in de verbindende Blauwdruk,
D. Waartoe: het verbeteren van het begrip van de doelgroepen.

Read more

Bookmark and Share

George Orwell – Politics And The English Language

“Politics and the English Language” (1946) is an essay by George Orwell that criticised and ended the “ugly and inaccurate” written English of his time and examines the connection between political orthodoxies and the debasement of language.

The essay focuses on political language, which, according to Orwell, “is designed to make lies sound truthful and murder respectable, and to give an appearance of solidity to pure wind”. Orwell believed that the language used was necessarily vague or meaningless because it was intended to hide the truth rather than express it. This unclear prose was a “contagion” which had spread to those who did not intend to hide the truth, and it concealed a writer’s thoughts from himself and others. Orwell encourages concreteness and clarity instead of vagueness, and individuality over political conformity.

Source: https://en.wikipedia.org/wiki/Politics_and_the_English_Language

Bookmark and Share

‘Limits’ Of Imagining The Pandemic Present

Michel Foucault 1926 – 1984  Photo: wikipedia.org

In 1984, Michel Foucault, the French historian (or) philosopher, associated with the  structuralist (or) post-structuralist movement, extensively commented [i] on the German Philosopher Immanuel Kant’s ‘Was ist Aufklarung?’ (What is Enlightenment?). Thus, two hundred years hence, Foucault knocked at the limits of moments we live through. For him, Kant is responding in the Berlinische Monatsschrift (Berlin monthly, 1784- November), a late enlightenment mouthpiece, on what should be the attitude to present.

The moment we live in was, for Kant, neither a distinct era, not a transition, but rather a grand exit (Ausgang). For Kant majority of human beings, in the time he wrote in (1700s end or 1800s beginning as the case may be), carried on their everyday life with the church and monarchy setting the rhythms. The autonomy to break the rhythm or to think about the present, and thus make the exit, was difficult then, as it is now. For Foucault Kant was to work on the ‘limits’ of the rhythm and the everyday in order to ‘Ausgang’ and reflect on what he was part of.

With the coordinates of daily rhythms overwhelmingly set by the virus and its trajectories, it has become even tougher to separate ourselves from the contingent contexts we are thrown into everyday. The possibility of thinking separate from the frames we are set against, and reflecting on our ‘makes’, will determine not only how we reflect on the times we live in, but also the way we live out.

People across space and time have transformed to cyborgs – the sciences; technological artifacts; institutional orders; as well as disseminations of knowledge literally imbricate lived lives. Risk societies, urban informalities, everyday precarities, techno-social deployments, or surveillance and pastoral orders have scaled our skins and rewired our bodily rhythms. The cyborg identities in their everyday relationship with other cyborgs, with differential make-ups determine the truth orders that govern.
Foucault comes back to haunt the ‘pandemic orders in the making’ prompting an engagement with the limits. Nothing short of a critical ontology of the cyborgs we are, deployed and networked across space and time, by the political every day, can achieve this. Only this can translate into a possibility or impossibility to imagine the limits that are imposed on us by the political systems, exaggerated by the pandemic.

The possibility of knocking at the limits for instance, might come at best as a tragic reflection during the physical ejection of the urban migrant labourer in India from the metropolis. This is not quite an exit and neither does one see the space or time to reflect on the exploitative order that had appropriated him/her along with millions of others as urban cyborgs. A Lebanese Druze leader who has seen the end of a world war, been through a three month war, or the civil wars; still might only see at best an end of the world because the pandemic has only added on to the noise of everyday violence and earth shattering explosions. The fortified corona shelters that the bus bays have transformed into in a hyper vigilant South Korea or a health care regime that fell apart on the corporate altars in the United States also differentially reduce the space of reflection or eventual exit. A self righteous regime like the one in Brazil that would rather bank on military men than people of science; or the celebrations of self sufficiency (atmanirbhar in the Indian state context) when possibilities of social welfare gets precluded; also talk of the times that give no space for exit-thoughts or possibilities for reflection.

In order to critically reflect on the pandemic everyday and eventually for life to live itself out, there is no other way than exposing the conflicts and contradictions inherent to the orders people live in. There is no other way than to reflect on the ‘fixes’ put forward as part of the ‘presents’. Michel Foucault prompts us to knock at the limits once again. The task for the more privileged in places that still maintain social contracts with populations is to think with Foucauldian ‘dispositives’. These are the institutional, administrative, and knowledge structures that both maintain the systems in place and the homeostasis of the cyborg selves we all are. It is only by thinking through the links between practices, and institutional techniques deployed way before pandemics, but enhanced and perpetuated by the virus; that the cyborgs can get deconstructed across places readying for a political present that is yet to be lived into.

Note
[i] What is Enlightenment? in Rabinow (P.), ed., The Foucault Reader, New York, Pantheon Books, 1984:32-50.

Mathew A Varghese, SIRP, Mahatma Gandhi University [Previously Researcher at University of Bergen/ UKZN]

 

Bookmark and Share

Ardhakathanak: A Commoner’s Discovery Of The Mughal Milieu

Ills.: Victoria and Albert Museum, London Mughal painting from 1615-1618

Abstract
The Ardhakathanak by Banarasidas is often considered the first autobiography in Hindi. Completed in the year 1641, the book provides us with a commoner’s understanding of the Mughal world. Often subjected an imperial bias, the book is a wildly neglected source of history. The study attempts to highlight various societal norms and ethics as evidenced by the Ardhakathanak. It undertakes a thematic division in understanding medieval Indian society, focusing on merchant practices, societal norms and Jain religion. Various aspects of a middle class man’s life are unraveled through the course of this study, including education, business decisions, wealth, family, domesticity, religious assimilation, rationality and self-discovery.
The study also embarks on an analysis of the Varanasiya sect of Jain religion briefly. Finally, emerging trends of individuality are highlighted. The study culminates with a brief account of how underutilized this primary source remains despite obvious merits to it.

Keywords: Banarasidas, Ardhkathanak, autobiography, merchant practices, religious pursuits, cultural history.

1. Introduction
The development of the literary genre of autobiography is a fairly ancient one, with St. Augustine’s autobiographical work ‘Confessions’ written in 399 CE. However, the understanding of the term autobiography to be a form of ‘self life writing’ is a recent phenomenon. The Oxford English Dictionary credits Robert Southy to be the progenitor of autobiography in the year 1809. However we find a reference to autobiography or self-biography being used by William Taylor in the Monthly Review of 1797.[i]The motivations for committing one’s life to writing are often religious in nature, to record stages in an individual’s life by which they lose their own identity to celebrate God’s divine power.[ii] Today, these works have become a prominent source of history and are extensively researched to arrive at a deeper understanding of the period it was written in. The earliest known biographical work that was produced in India is the Harshacharita written by Banabhatta in the 7 th century CE. However, truly autobiographical accounts only appear in India with the advent of Mughals. Among these, Baburnama was the earliest, and records Babur’s life between 1483 to 1530.[iii] The autobiographies written during this period were meant to preserve a person’s family history and good deeds for posterity. Thus, the representation of the subject is in light of the reader’s judgement. Therefore, we may conclude that these writings often lack a humanizing touch that can relate the subject to the reader.

One such piece in the ocean of Mughal writings is Banarasidas’s Ardhakathanak. It was first discovered by Nagari Pracharini Sabha and published by Dr. Mataprasad Gupta in 1943.[iv]
Banarasidas was a Jain merchant who lived during the Mughal Era in India. The title of his autobiography translates to ‘half a tale’. The book was completed in the winter of 1641 in the imperial capital of Agra, when Banarasi was 55 years of age. In Jain philosophy, a full life is considered to be of one hundred and ten years. Thus, the title of Banarasi’s book ‘Half a Tale.’ Although, the tale began to be the story of half a life, Banarasi met his demise only two years after the completion of his book, implying that the story covered his entire life. Written in the language of the Indian heartland, Braj Bhasha. Ardhakathanak is considered to be the first autobiography in Hindi.[v] Much to the contrary to other Mughal works, Banarasidas’s tone throughout the book is that of unabashed candor. Over the course of the book, Banarasi establishes a rapport with the reader and slowly but surely becomes a friend. By the time, we reach Banarasi’s close of life, a feeling of a long and fruitful companionship lingers on with the reader. We know Banarasi’s secrets, sorrows and soaring moments. Unlike other autobiographical works of the contemporary period the emphasis is not on making a perfect man devoid of any flaws, fit to govern the territory of India, but to lay bare before the reader the heart and soul of subject, good or bad.

It is evident from the content of the book and style of writing that Banarasi did not expect his autobiography to be read nearly 400 years later. In fact, there was an understanding that it would only be read by limited audience of friends and kinsmen.[vi] In Banarasi’s own words, the only reason he ventured into the business of recording his life, is ‘let me tell you all my story’.
A Jain from the noble Shrimal family,
That prince among men, that man called Banarasi,
He thought to himself, let me tell my story to all [vii]

Read more

Bookmark and Share

Définir l’islamophobie et ses manifestations politiques après les attentats de « Charlie Hebdo »

Ills.: UK Human Rights Blog

Résumé

Cet article examine les difficultés rencontrées par les définitions contemporaines de l’islamophobie, notamment celle de l’influent rapport Runnymede, face aux réactions des responsables politiques européens aux attentats de janvier 2015 à Paris. L’application de la méthode d’analyse du discours politique (ADP) à ces réactions souligne leur ambiguïté eu égard aux définitions contemporaines de l’islamophobie, et justifie de les affiner.

Mots clés
Islamophobie, rapport Runnymede, attentats de Charlie Hebdo, Union européenne, populisme.

Cet article est la version traduite et condensée de: Bogacki Mariusz, de Ruiter Jan Jaap et Sèze Romain, Defining Islamophobia and its socio-political applications in the light of Charlie Hebdo attacks in Paris, Rozenberg Quartely, 2019. URL: 
http://rozenbergquarterly.com/the-charlie-hebdo-attacks-in-paris-defining-islamophobia-and-its-socio-political-applications/

Introduction
L’étude des réactions de peur ou d’hostilité à l’égard de l’islam et des musulmans a connu un tournant avec la publication du rapport Islamophobia : a challenge for us all (Runnymede Trust, 1997 et 2016), par la Commission on British Muslims and Islamophobia, créée par le Runnymede Trust (groupe de réflexion indépendant). Cette étude pionnière propose d’identifier les causes et manifestations de l’islamophobie, définie comme « une hostilité non fondée envers l’islam », une « crainte ou [une] haine de l’islam, et donc […] la peur ou l’aversion des musulmans ou de la plupart d’entre eux » (Runnymede Trust, 1997, 1), et les « conséquences d’une telle hostilité en matière de discriminations […] et d’exclusion des activités politiques et sociales » (idem, 4). Les auteurs opèrent cependant une distinction fondamentale entre « la peur phobique de l’islam [qui] caractérise des attitudes fermées, et les désaccords et critiques légitimes [qui] caractérisent des attitudes ouvertes » (idem, 4). Cette distinction repose sur huit clivages dans la façon d’appréhender l’islam et les musulmans : uniformité/diversité, séparation/interaction, infériorité/différence, adversité/partenariat, manipulation/sincérité, rejet/considération de la critique de l’Occident, justification/réprobation des discriminations, justification/réprobation de l’islamophobie (idem : 5).

Bien que ce rapport demeure une référence, il a commencé à être vigoureusement critiqué dix ans après sa publication, en particulier pour cette distinction entre « attitudes fermées » et « ouvertes ». Cette binarité tend à résumer l’attitude envers l’islam et les musulmans à de l’islamophilie ou à de l’islamophobie, tout en objectivant par effet de miroir des représentations symétriquement opposées de musulmans « bons ou mauvais », quoiqu’il en soit essentialisés, (Allen, 2010, 76). « L’islamophobie ne peut être déterminée et définie par le “type” de musulmans qui en sont victimes. Elle doit aller plus loin et tenir compte de la reconnaissance d’un “caractère musulman” réel ou perçu », car cette approche réduit l’islamophobie à un « phénomène à la fois trop simpliste et largement superficiel, défini davantage par les caractéristiques des victimes que par la motivation et les intentions des auteurs » (idem, 79-80). Or, cette approche néglige ce faisant l’existence d’un angle mort : il existe en effet des préjugés qui ne procèdent pas d’attitudes « fermées », mais qui sont la conséquence de différences de cultures, de représentations du monde et de valeurs. Les musulmans qui ne se laissent pas réduire à cette binarité sont ainsi exclus de ce traitement de l’islamophobie, et peuvent de ce fait devenir les victimes oubliées du phénomène.

Les analyses de Chris Allen invitent à considérer de nouveaux aspects des manifestations de l’islamophobie, toujours plus ambigus et complexes après le 11 Septembre, comme l’illustrent les débats contemporains sur  le niqab, le multiculturalisme et les processus d’intégration religieuse et culturelle en Europe. À sa suite, divers chercheurs ont alors souligné les limites du rapport Runnymede, et proposé des alternatives. Deepa Kumar (2012, 2) et Ibrahim Kalin (2011, 11) se concentrent davantage sur la dimension racialisante du phénomène. Tahir Abbas (2011, 65), Nathan Lean et John Esposito (2012, 13) en analysent les aspects phobiques. Mohamed Nimer (2011, 78), Hedvig Ekerwald (2011) et Tahir Abbas (2011) s’intéressent aux caractéristiques culturelles et religieuses de l’islamophobie. Même Chris Allen (2010, 190) a tenté de proposer une définition alternative qui, si exhaustive soit-elle, présente une longueur et des incohérences telles qu’elle s’avère peu opérationnelle. Jocelyne Césari (2011) est sans doute celle qui acte le plus précisément ces difficultés. Elle souligne que le terme « islamophobie » est contestable parce qu’il est souvent « appliqué de manière imprécise à des phénomènes divers, allant de la xénophobie à l’antiterrorisme. Il regroupe toutes sortes de discours et d’actes en suggérant qu’ils émanent tous d’un même noyau idéologique, issu d’une peur irrationnelle (phobie) de l’islam » (idem, 21). C’est donc l’ambiguïté du terme permise par sa généralité qui rend impossible son application aux phénomènes divers qui peuvent naître des préjugés à l’égard de l’islam, mêlant préjugés et idéologies politiques variées.

Ces débats ont justifié une actualisation du rapport Runnymede, vingt ans après sa publication en 1997, dans l’objectif « d’améliorer la précision et la qualité des débats, ainsi que des politiques publiques pour lutter contre l’islamophobie » (Elahi, Khan, 2017, 1). Sur la base des réactions au rapport Runnymede, le groupe de réflexion en propose deux nouvelles définitions. La première, abrégée, définit l’islamophobie comme un « racisme antimusulman ». La seconde, plus détaillée, la définit comme « toute distinction, exclusion, restriction ou préférence à l’égard des musulmans (ou perçus comme tels) qui a pour objet ou pour effet d’annuler ou de compromettre la reconnaissance, la jouissance ou l’exercice, sur un pied d’égalité, des droits de l’Homme et des libertés fondamentales dans les domaines politique, économique, social, culturel ou tout autre domaine de la vie publique » (ibid.). Certains contributeurs à ce rapport ont également questionné la pertinence du terme « islamophobie ».

Après avoir discuté de notions de « racisme antimusulman », « préjugés antimusulmans » et « discriminations antimusulmans », Shenaz Bunglawala conclut à la nécessité de conserver le terme « islamophobie » pour deux raisons. Premièrement, il ressort des contenus médiatiques (britanniques) que le terme « islam » a plus souvent une charge péjorative que le terme « musulman », « plaçant ainsi l’appartenance perçue à un groupe au cœur de ces stéréotypes » (Bunglawala, 2017, 70). Deuxièmement, « adopter une terminologie centrée sur la victime (i.e. sur le « musulman » et non sur « l’islam ») risquerait de mener la lutte contre l’islamophobie à manquer sa cible et à oublier de prendre en considération le contexte favorable à l’uniformisation des représentations sur l’islam et les musulmans ». À revers des autres contributeurs, Shenaz Bunglawala argue en faveur de la pertinence de la dichotomie opposant attitudes « ouvertes » et « fermées », notamment au regard de la définition de l’islamophobie comme « racisme antimusulman » : « à une époque où les termes “islam”, “islamique”, “islamiste extrémiste” et “islamiste” sont fréquemment chargés de connotations péjoratives, est-il si étonnant que “l’islamophobie” conserve son pouvoir de nommer l’objet de la haine ? » (idem, 72).

Il ressort de ces débats qu’il est nécessaire de se départir des prénotions sur les victimes a priori pour examiner la pertinence des définitions de l’« islamophobie » au regard des manifestations qu’elles recouvrent dans un contexte donné. Sachant qu’elles ont crû tout en se complexifiant après le 11 Septembre, dans quelle mesure la résurgence du djihadisme depuis le milieu des années 2000 en Europe et les réactions qu’elle suscite interrogent-elles la pertinence de ce terme ? Afin d’apporter des éléments de réponse à cette question, seront examinées les réactions des responsables politiques européens à des attentats djihadistes qui les ont récemment tous interpelés : ceux de janvier 2015 à Paris. Ces évènements ont en effet concouru à renforcer les discours et pratiques discriminantes à l’endroit des musulmans dans l’Union européenne (Foundation for Political, Economic and Social Research, 2016), tout particulièrement dans le contexte des débats sur la radicalisation où les populations musulmanes font facilement figure d’ennemi intérieur (Baker-Beall et al., 2015 ; Ragazzi, 2016). Les réactions des responsables politiques à ces attentats sont en effet propres à faire apparaître les ambiguïtés liées à l’appréhension contemporaine de l’islamophobie, donc à inviter à réviser sa définition d’une part, et à réfléchir à ses implications sur les plans politique, législatif et social d’autre part.

Après avoir décrit la méthodologie appliquée pour construire le corpus des discours et les analyser (1), seront présentés les résultats de l’analyse du discours politique (2), avant de conclure par des propositions visant à cerner plus pertinemment les discours discriminatoires à l’endroit de l’islam et des musulmans.

Read more

Bookmark and Share
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives