Amsterdamse coffeeshops en hun bezoekers ~ De wietpas


cannabis10. De wietpas
De Nederlandse regering lijkt voornemens te zijn een pasjessysteem voor coffeeshops in te voeren: de zogeheten wietpas. Zowel de coffeeshopexploitanten als de klanten is gevraagd naar hun mening over de wietpas.

Exploitanten
Bijna negen van de tien geïnterviewde exploitanten zien uitsluitend nadelen aan de wietpas. Ook de anderen zien vooral nadelen, maar noemen daarnaast voordelen, zoals de garantie op klandizie: “De vaste klanten die zich bij jou hebben geregistreerd, mogen hun hasj of wiet alleen bij jou kopen dus je bindt je klanten aan je.” Een andere exploitant zegt dat je met zo’n pasjessysteem zeker bent dat je geen minderjarigen in je shop hebt, maar voegt hier meteen het risico op vervalsing en fraude met zulke pasjes aan toe: “Jantje van 15 gebruikt even het pasje van broer Klaas van 18.” Enkele exploitanten denken dat het misschien wel handig is om ‘tuig’ buiten de deur te houden: “Je weet wie je in je shop hebt zitten en mocht iemand dat verpesten door bijvoorbeeld te vechten, kan je deze persoon opsporen.”

Vrijwel alle geïnterviewden weten een rits nadelen te noemen. Grofweg vallen alle genoemde nadelen onder één van de volgende categorieën:
1. Registratie/privacy probleem;
2. Uitsluiting toeristen en dagjesmensen;
3. Terugkeer straathandel.

Registratie/privacy probleem
Dat klanten moeite gaan hebben met de registratie, staat volgens veel geïnterviewden als een paal boven water: “Mensen willen al überhaupt niet geregistreerd staan, laat staan als blower.” Een exploitant met nogal wat advocaten en artsen in zijn klantenkring, vertelt dat het deze mensen geen goed zal doen om geregistreerd te staan als blower. “Niemand hoeft te weten hoe vaak en hoe veel zij blowen. Waarom?” De vraag die veel exploitanten zich stellen, is wat er gaat gebeuren met de gegevens die worden opgeslagen: “Nederland wordt steeds meer een politiestaat, ze houden je van alle kanten in de gaten. De OV chip is ook door ieders strot gedouwd, als ze het willen kunnen ze dat met de wietpas ook.” Gekoppeld aan deze categorie nadelen is de beperking van de keuzevrijheid van de klant als je maar in één shop geregistreerd mag zijn. Read more

Bookmark and Share

Amsterdamse coffeeshops en hun bezoekers ~ Samenvatting & Conclusies


amsterdam-coffee-shop-license-245x24511. Samenvatting & Conclusies
Vanuit vier invalshoeken is het reilen en zeilen van Amsterdamse coffeeshops – met uitzondering van de 26 in het 1012‐gebied die moeten sluiten – in kaart gebracht. Eerst is gekeken naar de directe omgeving van de coffeeshops en hoe zij er van buiten uitzien. Vervolgens zijn exploitanten van 66 coffeeshops geïnterviewd. Daarna zijn in 59 van deze coffeeshops observaties gedaan en klanten geteld. Tegelijkertijd zijn in deze coffeeshops 1214 klanten geïnterviewd.

Omgeving en buitenkant van coffeeshops
De meerderheid van de coffeeshops ligt nabij een of meer andere coffeeshops. Vaak liggen ze in een straat met druk verkeer, maar er zijn ook coffeeshops met weinig of geen verkeer in de straat. Over het algemeen zijn de coffeeshops goed bereikbaar met het openbaar vervoer, vaak is er parkeergelegenheid op korte loopafstand, maar dichtbij de coffeeshop is meestal moeilijk een vrije parkeerplek te vinden. Vanaf de coffeeshops zijn zelden scholen zichtbaar.
De buitenkant van de coffeeshops is heel gevarieerd, van smalle pandjes tot locaties met twee of drie etages. De meeste coffeeshops zijn van buitenaf als zodanig herkenbaar, maar er zijn ook coffeeshops waarvoor dit helemaal niet geldt. Bij een kleine meerderheid is van buitenaf goed te zien wat zich binnen afspeelt; andere coffeeshops hebben weinig of helemaal geen inkijk. Ook als zodanig herkenbare coffeeshops vallen vaak toch niet echt op binnen het totale straatbeeld. Een klein deel is juist zeer prominent aanwezig in de omgeving, bijvoorbeeld omdat het de enige zaak is. Portiers voor of bij de deur zijn uitzonderlijk.
Op basis van hun directe omgeving en buitenkant zijn twee typen Amsterdamse coffeeshops te onderscheiden. Een ruime meerderheid is te typeren als ingebedde coffeeshops; zij liggen in drukke buurten met veel andere ondernemingen, inclusief andere coffeeshops. Vaak liggen dergelijke coffeeshops in Centrum, maar ook in Zuid en wat minder in West. Daarnaast zijn er losstaande coffeeshops. Zij hebben geen of hoogstens één andere coffeeshop in de directe omgeving en er is minder andere bedrijvigheid. Dit type zien we het vaakst in West, betreft vrijwel alle coffeeshops in Oost en alle coffeeshops in Noord. Read more

Bookmark and Share

Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen ~ Inhoudsopgave


Foto: beeldbank.amsterdam.nl

Foto: beeldbank.amsterdam.nl

Werkstraffen in de buurt zijn er in uiteenlopende vormen en het zojuist geschetste schoonmaken in je eigen buurt is één van de hier onderzochte projecten. Verderop in dit rapport komen meer varianten aan bod, maar gemeenschappelijk kenmerk is dat zij worden uitgevoerd in de eigen woonbuurt of in de buurt waar de jongeren een delict hebben gepleegd. Tussen november 2009 en september 2010 deden we in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie onderzoek naar werkstraffen en hierbij stond de beleving van een dergelijke werkstraf door de jongeren centraal.
Rozenberg Publishers 2010 – ISBN  978 90 3610 218 6

1. Inleiding
2.Theoretisch kader
3. Onderzoeksaanpak
4. Inventarisatie werkstraffen in de buurt
5. Profiel, intake en besluitvorming
6. De werkstraf
7. Groepsprocessen
8. Beleving van de werkstraf in de buurt
9. Buurt en omgeving
10. Wel of niet in de buurt?
11. Samenvatting en conclusie
Bijlage Topiclijsten en observaties & Literatuur Read more

Bookmark and Share

Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen ~ Inleiding


straatvegerHet vrolijke getjilp van de vogels doorbreekt de ochtendstilte. De stationsklok van Roosendaal wijst 07:58 uur. We zijn een kwartier te vroeg. Tijd genoeg om nog koffie te halen op het station. Hotel Goderie ligt precies tegenover het station. Ongeacht het weertype verzamelt zich hier elke zaterdagochtend een groepje jongeren met een werkstraf. Onder toezicht van de werkmeester moeten ze het centrum van Roosendaal schoonmaken. Voor het hotel staat een witte vrachtwagen met twee zitrijen in de cabine en een open laadklep geparkeerd. Een jongen zit zwijgend in de wagen. Een oudere tanige man gekleed in een felkleurige oranje jas, spijkerbroek en stevige kistjes kijkt op zijn horloge. Hij moet de werkmeester zijn. Vriendelijk schudt hij ons de hand. Hij rookt een sjekkie en biedt een koffie uit zijn thermoskan aan. De werkmeester ontfermt zich over een jonge knul die door zijn moeder wordt gebracht. Hij kijkt nog een keer op zijn horloge en werpt een vluchtige blik op de presentielijst. Twee jongens mist hij nog. “Wie niet uiterlijk om 08:15 uur aanwezig is krijgt een aantekening”, zegt hij resoluut. “Te laat komen voor een taakstraf is een slecht begin.” Een telefoontje met de taakstrafcoördinator wijst uit dat de twee andere jongens al bij het depot van de gemeentereiniging staan. We rijden hier sowieso eerst naartoe om de spullen op te halen en om te kleden.

In de gemeentekeet krijgen de vier jongens van 14 tot 17 jaar instructies tijdens het koffiezetten. Het is verplicht om kistjes, handschoenen en werkjassen te dragen. Hoodies, petjes en flitsende logokleding zijn taboe tijdens het schoonmaakwerk. “De jas blijft dicht. Iedereen is gelijk en draagt hetzelfde”, bast de werkmeester. De jongens horen de regels stoïcijns aan. Andere instructies volgen: jezelf verstoppen tijdens het werk is uit den boze, evenals bellen, roken of er chagrijnig bijlopen. Alleen in de korte rookpauzes en middagpauze is er gelegenheid om een boterham te eten, te snoepen of een ‘strootje’ (sigaret) te roken. De werkmeester verlangt dat er secuur wordt schoongemaakt, niet getreuzeld wordt of de kantjes er vanaf worden gelopen. Voortdurend met elkaar kletsen wordt niet op prijs gesteld evenals contacten aanknopen met bekenden of vrienden tijdens het werk, of meisjes nafluiten. De werkmeester laat er geen gras over groeien: “Wie zich niet aan de regels houdt krijgt een waarschuwing.” Laakbaar gedrag zal worden doorgegeven aan de taakstrafcoördinator. Aan het einde van de dag volgt een korte persoonlijke evaluatie van de werkmeester.

Na de koffie rijdt de vrachtauto beladen met vuilknijpers en vuilniszakken richting de markt; hartje centrum. De jongens ogen timide en praten wat over koetjes en kalfjes, wachtend op het onvermijdelijke moment dat ze in schoonmaakuniform uit moeten stappen. Op het marktplein krijgen ze een korte uitleg over de kunst van het schoonmaken: hoe de klem om de zak te plaatsen, de prikstok te hanteren et cetera. De werkmeester wijst de koppels het gebied waar moet worden gewerkt. Nu is er geen ontkomen meer aan. De felle oranje jas en een knijpijzer vallen goed op. Met frisse tegenzin sjokken de jongens richting het vervuilde winkelgebied, dat langzaam tot leven begint te komen. “Mannuh!”, roept de werkmeester kordaat, “graag een beetje tempo maken a.u.b.Read more

Bookmark and Share

Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen ~ Theoretisch kader


Straatveger2

Foto: beeldbank.amsterdam.nl

Theoretisch kader
De focus in dit onderzoek ligt bij de beleving van werkstraffen in de buurt door jongeren. De methodologische insteek is overwegend kwalitatief en het veldonderzoek draagt vooral een exploratief karakter (zie hoofdstuk 3). Kwalitatief onderzoek kan primair beschrijvend/inventariserend zijn, maar ook theorie-vormend dan wel theorie-toetsend (Decorte & Zaitch, 2009). Hoewel ons onderzoek niet hypothese-toetsend is – hetgeen ook in lijn ligt met het explorerende karakter ervan – kunnen uit theoretische benaderingen mogelijkerwijs wel aandachtspunten worden afgeleid die het onderzoek richting kunnen geven. Daarom bespreken we als eerste thema enkele criminologische theorieën die behulpzaam kunnen zijn bij onderzoek naar de belevingsaspecten van werkstraffen in de buurt. Vervolgens wordt gekeken naar literatuur die meer ingaat op de processen die plaatsvinden bij groepsvorming van jongeren. Telkens wordt nagegaan welke aandachtspunten (vooralsnog) uit de theoretische benaderingen en criminologische studies afgeleid kunnen worden. Aansluitend wordt in grote lijnen geschetst wat er in de literatuur en in de praktijk van experts bekend is over de problematiek van gevoelens die jongeren ondergaan bij hun vrijheidsbeneming en/of de hen opgelegde taakstraffen. Het belangrijkste doel hiervan is een verdieping en operationalisering van concepten met betrekking tot emoties bij werkstraffen in de woon- of pleegbuurt. Meer specifiek gaan we in op naming & shaming en op schuld en schaamte.

Criminologische theorieën
Terecht wijzen Staring & Van Swaaningen (2009) erop “… dat niemand in het luchtledige handelt en dat goed onderzoek daarom ook niet voorbij kan gaan aan cultuur en structuur als context van het handelen” (p.67). Zij pleiten daarom voor theoretisch geïnspireerde onderzoeksvragen. Met betrekking tot de beleving van werkstraffen door jeugdigen kunnen verschillende theoretische perspectieven inspirerend zijn, attenderende begrippen bevatten en mogelijk zelfs (deductief) hypothesen voortbrengen. Deze perspectieven worden hieronder kort geschetst.

Wellicht het interessantst aan de sociale bindingentheorie is dat hierin niet de vraag centraal staat waarom mensen crimineel gedrag vertonen, maar wat hen ervan weerhoudt. In de visie van Hirschi (1969) en later Gottfredson & Hirschi (1990) zijn dit de bindingen met sociale instituties, in het bijzonder het gezin en de school. Die bindingen manifesteren zich in een viertal elementen: attachment (emotionele gehechtheid aan anderen), commitment (zelf aangegane verplichtingen), involvement (conventionele bezigheden, zoals school) en belief (geloof in de geldigheid van maatschappelijke regels).

Met betrekking tot het onderhavige onderzoek is een concretisering van de sociale bindingentheorie dat werkstraffen in de buurt verschillende processen en emoties teweegbrengen bij schoolgaande en werkende jongeren in vergelijking met jongeren die niet of weinig naar school gaan of werken (maar veel meer in de buurt op straat rondhangen). Bij de laatste groep is minder of geen sprake van involvement met conventionele bezigheden en een grotere betrokkenheid met de straatcultuur. Denkbaar is dat werkstraffen in de buurt bij hen binnen hun ‘eigen groep’ minder reputatieschade opleveren. Read more

Bookmark and Share

Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen ~ Onderzoeksaanpak


straatvegerOnderzoeksaanpak
Naast de literatuurstudie bestond het onderzoek uit twee empirische onderdelen: een inventarisatie van werkstraffen en een etnografisch veldonderzoek. De literatuurstudie liep grotendeels synchroon met de inventarisatie. Doel was bovenal een verdieping en operationalisering van concepten met betrekking tot emoties bij werkstraffen in de woon‐ of pleegbuurt. De belangrijkste bevindingen en conclusies van de literatuurstudie zijn verwerkt in het vorige hoofdstuk, maar in volgende hoofdstukken zal soms ook literatuur worden verwerkt.

Voor de inventarisatie zijn 31 taakstrafcoördinatoren telefonisch geïnterviewd aan de hand van een korte, gestructureerde vragenlijst (zie bijlage). Samen geven zij een landelijk dekkend beeld van werkstraffen in de buurt. De coördinatoren is ook gevraagd of ze weten of er in andere regio’s in Nederland werkstraffen in de buurt zijn – en voor zover dat het geval was zijn de betreffende collega’s ook allemaal geïnterviewd. In hoofdstuk 4 worden de methode en de resultaten van de inventarisatie uitgebreid gerapporteerd.

Qua tijdsinvestering lag het zwaartepunt bij het veldonderzoek. Daar zal in dit hoofdstuk ook de meeste aandacht aan besteed worden. We beginnen met een korte algemene typering gegeven van kwalitatief onderzoek, in het bijzonder de grounded theory benadering als algemeen theoretisch‐methodologisch kader voor het veldonderzoek. Vervolgens maken we een korte tussenstap, en verantwoorden we de keuze voor de werkstrafprojecten waar we veldonderzoek hebben gedaan. Daarna worden de verschillende methoden toegelicht die we hebben toegepast in het veldonderzoek.

Kwalitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek wordt gekenmerkt door een verstehende benadering en het emic perspectief, “waarbij de mens van vlees en bloed met alle vormen van agency die hierbij kunnen horen, zichtbaar worden gemaakt” (Staring & Van Swaaningen, 2009: 67). Cruciaal binnen dit perspectief is dat de te onderzoeken en waargenomen fenomenen dusdanig worden geconceptualiseerd dat zij zo dicht mogelijk aansluiten bij de woorden en beleving van de onderzoeksgroep zelf. Een dergelijke benadering is bij uitstek geschikt voor het bestuderen van belevingsaspecten.

Waar in kwantitatief onderzoek doorgaans een heldere scheidslijn in de tijd bestaat tussen dataverzameling en analyse, is bij kwalitatief onderzoek sprake van een cyclisch proces (Decorte & Zaitch, 2009). Dataverzameling en analyse wisselen elkaar min of meer gelijktijdig af. Op basis van tussentijdse reflectie wordt de dataverzameling zo nodig bijgestuurd, respectievelijk in een bepaalde richting voortgezet (bijvoorbeeld naar nog onvoldoende geëxploreerde fenomenen of groepen). Enerzijds kenmerkt kwalitatief onderzoek zich door een inductieve benadering, waarbij de theorievorming geschiedt op basis van (reflectie over) empirische bevindingen. Zo’n benadering start zonder uit theorieën afgeleide hypothesen. In de meest puristische vorm van de gefundeerde theoriebenadering (grounded theory) van Glaser & Strauss (2008) is sprake van een tabula rasa uitgangspositie: de onderzoeker laat de empirische bevindingen als het ware voor zichzelf spreken. Van belang is het zoeken naar empirisch materiaal dat meer en eventueel ander licht kan werpen op het te onderzoeken fenomeen dan wat tot nu bekend of theoretisch verondersteld zou moeten worden (Glaser, 1992). De gefundeerde theoriebenadering is niet statisch maar flexibel, waarmee ze impliceert dat daarmee mogelijk ook bestaande paradigma’s kunnen worden gewijzigd en aangescherpt. Glaser & Strauss (2008) spreken in dit verband van theoretical sensitivity. Daarbij is het essentieel dat de verkregen data dusdanig worden geordend dat zij in de analyse het traceren van (nieuwe) patronen optimaal mogelijk maken. Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent articles

  • Rozenberg Quarterly categories