Breyten Breytenbach ~ Die Koei In Die Bos

bb

Foto: Litnet – http://www.litnet.co.za/

Opgedra aan Jan Rabie, Neville Alexander, Ingrid Jonker, Sheila Cussons en Piet Philander, om uiteenlopende redes, maar met ewe veel erkentlikheid

Dames en here (en ek weet nie eintlik wie om uit te sonder of spesiaal toe te spreek nie – is ons is dan nie almal gelyk hier nie?

’n Tydjie gelede skryf ’n goeie vriendin vir my, toe sy verneem dat ek hierdie ding moet doen vanaand: “Die mismoedigheid wat oor mens toesak oor die taalstorie by US (en die ander kampusse). Dit voel vir my of jy nou weer die lyk van Afrikaans gaan afdra van die berg (soos met die vertelling waarmee jy destyds jou toespraak by die Sestiger-somerskool begin het), maar hierdie keer sonder hoop op nuwe lewe. Hoe om so ’n toespraak te konstrueer moet ’n groot uitdaging wees. Skuldbelydenis? Teikenskiet? Met ’n haelgeweer lostrek? De donder in wees? Skel? Pleit? Weer die argumente vir moedertaalonderrig op die tafel sit? Met ’n nuwe perspektief kom? Is laasgenoemde enigsins moontlik? Ai, ek dink aan jou. En daar gaan baie ore wees wat na jou luister …”

Ek wil vir die liewe vriendin sê dit gaan ’n bietjie van alles moet wees, dat die bobbejaan weer die berg gaan probeer klim, dat baie ore moedswillig verkeerd hoor, ook alreeds omdat my gedagtes krom getrek het met die jare. (Ek voel sommer klaar jammer vir myself oor die onbegonne taak, maar gaan so wragtag nie huil en kla net om die Stellenbosse boys te vermaak nie!)

Daarby het ek ’n skimmelappeltjie te skil met Stellenbosch-universiteit as versinnebeelding van parogiale Afrikaanse eienskappe – hardvogtigheid en skynheiligheid. Dat dit, in my boek, by uitstek nog altyd die teelaarde was vir allerlei gewasse van gedienstigheid teenoor die heersers van die oomblik. En dan nogal dikwels, uit hoofde van ’n selfbelangrike geleerdheid waar daar in feite net omgesien word na eie aansien en status, arrogant ook met ’n moralistiese opgeblasendheid. So asof politieke korrektheid hier as wiel ontwerp is …

Lees verder: http://www.litnet.co.za/die-koei-in-die-bos/

Bookmark and Share

Ik heb het beest in de bek gekeken. In gesprek met Frank Siddiqui

frankomslagFrank is geen vriendjesmaker. Hebben we ooit zo lang en persoonlijk met elkaar zitten praten als nu, op een paar nazomeravonden in 2015? Zelden. We liepen twintig jaar rond in hetzelfde circuit, kruisten elkaars wegen vaak, werkten dezelfde kant op – maar we deelden, denk ik, ook eenzelfde koppige arbeidsethos, een reserve tegen al te veel versluierende gezelligheid, misschien ook een zeker ontzag dat je bij wederzijdse bewondering wel eens in de weg kan zitten. Veel lange avonden met opgewonden gesprekken, drank en steeds wilder anecdotes hebben we dus niet gedeeld.

Maar je kan ook achteraf vaststellen dat je eigenlijk al jaren vrienden bent. Niet omdat je zoveel tijd met elkaar hebt doorgebracht, maar omdat je met terugwerkende kracht weet dat het altijd belangrijk was te voelen, ook op de momenten dat je zelf even de weg kwijt was of de energie zoek raakte, dat de ander in de buurt was en door hetzelfde vuur gedreven werd. Dat blijkt wel, nu we de geschiedenissen van ons persoonlijk engagement naast elkaar leggen.

Frank was er eerder bij dan ik. ‘Mijn missie, eind jaren tachtig’, zegt hij, ‘was meteen: de beelden die er van moslims bestaan accepteer ik niet.’ Afkomstig uit de kraakscene zag hij in die tijd weer perspectief op werk. Hij koos voor de journalistiek. Zijn scriptie aan de School voor Journalistiek in Utrecht ging over het beeld van moslims in de media.

Dat beeld recht te zetten, uit te breiden en er andere beelden tegenover te zetten, het werd de constante in het journalistieke werk dat hij daarna jarenlang uitvoerde: als verslaggever bij Trouw, in de werkgroep Migranten en Media van de NVJ, als mede-oprichter van het magazine Fast Forward, ‘voor Nieuwe Nederlanders met ambitie’.

Terugkijkend is het een helder verhaal. De ‘zoon van een islamitische werkelijkheid’ kwam te werken bij dagblad Trouw, als verslaggever met een vrije rol. ‘Ik wilde het beeld van moslims gaan nuanceren. Op de krant stonden die helemaal in het out-group perspectief. Er was geen identificatie mee, ze stonden erbuiten. De groep werd een soort. Heel begrijpelijk, maar je moet er wel iets aan doen. En dus stelde ik de vraag: hoe leven deze mensen, wat doen ze in het dagelijks leven? Tegenover de grote problematieken – huisvesting, werkloosheid, integratie, criminaliteit – moet je gewone mensen zetten. Niet vanuit het achterstandsdenken dat toen heerste in de linkse hoek. Dat was een en al zieligheid. Zo neem je mensen niet serieus. Ik wilde vooral de tweede generatie uit die sfeer van achterlijkheid halen. Wij dachten toen ‘onze’ arbeiderskinderen de universiteit bereikten, dat de emancipatie voltooid was. Maar nu kwam deze hele generatie eraan!’

Ik was in die tijd boekhandelaar. De Verloren Tijd, inmiddels Stichting Perdu, was mijn domein. Ik las ingewikkelde boeken, leerde ingewikkelde schrijvers kennen en gunde mezelf alleen op zondagmiddag wat afleiding. Als keeper van het tweede elftal van Arsenal in Buitenveldert. En mijn elftal zat vol met die tweede generatie: Youssef, Ahmed, Yassine, Khalid en de anderen. Marokkaanse Amsterdammers in de twintig. Leuke, praatgrage jongens, tegen een stootje bestand. Zielig kon ik ze moeilijk vinden, als ze weer eens vier man voorbij pingelden of die spits onderuit kegelden voordat hij het mij moeilijk kon maken.
Ik maakte mee hoe de schalen met zoetigheid binnenkwamen na een avondwedstrijd tijdens de ramadan. En het grappige was: op die bijna ongeletterde voetbalclub waren zij de enigen die niet raar opkeken als ik zei dat ik een boekwinkeltje had.

Vrijdagmorgen om half zeven komen de eerste moskeegangers aangelopen. In de Amstel lichten smeltende ijsschotsen op in de ochtendschemering. De moskee is alleen te herkennen aan twee kleine arabische bogen, midden tussen de woonhuizen. Een zwak verlicht uithangbord boven de ingang vermeldt de naam van God. Al kabir el maschid staat er in het arabisch boven: ‘De grote moskee’. Het bord staat scheef, aangereden door een vrachtwagen. Geld om het recht te zetten is er niet. (Trouw, 31 januari 1997, Frank Siddiqui en Esme Choho)

Omdat er een controverse woedde rond de Al Kabir moskee ging Frank verslag doen. ‘De grootste Marokkaanse moskee van het land stond op 200 meter van onze redactie aan de Wibautstraat. Wisten ze niet. Er werd kwaad gereageerd op mijn reportages. Henk Muller, de islamoloog van de Volkskrant, prikte zijn vinger in mijn borst: Jij praat met de vijand! Mohammed Rabbae was bang dat de Amicales er weer voet aan de grond zouden krijgen. Het moskeebestuur was radeloos. Hoe moesten ze dat beeld rechtzetten? Gewoon, dacht ik: be there, kijk maar. Ik zat bij de ramadan, bij de gebeden, tussen die honderden mannen. Het doordringende moment van het amen in zo’n dienst …’

Fatima Mernissi had een mooi boek geschreven over de hadiths: de apocriefe, niet opgeschreven uitspraken van de profeet. Ik ging praten met een groep vrouwen die de moskee bezochten over de invloed van die hadiths op hun leven. Als man. Journalistiek echt een hoogtepunt. Maar die klootzak van een Jaffe Vink zette er als kop boven: ‘Wij hebben gelukkig allemaal goede mannen.’ Het was allemaal heel emotioneel voor mij. Te emotioneel. En ik had me nog niet echt een sterke positie kunnen verwerven. Ik had goede credits, maar men twijfelde of ik echt dit onderwerp moest doen. Op een gegeven moment heb ik het losgelaten. Je loopt gewoon stuk.’

Plotseling, ergens midden in het gebed, beantwoorden de mannen de zang van de imam met aan langgerekt, geneuried amieeen. De toon wordt zo lang aangehouden, dat iedereen er haarzuiver op af kan stemmen. Een amen dat diepe snaren beroert.

Intussen werkte ik in De Balie aan het Leidseplein. Op een dag kreeg ik een telefoontje van het stadhuis. Salman Rushdie kwam op bezoek, of ik dat wilde helpen organiseren. De fatwa gold nog, de beveiliging was immens. In de gepantserde bunker onder de Stopera vroegen we aan Rushdie wat wij in Nederland konden doen om zijn zaak te helpen. Hij keek mij aan, met die lepe ogen, en zei: ‘Jij werkt toch in een debatcentrum? Organiseer het gesprek met de moslims in Nederland.’ En dus gingen we dat doen. Onhandig, op de tast, maar toch.

Adriaan van Dis, Ed van Thijn, Sajida Abdus-Sattar, imam Van Bommel, Haci Karacaer, een jonge Ahmed Aboutaleb, een nog jongere Fatima Elatik (die ook al opdook in Franks reportage over de Al Kabir moskee) – ze zaten er allemaal.
Frank was minder gehoorzaam. Minder gevoelig voor reputaties ook. ‘De Rushdie-affaire zorgde voor een aardschok in de media. Een psychologisch spel met ongelooflijk veel impact. Iedereen koos de kant van Rushdie. Kranten zijn echt gemeenschappen, intern ontloopt niemand de communis opinio. Er zijn leidende meningen, controversiële meningen en meningen die niet getolereerd worden. In dit geval was dat de tussenpositie, en die koos ik. Collega’s die vroegen of ik me al solidair had verklaard stelde ik een wedervraag: ‘Ik heb het boek nog niet gelezen, jij wel?’

Toen ik het eenmaal uit had groeide mijn ambivalentie: het is een prachtig boek, maar het is godslasterlijk. Je moet proberen te beseffen wat zoiets betekent als je dat in die cultuur parachuteert. In die context probeerde ik het te zien. Ik schreef een komisch stuk over een film die ik in Pakistan had gezien: slapstick op een eiland, waar de piraten jacht maakten op Rushdie. De bioscoop puilde uit, de mensen kwamen juichend naar buiten. Het was een feest. Mijn stuk viel helemaal niet goed op de redactie. Er woedde een cultuurstrijd.

De strijd tussen de goede en de slechte wereld. De Muur was gevallen, de Sovjet-Unie bestond niet meer. Zouden er nieuwe connecties ontstaan, of gingen we op zoek naar een nieuwe vijand? De islam, zei men, vormde een tegenbeeld van onze zuivere cultuur. ‘Die mensen hebben de Verlichting niet meegemaakt,’ klonk het, ‘ze hebben geen wetenschap.’ In die mal werden alle argumenten gearrangeerd. En dat is nog steeds zo.’

In die jaren was Anil Ramdas de ster van De Balie. Welsprekender, vindingrijker, invloedrijker dan de rest. Geen moslim, weliswaar, maar wel een gekleurde man. Hadden we onze eigen Salman Rushdie gevonden? ‘Anil was zeker een icoon voor mij,’ zegt Frank. ‘Een watervlugge denker, iemand die ook wel ruimte maakte voor anderen met een moeilijke achternaam. Ik had maar af en toe direct met hem te maken. Hij was kieskeurig in het samenstellen van zijn entourage, gewone journalistjes hoorden daar niet bij. We hadden wel raakvlakken: onze families kwamen uit hetzelfde gebied in India. Hij kon heel aimabel zijn, maar ook heel arrogant en neerbuigend.’

Frank koos zijn eigen weg. Hij vertrok bij Trouw en richtte in 2000 samen met Moustapha Oukbih en Özkan Gölpinar het nieuwe tweewekelijkse magazine Fast Forward op. ‘Zelf een blaadje maken, full-color, met goede fotografen, dat vond ik te gek. Dat was mijn derde weg. De missie was: de tweede generatie migranten is een volstrekt capabele, begeerlijke groep om in je bedrijf te hebben. Wij zouden dat laten zien, bedrijven gingen ervoor betalen. Alles vanuit de wens om te ontsnappen aan de benauwdheid van dat integratiedebat. Wij lieten mensen met high potential zien, die een plek verdienden in de echelons van het bedrijfsleven, waar die hele discussie niet bestond.’

Fast Forward was een hoopvol, overtuigend blad. Ik schreef een column en voelde me vereerd tussen zoveel nieuwe, getalenteerde gezichten te staan. Maar het liep niet goed af. Instortende reclamemarkt, onderlinge frictie, wat het ook was: Frank bleef met de inboedel zitten. ‘Dat kostte me een burn-out van twee jaar. Ik moest achteraf zeven ton subsidie verantwoorden. De allochtone Opzij: we waren er bijna, maar net op het moment van de grote sprong ging het mis. Dat heeft me geknakt.’

Ikzelf was toen al vertrokken bij De Balie, om te gaan reizen en schrijven. Meestal heb ik het er maar niet over dat ik ook geen zin meer had in de weerstand tegen nog meer kleur en diversiteit in de organisatie. Na 11 september en de moorden op Fortuyn en Van Gogh begonnen veel schrijvers en journalisten van mijn generatie het moeilijk te vinden de juiste toon en de juiste argumenten te vinden in een steeds feller, populistisch klimaat. De zelfgekozen dood van Anil Ramdas voelde haast als een symbolisch moment. Een moment om te kiezen: jezelf opnieuw uitvinden in het publieke debat of juist een heel andere richting opzoeken.

Hierover te praten met Frank, op een nazomeravond in 2015, betekent: eerlijkheid, opflakkerende woede, twijfel over het Nederland van nu, maar ook: op de teleurstellingen verworven mildheid, de mildheid van de open blik en de zekerheid dat die niet is aangetast, door niets en niemand.
‘De wereld van de media is killing. De moraal in dat vak is rampzalig. Als journalisten eenmaal bloed ruiken, gaan ze er allemaal op af. Kijk naar alle zogeheten moslim-woordvoerders die in de loop der jaren naar voren zijn getreden. Allemaal zijn ze in hun carrière geknakt. De gevangenis-imams, de
specialisten in de ziekenhuizen. Er dook iets uit hun verleden op, de werkgever werd gebeld, weg waren ze. Ik kan het niet anders zien dan als verholen racisme.’

‘Ik was moeilijk misschien, te solistisch, te eigenwijs. Maar ik heb het beest in de bek gekeken. En ik heb er geen spijt van. Niet dat ik in de media heb gewerkt, niet dat ik eruit ben gestapt. Het roer kan een aantal malen om, in het leven. Nu heb ik de liefde met Lonnie, ik heb Harcigny, de creativiteit daar, de vrienden om me heen. Door het boeddhisme heb ik een positieve kijk op leven én sterven. Je bent niet onveranderlijk, gelukkig, dat heb ik geleerd.’


Binnenkort verschijnt: Wat lukt is wat je wilt. Gesprekken met Frank Siddiqui. Eindred. Bart Top.
Rozenberg Publishers 2016 – ISBN 978 90 5170 770 0

Bookmark and Share

Native American Activism: 1960s To Today

banner_native_american_activismThe month of November is often the only time students learn about Native Americans, and usually in the past tense or as helpless “wards of the state.” To counter this, we offer this collection of recent Native movements and activists who have continued to struggle for sovereignty, dignity, and justice for their communities. The financial and colonial drive that usurps Native peoples ways of life is not just relegated to the past; it continues today. Here are just a few stories of struggle and achievement since the late 1960s.

For Native American Heritage Month (and beyond), view lessons and resources at the Zinn Education Project.

Read more: http://zinnedproject.org/native-american-activism-1960s-to-today/

Bookmark and Share

I Am 20 ~ Films Division, Govt. of India

Young men and women born on Independence Day in 1947 were selected from different parts of India and interviewed to discover their hopes, desires, ambitions and fears. They spoke about love, they spoke about their heroes and they spoke about their frustrations. The result is this unique film shot in 1967.

Bookmark and Share

‘Aan deze zijde van de utopie’ ~ De wijsgerige antropologie van Helmuth Plessner

PlessnerWie een thuis zoekt, een vaderland, geborgenheid, moet zich uitleveren aan het geloof. Maar wie vasthoudt aan de geest, keert niet terug. Telkens weer zijn andere ogen nodig om op een andere manier zichtbaar te maken wat allang gezien, maar niet bewaard kon blijven. ~ Helmuth Plessner

De afgelopen decennia laten een groeiende belangstelling zien voor het werk van de Duitse bioloog, filosoof en socioloog Helmuth Plessner (1892–1985). De organisatoren van het eerste Internationale Plessner Congress, dat in 2000 in Freiburg plaatsvond, durfden zelfs te spreken van een Plessner Renaissance. Misschien is dat enigszins ongelukkig uitgedrukt, omdat eigenlijk alleen van een wedergeboorte gesproken kan worden in Duitsland en Nederland, de twee landen waarin hij werkzaam is geweest. Buiten deze beide landen is het werk van Plessner tijdens diens leven vrijwel onopgemerkt gebleven, zodat daar eerder gesproken moet worden van een late geboorte van een Plessner-receptie. En zelfs in Duitsland en Nederland, waar Plessner een zekere bekendheid verwierf als een van de grondleggers en belangrijkste vertegenwoordigers van de twintigste-eeuwse wijsgerige antropologie en ook als een scherpzinnig interpreet van de ideeënhistorische wortels van het nationaalsocialisme, heeft zijn werk altijd in de schaduw gestaan van zijn tijdgenoot Martin Heidegger (1889-1976).

Voor het aanvankelijk uitblijven van een omvangrijke werkingsgeschiedenis van Plessners gedachtegoed zijn meerdere redenen te noemen. In de eerste plaats is er nog maar weinig vertaald van zijn omvangrijke oeuvre, waarvan een substantieel deel tussen 1980 en 1985 door Suhrkamp is uitgebracht onder de titel Gesammelte Schriften in 10 Bänden.[i] Bovendien zijn, met uitzondering van de Nederlandse, de meeste van deze vertalingen (in het Italiaans, Nederlands, Engels, Spaans, Frans, Pools en Russisch) van recente datum, en dan gaat het voornamelijk om artikelen en andere kleine geschriften.[ii] Zijn omvangrijke filosofische hoofdwerk, Die Stufen des Organischen und der Mensch (1928), is tot op heden onvertaald gebleven (hoewel er al enige tijd een Engelse vertaling in de maak is).

Dat zijn omvangrijke oeuvre tot dusver te weinig aandacht heeft gekregen, komt ook doordat Plessner na de machtsovername door Hitler als Halbjude zijn universitaire lesbevoegdheid in Duitsland verloor en van 1933 tot 1952 – met uitzondering van de jaren tussen 1943 en 1945, waarin hij als onderduiker op verschillende adressen in Utrecht en Amsterdam verbleef – werkzaam was in Groningen, eerst als buitengewoon hoogleraar sociologie en later als hoogleraar filosofie. Deze bijzondere omstandigheden hebben ertoe bijgedragen dat hij aanvankelijk nauwelijks school heeft gemaakt. En voor zover Plessner zelf deel uitmaakte van een filosofische ‘school’ – die van de wijsgerige antropologie[iii] – werd de praktische samenwerking met de twee belangrijkste mederepresentanten, Max Scheler (1874-1928) en Arnold Gehlen (1904-1976), verhinderd door respectievelijk een verstoorde persoonlijke verhouding en een tegengestelde politieke ideologie.
Met dat laatste hangt wellicht de derde reden samen voor de vertraagde receptie van Plessners werk. Zijn bereidheid om zijn eigen denken altijd weer kritisch te blijven bezien, viel op een weinig vruchtbare bodem in een eeuw die bijzonder vatbaar was voor totalitaire verleiding. Waar tijdgenoten als Heidegger en Gehlen de totalitaire ideologie van het nationaalsocialisme omarmden, belichaamt Plessners werk een radicale scepsis ten aanzien van iedere totalitaire ideologie.

Een dergelijke scepsis heeft ook aan het begin van de eenentwintigste eeuw nog niets aan betekenis verloren. In dat licht bezien komt de historische biografie van Carola Dietze als geroepen. Plessners persoonlijkheid, biografie en werk zijn namelijk nauw met elkaar verbonden. Het duidelijkst komt dat tot uitdrukking in zijn politiek gemotiveerde geschriften. Zijn pleidooi voor een open pluralistische samenleving in Grenzen der Gemeinschaft: Eine Kritik des sozialen Radikalismus (1924) vormt een reactie op de overspannen utopische gemeenschapsidealen die in de Weimar-republiek zowel door rechts – de national-völkische beweging – als links – de communisten – werden uitgedragen. En in het in Groningen geschreven en in Zürich gepubliceerde Das Schicksal deutschen Geistes im Ausgang seiner bürgerlichen Epoche (1935, in 1959 in een uitgebreidere editie heruitgegeven onder de titel Die Verspätete Nation: Über die politische Verführbarkeit bürgerlichen Geistes) analyseert hij de religieuze, sociale en filosofische wortels van het nationaalsocialisme, de beweging die hem veroordeelde tot het bestaan van politiek vluchteling. Read more

Bookmark and Share

Love Letters In A Networked Age

brievenbus

O, darling of mine, my God, how you make me happy! O, this letter, this letter from you, that I kiss and kiss…O, that you love me—that you love me too, and said so… O, bliss, o, bliss, that I am something in your life.

–Jeanne Reyneke van Stuwe to Willem Kloos, April 1899

I think I must have been the last person in the developed world still writing love letters. By 19th-century standards (see above), I don’t suppose they were very romantic. J. and I were children of a less gushy, more cynical age. We had already gone way beyond kissing each other’s letters, but felt we were being very daring—stepping over an invisible line of appropriate distance and refusal to hope—on the rare occasions when we wrote “I love you.”

The point is, we wrote letters. Long ones, handwritten, with stamps. We kept track of last pickup times, ran downstairs when we heard the mail slot bang. We were patient: to send a letter and get its transatlantic answer took at least ten days. The phone, at a dollar a minute, was out of the question.

When one of J.’s letters came, I would carry it around with me for days. At quiet moments I would take it out, gaze at my own address written in his long-legged, beautiful hand, unfold the pages, and reread them. Sometimes J. sent me drawings or photos. Once he sent me flowers: he cut out, pasted onto paper, and mailed me the side of a milk carton with tulips on it. The day I lost one of J.’s illustrated postcards in the subway on my way home, I was as distraught as I would be now if my hard disk crashed.

If we had met now, and not 15 years ago, we wouldn’t be writing letters. We would be instant messaging, Skyping, taking out our iPhones to gaze at each other’s houses on Google Earth or Street View. We would e-mail links and photos, add each other’s local weather to our start page, friend each other on Facebook. We would exchange a lot of data.

We probably wouldn’t have missed letter-writing. Attachment to the letter as a physical object—isn’t that really just nostalgia? Writing letters is like listening to your old LPs: you like the way they look, you’re sentimental about their vinyl pop and scratch. But the music is the same.

Sometimes I wonder, though. J. and I are shy people. We felt safer on the page. In the digital world, would we still have gotten to know each other? Would it still have felt like a conversation?

The conversation on paper was, is, the magic of the letter. It’s why we write them, and it’s why we love to read other people’s. Later on, when I worked on a biography, I read folder after folder of my subject’s mail. Often it was like watching a passionate two-character play. The correspondents usually began as strangers and got to know each other over time. They gossiped, argued, made abrupt confessions, helped each other work out ideas, fell out, became friends.

A good letter-writer is a performer, playing a role for an audience of one. But performance can, paradoxically, lead to honesty, and distance enable greater frankness than a face-to-face talk. Belle van Zuylen, one of the all-time great literary flirts, wrote to Constant d’Hermenches in 1764, “I can’t speak to you the same way I can write to you. When I speak to you I see a man before me, a man with whom I have conversed no more than ten times in my life. It’s only natural that I should be thrown into confusion and not dare say certain words…”

We all know that feeling. Teenagers often have it; it’s one reason they would rather text each other than call. Could Belle van Zuylen still have flirted if she’d had a webcam? Would J. and I, through the static of Skype, still have told each other the truth about ourselves?

I miss the frankness of letters. But what I miss even more is the patience. Any letter, to anyone—I wrote a lot to friends in those days, too—took time. It had to be composed. You felt like you had to fill the paper down to the end; if you got to the bottom and weren’t quite done, you might continue along one side or add a note in the top margin. To achieve that feeling of a conversation, you had to think about what you wanted to say.

In his Atlantic article “Is Google Making Us Stupid?” technology journalist Nicholas Carr writes that since he started using the Internet, he has become so used to skipping from link to link that he has lost the knack of reading. “I get fidgety, lose the thread, begin looking for something else to do. I feel as if I’m always dragging my wayward brain back to the text.”

In the same way, I’ve lost the knack of letter-writing. I find myself skipping, not just from link to link, but from friend to friend. Many of my friendsare links, on a social networking site. I keep in touch with more people than ever, but superficially. Even e-mail often feels too time-consuming or too intimate. To write a long message is almost bad manners. It’s a breach of the most important rule of modern etiquette: don’t take up other people’s time.

Many people I know, including me, now communicate by posting notes for their entire social circle to read. The other day, I mentioned in an e-mail to a friend 3,000 miles away that a mutual acquaintance had had dinner at my house. He wrote back, “I know. I read it on her blog.”

Without the focus that the individual letter demands, we spread ourselves widely but thinly among our friends. If I miss the letter, it’s partly because I’m worried that, in the words of New York playwright Richard Foreman, we’re turning into “pancake people.”

I haven’t written a love letter in years. To say something to J. now, all I need to do is cross the room. But I don’t think I say as much to him now as I said then. We used to spend hours alone with each other – an ocean, two mail carriers, and 80 cents in stamps apart, joined by a piece of paper.

It was paper that gave us the courage to be something in each other’s lives.

Trouw, January 3, 2009. The two excerpts from love letters are from Nelleke Noordervliet, “Ik kan het niet langer verbergen: over liefdesbrieven” (Amsterdam: Meulenhoff, 1993). The translations are mine.

About the author:
Julie Phillips is a biographer, book critic, and essayist who moved from New York to Amsterdam to live with “J.” They recently celebrated their twentieth anniversary.
See: http://julie-phillips.com/wp/

James Tiptree, Jr.: The Double Life of Alice B. Sheldon:
http://www.amazon.com/James-Tiptree-Jr

Nicholas Carr: http://www.nicholascarr.com/

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter


  • Ads by Google
  • Archives