Mijn generatie, tien jaar later ~ Jeugdjaren van generaties

esterVerloren is hij, want te laat
geboren voor de mei en de muziek
voor punk was hij te jong
voor house te oud, te ziek
Serge van Duijnhoven

2.1 Inleiding
In het vorige hoofdstuk gaven we aan dat we in dit boek een generatie definiëren als een groep personen die in hun jeugdjaren onder dezelfde politieke, economische en sociaal-culturele omstandigheden zijn opgegroeid en hierdoor zeer waarschijnlijk vergelijkbare lotgevallen beleven.

We zagen dat de grondlegger van de generatiesociologie, Karl Mannheim, in zo’n geval spreekt van een generatielocatie. Eén van onze respondenten: “Ik behoor tot de oudste generatie, ben in de Eerste Wereldoorlog geboren, heb de crisisjaren meegemaakt en toen de Tweede Wereldoorlog, daarna de wederopbouw… Alleen de jaren zestig en begin zeventig waren voor mij florissant” (1996: man, 80 jaar, ex-bouwkundig medewerker). Generaties worden pas daadwerkelijke generaties als de leden zich bewust zijn hun jeugdervaringen met leeftijdsgenoten te delen. Mannheim spreekt in dit verband van een generatiesamenhang. Sommige respondenten voelen dat goed aan: “Ik denk dat iedere generatie zijn eigen kansen heeft, gebonden aan de tijd waarin men leeft. Bepaalde zaken zijn niet te vergelijken, omdat men in een totaal andere tijd leeft, met andere problemen, normen en waarden, maar ook met andere ontwikkelingsmogelijkheden en kansen” (1996: vrouw, 43 jaar, hoofd voorziening voor verstandelijk gehandicapten). “Ik ben voor de oorlog geboren en heb daardoor een heel andere mentaliteit dan de huidige jongeren” (1996: vrouw, 67 jaar, ex-secretaresse).

In dit hoofdstuk kijken we naar de generatielocatie van de oorlogs-, babyboom, oudste en jongste keuzegeneratie. Paragraaf 2.2 presenteert de grenzen van de generatielocaties van deze generaties. We zullen die tamelijk flexibel hanteren. In de volgende paragrafen (paragraaf 2.3 tot en met 2.6) wordt een beschrijving gegeven van de belangrijkste maatschappelijke gebeurtenissen die zich in de jeugdjaren van elk van de generaties hebben afgespeeld. We reconstrueren deze gebeurtenissen aan de hand van een drieluik: politieke ontwikkelingen, sociaal-economische ontwikkelingen en sociaal-culturele ontwikkelingen. Op deze manier proberen we de maatschappelijke context van de formatieve periode van de drie generaties systematisch in beeld te brengen. Deze reconstructie moet ons helpen om de wijze waarop onze respondenten refereren aan hun jeugdjaren en de doorwerking daarvan op hun verdere levensloop, te kunnen duiden.

Sinds ons eerste generatieonderzoek in 1996 is er veel veranderd in Nederland, zowel in politiek, economisch als in sociaal-cultureel opzicht. De ontwikkelingen die we toen voor de jongste keuzegeneratie schetsten zetten zich in de jaren erna versterkt en in veelal gunstige zin voort. Totdat in 2001 het tij op allerlei fronten keert: de wereld is na “nine-eleven” dezelfde niet meer. Zal deze ommekeer alle generaties in gelijke mate raken, of juist voor de jongere cohorten extra betekenis krijgen? Of zijn de veranderingen wellicht zodanig dat de basis voor de vorming van een nieuwe generatie gelegd wordt? Omdat het nieuwe millennium op een veelheid van domeinen stevige veranderingen met zich meebrengt, waarvan de effecten zeker nog niet helemaal te voorspellen zijn, besteden we daar in paragraaf 2.7 apart aandacht aan. Read more

Bookmark and Share

Mijn generatie, tien jaar later ~ Onderzoek naar generaties

esterEs ist überhaupt ein Fehlbegriff, den die meisten Forscher begehen,
zu meinen, ein wirkliches Generationsproblem gebe es nur dann,
wenn man eine Generationsrhythmik mit ein für allemal
fixierbaren zeitlichen Intervallen aufzuweisen imstande ist
Karl Mannheim

3.1 Inleiding
Onderzoek doen naar generaties is minder eenvoudig dan het lijkt. Vooral als onderzoekers willen vaststellen of het ritme van sociale en culturele veranderingen samenvalt met het wisselen der generaties, wacht een behoorlijke taak. Simpel samengevat is het grootste onderzoeksprobleem dat nieuwe generaties elke dag geboren kunnen zijn en worden. Wie vormen er een generatie, waar begint deze en waar houdt het op? Horen de kinderen die nu geboren worden ook bij de huidige generatie jongeren of zullen zij zich in de toekomst als een volledig andere generatie aftekenen? Dergelijke vragen maken duidelijk dat het zeker niet bij voorbaat vaststaat welke geboortejaargangen onder één generatie te scharen zijn, wat voor deze generatie het onderscheidend kenmerk is ten opzichte van voorgaande en volgende generaties en hoe bestendig of veranderbaar dit kenmerk is door de tijd. Laat staan dat onmiddellijk duidelijk is dat sommige generaties ook simultaan de initiators en dragers zijn voor nieuwe sociale en culturele trends. De kunst van het onderzoek doen naar generaties bestaat uit het identificeren van geboortecohorten die ook werkelijk als generaties te benoemen zijn. De generatieonderzoeker speurt naar generaties die zich met het voortschrijden van de tijd systematisch en blijvend onderscheiden, bijvoorbeeld in hun levenskansen of waarden oriëntaties, los van de veroudering van de leden van zo’n generatie of van al dan niet ingrijpende maatschappelijke gebeurtenissen die zich in de loop der tijd zullen voordoen en op alle generaties invloed hebben. Dit wordt ook wel het uiteenrafelen van respectievelijk cohort-, leeftijd- en periode-effecten genoemd. Dit uiteenrafelen is niet eenvoudig en stelt de onderzoeker voor een zogeheten identificatieprobleem. In dit hoofdstuk gaan we kort in op dit probleem en maken we duidelijk hoe wij hiermee zijn omgegaan. We zullen daarbij ook aandacht besteden aan de ervaring lid te zijn van een generatie, ook wel het generatiebesef genoemd.

In paragraaf 3.2 wordt het methodologische kernprobleem bij het generatieonderzoek nader toegelicht: de ontrafeling van leeftijd, periode en cohort. In paragraaf 3.3 beschrijven we de thema’s die in onze studie centraal staan. Daarna presenteren we de details van onze onderzoeksgroep die we op verschillende tijdstippen ondervraagd hebben: 1996, 1999, 2006 en 2007. Vervolgens komt in paragraaf 3.4 de betekenis van het inzoomen op het generatiebesef aan de orde. Daar laten we ook zien hoe het gesteld is met het generatiebesef in Nederland. Zoals Mannheim al aangaf wordt generatievorming pas realiteit generatiesamenhang) wanneer zich bij generatieleden een duidelijk generatiebesef vormt. Rekenen Nederlanders zichzelf tien jaar na onze eerste meting in 1996 nog steeds tot een generatie? Kunnen we dezelfde conclusies trekken als in 1996 toen een grote meerderheid zich tot een generatie rekende? Is het misschien afgezwakt of is het juist sterker geworden, bijvoorbeeld als gevolg van sociaal-economische en/of politieke turbulenties? In paragraaf 3.5, tot slot, gaan we specifieker in op de manier waarop Nederlanders hun generatie typeren. Welke trefwoorden gebruiken ze daarbij? Verwijzen ze in die trefwoorden naar maatschappelijke gebeurtenissen uit hun jeugdjaren zoals Mannheim dat voorspelt? Welke gebeurtenissen zijn dat dan? Dezelfde als we in Hoofdstuk 2 bespraken? Komen de bevindingen overeen met die uit 1996 en kunnen we dus spreken van een bestendig generatie-effect? Read more

Bookmark and Share

Mijn generatie, tien jaar later ~ Onderwijs

esterWe don’t need no education
We don’t need no thought control
No dark sarcasm in the classroom
Teachers leave those kids alone
Pink Floyd

4.1 Inleiding
De afgelopen jaren heeft het onderwijs in het middelpunt van de media-aandacht gestaan. Vooral de debatten tussen voor- en tegenstanders van het zogenaamde ‘nieuwe leren’ liepen hoog op.[i] Op Internet valt volop over deze discussie te lezen.[ii] Begin 2008 worden de hevige debatten nog eens gevoed door het rapport Tijd voor Onderwijs van de Commissie Dijsselbloem (TK, 2008). De media berichten uitvoerig over dit rapport waarin de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia worden onderzocht en kondigen zonder aarzelen het einde van de grote onder­wijshervormingen aan. Al deze aandacht is begrijpelijk gelet op het be­lang van het onderwijsdomein. De gemiddelde leeftijd waarop jongeren hun fulltime opleiding beëindigen neemt sinds de jaren zestig gestaag toe (CBS, 2007a).[iii] Het onderwijs is het domein bij uitstek waarin jonge­ren veel tijd met andere jongeren doorbrengen en de mogelijkheid heb­ben hun eigen subculturele voorkeuren en leefstijlen te ontwikkelen. De verlenging van de schoolloopbaan valt samen met een verlenging van de jeugdfase. ‘Jong’ verwijst niet meer alleen naar een leeftijdsgroep of naar een overgangsstadium tussen kindertijd en volwassenheid, maar verwijst vooral naar een levensfase waarin het normaal is te experimenteren met een eigen identiteit, eigen opvattingen en stijlvoorkeuren. Vanaf het begin van de twintigste eeuw, maar zeker sinds de jaren vijftig ervaren steeds grotere groepen jongeren een dergelijke jeugdige periode in hun leven. Jong zijn is een status op zichzelf geworden die onder andere door het steeds langere onderwijs is gecreëerd. Ironisch bijna, want dat onderwijs roept bij elke generatie opnieuw dat ‘de nieuwe jongeren zo moeilijk en niet meer grijpbaar zijn’. Al in 1968 introduceerde Kenneth Keniston het begrip ‘postadolescenten’: personen die in psychisch en fysiek opzicht vol­wassen en vaak ook niet meer van hun ouders afhankelijk zijn, maar die hun toekomst zo lang mogelijk open willen houden zonder volwassen rol­len op zich te nemen (bijvoorbeeld die van werknemer, partner of ouder). Postadolescenten zouden voor het eerst herkend zijn in de babyboomge­neratie en in veelvoud onder de keuzegeneratie voorkomen.

Verlenging van jeugd- en schoolfase hebben het onderwijsdomein tot een zeer centraal domein in juist de formatieve periode van generaties ge­maakt. Niet in de laatste plaats omdat gevolgde opleidingen in toenemen­de mate kansen zijn gaan bepalen, niet alleen op het gebied van arbeid en inkomen, maar ook in relatie tot de vrijetijdsbesteding, de vriendenkring en keuze van een partner. Opleiding is in plaats van erfelijke positie de basis voor de vorming van nieuwe statusgroepen (Ganzeboom, 1996).

Hoe is het de generaties na 1996 vergaan in het onderwijsdomein? Allereerst zal dat voor een belangrijk deel beïnvloed zijn door mogelijkheden die door het onderwijsbeleid geboden worden. Zeker op de nog jongste keuzegeneratie zijn overheidsmaatregelen van de afgelopen tien jaar waarschijnlijk van direct effect geweest. We gaan dan ook eerst in paragraaf 4.2 in op beleidsontwikkelingen. Kort vatten we samen wat we tot 1996 als ingrijpendste onderwijsveranderingen voor de verschillende generaties waarnamen, daarna gaat alle aandacht uit naar beleidsveranderingen sinds 1996. Vervolgens kijken we naar bestaande trendgegevens. In paragraaf 4.3 bezien we feitelijke verschuivingen in opleidingsniveaus, terwijl in paragraaf 4.4 en 4.5 respectievelijk ontwikkelingen in onderwijskansen en segregatie centraal staan. Daarna staat in paragraaf 4.6 de beleving van onze generaties zelf weer centraal: hoe is de situatie voor de huidige generatie? Welke kansen dichten generaties zichzelf en elkaar toe in het onderwijsdomein? Zijn hun opvattingen vergelijkbaar met hun beleving in 1996? Paragraaf 4.7 bevat de belangrijkste conclusies. Read more

Bookmark and Share

Mijn generatie, tien jaar later ~ Arbeid

esterGeneration Y: They’re young, smart, brash
They may wear flip-flops to the office or listen to iPods at their desk
They want to work, but they don’t want work to be their life
USA Today

5.1 Inleiding
Tien jaar geleden leverde ons onderzoek naar de toenmalige verschillen in levenskansen tussen generaties een aantal opmerkelijke conclusies op. Onze gegevens lieten zien dat het domein van de arbeid “geregeerd” werd door de babyboomgeneratie en de verloren generatie (het oudste cohort van de huidige keuzegeneratie).[i] Zij deelden naar eigen zeggen de lakens uit, zij hadden de interessante banen, zij overheersten de discussie, zij bepaalden de agenda. Deze conclusie had iets cynisch. Immers, zowél de generatie die – althans zo luidde de mare – gevestigde belangen uit­daagde, áls de generatie die geacht werd het slachtoffer te zijn van de mas­sale (jeugd)werkeloosheid in de jaren tachtig, domineerden broederlijk en eensgezind het domein van de arbeid in ons land. Juist de verloren generatie bleek het vaakst een betaalde baan en gemiddeld het hoogste beroepsniveau te hebben.[ii] De verloren generatie heeft het uiteindelijk bepaald niet slecht gedaan in de intergenerationele estafetteloop op de arbeidmarkt. Ze kwamen een beetje traag uit de startblokken maar kon­den vervolgens heel aardig meekomen. En de uiteindelijke tijden die ze klokten, waren zeker niet slecht. Generaties kunnen kennelijk, al is het maar voor een deel, sleutelen aan een gemankeerde startpositie.

De vraag is nu hoe het onze drie generaties verder vergaan is in het arbeidsdomein. Blijken de geconstateerde generatieverschillen van tien jaar geleden van structurele aard? Is de babyboomgeneratie meer opgeschoven richting oorlogsgeneratie of blijft onderscheid zichtbaar? Er heeft zich bovendien een nieuwe generatie aangediend: het jongste cohort onder de keuzegeneratie dat ook wel Generation Y genoemd wordt en er geheel eigen opvattingen rond arbeid, zorg en levenslooporiëntatie op na zou houden. Een aanstormende nieuwe generatie voor wie arbeid belangrijk maar niet allesoverheersend is, voor wie werk vooral boeiend en uitdagend moet zijn, die een scherp oog heeft voor de leuke dingen buiten het werk, optimistisch in het leven staat, uiteenlopende taken en activiteiten behendig combineert, al vroeg bekwaam is in netwerken en het eigen CV nauwlettend in de gaten houdt.[iii] Het spiegelbeeld van deze opkomende jongste generatie is uiteraard het gestaag verlaten van de arbeidsmarkt van de babyboomgeneratie, waarvan de oudste leden in 2010 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Deze numeriek omvangrijke generatie neemt in het komende decennium massaal afscheid van het arbeidsdomein. Velen van hen verlieten de arbeidsestafette overigens al veel eerder, vaak gefaciliteerd door aantrekkelijke exit-regelingen. Dit biedt ruimte voor jongere generaties maar laat ook een forse rekening (AOW, pensioen, zorgkosten) achter. Zet dit de solidariteit tussen oude en nieuwe generaties onder druk, of realiseert de jongste generatie dat ook zij later in hun levensloop met hetzelfde probleem geconfronteerd zal worden en een beroep moet doen op de solidariteit van de dan jongste generatie? Hoe het ook zij, de intergenerationele wisseling van de macht op de arbeidsmarkt stelt het probleem van de solidariteit tussen de generaties (De Beer, 2005; WRR, 1999). Generatievervanging scherpt het vraagstuk van de intergenerationele boekhouding: wat is de balans tussen maatschappelijke kosten en baten en “who pays the ferryman”?

En minstens zo belangrijk: in het afgelopen decennium heeft zich een aantal markante veranderingen voltrokken in het domein van de arbeid zelf. Deze onder andere macro-economische veranderingen hebben ongetwijfeld invloed gehad op de ontwikkelingsgang van generaties en zeker ook op de formatieve periode van de jongste cohorten onder de keuzegeneratie (Bekker et al., 2006). Het economische tij sloeg om, althans recent, en de werkloosheid kalfde af. Op dit moment is er zelfs sprake van snel toenemende krapte op de arbeidsmarkt en de oudere generatie werknemers wordt vriendelijk maar dringend verzocht langer door te werken. Het vroegtijdig verzilveren van het “Zwitserlevengevoel” wordt hen in toenemende mate (fiscaal) onaantrekkelijk gemaakt. De babyboomgeneratie, mentaal klaar om het estafettestokje over te geven aan de jongere generaties, krijgt te horen dat het nog een paar rondes extra moet lopen. Velen van hen nemen dat niet in dank af. Read more

Bookmark and Share

Mijn generatie, tien jaar later ~ Cultuur

esterDe hele vrijheid, openheid en ‘alles is lekker bespreekbaar’
instelling staan mij ontzettend tegen…
Het is een reactie op mijn opvoeding
18-jarige columnist jongerenrubriek Spunk
NRC Handelsblad

6.1 Inleiding
Het is dagelijks nieuws: de tanende seksuele moraal, het steeds vroeger startende alcohol- en drugsmisbruik, het gebrek aan respect en fatsoen (in de echte wereld of op Internet), de accumulatie van versgelabelde geestesziekten, het ongebreidelde consumentisme, de verslaving aan het geestdodende ‘gamen’, het dagenlange feesten afgewisseld met eindeloos rondhangen, de zucht naar faam en het snelle geld liefst zonder spelling- of rekentoets te hoeven halen, de maniakale fixatie op lichaamscorrecties ook op doorgaans bedekte plaatsen. Dat alles, mocht daar nog misver­stand over zijn, is tekenend voor de jonge generaties van tegenwoordig. Veelal is het voldoende om dit af te doen met de platitude dat deze zorgen van alle tijden zijn. Niet iets om teveel woorden aan te wijden. Socrates wist immers al dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ bandeloos is, wordt dan meestal toegevoegd. Toch mag het opmerkelijk heten dat deze klachten zo taai zijn. Het geweeklaag over jonge generaties is hardnek­kig. In de jaren tachtig en negentig waren het de jongeren uit de apathi­sche, egocentrische en hedonistische ‘Verloren Generatie’ of Generatie X die rolmodel stonden voor de vrije val van de moraal. In Mijn Generatie (Diepstraten et al., 1998: 126) halen we uit de Volkskrant van 11 septem­ber 1997 de berichtgeving over het laatste trendonderzoek aan: “Jongeren zijn… meer egoïstisch geworden. Hun leven draait om lol maken, van niemand afhankelijk zijn en geld verdienen. Niet als hebberige yuppen, maar als calculerende hedonisten met een opmerkelijke hang naar een gelukkig gezinsleven…”.[i] Nu we toch minstens enkele letters in het gene­ratiealfabet verder zijn, worden er steeds opnieuw jongere cohorten ont­dekt die de vorige in a- en immoraliteit schijnen te overtreffen. Wellicht heeft dit toch een grond in een door de tijd constante behoefte om waar­schuwingen af te geven over waar het maatschappelijk heen zou gaan als de jongste ‘verworden’ generatie volwassen wordt. Zo bezien bevatten de klachten bijna altijd impliciet een mix van generatie- en levensfaseper­spectieven. Immers, er speelt een generatieperspectief mee in het idee dat de toekomst er weinig rooskleurig uitziet als deze generatie jongeren zo blijven zoals ze nu zijn. Tegelijk lijkt er een roep om een herstel van een morele balans uit te spreken, dat ingrijpen op hoe jongeren zich nu voordoen mogelijk is en dat zij zich met het ouder worden dus van hun huidige dwalingen herstellen.

Het is overigens niet allemaal kommer en kwel. Sterker, er lijkt aan de andere kant van het spectrum – de kant van glorificering in plaats van de verkettering – ook een aantal opmerkelijke wapenfeiten van de jongere generatie te melden. Ze vormen mede door hun kennis en vaardigheden op het IT-gebied een wel heel bijzonder intelligente generatie die hiermee de naam generatie Einstein heeft verdiend. Het gelijknamige boek van de marketeers Boschma en Groen (2006) lijkt erg op die het Amerikaanse duo Howe en Strauss (2000, vergelijk Howe & Strauss 1991, 1993, 1997), ook actief in marketingkringen. Ook zij menen dat jongeren fundamenteel anders zijn dan hun voorgangers in hun optimisme en praktische daadkracht. Dat is nog eens wat anders dan de downbeat, somberende en doelloos rondzwervende GenX’ers (ook wel de 13th Gen: Howe & Strauss, 1993). Boschma en Groen, de Hollandse Howe en Strauss, baseren hun vergaande conclusies op interviews en observaties, niet op een cijfermatige vergelijking met oudere generaties. Voorzichtigheid is dan ook geboden. Het meer gedegen onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (De Haan & Van ’t Hof, 2006) toont overigens aan dat ook onder jongeren het ICT-gebruik en de ICT-vaardigheden nog steeds sterk ongelijk verdeeld zijn.

Diegenen die vaak haastig aan komen dragen met hun agenda vol urgente zorgen of vol goed nieuws over jonge generaties en diegenen die deze agenda’s met graagte overnemen worden zelden gehinderd door een kritische blik op de aangeleverde bewijsstukken. De roep om actie, van de politiek en natuurlijk het onderwijs, is vele malen luider dan het verlangen naar gedegen onderbouwing. Elke organisatie kan tegenwoordig via Internet op goedkope en eenvoudige wijze een ‘onderzoek’, ‘burgerpanel’ of webpoll’ laten uitvoeren. Het blijft voor iedereen, experts incluis, gissen naar de betrouwbaarheid en geldigheid van alles wat er beweerd wordt.

In dit hoofdstuk staan culturele voorkeuren en waarden centraal. De volgende paragraaf zetten we summier enkele trends op een rij rondom culturele voorkeuren. In paragraaf 6.3 gaan we na wat generaties zelf voor cesuren leggen tussen generaties op het gebied van muziek, boeken en films. Hierna vervolgen we in paragraaf 6.4 met trends in waarden rondom opvoeding, gezin en seksualiteit en in paragraaf 6.5 rapporteren we de posities die onze generaties in deze waarden innemen. We laten generaties op al deze terreinen zelf een duiding geven over hun onderscheid in voorkeuren, waarden en normen. Nemen zij zichzelf en de oudere of jongere generaties inderdaad zo anders waar en is dat nu meer dan tien jaar terug? Waar zien zij de verschillen in de kansen om hun leven naar die voorkeuren, waarden en normen in te richten? We sluiten in paragraaf 6.6 af met de belangrijkste conclusies. Read more

Bookmark and Share

Mijn generatie, tien jaar later ~ Politiek

esterVan alles op de hoogte, door niets bewogen
Rob Wijnberg

7.1 Inleiding
Sinds ons eerste generatieonderzoek in 1996 is op bijna geen ander terrein zoveel, misschien zelfs onhollands veel, turbulentie geweest als op het ter­rein van de politiek in Nederland. Forse polarisatie met name op het thema immigratie en integratie, twee echte politieke moorden, ware aardverschui­vingen in verkiezingsuitslagen, maandenlange soap-achtige voorstellingen in ‘Den Haag’, diep wantrouwen jegens leiders die nauwelijks een jaar later op een voetstuk geplaatst worden. Omgekeerd, lijsttrekkers die niet stuk lij­ken te kunnen en toch de verkiezingen glansrijk verliezen, daarnaast politici die onder constante politiebeveiliging gesteld zijn, grote verdeeldheid in ge­vestigde partijen met kopstukken die live op televisie elkaar en via videocasts zichzelf uit de gratie helpen en diepe versplintering aan de extreme kanten van het politieke bedrijf. Voor de liefhebber waren de jaren 1996-2007 mooie maar verwarrende tijden, misschien wel de meest sensationele jaren van de naoorlogse periode.

In hoofdstuk 3 is al een schets gegeven van de voor velen, onderzoekers incluis, verrassende ontwikkelingen in politiek Nederland in deze periode. Zoals we daar, in navolging van Pels (2003a), opmerkten, lijkt de politiek “met de Fortuyn-revolutie in een hogere versnelling te zijn geraakt”. We wil­len hier schetsen of en hoe generaties hun invloed in de politiek ervaren, of ze verschillen in politieke opvattingen tussen generaties in Nederland zien, wat hun politieke interesse eigenlijk is en of ze andere politieke prioriteiten stellen. Uiteraard kijken we, waar mogelijk, of er veranderingen tussen 1996 en het heden zijn opgetreden. Zoals al eerder aangegeven, hebben we om dit type vergelijkingen in bredere zin te kunnen maken, in het voorjaar van 2007 een extra dataverzameling onder de CentERdata-panelleden gedaan. In paragraaf 7.2 schetsen we eerst enkele trends rondom politieke invloed. Met name de veelgehoorde neergang in lidmaatschappen van maatschappelijke en politieke organisaties komt in dat kader aan de orde. Ook laat deze para­graaf zien hoe generaties zelf hun politieke invloed ervaren. Paragraaf 7.3 houdt het zelfde format aan voor het onderwerp politieke interesse, zoals paragraaf 7.4 dat doet voor politieke prioriteiten. Bij dat laatste zoomen we vooral in op het links-rechtscontinuüm en het populaire onderscheid in ma­terialisme versus postmaterialisme. We sluiten in paragraaf 7.5 af met de belangrijkste conclusies.

7.2 Politieke invloed
Politieke invloed gaat hand in hand met politiek en maatschappelijk ac­tivisme. De mare gaat dat jongere generaties sinds jaar en dag niet meer actief (willen) zijn in de traditionele politieke en maatschappelijke organi­saties. Met het afkalven van lidmaatschappen en andere klassieke vormen van maatschappelijke betrokkenheid, neemt de kans toe dat de belangen van de niet-deelnemers, jongere generaties derhalve, nauwelijks nog gere­presenteerd zijn en dat via dit mechanisme ook de invloed op de politieke agenda afneemt. De kans bestaat dat het politieke bedrijf, maar ook bijvoor­beeld vakbonden en andere belangenverenigingen (consumenten-, milieu-, mensenrechtenorganisaties, en dergelijke), vooral de prioriteiten, interesses en stellingnames van oudere generaties vertegenwoordigen en agenderen. Met andere woorden, een dalende betrokkenheid van jonge generaties bij de klassieke en formele organisaties in het maatschappelijk middenveld is geen onschuldig verschijnsel. De vraag is hoe het nu feitelijk gesteld is. We kijken eerst eens naar wat cijfers. Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter


  • Ads by Google
  • Archives