Nawoord

Deze bundel laat zien dat het uitgangspunt in de inleiding – de focus op ‘multiculturaliteit’ als een gegeven in plaats van ‘multiculturalisme’ als een ideologie – inderdaad werkt. Terecht stellen de inleiders dat de multiculturele staat van Nederland iets is waar we van uit moeten gaan.

De recente protesten tegen multiculturalisme als een ideologie die het beleid in Nederland beheerst zou hebben kunnen makkelijk omslaan in een ontkenning van dat gegeven van multiculturaliteit. In lijn met de Inleiding kan gesteld worden dat die multiculturaliteit hoort bij de condition humaine – niet alleen nu, maar zover je in de geschiedenis terug kunt gaan. Het is juist het idee van één homogene cultuur dat als ideologie moet worden gezien. Dat idee mag sterk gestimuleerd zijn door het tijdperk van nationalisme, maar het kwam en komt vrijwel nooit overeen met de praktijk van het alledaagse leven. Antropologen zijn er moeizaam achter gekomen dat cultuur altijd een voortgaande vermenging van allerlei elementen is. Wel is het zo dat de opname van vreemde elementen
n sommige perioden sterker als probleem gezien wordt. Nederland maakt nu duidelijk zo’n periode door. Maar het is een illusie terug te verlangen naar een situatie van zuiverheid – ‘van vreemde smetten vrij’ zoals het heette in “Wien Neêrlands Bloed door de Ad’ren Vloeit”, (tot in de jaren dertig ons officiële volkslied) – want die situatie heeft nooit bestaan, zeker niet in Nederland.

De pragmatische verkenningen in de verschillende teksten hoe met dat gegeven van multiculturaliteit omgegaan kan worden dragen het stempel van recente antropologische discussies. Lang niet alle schrijvers zijn antropologen, maar ze lijken toch beïnvloed – sommigen misschien onbewust – door de antropologische problematisering van de notie ‘cultuur’, vanouds een centraal begrip in deze discipline. De toenemende twijfel over dat begrip onder antropologen zijn duidelijk ingegeven door wat wel de paradox van recente globaliseringsprocessen genoemd wordt: de toenemende mobiliteit van mensen, ideeën en beelden (denk aan de TV en internet) leidt niet éénzijdig tot culturele homogenisering maar eerder tot een toenemende preoccupatie met culturele verschillen. In menig opzicht heeft het begrip ‘cultuur’ zijn onschuld verloren, en dat heeft vooral na 1980 tot een herbezinning geleid binnen de antropologie op die centrale notie. Jammer genoeg blijkt het oudere ‘essentialistisch’ cultuurbegrip dat vroeger gepropageerd werd door onze discipline juist nu bredere populariteit te verwerven – ook in discussies over het Nederlandse migratiebeleid – zodat antropologen nu geconfronteerd worden met een woekering van hun oude begrippen, waarvan ze zelf moeizaam afstand genomen hebben.[i]

Deze bundel kan daarom ook gelezen worden als een poging om meer recente visies op cultuur – als constant in verandering, en gekenmerkt door voortdurende vermenging van allerlei elementen – onder de aandacht van een breder publiek te brengen. Dat lijkt hard nodig want de onhoudbare opvatting van cultuur als een vast gegeven, bepaald door een authentieke kern, blijkt in het Nederlandse migratiedebat tamelijk noodlottige gevolgen te hebben. Om maar een voorbeeld te noemen hoe anderen nu met antropologische begrippen op de loop gaan: in een bijdrage op de opiniepagina van NRC/Handelsblad (27-9-2003) refereert de filosoof Herman Philipse – nu hoogleraar in Utrecht, maar destijds nog in Leiden, en één van de leidsmannen van Hirsi Ayan – aan ‘tribaal-islamitische culturen’ die kennelijk heel het Midden Oosten en ‘islamitisch Afrika’ beheersen. Die culturen zouden bepaald zijn door overwegingen van eer en schaamte die – natuurlijk in absoluut contrast tot ‘de westerse cultuur’ – gebruik van geweld vereisen en vaste praktijken van ‘liegen en bedriegen’ ter bescherming van de eigen groep. ‘Tribaal’ was inderdaad een geliefde term van oudere antropologen, net als het idee dat Mediterrane culturen beheerst worden door ‘eer en schaamte’ (maar dit werd dan wel geacht net zo goed te gelden voor Spanje, Italië en Griekenland als voor de islamitische landen in het zuiden van dat gebied).
Door schade en schande wijs geworden zijn antropologen tegenwoordig veel voorzichtiger met zulke begrippen. Zogenaamde ‘tribale’ samenlevingen ontwikkelden zich vrijwel overal – zeker in de Arabische gebieden – in wisselwerking met staten; overal waren boven-verwantschappelijke instituten om conflicten te beslechten; en familie-eer is zeker niet alleen in het Mediterrane gebied een belangrijke overweging. Maar vooral zijn wij tot de conclusie gekomen dat een tijdloos beeld van een ‘cultuur’ als vast gegeven tot grote misverstanden leidt en het zicht blokkeert op de eindeloos variabele en creatieve manieren waarop mensen met bepaalde culturele elementen omgaan.
Read more

Bookmark and Share

Zo zijn onze manieren ~ Over de auteurs

Daan Beekers (26) heeft zijn Bachelor opleiding Culturele Antropologie aan de Universiteit van Amsterdam afgerond en is nu Master student Sociale Antropologie aan de Universiteit van Oxford. Daar doet hij onderzoek naar de sociale positie van jongeren in Nigeria. Daan heeft in Nijmegen, Rotterdam en Amsterdam gewoond en bijbaantjes gehad als interviewer, winkelbediende en vuilnisman. Tussen zijn studies door heeft hij reizen gemaakt naar Senegal, Guinée, Marokko, Turkije en Oost-Europa.

Yolanda van Ede is antropologe en als docente en onderzoekster verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Haar wetenschappelijke publicaties richten zich op uiteenlopende thema’s, van religie en ritueel, performance, familie en verwantschap, tot de zintuigen en methodologie van antropologisch onderzoek. Momenteel is ze ook haar proefschrift over een Tibetaans boeddhistisch nonnenklooster in Nepal aan het bewerken tot een roman.

Maria van Enckevort ontving haar doctoraal in Middeleeuwse Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en haar PhD in Geschiedenis aan de University of the West Indies in Jamaica. De keuze voor Jamaica was bewust om een beter inzicht te krijgen in de geschiedenis van het Caribische Gebied waar van Enckevort woont en werkt sinds 1982. Momenteel werkzaam als Dean of Academic Affairs aan de University of St. Martin (St. Maarten, Nederlandse Antillen) is van Enckevort gespecialiseerd in de volgende gebieden: multiculturalisme, Pan-Afrikanisme & Creolization, Dekolonisatie & Anti-Imperialistische Revolutionairen. Geboren en getogen in Noord-Limburg is van Enckevort nog steeds zoekende naar een erfenis die niet is vastgelegd in een testament (geleend van René Char).

Peter Geschiere (1941) is hoogleraar Antropologie van Afrika aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doceerde antropologie en geschiedenis aan de Vrije Universiteit, de Erasmus Universiteit en de Universiteit Leiden. Daarnaast was hij visiting Professor aan de Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales (Parijs / Marseille), de Universiteit van Yaounde (Kameroen), de Universiteit van Kisangani (Congo / Zaïre), de University of Witwatersrand (Johannesburg), Columbia University (New York) and New School (New York). Hij houdt zich vooral bezig met de studie van de dynamiek van lokale culturen in interactie met staatsvorming, de invloed van de markteconomie, en, meer in het algemeen, processen van globalisering. Hij publiceerde onder andere “The Modernity of Witchcraft” (1997); “Globalization and Identity – Dialectics of Flow and Closure” (1999, with Birgit Meyer); and “The Forging of Nationhood” (2003 – with Gyanendra Pandey). Momenteel bereid hij een serie conferenties voor in opdracht van de Social Sciences Research Council (New York) rondom het thema “The Future of Citizenship: New Struggles over Belonging and Exclusion in Africa and Elsewhere”.   Geschiere was voorzitter van het NWO onderzoeksprogramma “Globalization and the Construction of Communal Identities”. In 2002 ontving hij de onderscheiding van “distinguished Africanist of the year” van de African Studies Association. Hij is lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en bestuurlid van het Prince Claus Fund.

Chantal Gill’ard is lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Zij was parttime werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker en promovendus bij Erasmus MC, medische ethiek en filosofie. Tot aan haar kamer lidmaatschap was zij producent bij Hof Filmprodukties. Met Rob Hof maakt zij films over globalisering(Nipkovschijf winnende productie ‘Sporen uit het Oosten’), identiteit en medisch ethische vraagstukken. Zij heeft aan de universiteit van Sheffield (UK) haar masters titel behaald in rechten en ethiek van de biotechnologie.
Read more

Bookmark and Share

De mysterieuze dood van een priestervorst

De 2e man van rechts is Adranoes Lohij, de oppasser ofwel dardanel van overste Veltman, staand tussen een aantal Atjehse teukoe’s. Op zijn borst de Militaire Willems-Orde en de bronzen medaille voor Menslievend Hulpbetoon.

De tentoonstelling ‘De Laatste Batakkoning’ in 2008 in Museum Bronbeek en het daaraan gekoppelde boek gaven een helder beeld wat er voorafging aan de dood van Si Singamangaraja. Het boek, grotendeels samengesteld uit onderzoek van Harm Stevens, is voorzien van vele originele documenten die de lezer meeneemt naar een roerige tijd. Een periode waarin de laatste verzetshaarden worden uitgeschakeld en grote delen van het archipel worden onderworpen aan het koloniaal gezag.

Over de momenten van het leven van de Batakkoning bestaan verschillende lezingen. Met het ontsluiten van een oude foto, met daarop een inheemse ex-militair met onderschrift ‘Oppasser van overste Veltman’ kwamen er nieuwe feiten aan het licht.

De twaalfde Si Singamangaraja
Ompoe Pulo Batu was de twaalfde Si Singamangaraja ofwel Leeuwenvorst in erfopvolging en gold voor zijn volk als heilige. Door een sluier van mystiek die om hem heen hing en zijn hiërarchische positie in de lijn van de offerpriesters, werd hij door de westerse wereld aangeduid als de priestervorst. De in 1849 geboren priestervorst had zich net als de twee voorgaande Si Singamangaraja’s gevestigd in Bakara, gelegen ten zuidwesten van het Tobameer op Noord-Sumatra. De Bataks, gevestigd rond het Tobameer, leefden veelal autonoom en vormden midden negentiende eeuw nog niet een volk. Maar door het opdringen van het Nederlands-gouvernement en de steeds groter wordende invloed van de zending, onder aanvoering van veelal Duitse zendelingen in de laatste kwart van de negentiende eeuw, kregen de Bataks een gemeenschappelijke vijand. Dit leidde in 1883 tot een opstand onder ruim 9000 Toba-Bataks gericht tegen de westerse indringers. Door het geweld ging alles wat westers was in rook op, maar ook de bekeerde Batak-kampongs moesten het ontgelden. De schrik zat er goed in bij de Europeanen en zij velen verlieten hals over kop het Batak-gebied. De priestervorst werd gezien als leider van deze opstand en het Nederlands-gouvernement gelastte in datzelfde jaar het Nederlands Indisch Leger met een strafexpeditie tegen de priestervorst. 4 maanden lang woedde er oorlog het Batak-gebied. Nadat het Nederlands Indisch Leger op 12 augustus zijn residentie in Bakara had bereikt, was de priestervorst al met zijn gevolg gevlucht naar Lintong in de hoger gelegen oerwouden ten zuiden van het Tobameer. Bakara werd door het Nederlands Indisch Leger ‘getuchtigd’ of beter gezegd, geheel verwoest. Het zou tot 1904 duren voor er een nieuwe serieuze poging werd ondernomen om het verzet te breken. De tocht van overste Van Daalen door de Gajo, Alas en Bataklanden, maakte aan vele illusies van het verzet in de binnenlanden van Noord-Sumatra snel een eind. Met een golf van geweld trokken tweehonderd marechaussees ruim vijf maanden lang door de oerwouden van Noord-Sumatra. De marechaussees kwamen ook in het gebied van priestervorst, echter was hij net als in 1883 niet vindbaar. Met de expeditie van Hendrikus Colijn, de latere minister-president van Nederland, werd eind 1904 een nieuwe poging ondernomen. Ook toen werd er geen contact gemaakt met de priestervorst.

Collectie Stichting Wereldculturen, Tropenmuseum Amsterdam, collectie F.W. Stammeshaus

Brief van Si Singa Mangaradja, die regeert over de Bataks, gericht aan de heer ‘overste generaal, leider van de oorlog van de kompenie’.

‘De brief is aan u gericht omdat u oorlog voert in het land van de Bataks en mijn onderdanen gevangen heeft genomen. Maar ik heb ook woorden ontvangen van de grote heer van Medan en de resident van Tampanoeli (Batak gebied) en van de controleur, zij zeggen geen oorlog te zullen voeren tegen mij en degene waar ik over regeer.
Heb alle betrokkenen een brief gegeven dat er vrede is en ik een oorlog zal voeren tegen de kompenie. Ik zeg nu tegen de ‘overste generaal’, keert gij terug, en ga niet met mij en degene waar ik over regeer in oorlog. Het is toch niet geoorloofd om mij en mijn onderdanen lastig te vallen. Keer terug, anders overtreed u de regeles van de woorden van vrede en afspraak, die gemaakt zijn met de resident van Medan.
En als er klachten zijn over mijn onderdanen, richt u tot mij. Mijn onderdanen willen geen moeilijkheden.
Keer terug, anders overtreed u de regeles van de woorden van vrede en afspraak, die gemaakt zijn met de resident van Medan.
Zo zij het.
3 november 1904′

In de daaropvolgende jaren werden diverse kleine expedities ondernomen om de priestervorst op te sporen, echter zonder resultaat. Op 1 maart 1907 deed assistent-resident der Bataklanden een oproep aan het gouvernement. De onrust, die de ongrijpbare priestervorst met zich mee bracht, moest snel ten einde worden gebracht. Zijn oproep luidde letterlijk: “De buitengewone toestand eischt daarom buitengewone maatregelen: tydelijke verwydering van alle ongewenste elementen en de beschikbaarstelling van eenige flinke marechaussee onder een beproefde aanvoerder b.v. de kapitein Christoffel, aan wien zooveel mogelyk de vrye hand moet worden gelaten…..”.
Read more

Bookmark and Share

Silverlining Africa – From Images Of Doom And Gloom To Glimmers Of Hope

1. Changing images of the Dark Continent

Inaugural address
At a recent African Studies Association conference in San Francisco, I presented a paper on the  findings of a research project that I was involved in over the last few years on Ghanaians in Amsterdam and their ‘good work back home’.[i]

The theme of the conference was ‘African Diaspora and Diasporas in Africa’ and our panel was entitled ‘Development from Abroad’. Panel members presented numerous success stories from many parts of the continent and the general reaction at the conference was one of surprise at the many positive stories coming out of Africa. One of the participants in my panel talked about ‘silverlining Africa’ – stories that challenge past images of doom and gloom.[ii]

Just before going to the US, I chaired a session at the annual meeting of the Netherlands-African Business Council in a beautiful conference centre in Wassenaar where close to two hundred Dutch entrepreneurs shared enthusiastic accounts of their activities in Africa. The overall impression was that Africa is taking off and is the newest group of emerging economies to be knocking on the door of the global market. There is a political and business confidence in Africa today that reminds older observers of the euphoria during Africa’s Independence Era fifty years ago. Africa is now the place to be and certainly not a place to avoid. The organizer of the event[iii]more or less suggested that Dutch entrepreneurs would be crazy not to invest in and trade with Africa. Discussing the changes in the current Dutch development landscape, there was an almost triumphant attitude among the participants: ‘now it is our turn to eat’.[iv] But they also tried to be honest and straightforward: the new business opportunities need to be used in socially responsible, fair and sustainable ways. For some, Africa may appear to be a place where quick and dirty money can be made. For most entrepreneurs, the idea is that there are major opportunities here but that these can only be harvested with long-term commitment and involvement.

A month earlier when I was in China giving a lecture, my hosts arranged for me to visit the EXPO grounds in Shanghai.[v] I was particularly interested in the way Africa presented itself there. With a few exceptions,[vi] the African countries were housed under one roof in a huge exotic building bustling with chaotic activity. The sensual African dances and the loud drumming attracted many Chinese visitors, who were amazed by so much public indecency. The African market stalls were popular although there were Chinese-language banners strictly warning customers not to buy illegal fare and English-language signs with warnings about not taking pictures. EXPO’s title was ‘Better City, Better Life’, but a Chinese advisor who had been involved in the early support for the African pavilion told me that the Africans were not very keen on sticking to the general theme. Many of the African pavilion organizers had instead decided to show rural Africa as a paradise for tourists and investors with traditional scenes of Africa’s exotic nature and people, and as a continent full of resources to exploit. It was amusing to see that the Chinese positioned Africa as ‘the hottest place under sunlight’, even suggesting that this was the origin of the name ‘Africa’.[vii]
Read more

Bookmark and Share

Zinn Education Project ~ Tackling The Headlines: Teaching Humanity And History

With each passing day, it’s becoming more apparent that Trump’s agenda can only be enacted if people are ignorant of the issues underlying his supposed solutions.

Having trouble finding and keeping work? – Build that wall.
Fearful of terrorist attacks? – Ban Muslims.
Want energy security and infrastructure development? – Build that pipeline.

The best antidote to Trump’s xenophobia, racism, misogyny, and fossil-fuel soaked future is critical thinking. Join the Zinn Education Project in helping students probe the roots of social problems and call into question the phony, simple-minded policy prescriptions of the Trump regime.
These are just a few of the resources we have at the Zinn Education Project to help students think deeply and creatively about the world we live in.
Use these resources with your students. Share them with your colleagues.

Support the Zinn Education Project

Immigration and Border Lines
Land Mexico Lost to the U.S. | Zinn Education Project: Teaching People's HistoryU.S. Mexico War: “We Take Nothing by Conquest, Thank God”

Today’s border with Mexico is the product of invasion and war. Grasping some of the motives for that war and some of its immediate effects begins to provide students the kind of historical context that is crucial for thinking intelligently about the line that separates the United States and Mexico. It also gives students insights into the justifications for and costs of war today. Teaching Activity by Bill Bigelow.

Go to: https://zinnedproject.org/teaching-humanity-history/

Other subjects:
-The Line Between Us: Teaching About the Border and Mexican Immigration
-Tackling Terrorism and Anti-Muslim Rhetoric. A People’s History of Muslims in the United States. What school textbooks and the media miss
-Whose “Terrorism”?
and more

Bookmark and Share

Where Global Contradictions Are Sharpest ~ ‘Op die Grond’: Writing In The San/d, Surviving Crime

I must go away. There to the sand, to the sand. To that Kalahari I must go. Where the grass is
(Anna Swart, interview, 2000).[i]

Getting there

Out of these sands and sunshine deeply embedded in our past is our future –
(Botswana World Tourism Day poster, 27 Sept 1999).

July 12, 2002. The armed guard at Makro, a giant wholesaler in Durban, was wearing a bulletproof vest. We were doing our last minute shopping. I’d never seen a guard in-store before. During apartheid, unarmed, mainly black guards, would, on entry to a store, politely and gingerly search customers’ bags for bombs, guns and grenades. Nelia Oets, already in Upington, 1200 kms to the northwest, called just before my group left Durban. She had been mugged and had hurt her ankle, and might have to cancel her participation. This was serious as Nelia’s 4X4 was crucial to the trip. We arrived at the Upington Protea Hotel, owned by Mary Lange’s brother-in-law, 24 hours later. Nelia had called us by mobile phone earlier. She was on her way to the Molopo Lodge, her foot in a brace.

At the periphery
The next morning in Upington I filled up with petrol. The attendant told me to lock my car. A local gang was casing us. A retired couple at the Molopo Lodge 200 kms north mentioned to us later that they had been targeted while at an Upington supermarket. The receptionist at the hotel in Upington mentioned the busload of Taiwanese tourists who had recently been held up, Ned Kelly style, on the Maputu corridor highway. Two white members of our party complained of being closely shadowed by a security in-store guard: no one was above suspicion. At the supermarket a newspaper vendor insisted on pushing my trolley. He refused to loosen his grip until Vanessa McLennan-Dodd and I had unpacked its contents into the Sani. He was allowed to sell papers at the front of the store provided he prevented trolley theft. Stolen shopping was usually taken to the lokasie (‘location’ – black dormitory area near Upington) where there are few shops, where most of the working class, poor, and unemployed live. While clinging onto the trolley, the vendor vigorously shooed away the odd beggar and other would-be helpers/assailants/muggers. Not a policeman in sight. I bought a Sunday Times from the vendor in gratitude and paid off the ever-watchful car guard. In the newspaper the ‘Careers’-section reported that the Western Cape was experiencing a recruitment boom, though hiring was flat in the other eight provinces (Sunday Times Careers 14 July 2003: 1). Maybe Upington, in the Northern Cape, was at the epicentre of this flatness?

When we got back to the hotel, ready to leave for the Kalahari, we learned that Marit Sætre, an MA-student from Norway, had become violently ill. It must be the soapy water, we thought. She explained that the four Norwegians registered in our Programme in Durban during 2002 periodically succumbed to a 24-hour tummy bug. In the future, I’ll not make fun of First World students whose overseas doctors tell them not to drink the (very clean) Durban tap water, eat the salad, or forget their malaria pills. So we left Charlize Tomaselli and Lauren Dyll with Marit at the Hotel, which offered them free lodging. Both later complained of having been accosted by drunken white men in the streets during broad daylight. Vanessa and I drove on to Witdraai, two hours north on tar, where we were to meet Nelia, graduate students Linje Manyozo and Tim Reinhardt, Damien Tomaselli and Sherieen Pretorius, who had arrived there on the 11th.

Charlize reported that Marit was admitted to hospital that afternoon. The hospital demanded R1,000 in cash up-front for the ward. The manager refused to accept Marit’s Norwegian medical insurance, her father’s card number, or my gold card and ID-numbers, which I phoned through from the Lodge. Wealth before health! Or, perhaps the fear of Marit not settling her debt was as great as was the fear of the vendor losing a trolley? A matter of degree perhaps? Eventually Charlize persuaded the hotel to advance the hospital’s charge. The hospital obviously had little understanding of how to deal with international visitors or global insurance companies, in an otherwise remote province, which prides itself on its unique tourism attractions.
Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter


  • Ads by Google
  • Archives