Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Rangschikkingen

De tien hier in dit boek besproken personen worden in dit slothoofdstuk gerangschikt inzake acht onderwerpen. Te weten:

1. Zij die weigeren serieus in te gaan op kritiek over hun werk, ook al gaat het om gegronde en faire kritiek. Dat geldt voor Claude Lévi-Strauss, en wel in extreme mate. – Voorts voor Dick Swaab. – Verder nog voor Norbert Elias: ‘hij verwaardigt zich niet van kritiek, hoe zinnig ook, kennis te nemen, laat staan erop te reageren, laat helemaal staan die ter harte te nemen’. – Dan nog Henk Buck (vóór 12 april 1990) en enigermate ook voor Jan Bakker.

2. Zij die bedrog gepleegd hebben. Ten eerste is dat Claude Lévi-Strauss, tenminste in enkele gevallen. Hierbij een voorbeeld ter toelichting. In 1962 levert de filosoof Jean-François Revel kritiek op ‘Tristes Tropiques’, zijn meest populaire boek. Lévi-Strauss ontzegt Revel het recht om te oordelen over zijn boek, ‘want’, zo redeneert hij, ‘ik heb geleefd te midden van de indianen van het Amazone gebied en mijn boek is op dat onderzoek gebaseerd. Hoe zou een buitenstaander daar iets zinnigs over te berde kunnen brengen?’ – Twee dingen ten antwoord. Hij moet als geen ander geweten hebben dat zijn pogingen om aldaar etnografisch onderzoek te doen grotendeels zijn mislukt. En verder dat zijn boek over veel meer zaken handelt dan alleen over dit onderwerp. Toch is er met deze reactie van Lévi-Strauss iets bijzonders aan de hand. Waarschijnlijk is dit de enige keer in zijn lange loopbaan dat hij tenminste een poging waagt om argumenten van zijn critici te weerleggen. – Als volgende bedrogpleger dient hier de naam van Henk Buck genoemd te worden, al is het de vraag of dat helemaal terecht is. Sommigen betwijfelen of hij bewust bedrog gepleegd heeft, anderen menen van wel. – Dan Jan Hendrik Schön, Diederik Stapel, Mart Bax en Bernard Berenson. Er is bij hen geen twijfel mogelijk, zij hebben systematisch en geruime tijd bedrog gepleegd. – Tenslotte Cyril Burt, die dat in een betrekkelijk korte periode en over één onderwerp gedaan heeft.

3. Straffen. Henk Buck is in juridische zin niet gestraft. Hij werd ‘slechts’ gedwongen ‘vrijwillig’ ontslag te nemen, met alle gevolgen van dien. Hij was toen pas 60 jaar oud. – Jan Hendrik Schön is er betrekkelijk gunstig van af gekomen. Hij is weliswaar ontslagen bij Bell Labs, maar heeft aldra in Duitsland een nieuwe passende functie gevonden. Zijn enige straf was dat hem zijn Duitse doctorstitel ontnomen werd. – Diederik Stapel is streng gestraft. – Mart Bax was al emeritus toen zijn bedrog aan het licht kwam. Zijn ‘straf’ was slechts het voor hem heel negatieve rapport dat de commissie over zijn zaak uitgebracht heeft. Overigens dient men over het effect daarvan niet te licht te denken. – Het bedrog van Cyril Burt is pas ontdekt na zijn dood. Het heeft zijn nagedachtenis weinig geschaad. Nagenoeg hetzelfde geldt voor Bernard Berenson.

4. Hebben de betrokkenen hun straf aangevochten? Henk Buck heeft zich twintig jaar lang krachtig daartegen verweerd, somtijds gesteund door collega’s die vonden dat hem toch enigszins onrecht was aangedaan. Pas in 2011 heeft de Nationale Ombudsman hem tenminste op één punt gelijk gegeven. –Jan Hendrik Schön heeft, begrijpelijk, de ontneming van zijn doctortitel aangevochten. Dat heeft geleid tot een langdurige juridische strijd die hij uiteindelijk verloren heeft. Mart Bax was en is heel verbaasd en kwaad over het negatieve oordeel over hem van ‘zijn’ onderzoekscommissie. Maar op aandringen van zijn arts en zijn advocaat heeft hij toch maar besloten de zaak verder te laten rusten. Slechts Diederik Stapel heeft gereageerd met iets als een excuus: ‘Ik heb het rapport over mij met ontzetting en schaamte gelezen.’ Read more

Bookmark and Share

Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Bibliografie

Brewer, J.: The American Leonardo. A tale of obsession, art and money. Oxford and New York, Oxford University Press 2009.
Cannadine, D.: Mellon. An American life. New York, Alfred A. Knopf 2007.
Clarke, K.: Another Part of the Wood. John Murray 1974.
Cohen, R.: Bernard Berenson. A life in the picture trade. New Haven and London, Yale University Press 2013.
Conner, J. and L.A. Waldman (eds.): Bernard Berenson. Formation and heritage. Villa I Tatti, The Harvard University Center for Italian Renaissance Studies 2014.
Gimpel, R.: Journal d’un collectioneur marchand de tableaux. Paris, Calmann-Lévy 1963.
Ginzberg: C.: ‘Morelli, Freud and Sherlock Holmes: Clues and Scientific Method.’ In: History Workshop, No.9, Spring 1980, 7-36. (URL: http://www.jstor.org/stable/4288283)
Samuels, E.: Bernard Berenson: the making of a connoisseur. Cambridge (MA), Belknap Press 1979.
— : Bernard Berenson: the making of a legend. Cambridge (MA), Belknap Press 1987.
Schapiro, M.: ‘Mr. Berenson’s values.’ In: Theory and philosophy of art: style, artist and society. Selected papers, Vol. IV. New York, George Braziller 1994.
Secrest, M.: Being Bernard Berenson: a biography. New York, Holt, Rinehart and Winston 1979.
— : Kenneth Clark: a biography. New York, Holt, Rinehart and Winston 1984.
— : Duveen: a life in art. New York, Alfred A. Knopf 2004.
Simpson, C.: Artful partners. Bernard Berenson & Joseph Duveen. New York, MacMillan Publishing Company 1986.
Walker, J.: Selfportrait with donors. Confessions of an Art Collector. Boston, Little, Brown and Company 1974.

Bookmark and Share

Polycracy As An A-System Of Rule? Displacements And Replacements Of The Political In An Unbounded Dictatorship

Abstract

The concept of polycracy is beset by a number of paradoxes: it designates a form of political rule in the absence of such rule. In such circumstances, a
multiplicity of social formations, economic and financial agencies and operational functions install themselves anomically at local level and extend independently of and beyond policy and legislation. In doing so, they split and supplant frameworks of the state and of political and societal institutions. This article sets out to trace the lineages of the concept of polycracy and its instantiations in a system of rule that involves a process of political de-structuring. More specifically, the question explored here is what takes place in the destroyed political space and what takes its place in the unbounded state of the Nazi dictatorship.

Keywords: polycracy; National Socialist totalitarianism; Nazi regime; party–state relationship; occupying regime; Weimar Republic; quantitatively total state

Introduction
Even with historical hindsight, the phenomenon termed “totalitarianism” presents a number of conundrums. To start off with, it resists definition. To describe it as a “system of rule” risks contradiction (see Kershaw 1999, 222), because “a-systematicity” is its most pertinent characteristic. As a particular type of modern dictatorship, it has invited comparisons, yet such comparisons remain limited and general (considering e.g. the limited comparability of the National Socialist regime in Germany and the Stalinist regime in the Soviet Union—see Kershaw 1999). The process of political disintegration described by it is bound to leave the concept under-theorised (see Kershaw 1991, 98) and possibly even to impress itself on the theorist as incomprehensible (see Arendt [1951] 1994, viii), both conceptually and politically. In this article, we propose to put one of the elements specifying “totalitarianism” to the test: Can “polycracy” provide a specifying criterion for the definition of “totalitarianism”? If so, how would it have to be conceptualised in order to be able to account for the simultaneous diffraction and concentration of structures and agencies that reconfigure governance for conditions of geopolitical expansion, invasion, annexation and occupation; total mobilisation for war; and population relocations, forced labour and genocide?

The term “polycracy”, as Walther Hofer points out, is of recent coinage. It designates social and political processes unlike those described by any of the classical theories of political organisation (Hofer 1986, 249; see also Arendt [1951] 1994, 461; also Schmitt 2000, 66) or system or type of rule.

Writing in the aftermath of war and genocide in the late 1940s, Hannah Arendt ventures this description: “We always suspected, but we now know that the [National Socialist] regime was never ‘monolithic’ but ‘consciously constructed around overlapping, duplicating, and parallel functions’ …” (Arendt [1951] 1994, xxxii–xxxiii; also 404 fn. 8).

What she pinpoints here had, in fact, been articulated by Carl Schmitt even before the Second World War in his prescient analyses of the Nazi dictatorship (1933) and by Ernst Fraenkel and Franz Neumann during the course of the War and in its immediate aftermath. The multi-levelled dynamic functioning of the Nazi regime became the subject of further investigation in the 1960s and 70s, first by Klaus Hildebrand, Karl Bracher and Peter Hüttenberger and later by Ian Kershaw. Even as they differed in the details of their analysis, all of these historians and political theorists either explicitly or implicitly returned to Johannes Popitz’s concept of “polycracy”, coined in the late 1920s to take account of the decline of the German state during the late Weimar period.

“Polycracy”—A conceptual–political history
Popitz held on to a substantive universal idea of the state against its devolution and dissolution into concrete orders and functions. In his positions in the Finance Ministry in the latter half of the 1920s, he was intent on clearing up Weimar’s “administrative confusions” (see Kennedy 2004, 147; also Schmitt 2000, 62 fn. 4) and on restoring the authority of a centralised state.

Carl Schmitt’s conversations with Johannes Popitz (the friendship with whom Schmitt only reluctantly admitted to) trace the decline of the state in the Weimar Republic with its proliferation of special interests, political parties and particularist movements. Popitz views this process as the replacement of “the state as the source of order and the locus of authoritative decisions … by the notion of ‘free competition’ and ‘the self-organisation of society’” (see Kennedy 2004, 33). This defines Popitz’s notion of polycracy. “Pressures from within the private sector and the party politics of the Reichstag had created,” he argued in 1927, “a ‘polycratic’ system that displaced parliamentary democratic will formation” (Kennedy 2004, 147). What these “diverse forms of economic organisations and public/private partnerships” had in common was the “fact that they retained a degree of independence from the state” while assuming responsibility for “important public functions” (Kennedy 2004, 142 fn. 3). Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Ritme, roes en regels in het uitgaansleven

Nabben

Omslagontwerp: Lucas Mees. Foto omslag: Ziggy Love – RoXY

Nu compleet online: Ton Nabben – High Amsterdam. Ritme, roes en regels in het uitgaansleven.

Inhoudsopgave 
1. Van acid tot zerotolerance
2. Theoretische visies op drugs, jeugd en uitgaan
3. De Amsterdamse panelstudie
4. Uitgaan en drugs tussen interbellum en jaren tachtig
5. Van RoXY tot regelgeving
6. Het nieuwe Amsterdamse uitgaansleven
7. De drugsmarkt van de Amsterdamse uitgaanswereld
8. Ecstasy: het succes van een ‘psychedelische amfetamine’
9. Cocaïne: terug van nooit echt weggeweest
10. Amfetamine: de radicalisering van energie
11. Anesthetica: tussen euforie en narcose
12. Regels en roes in het uitgaansleven
13. Samenvatting en conclusies
14. Summary and conclusions

Binnenkort:
15 Bijlagen & Literatuur

Nabben1-page-006

Foto: Maurice Boyer – Vondelstraatrellen Amsterdam 1980

_____________________________________________________
Voorwoord
Amsterdam 1981. Krap dertig jaar woon ik inmiddels in deze stad. Ik weet nog goed dat Mokum in haar voegen kraakte toen ik mij hier vestigde. De stad leed onder een taaie economische crisis. Heroïne ontwrichtte het leven van veel jonge Amsterdammers en ‘verdwaalde’ toeristen. Het wallengebied oogde vitaal én verloederd. Krakers, waarvan vele student, veroverden tientallen panden per jaar. De jeugdwerkloosheid steeg tot wel 30%. De do it yourself mentaliteit gold als creatief antigif tegen het doem- en no future denken. Sociologen typeerden ons als de ‘verloren generatie’, in straatjargon ook wel de ‘traangasgeneratie’ genoemd. Schermutselingen met de politie en mobiele eenheid waren schering en inslag. Niks nieuws, want de stad was vanaf de jaren zestig al het strijdtoneel van nozems, kuiven, hippies, provo’s, opgeschoten tuig, rapaille en in mijn tijd punks, krakers en autonomen. De stad stond onder curatele en smachtte naar andere, betere tijden.

De door provo ontketende anarchistische stadssfeer was met het naderen van de eeuwwisseling gaandeweg verdampt. ‘Amsterdamned’ ontpopte zich als ‘glAmsterdam’. Pep, punks en protest transformeerden tot house, hip en happening. De strijd om de straat maakte plaats voor nachtenlang dansen tot aan het ochtendgloren.

Anno 2010 is de economische barometer na een zeer welvarende periode weer tot onder nul gezakt. Vooralsnog oogt de stad rijker en mondainer dan toen. Het toerisme is een stuwende bron van inkomsten geworden. De studentenpopulatie is fors gegroeid, evenals de dienstensector en het uitgaansleven. Technologie, creativiteit en innovatie zijn de nieuwe speerpunten van beleid. Met een uitgekiende citymarketing gooit Amsterdam als cool city weer hoge ogen. De slogan ‘Amsterdam heeft het’ is veranderd in ‘I Amsterdam’. Tussen al het stadstumult had ik destijds als twintiger, werkloos of niet, één doel voor ogen; tegen mijn dertigste wilde ik weten welke richting het op zou gaan met mijn leven. Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Van acid tot zerotolerance

acid

Foto: Floris Leeuwenberg

Het moet in 1988 zijn geweest dat ik op een zwoele nazomeravond bij toeval verzeild raakte op een illegaal housefeest. Ik was nietsvermoedend op weg naar het ‘Einde van de wereld’ op het voormalige KNSM-eiland om daar een vriend met een bezoek te verrassen. Het gebied was één grote kale zandvlakte met hier en daar wat loodsen, caravans en zelfgeknutselde huisjes waar stadsnomaden, kunstenaars, krakers en andere onaangepaste stadsbewoners tijdelijk bivakkeerden. Tijdelijk, want dit deel van de stad, ooit een bedrijvig havengebied, bevond zich aan de vooravond van een ingrijpende herstructurering[i]. De economische crisis van de jaren tachtig had diepe wonden geslagen in het trotse havenfront van kranen, vrachtschepen en stoere arbeiders. Een paar honderd meter voordat ik mijn bestemming zou bereiken hoorde ik in de verte onbestemde geluiden. Terwijl ik doorfietste zwollen ze aan: repeterend, grommend, piepend en onheilspellend. Ik stapte af en ging te voet verder door het rulle zand van dit stukje stadswoestijn. Het schemerde nog een beetje. In de verte zag ik vage silhouetten opdoemen. Wat was hier loos? Ik was toch wel bekend in nachtelijk Amsterdam, maar dit had ik nog nooit eerder gezien.

Een paar honderd jonge mensen stonden uitzinnig te springen op ritmische elektronische muziek. Op de laadbak van een oude truck met aan weerszijden speakerboxen stond een dj. Een geïmproviseerde keet deed dienst als bar waar je pijpjes bier kon kopen. Aciiiiiiiiiiiddd gilde een hoge robotstem temidden van loeiende sirenes, terwijl zware bassen mijn buikvliezen deden vibreren. Ik was verbijsterd, verrast en opgewonden tegelijk. Het leek wel alsof ik middenin een bizar soort muzikaal ritueel was beland dat op deze verlaten uithoek van de stad door een geheime muzieksekte ten uitvoer werd gebracht. Niemand van de aanwezigen kon op dat moment bevroeden dat ‘acid house’ zich in de jaren die volgden in sneltreinvaart zou ontwikkelen tot een invloedrijke muziekstroming die het nachtleven op zijn grondvesten zou doen schudden. Wie toen had voorspeld dat er in de voetbaltempel van Ajax housefeesten zouden plaatsvinden, was waarschijnlijk voor een fantast uitgemaakt. Dat housefeesten op den duur begeleid zouden worden door artsenteams met beademingsapparatuur en onderworpen aan strenge politiecontroles met drugshonden, dat was toendertijd helemaal niet voor te stellen.

Zerotolerance
Toch hebben de fantasten twintig jaar later gelijk gekregen. ‘Strenger tegen drugs op festivals’ opent een kop in Het Parool op 18 juni 2008. In een persbericht kondigen de Amsterdamse politie en justitie aan dat deze zomer een zerotolerancebeleid zal worden gevoerd. Agenten in burger en uniform zullen voor én op het festivalterrein streng controleren op drugsbezit. Opvallend is dat alle genoemde feesttargets (Sensation White en Black in de Amsterdam ArenA, Awakenings en Dance Valley in recreatiepark Spaarnwoude en Mysteryland in de Haarlemmermeer) tot de eredivisie van de Nederlandse dancecultuur behoren. Op grond van eerdere edities zullen er in totaal naar verwachting 175.000 bezoekers op de been zijn.

Het aangekondigde repressieve optreden kwam niet echt uit de lucht vallen. In het voorafgaande feestseizoen van 2007 hadden politieacties al geleid tot tientallen arrestaties. In de zomer van 2008 gaat de politie nog rigoureuzer te werk. Nieuwsgierig naar de aanpak doen we een bliksemonderzoek op Sensation Black in de Amsterdam ArenA waar 25.000 feestgangers worden verwacht. Gekleed in een verplicht zwart feesttenue melden we ons – na vooroverleg – die avond bij de politiecoördinator die ons tekst en uitleg geeft over de handelswijze van de politie. We passeren tijdens onze rondleiding het wagenpark van tientallen politiebusjes en krijgen te horen dat er die avond 140 agenten actief zijn, waarvan dertig in burger. Deze keer worden er ook drugshonden ingezet om verdovende middelen actief op te sporen.

Een tegenvaller is dat de hondenbrigade – die veertien honden had gereserveerd – er slechts vier tot zijn beschikking heeft omdat de Belgische douane deze keer geen honden wilde uitlenen. De regels zijn vandaag helder: wie drugs bij zich heeft moet deze inleveren en wordt de toegang tot het feest ontzegd. Daarmee wijkt de politie af van de voorgaande editie, toen betrapte feestgangers na afstaan van gedoogde hoeveelheden drugs nog wel naar binnen mochten. Bij ‘grotere’ hoeveelheden hangt de feestganger een boete of voorgeleiding boven het hoofd. Wie bijvoorbeeld betrapt wordt met vijf ecstasypillen krijgt een boete van 250 euro, en 50 euro erbovenop voor elke extra in beslag genomen pil. Die nacht worden er op Sensation Black 165 arrestaties verricht. De overgrote meerderheid, na een grondige inspectie in de ‘wasstraat’, wegens het bezit van een geringe hoeveelheid soft- en/of harddrugs.[ii] De ziekenboeg was tijdens ons bezoek rond 01:00 nagenoeg leeg. Op 25.000 bezoekers deden in totaal 125 feestgangers een beroep op de EHBO service, waarvan slechts 20% alcohol- of drugs-gerelateerd was. Dergelijke waarnemingen onderschrijven bevindingen van sociale wetenschappers over informele controle van drugsgebruik (Becker, 1953 en 1963; Zinberg, 1984; Korf et al., 1991) (hoofdstuk 2). Read more

Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Theoretische visies op drugs, jeugd en uitgaan

LSD

Illustratie Alex Grey ~ Albert Hofman met LSD molecuul

Aan het begin van de twintigste eeuw komt de sociale geschiedenis van drugsgebruik in een nieuwe fase door een toenemende (internationale) politieke belangstelling voor de handel en groeiende zorg over de schadelijkheid van opiaten en cocaïne vanuit medisch oogpunt. Tot in de jaren vijftig werd over drugsgebruikers vooral gedacht in termen van patiënt of delinquent (De Kort, 1995). Aanvankelijk bleef dat zo ten tijde van de opkomst van drugsgebruik door jongeren en jongvolwassenen in Nederland. Maar deze concepten bleken niet afdoende om de steeds snellere verspreiding van drugsgebruik vanaf het eind van de jaren zestig te kunnen begrijpen. Er kwam meer oog voor de betekenis van drugs binnen opkomende jeugdculturen. In de wetenschappelijke ideeën over jeugdculturen kwam de inspiratie aanvankelijk vooral uit het werk en gedachtegoed van Amerikaanse sociologen en later uit de maatschappijkritische benadering van Britse jeugdonderzoekers. Vanaf de jaren tachtig noopten de steeds verdere verspreiding van drugsgebruik, het groeiende palet aan beschikbare drugs en de toenemende differentiatie in leefstijlen van drugsgebruikers tot nieuwe theoretische benaderingen.

Wetenschappers gingen zich afvragen of drugsgebruik nog wel als een subcultureel fenomeen beschouwd kon worden. Tegelijkertijd deden zich krachtige maatschappelijke ontwikkelingen gelden, onder andere in de vorm van economische malaise gevolgd door economische opbloei en globalisering, waardoor steden van karakter veranderden. Jongeren kregen steeds meer eigen territoria, in termen van een verlengde jeugd en ruimte. Jongeren vormden ook in toenemende mate een interessante markt, die op haar beurt weer gestimuleerd werd door tal van technologische innovaties. De plekken waar uitgegaan werd veranderden van donkere kelders in steeds spectaculairdere locaties, die door duizenden, soms zelfs tienduizenden bezoekers werden bezocht. Ten tijde van een groeiende liberalisering van de markt en meer behoefte aan persoonlijke vrijheid nam ook de bezorgdheid toe, die gestalte kreeg in wat wel de ‘risicosamenleving’ wordt genoemd. Al deze ontwikkelingen beïnvloedden de theorievorming over jongeren en drugsgebruik.

Drug, set en setting
De ontdekking van LSD-25 in 1943 door Albert Hofmann heeft er onder andere toe geleid dat wetenschappers in de ‘psychedelische periode’ – vanaf de jaren vijftig tot aan de strafbaarstelling halverwege de jaren zestig – een belangrijke waarde gingen toekennen aan de invloed van de gebruiker (set) en de omgeving waarin drugs gebruikt worden (setting) op de werking van drugs. In de Verenigde Staten, Canada en Europa konden wetenschappers tot halverwege de jaren zestig nog vrij eenvoudig vloeibare LSD-25 bestellen bij de farmaceutische firma Sandoz in Zürich (Hofmann, 1979; Stevens, 1987; Van Ree, 1966). Onderzoekers en therapeuten ontdekten bij LSD-experimenten in een gecontroleerde medische omgeving dat de werking van persoon tot persoon kon verschillen en bovendien beïnvloed werd door omgevingsfactoren (Snelders, 1999).

De waarde van het drug, set en setting model werd door een groeiende groep wetenschappers aanvaard en verder verfijnd door Amerikaanse psychologen als Leary, Alpert en Metzner (Snelders, 1999; Stevens, 1987). In dit model heeft de factor ‘drug’ betrekking op de farmacologische eigenschappen van de stof; die hangen weer samen met de dosis, gebruiksfrequentie en de wijze van toediening (bijvoorbeeld slikken, roken, snuiven, spuiten). De factor ‘set’ verwijst naar kenmerken van de gebruikers, zoals persoonlijkheidsstructuur, verwachtingen ten aanzien van de effecten van een drug, mentale voorbereiding en gemoedstoestand van de gebruiker. De ‘setting’ omvat fysieke, sociale en culturele omgevingsfactoren.

Door de opkomst van de maatschappijkritische tegencultuur in Amerika ten tijde van de Vietnamoorlog werd de setting, die oorspronkelijk alleen werd geassocieerd met de fysieke omgeving, verruimd tot de sociale en culturele context waarbinnen drugs worden gebruikt (Snelders, 1999). Deze aspecten van de context waren in een tijdsgewricht waarin politieke, maatschappelijke en culturele veranderingen zich in hoog tempo voltrokken ook in Europa van belang voor het duiden en begrijpen van de opkomende tegenculturen. Leary’s oproep “Turn on, tune in, drop out” (Leary, 1992) had tot gevolg dat LSD zich ook buiten medische settings in rap tempo verspreidde, voornamelijk onder middenklasse studenten. Het toegenomen LSD-gebruik leidde in de Verenigde Staten tot een golf van ongelukken en al snel ook nationale hysterie. Als gevolg hiervan werd LSD op lijst A van de Narcotic Act geplaatst, waardoor het middel ook niet meer voor wetenschappelijke doeleinden gebruikt mocht worden (Stevens, 1987). In Nederland werd LSD in 1966 verboden, maar in de daaropvolgende jaren werd de drug nog wel toegepast in de therapeutische behandeling van getraumatiseerde slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (Snelders, 1999).

In deze roerige periode was de jonge Amerikaanse psychiater Norman Zinberg vooral begaan met het lot van opiaatgebruikers. Het viel hem op dat in de setting van het ziekenhuis het gedrag van artsen invloed had op hun omgang met en daarmee het gedrag van heroïnegebruikers. Doktoren kenden vanwege de verslavende werking van opiaten grote aarzelingen om die voor te schrijven of toe te dienen. Over marihuana was bijna niets bekend, laat staan dat men enig idee had hoe om te gaan met een nieuwe groep LSD ‘patiënten’, die niet verslaafd waren aan heroïne maar de mond wel vol had van ‘turning on’. Artsen moesten het antwoord op vragen van verontruste ouders over de werking van psychedelische middelen als LSD vaak schuldig blijven.Het vrij massale gebruik van heroïne door jonge Amerikaanse soldaten in de Vietnamoorlog leidde tot nieuwe inzichten, die Zinberg in de jaren erna met behulp van de theoretische inzichten van Howard Becker (1953, 1963) en het drug, set en setting model verder uitwerkte voor andere drugs dan marihuana en LSD. Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives