Opmerkelijke processen


rechtvoetopmerk1

Het kort geding in de Arrondissementsrechtbank (Hamburgerstraat 28) te Utrecht in verband met het kappen van bomen voor de aanleg van Rijksweg 27 door het landgoed Amelisweerd tussen Utrecht en Bunnik, met links op de voorgrond de president van de rechtbank, prof. mr. V.J.A. van Dijk. Rechts de advocaat van de vereniging Vrienden van Amelisweerd, mr. B. Tomlow en links de advocaat van de Staat der Nederlanden, mr. Den Hartog, en mr. B. Keulen, de advocaat van de gemeente Utrecht.

Inleiding
Toegang tot recht is een van de basisbeginselen van de rechtsstaat. Access to justice als onderdeel van de Rule of Law en als waarborg tegen klassenjustitie en eigenrichting.

In de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontstond de sociale advocatuur met het streven naar rechtshulp voor iedereen en naar structurele rechtshulp. In een tijd waarin de regering ernaar streeft om fors te bezuinigen, lijkt zij het voeren van processen het liefst te willen voorkomen, of tenminste aan banden te willen leggen. Schakelt de gemiddelde Nederlander te gemakkelijk de rechter in? Kim van der Kraats geeft een beeld van wat voor soort processen kunnen spelen.

Rechtspraak maakt samenleven mogelijk. Dat is de ‘slogan’ van de Raad voor de rechtspraak. Het geeft de diepe verbondenheid van rechtspraak en samenleving aan. Rechtspraak niet vanuit een ivoren toren, maar middenin en ten dienste van de maatschappij. Het kan dan ook niet anders dan dat rechtszaken de samenleving weerspiegelen. De (opmerkelijke) Utrechtse rechtszaken geven informatie over wat Utrecht kenmerkt. Die kenmerken bepalen ook voor een belangrijk deel de (opmerkelijke) zaken die aan de rechter worden voorgelegd.

Wie denkt aan Utrecht, denkt aan de Dom. De Dom is onderdeel van het religieuze leven in de stad, die ook wel kerkenstad wordt genoemd. Utrecht is de zetel van de Rooms-Katholieke aartsbisschop van Nederland. Dat heeft tot verschillende opmerkelijke rechtszaken in Utrecht geleid. Zo onder meer het kort geding dat het COC in 1987 tegen kardinaal Simonis aanspande wegens zijn uitspraken over homoseksualiteit. In het radioprogramma “Het voordeel van de twijfel” had Simonis onder meer gezegd dat homoseksueel zijn een afwijking is, homoseksuele daden objectief gezien niet juist zijn en een samenleving kunnen ontwrichten en dat hij zich kan voorstellen dat verhuurders naar de seksuele geaardheid van een potentiële huurder vragen omdat zij niet aan een onjuiste levenswijze willen bijdragen. Het COC eiste in kort geding rectificatie van zijn mening in een aantal dagbladen. Partijen kwamen naar de rechtbank, die tot 2001 aan de Hamburgerstraat was gevestigd. Toen in 1580 het klooster werd opgeheven, had het Provinciale Hof van Utrecht zich daar al gevestigd en in 1876/1877 was het kantongerecht daar ingetrokken. In 1912 kreeg het kantongerecht op het voorterrein een afzonderlijk gebouw, van waaruit ze in 1980 vertrok naar het Janskerkhof 11-13.[i]

De rechtbank bleef tot 2001 gevestigd aan de Hamburgerstraat en aldaar oordeelde de president van de Utrechtse rechtbank op 5 maart 1987 in het geding tussen het COC en Simonis dat de door Simonis verkondigde leer over homoseksualiteit al eeuwen door de kerk wordt verkondigd en daarmee valt onder de godsdienstvrijheid. Hij wees de eis van het COC af (onder meer) omdat hij het vrijwel uitgesloten achtte dat met het discriminatieverbod werd beoogd die leer te verbieden en hij meende dat er “nog niet kan worden gesproken van algemeen aanvaarde opvattingen” die maken dat de uitspraken onrechtmatig zijn wegens “het in strijd zijn met geldende rechtsopvattingen”.[ii] Hieruit blijkt wel dat de president aansluiting zocht bij de op dat moment levende opvattingen in de samenleving. Daarbij liet hij ook nog zien een vooruitziende blik, een goed gevoel voor maatschappelijke ontwikkelingen te hebben. Hij wees er namelijk op dat een aantal wetsvoorstellen in behandeling was om de gelijkstelling tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen en overwoog dat het “geenszins uitgesloten” is “dat daarbij, of kort daarna, dezelfde of gelijksoortige bepalingen van kracht zullen worden met betrekking tot het onderscheid maken naar geslachtelijke geaardheid”. Read more

Bookmark and Share

Uitgelicht ~ Volkerts van Dijk (1913 – 2008)


rechtvoetvolkerts

Portret Volkerts van Dijk door Erika Visser, privécollectie

Voor een portret bij een hoofdstuk over opmerkelijke processen in Utrecht komen verschillende Utrechters in aanmerking. In dit hoofdstuk is de naam Van Dijk al een aantal keren gevallen.

Volkerts Johannes Anthonie van Dijk en Utrecht zijn met elkaar verbonden. Van Dijk werd er op 5 maart 1913 geboren en hij bleef er wonen tot zijn dood op 6 april 2008. Bijna een eeuw dus. Het grootste gedeelte van de vorige eeuw.[i] Van Dijk is een man van de twintigste eeuw.

Meer dan zestig jaar woonde hij met zijn vrouw Mathilde in Tuindorp aan de Albrecht Thaerlaan met uitzicht op station Overvecht. Zij had een zoon. Hun huwelijk bleef kinderloos. Mathilde is ruim een maand na het overlijden van haar echtgenoot gestorven op honderdéénjarige leeftijd. Na zijn pensionering in 1983 kreeg Volkerts van Dijk een aantal keren te maken met een depressie die een verlammende uitwerking op hem had. Ook anderszins liet zijn gezondheid steeds meer te wensen over. Zijn jaren in de eenentwintigste eeuw waren niet zijn beste. Buiten het geluid van optrekkende en voorbijsuizende treinen werd het steeds stiller bij hem thuis aan de Thaerlaan. Volkerts van Dijk deed eindexamen aan het Stedelijk Gymnasium in Utrecht waarna hij Nederlands recht studeerde aan de Utrechtse universiteit. Op 10 juli 1940 promoveerde hij bij prof. mr. Chr. Zevenbergen op het proefschrift “Geschiedenis, aard en werking van het eigendomsvoorbehoud”. Van Dijk had van 1938 tot 1940 het Romeinsrechtelijke pactum reservati dominii bestudeerd.[ii] Hij hield van het Latijn en het Romeinse Recht en vond dat beide onderwerpen hoorden tot de noodzakelijke basiskennis van de jurist.

Van 1965 tot 1969 was Van Dijk hoogleraar Burgerlijk Procesrecht aan de Utrechtse universiteit. Hij heeft na zijn middelbare schooltijd altijd belangstelling gehouden voor de rechtswetenschap. Zijn belangrijkste sporen heeft hij echter nagelaten in de rechtspraktijk. Weinig publicaties zijn van hem bekend, maar zijn taalvaardigheid was indrukwekkend. Hij was kritisch en liet het blijken als hij vond dat een tekst beneden de maat was. Daarom werd hij door menig student, rechter en advocaat gevreesd wanneer zij een stuk aan hem ter beoordeling moesten voorleggen. Zeker is dat hij beducht was voor een mogelijke aantasting van zijn onafhankelijkheid als rechter wanneer hij zou publiceren.

In de rechtspraktijk was Van Dijk onder meer advocaat van 1935 tot 1938 bij mr. H.G.V. Hijmans aan het Jansdam 7 bis en bedrijfsjurist bij de verzekeringsmaatschappij Tiel-Utrecht.
Van 1947 tot 1983 was hij rechter in Utrecht en vanaf 1968 president van de rechtbank. Als president kreeg hij landelijke bekendheid door een groot aantal spraakmakende kortgedingen.
Ook was hij na de Tweede Wereldoorlog nog enkele jaren plaatsvervangend lid van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel, die onder meer was belast met vragen omtrent de eigendom van huizen die tijdens de oorlog aan Joden waren onttrokken en aangaande andere transacties uit de bezettingstijd. De Raad hield destijds zitting in het Utrechtse stadhuis.

De oorlog heeft Van Dijk tot zijn dood parten gespeeld. Zeker in de laatste fase van zijn leven bracht hij bij een ontmoeting vaak de Tweede Wereldoorlog ter sprake. Al voor de oorlog waren zijn ouders verhuisd naar Westerveld. Zijn vader was daar directeur van het crematorium. In het geheim hield zijn vader de gegevens bij van de gefusilleerden die door de Duitsers daarheen werden gebracht.
Van de rechtspleging gedurende de oorlog was hem weinig bekend omdat hij toen nog werkte bij de Tiel-Utrecht. Wel wist hij zich goed te herinneren dat enkele leden van de rechterlijke macht en van de advocatuur ‘fout’ waren geweest. De toenmalige president van de rechtbank was lid van de NSB. In zijn archief bevonden zich stukken uit die periode waaronder een rede van een Utrechtse advocaat van 19 december 1940, die destijds tot veel commotie had geleid. Daarin werden Utrechtse rechters en advocaten verdacht gemaakt. Zij zouden zijn ‘vergiftigd door de vrijmetselarij’. Read more

Bookmark and Share

Dilemma 2 ~ Opmerkelijke processen


Dilemma2Een uitgangspunt in de rechtsstaat is de vrije toegang van iedereen tot de rechtspraak. Dit kan leiden tot overbelasting van de rechter, oplopende kosten en een lange duur van de processen.
De overheid heeft maatregelen genomen ter voorkoming van deze nadelige effecten. Zij verhoogde de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtshulp.
De griffierechten gingen omhoog. Deze maatregelen beperken de toegang tot de rechter.

Het dilemma dringt zich op: ‘snel recht’ met selectie en voorrang aan de poort of ‘langzaam recht’ met toegang tot de rechter voor iedereen op volgorde van binnenkomst?

Bookmark and Share

De Utrechtse School


rechtvoetschoolInleiding
De praktijk van de strafrechtspleging is vaak een goede afspiegeling van het niveau van de rechtsstaat. Hoe wordt gedacht over rechtsbescherming bij rechtshandhaving? Hoe wordt de burger beschermd tegen de staat en tegen populisme? Worden straffen, waaronder lijfstraffen en doodstraf, in het openbaar ten uitvoer gebracht? Oog om oog, tand om tand?
Humaan straffen of harde repressie toepassen? Hoe een evenwicht te bereiken tussen recht doen aan het slachtoffer en het kanaliseren van de behoefte aan vergelding? Vragen waarop de Utrechtse School een antwoord heeft proberen te geven. Willem Bekkers ging op zoek naar de ontstaansgeschiedenis van de Utrechtse School.

“Als we als een van de kernfuncties van het strafrecht nog steeds het kanaliseren van de behoefte aan vergelding zien op een manier waarbij rechtsbescherming van alle betrokkenen en evenredigheid tussen daad en straf vooropstaan…..”[1]

Inleiding
Met schuld en onschuld, met straffen en het geven of krijgen van een herkansing heeft ieder mens, jurist en niet-jurist, bijna dagelijks te maken. Dat geldt gelukkig niet voor criminaliteit, althans criminaliteit waarbij wij zelf of een van onze naasten dader of slachtoffer zijn. Maar ook wanneer we niet zelf of een van onze naasten daarbij direct betrokken zijn, kan criminaliteit ons allemaal beroeren. Bijvoorbeeld bij ernstige gewelds- of levensdelicten. Eerder zal in dat geval in de samenleving worden gedacht aan vergelding dan aan humaan straffen. Juist dan is het kanaliseren van de behoefte aan vergelding noodzakelijk. Of dat kanaliseren zal lukken hangt in belangrijke mate af van het optreden van de aanklager, de advocaat en de rechter en niet te vergeten van de vraag of de uitvoerende macht, eenvoudig gezegd “de politiek”, zich afzijdig houdt zolang de zaak onder de rechter is. In de rechtsstaat is het immers de rechter die de evenredigheid tussen daad en straf moet vaststellen en niemand anders. Zo hebben we dat democratisch afgesproken met elkaar in onze rechtsstaat.

Vergelding
Over vergelding en humaan straffen is door de eeuwen heen verschillend gedacht. Wie – in kringen van juristen – het heeft over humaan strafrecht komt al gauw uit bij “de Utrechtse School”. Deze school ontstond kort na de Tweede Wereldoorlog op initiatief van de Utrechtse hoogleraar Pompe.
Hoe een samenleving omgaat met een gepleegd misdrijf en de vergelding, met schuld en boete, met de misdadiger en het slachtoffer, zegt iets over de samenleving zelf en de conditie en de vitaliteit van de rechtsstaat. Wie staat centraal in het strafproces? De verdachte of het slachtoffer? Of de verdachte én het slachtoffer?
Na twee, betrekkelijk kort op elkaar volgende wereldoorlogen met al hun verschrikkingen en een financiële crisis met grote armoede en wanhoop ontstond wereldwijd, maar vooral in Europa, een sterkte behoefte aan het creëren van een hoopvolle toekomst door nationale en internationale samenwerking en van een humane samenleving met gepaste zorg van de staat voor degenen die deze zorg nodig hadden.
De Utrechtse School, die heeft bestaan van 1947 tot 1963, past goed in dit beeld. Zowel aan de werken van Pompe als aan het ontstaan van de talloze mensenrechtenverdragen kort na de Tweede Wereldoorlog ligt ten grondslag de centrale gedachte: respect voor de menselijke waardigheid.
Nederland heeft door de eeuwen heen een strafrechtelijk verleden dat er niet om liegt.[2] Vaak was het strafproces een schijnvertoning en leverde het alleen maar verliezers op. De straffen waren wreed, met name de schavotstraffen.[3] Read more

Bookmark and Share

Uitgelicht ~ Willem Pompe (1893-1968)


rechtvoetpompeUtrecht heeft een naam hoog te houden waar het gaat om humaan strafrecht. Deze strafrechtelijke en criminologische denkrichting is de basis geweest van wat later is genoemd de Utrechtse School. De grondlegger daarvan is prof. mr. Willem Petrus Joseph Pompe. De gevolgen van de Utrechtse school werken ook nu nog na in de wetenschap en de rechtspraktijk.

Willem Pompe werd geboren in Utrecht op 10 maart 1893 als zoon van Cornelis Andreas Pompe, een koopman in granen, en Johanna Maria Alijda Brom. Willem Pompe trouwde op 4 april 1923 met Petronella Cornelia Maria Jacoba Muijser. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren: twee zonen en drie dochters.
Pompe haalde in 1911 zijn eindexamen aan het Stedelijk Gymnasium in Utrecht, waarna hij aan de Utrechtse universiteit rechten ging studeren. In 1921 promoveerde hij in Utrecht cum laude bij professor David Simons (1860-1930) op “Beveiligingsmaatregelen naast straffen”. Daarna was hij advocaat in Amsterdam en later in Deventer. Bij de (her)oprichting van de Nijmeegse universiteit in 192318 werd hij daar hoogleraar. In 1928 volgde zijn benoeming als hoogleraar in Utrecht en opvolger van zijn promotor. Hij bleef hoogleraar in Utrecht tot 1963.
In de Eerste Wereldoorlog, waarbij Nederland neutraal bleef, had Pompe na de mobilisatie gediend in het leger. Bij de Tweede Wereldoorlog nam hij duidelijk stelling. Onder meer als lid van de discussiegroep 1936-1937 van enkele Utrechtse hoogleraren had hij het nationaal-socialisme scherp veroordeeld. In 1943 legde hij zijn ambt als hoogleraar neer en van 1943 tot 1945 moest hij onderduiken.
Pompe vervulde tijdens zijn hoogleraarschap, maar ook daarna, een groot aantal nevenfuncties. Zo was hij voorzitter van de Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen, de Psychopatenzorg en de Reclassering, raadsheer in de Bijzondere Raad van Cassatie, voorzitter van de Pax Romana19 en voorzitter van de Beneluxcommissie tot eenmaking van het recht. Hij ontving eredoctoraten in Gent en Leuven en werd in 1950 lid van de KNAW.

Willem Pompe was overtuigd rooms-katholiek, hetgeen zijn leven heeft getekend. Daarnaast stond hij sympathiek tegenover het socialisme. Deze combinatie was in zijn tijd betrekkelijk uitzonderlijk. Pompe had een sterk karakter en hij zette zich fel in voor datgene waarin hij geloofde. Hij wist wat hij wilde en hij was daarin consistent. Op herhaalde eervolle uitnodigingen om minister van Justitie te worden of lid van de Hoge Raad der Nederlanden ging hij niet in. Hij wilde hoogleraar blijven. In de beschrijvingen van Pompe vind je vaak woorden terug als waarderen en rechtvaardigheid, sociaal-bewogen solidariteit met zwakkeren en barmhartigheid.
Contantijn Kelk schrijft: “Hij stond zó krachtig voor zijn humane principes dat hij deze tot op het venijnige, ja haast diabolisch, af kon verdedigen. Een oud-leerling gaf daarvan eens déze typering: “een fluwelen handschoen in een ijzeren vuist”.

In zijn afscheidscollege “Strafrecht en vertrouwen in de medemens” van 26 september 1963 waarschuwde Willem Pompe voor vergelding als lege formule als bijvoorbeeld in de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aan de gevangene niet de gelegenheid wordt geboden om het in hem verloren vertrouwen weder te verdienen: dit is pas de werkelijke betekenis van het boeten in de zin van goedmaken. Volgens Pompe dienen aan vergelding ten grondslag te liggen de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens én het goedmaken van de (mis)daad. Read more

Bookmark and Share

Dilemma 3 ~ De Utrechtse School


Dilemma3Een rechtsstaat kent geen absolute vrijheid. Het recht stelt grenzen. Menselijke onvolmaaktheid leidt tot overtreding van deze grenzen.

Is de bestraffing ter goedmaking van het begane onrecht louter gericht op vergelding of staat zij in het teken van barmhartigheid, vergevingsgezindheid en terugkeer in de samenleving?

Lees hier het hoofdstuk uit Recht te voet: : Willem Bekkers – De Utrechtse School.

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Articles

  • Rozenberg Quarterly Archives