Jean Rhys en Ed. de Néve – Een dubbelportret


Jean Rhys (1890 – 1979)

I.  Jean Rhys
Tot de meer opmerkelijke literaire comebacks van de vorige eeuw behoort die van Jean Rhys, de Engelse schrijfster die in 1927 debuteerde, maar pas in 1966 naam maakte. Over haar leven is weinig bekend en wat bekend is, is vaak verkeerd.
Ella Gwendolyn Williams, zoals haar eigenlijke naam luidt, werd op 24 augustus 1894 geboren in Roseau op Dominica, in West-Indië, als dochter van een arts uit Wales en een Creoolse. Dat is niet – zoals vaak gedacht wordt – een kleurlinge, maar een blanke geboren in de koloniën. Toen Jean Rhys het omslag zag van de Nederlandse vertaling van Wide Sargasso Sea, waarop een Surinaamse in klederdracht staat afgebeeld, zei ze: ‘What’s that woman with that funny hat doing on a book of mine?

Haar moeder was een strenge Schotse vrouw met de meisjesnaam Lockhart, afkomstig uit een oud geslacht, dat zich al twee generaties als planters in West-Indië had gevestigd. Maar ze was ’zwaar’ gebleven, ze kon niet Engelser.
Ella is op één na de jongste van drie meisjes en twee jongens. Het was de gewoonte de dochters naar een finishing school in Engeland te sturen, maar Ella wil toneelspeler worden en haar vader steunt haar in dat wilde plan. Op zestienjarige leeftijd vertrekt ze naar een tante in Engeland, maar al na een paar maanden sterft haar vader en is er geen geld meer om de studie voort te zetten.

Ze verwisselt de theorie voor de praktijk en trekt rond met een music-hall gezelschap. Een ervaring die later zijn neerslag zal vinden in de roman Voyage in the dark (1934). Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog ontmoet ze Jean Lenglet, geboren in Tilburg als zoon van een Franse vader en een Nederlandse moeder, die op zijn zeventiende naar Parijs getrokken was waar hij schilderlessen volgde aan de academie en ‘s avonds zong in de cabarets Le Chat Noir en Le Lapin Agile op Montmartre. Later zou hij onder de naam Edouard de Nève een aantal boeken publiceren.
Ze trouwen in 1919 en wonen korte tijd in Den Haag, maar zijn werk als secretaris en tolk bij de Vredescommissie brengt hen onder meer naar Boedapest en Wenen. Het is een gelukkige tijd. Ze hebben geld, Ella wordt bewonderend la poupée de porcelaine de Saxe, het poppetje van Saksisch porcelein, genoemd en herinnert zich deze periode later in vrolijke verhalen.
Op weg van Boedapest naar Parijs wordt in Ukkel een dochter geboren, Maryvonne. Ze is niet blij met het kind: ‘damned baby’. Al eerder had ze een zoontje gekregen, dat na een paar weken aan longontsteking overleden was.

In de jaren twintig oefende Parijs een grote aantrekkingskracht uit op jonge Engelse en Amerikaanse kunstenaars. Ella en Jean vestigen zich op la Rive Gauche, de linker Seine-oever. De Engelse schrijver en editor Ford Madox Ford placht in die dagen als een kloek jonge artistieke talenten te bewaken en hulp op allerlei gebied te offreren. Zo ontmoet hij ook Jean Rhys wanneer haar huwelijk is stukgelopen. Haar hele bezit bestaat uit “een jurk, een paar schoenen en het manuscript van een onpubliceerbare roman”. Ze vindt onderdak op 84 Rue Notre Dame des Champs, in het huis van Ford en zijn tweede vrouw, Stella Bowen. Ford geeft haar literair en Stella cosmetisch advies, maar het blijft niet bij beleefdheidsvragen.

Stella Bowen: “Ik was ongemeen langzaam in de ontdekking dat zij en Ford verliefd waren. (..) Ik was gecast in de rol van de gelukkige echtgenote die alle kaarten in handen hield, en het meisje in die van de arme, moedige en wanhopige bedelares die voorbestemd was teleurgesteld te worden door de bourgeoisie. Ik leerde welk een machtige wapens zwakheid en pathos waren en hoe sterk de positie is van iemand die niets te verliezen heeft.”
De verhouding duurt niet lang, maar vindt zijn literaire neerslag in twee romans van Jean Rhys. Ford en Bowen zijn geportretteerd als het ‘ruimdenkende’ echtpaar Heidler in Quartet (1927) en ook De Nève is aanwezig in de persoon van Stephan. De periode na de relatie is verwerkt tot After leaving Mr. Mackenzie (1930).
Dezelfde situatie als in Quartet wordt beschreven in een boek van De Nève, In de strik (1932), maar dan vanuit het perspectief van Stephan die in de gevangenis zit. Ford  – wiens echte naam Hueffer is – wordt opgevoerd als Hübner. Henriëtte van Eyk, de tweede vrouw van De Nève/Lenglet: “Stephan werd gearresteerd wegens oplichterij. Maar in werkelijkheid, vertelde hij me, is hij gearresteerd omdat hij probeerde Ford te vermoorden. Hij was ontzettend jaloers.”

Ford publiceert enkele verhalen van Jean Rhys in zijn Transatlantic Review en schrijft in een voorwoord bij haar debuut, de verhalenbundel The Left Bank and Other Stories (1927): “Miss Rhys’s work seems to me to be very good, so vivid, so extraordinarily distinguished by the rendering of passion, and so true, that I wish to be connected with it. ”

Ze komt in contact met James Joyce, Ezra Pound en Ernest Hemingway, maar zo heel belangrijk zal de rol die ze in Montparnasse speelde, niet geweest zijn. In geen enkele van de talloze studies en memoires over die tijd wordt ze ook maar genoemd. Haar laatste jaren in Parijs zijn ongelukkig, met vaak alleen de fles als gezelschap. Aan het eind van de jaren twintig keert ze terug naar Engeland.
Tot 1933 wil Jean Lenglet niet van een scheiding weten, om precies te zijn tot hij Henriëtte van Eyk leert kennen. Van Eyk: “Toen we trouwden zou Maryvonne bij haar moeder blijven, maar dat ging niet, omdat die zo vreselijk dronk. En als ze dronk, werd ze zo agressief. Maryvonne had geen leven, ze kreeg niet regelmatig te eten. Toen is ze weer naar Nederland gehaald, en werd op een katholieke kostschool gedaan.”

Read more

Bookmark and Share

Octave Mirbeau: het gedroomde reisverslag


Een Charron Girardot & Voigt uit 1903

In 1907 publiceerde de Franse schrijver Octave Mirbeau – zie Rozenberg Quarterly 1 aug. j.l. – een boek getiteld La 628-E8. Het is een merkwaardig boek, niet alleen vanwege de raadselachtige titel, ook door de inhoud. 628E8 is het nummerbord van een auto, een Charron Girardot & Voigt uit 1903, waarmee Octave Mirbeau rond 1905 een aantal reizen door het noorden van Frankrijk, België, Nederland en Duitsland gemaakt zou hebben. Het boek oogt op het eerste gezicht als een reisverslag, maar is het dat wel? Waarom wijkt dit boek qua inhoud zo af van het andere werk van Mirbeau? Wat probeert hij de lezer met dit boek duidelijk te maken?

Ongelijkheid
Het Dagboek van een kamermeisje van Octave Mirbeau zal voor veel lezers geen onbekende titel zijn, en anders is men misschien bekend met een van de vier filmversies van het boek. De strekking van dat boek is een aanklacht tegen de sociale ongelijkheid in de samenleving, vormgegeven in dagboekfragmenten van het kamermeisje Célestine. Vanuit haar ondergeschikte positie weet zij zich op de maatschappelijke ladder op te werken tot café-eigenaresse. Eenmaal daar, dan blijkt haar houding tot haar ondergeschikten nauwelijks anders dan die van haar vroegere werkgevers. Zo zie je maar, de kans is klein is dat in maatschappelijke verhoudingen wezenlijk iets kan veranderen, stelt Mirbeau.

Tekening door Pierre Bonnard in La 628­E8

Collagetechniek
Dagboek van een kamermeisje was een rechtlijnige roman volgens de toen heersende literaire traditie, het eerder verschenen Le jardin des supplices (De tuin der folteringen, 1899) was dat zeker niet. Mirbeau plaatste hierin fragmenten in een verschillende schrijfstijl, met verschillende verhaallijnen in een niet-chronologische volgorde. In het boek levert hij kritiek op de Franse binnenlandse en buitenlandse politiek, kolonisatie en de Europese zogenaamde beschavingsvormen.
In La 628E8 past Mirbeau een soortgelijke collagetechniek toe. Ogenschijnlijk is het boek een reisverslag: Mirbeau maakt met een auto met chauffeurmonteur diverse reizen door Frankrijk, Nederland, België en Duitsland. Op niet-chronologische wijze beschrijft hij belevenissen en landschappen, steden, dorpen en personen. Als passagier vanaf de achterbank en tegelijk als deelnemer aan de reis levert hij commentaar op een breed scala aan onderwerpen. Hij schetst de leef-en werkomstandigheden van de arbeidende bevolking in plekken die hij doorkruist, hij reageert op sociale ongelijkheid, bekritiseert het militarisme en fulmineert tegen de kerk en haar instituties en tegen de Europese vorstenhuizen.

Satire
Tegelijkertijd pleit hij voor technische vernieuwingen die de mensheid vooruit zullen helpen in de hoop dat deze een betere wereld dichterbij brengen. Nu eens geeft hij zijn mening, dan weer laat hij iemand die hij ontmoet de kritiek leveren. Aan de ene kant komt hij onomwonden voor zijn opvatting uit, dan weer verbergt hij deze subtiel onder een laagje cynisme of hij draait zijn kritiek juist om en verpakt deze als satire, waarmee hij de lezer op het verkeerde been zet.
Maar is het boek ook werkelijk een reisreportage? Mirbeau zelf schrijft: ‘Maar is het wel een verslag? Is het zelfs wel een reis? Zijn het niet eerder dromen, dagdromen, herinneringen, indrukken en verhalen die niets te maken hebben met de bezochte landen maar die eenvoudigweg in mij werden opgeroepen door het gezicht van iemand die ik ontmoette, een landschap dat ik vluchtig zag of een stem die ik dacht te horen zingen of huilen in de wind?’
Inderdaad levert het verslag geen enkel bewijs dat de verhaalde reizen ook daadwerkelijk zo hebben plaatsgevonden. Mirbeaus verslag kan net zo goed met een Baedeckergids als bron, in zijn studeerkamer tot stand zijn gekomen. Koos hij bewust voor deze literaire vorm omdat de traditionele romanvorm hem te weinig mogelijkheden bood? Wellicht kon hij zo beter aandacht schenken aan zijn maatschappijkritiek, aan observaties van sociale omstandigheden en zijn hoop op verandering van de samenleving.

Religieuze walm
Het commentaar bij zijn waarnemingen is soms geraffineerd, vaak met enige nuance, dan weer recht voor z’n raap, gekoppeld aan gebeurtenissen die een reiziger mee zou kunnen maken. Zijn kritiek op sociale omstandigheden verpakt hij in woorden waaruit een duidelijke sympathie blijkt voor werkvolk als arbeiders, dienstmeiden en bedienend personeel. Wanneer zijn chauffeur het niet zo nauw neemt met het geld van zijn opdrachtgever als hij moet tanken en iets in eigen zak steekt, doet Mirbeau daar niet moeilijk over.
Soms stapt hij in de huid van de heersende elite: hij noemt Frankrijk het land van ‘vooruitgang, edelmoedigheid en vernuft’. De cynische ondertoon is duidelijk want zijn klaagzang over de slechte wegen en de armoedige dorpen en steden in het noorden van Frankrijk, is de weerklank van de werkelijkheid.
België vindt hij niet veel beter. In dat land is sprake van een ‘verziekende, religieuze walm’ die ‘een sombere schaduw werpt’ over het land. Het katholicisme noemt hij een ‘koppig geloof’ waarmee hij zijn afkeer van de kerk laat blijken en Brussel vindt hij een afgrijselijke stad. De Belgische koning leidt volgens hem aan grootheidswaanzin. En wat is er over van het België als arbeidersbolwerk dat opstand en verzet kende? Is het wellicht ingepakt door de als inquisitie opererende priesters en bisschoppen, zo vraagt Mirbeau zich af.

Cynische bespiegelingen
Zijn kritiek op vorstenhuizen en militarisme verpakt hij in een gesprek met een anonieme medereiziger in Duitsland. Hij laat deze fulmineren tegen keizer Wilhelm II, diens militarisme, grootheidswaanzin en afkeer van socialisten.
Andere onderwerpen behandelt hij meer bespiegelend. Opmerkelijk is bijvoorbeeld hoe hij over dieren schrijft. Aan de ene kant schetst hij een gemoedelijke sfeer waarbij dieren in de landerijen grazen, aan de andere kant vindt hij dat koeien, paarden en kippen toch wel dom en paniekerig reageren op het verschijnsel auto. Maar ja, dit is onontkoombaar, want is immers de auto niet het voorbeeld van de vooruitgang? Daar kan dus wel eens iets mis gaan.
Met dezelfde cynische ondertoon trekt hij die lijn door naar de mens. De auto symboliseert progressie en verbetering, en Mirbeau juicht bijna wanneer hij beschrijft hoe heerlijk het is ‘een beest’ te worden in een auto, landschappen aan je voorbij te zien flitsen, over wegen te zoeven, en onderdeel te zijn van snelheid. De mens verliest in een auto weliswaar ieder gevoel voor menselijkheid, maar dat is de consequentie van vooruitgang. Dat moet die domme plattelanders die deze stap vooruit niet accepteren, maar eens duidelijk gemaakt worden. Ze moeten niet zeuren. En wanneer die vooruitgang een mensenleven kost (in het boek sterft een meisje door een ongeluk met een auto), dan is dat sneu, maar zo nu en dan onvermijdelijk.

Vernieuwende kunstvormen
Mirbeau stond open voor radicale vernieuwing, voor positieve veranderingen. Dat blijkt uit zijn artikelen waarin hij zich een aanhanger van het anarchisme toont, maar al eerder uit zijn belangstelling voor vernieuwende kunst en cultuur, zoals het Franse expressionisme, voor het werk van schilders als Paul Signac, Pissaro en Van Gogh. Met het boek La 628E8 sluit hij zich aan bij de vernieuwing in de kunst rond de eeuwwisseling. Literatuur moest immers niet een behoudend, statisch karakter hebben, niet krampachtig vasthouden aan tradities vond hij, maar juist doorbrekend zijn en nieuwe vormen ontdekken. Zij moet andere richtingen aanboren en open staan voor andere kunstvormen. Mirbeau doet dat met La 628E8 door observaties van de dagelijkse werkelijkheid en een kritische maatschappijbeschouwing te vermengen. Niet in de vorm van een pamflet of een vlammend artikel, maar door dit subtiel als reisverslag te verpakken om zo een ander lezerspubliek te kunnen trekken. Hij speelde bovendien handig in op de in de negentiende eeuw ontstane belangstelling voor het (literaire) reisverslag.

Ontdekkingsreizen
In een periode van innovatieve ontdekkingen op het gebied van wetenschap en techniek en nieuwe richtingen in politiek, filosofie en cultuur, paste interesse voor andere landen, continenten en culturen. Er bleek vraag te zijn naar op papier gezette verslagen en beschrijvingen van reizen naar nauwelijks ontdekte streken en landen, maar ook naar dichter bij gelegen gebieden (bijv. Henry James, A Little Tour of France, 1884). Dit was voor het gemiddelde lezerspubliek onontgonnen terrein en vrijwel onbereikbaar vanwege de beperkte financiële middelen en de geringe reismogelijkheden in die tijd.
Zo schreef Goethe al in 1816 een verslag van een reis door Italië en al in de achttiende eeuw beschreven Samuel Johnson en James Boswell hun tochten door Schotland. In de negentiende eeuw verschenen serieuze verslagen van ontdekkingsreizen door Siberië, India, de Arabische landen en Afrika. Ook ontstond het fictieve reisverhaal, soms in de vorm van een (utopische) avonturenroman, zoals Gulliver’s Travels (1726) van Jonathan Swift dat al was. Ook een titel als Heart of Darkness (1902) van Joseph Conrad, werk van Robert Louis Stevenson en zelfs van Karl May passen in dit genre.

Avonturenverhalen
De tegelijkertijd toenemende frequente verschijning van goedkope lectuur, zoals populaire geïllustreerde tijdschriften waarin vaak sensationele reis- en avonturenverhalen werden opgenomen, zorgde voor een toename van het lezerspubliek. Met La 628E8 schaarde Mirbeau zich doelbewust onder de auteurs van het reisverhaalgenre. Zijn verslag heeft weliswaar geen opzienbarend karakter, maar precies daarom sloot het aan bij de dagelijkse werkelijkheid van lezers, die hij hoopte niet alleen enigszins in verwarring te brengen, maar toch zeker aan het denken te zetten.

Bronnen:
Een (gedeeltelijke) Nederlandse vertaling van La 628E8, met illustraties van de kunstenaar Pierre Bonnard verscheen als Bonnard, Schetsen van een reis. Uit het dagboek van Octave Mirbeau ‘La 628E8’. Met illustraties van Pierre Bonnard, Bloemendaal 1990.
Nummer 198 van het tijdschrift De AS (2017) is geheel aan Mirbeau gewijd.

Bookmark and Share

Herman Sandman – Bob Dylan: Kovvie in ‘t Zielhoes


Zo schrijft de een over een optreden van Paul Simon in Haarlem, schrijft een ander over Bob Dylan die niet in Haarlem optrad en word je gewezen op het verhaal van Herman Sandman over een fietsende Dylan in het noorden van Groningen

Herman Sandman:

Bob Dylan, dé Bob Dylan, bracht tijdens Europese tournees wel eens een bezoekje aan het noorden van Groningen. De beroemde Amerikaanse singer/songwriter ging dan fietsen in de buurt van Noordpolderzijl. Hij vond het Hogeland mooi. De streek, het landschap, deed hem denken aan het gebied waar hij vandaan kwam, Duluth, Minnesota.
Het klonk te mooi om waar te zijn. Tot ik enkele weken later met Douwe van der Bijl in café De Drie Uiltjes zat. Douwe toonde zich een Dylan-fan en ik vertelde wat ik had gehoord.
‘Hm,’ zei hij.
Daarop kwam hij met een nog mooier verhaal.

Henk Scholte, onze Henk Scholte, in stad en ommeland bekend als verhalenverteller en folkzanger, was op een goede dag in Noordpolderzijl en stapte ’t Zielhoes binnen.
‘Hou is t?’ vroeg Henk aan de waard, de fameuze (inmiddels overleden) Siert van Warner.
‘Rustig,’ was het antwoord, ‘d’r zit allenig n gekke Amerikoan aan de bar kovvie te drinken.’
Waarop de blik van Scholte richting hoek van de bar ging en hij bijna een hartverzakking kreeg.
Bob Dylan.
Scholte begon vervolgens tegen de kroegbaas uit te varen: ‘Dat is gain gekke Amerikoan. Waist die wel wel dat is??!! Dat is Bob Dylan!!!’
Van Warner was bepaald niet onder de indruk: ‘Dat kin mie hailemoal niks schelen. As hai zien kovvie moar betoalt.’

Deze anekdote verscheen in Kleintje Boek & Wereld, uitgegeven door AFDH Uitgevers, Enschede/Doetinchem 2015.

Op zijn blog publiceerde Sandman in 2015 deze anekdote in het Engels. Met een extraatje. Als journalist wil Sandman natuurlijk weten of het verhaal wel op waarheid berustte. De eenvoudigste manier om daarachter te komen, was een berichtje aan Bob Dylan sturen.

Na een tijdje kwam het antwoord. Van meneer Dylan zelf.
[…] I remember riding past places with names like Usquert, Stitswerd en Zandeweer. We had coffee in a café with a strange owner. He just sat there. But you know, I still liked it there, because it was the first place where people didn’t gaze at me. As I was paying for the coffee I sensed that he didn’t trust me at all, not knowing who I was. And yes, you are right: next, a white bearded man came in. A fifty- year old Jesus lookalike with a hangover. ’A druid’, I guessed. […]

Het volledige verhaal is hier te vinden: http://herman-sandman.blogspot.com/2015/02/bob-dylan-loves-cycling-in-holland.html

Nu we toch bezig zijn. Er doet een verhaal de ronde dat een mevrouw een strandwandeling maakte in Oostende. Ze ontmoet een meneer. Ze raken in gesprek en gaan uiteindelijk koffiedrinken. Die meneer was Bob Dylan.
Of die mevrouw zich even wil melden.

1992. Duinkerken. Anneke Hoftijzer en Bob Dylan

4 augustus – Een dag later:

Riep ik gisteren op tot een speurtocht in Vlaanderen, vandaag kan iedereen weer rustig naar huis.
Een paar uur naar de oproep meldde Martin Smit dat de mevrouw in kwestie Anneke Hoftijzer heet. Zij kwam Bob Dylan in 1992 tegen in Duinkerken. Niks Oostende.

In het boek Encounters with Bob Dylan. If You See Him, Say Hello (Humble Press, San Francisco, 2000) staan een veertigtal toevallige ontmoetingen met Dylan, soms met fotografisch bewijs.
Ook het verhaal van mevrouw Hoftijzer staat in dit boek. Zij vertelt dat ze in 1992 tijdens een wandeling door Dylan werd aangesproken met de vraag of zij de jongeman die foto’s van hem maakte, wilde vragen daarmee te stoppen. In de veronderstelling dat de jongeman bij mevrouw Hoftijzer en haar zus hoorde. Als duidelijk is dat de fotograferende jongeman niet bij de twee zussen hoort, biedt Dylan zijn excuses aan en nodigt hen uit voor een drankje.
Als mevrouw Hoftijzer na 25 minuten opstaat om afscheid te nemen, staat ook Dylan op, kijkt haar aan en zegt: ‘You know, I really like you.’
In de woorden van mevrouw Hoftijzer: ‘Then he kissed both my hands and bid us farewell. I have to say, it took me several weeks to get over it.’
Dat ze vier jaar later Dylan tegen het lijf loopt tijdens een wandeling in Magdeburg is een ander verhaal.

Zie ook:
http://rozenbergquarterly.com/paul-simon-en-de-lage-landen/
http://rozenbergquarterly.com/bob-dylan-in-haarlem/

Bookmark and Share

Octave Mirbeau, vergeten literair anarchist


Ondanks zijn romans, journalistieke stukken en ander werk is in overzichtswerken van het socialisme weinig over Octave Mirbeau (1848-1917) te vinden. Domela Nieuwenhuis noemt hem in zijn Geschiedenis van het Socialisme enkele malen, maar in het standaardwerk De Socialisten van H.P.G. Quack is nauwelijks iets over hem terug te vinden. Mirbeau is met name de geschiedenisboekjes ingegaan omdat hij als schrijver met niet aflatende ijver steun betuigde voor de vrijlating van de onschuldige, wegens spionage veroordeelde kapitein Alfred Dreyfuss. Bovendien vanwege zijn pogingen de daden te verklaren van de anarchist Ravachol (1859-1892) die in 1892 enkele bomaanslagen pleegde uit protest tegen het inzetten van soldaten tegen stakers. Op zijn publicitaire conto kan echter veel meer worden bijgeschreven.

Morele monsters
Mirbeau ageerde tegen discriminatie, onderdrukking, onrechtvaardigheid, antisemitisme en ongelijkheid, kerk en staat Hij zag een vrije samenleving als zijn ideaal. Zijn streven bracht hij in praktijk met de mogelijkheden die hem ten dienste stonden en waarmee hij het beste uit de voeten kon: zijn pen en zijn werk. Getroffen door het onrecht dat hij in de samenleving constateerde, ageerde hij daartegen juist als schrijver.
Pierre Michel, voorzitter van de Société Octave Mirbeau, schreef in 2014: ‘Mirbeau heeft veertig jaar lang iedereen ontmaskerd, aan de kaak gesteld, hun schijnheilige grijns doorgeprikt met een hartstochtelijke gedrevenheid; iedereen die het onnozele volk op geraffineerde wijze dom heeft gehouden, ondanks dat dat volk steeds weer respect blijft houden voor de demagogen, de patsers van de politiek, de speculanten, de oplichters van de beurs en de haaien van de industrie en de handel; “de morele monsters” van het onrechtvaardige en repressieve systeem dat “justitie” heet, de zielenknijpers van de kerken, de kwezelaars van de kunsten en de letteren, de clowns en wauwelaars van een corrupte en in slaap sussende pers en alle burgers die zich vetmesten ten koste van de armen en die geen enkel medelijden kennen, geen enkel “artistiek gevoel” en geen enkele persoonlijke gedachte hebben en die zich voor hun morele en intellectuele welzijn een onwrikbaar en moorddadig geweten hebben aangemeten.’

Aanklachten
Mirbeau leverde zijn kritiek in journalistieke commentaren in kranten en tijdschriften, in korte verhalen, romans, theater- en toneelstukken. Hij was geen anarchistisch theoreticus, hij schreef geen anarchistisch handvest, was geen anarchistisch visionair en schetste geen toekomstige ideale samenleving. Nu lijkt het alsof hij in Frankrijk destijds in de zijlijn van het anarchisme opereerde en in hedendaagse anarchistische kringen lijkt hij nogal onbekend, maar hij was iemand die wel degelijk op de voorgrond trad. Hij was geen activist die op de barricades stond en slechts zelden heeft hij in een demonstratie meegelopen. Zijn journalistieke artikelen zijn felle commentaren waarin hij vanuit een anarchistische visie reageert op de actualiteit.
Van zijn romans is Dagboek van een kamermeisje vandaag de dag zijn bekendste werk. Het is een in romanvorm gegoten aanklacht tegen de ongelijkheid in de samenleving. De strekking ervan is glashelder: de arbeidende bevolking wordt uitgebuit en wordt iedere kans op een vrije ontplooiing ontnomen dankzij strenge arbeidswetten, klassenjustitie, autoritair gereguleerd onderwijs en een onoverbrugbaar klassenverschil waarmee staat, kerk, adel en het kapitalistische systeem elkaar in stand houden.

In de jaren zeventig verschenen een aantal van de romans van Mirbeau (deels opnieuw) in het Nederlands. Naast Dagboek onder meer het in 1899 verschenen De tuin der folteringen. Dit boek verwekte destijds nog meer schandaal dan het Dagboek van een kamermeisje. Mirbeau werd bij het schrijven van deze satire geïnspireerd door het werk van Beaudelaire. ‘Men kan het kwaad en de wreedheid alleen bestrijden door ze te beschrijven. Zoals Dante in De Hel heeft gedaan’, stelde Mirbeau zelf. De tuin der folteringen is een curieus boek waarin sadisme en de vreugde daaraan een rol spelen. Tolstoj schijnt gesteld te hebben dat we ‘er de meest verderfelijke hartstochten uit kunnen leren kennen en ons na een gruwelijke maar heilzame catharsis kunnen wapenen om die te bestrijden.’ Op zijn beurt inspireerde Mirbeau met dit boek Kafka tot het schrijven van zijn verhaal In de strafkolonie.

Reactionair
In Dagboek van een kamermeisje en De tuin der folteringen hekelde Mirbeau zijn politieke en artistieke tegenstanders en maakte hij ze belachelijk. In De badkamer van een zenuwlijder gaat hij nog een stap verder. Volgens de Nederlandse uitgever (1974) is het boek een ‘bonte aaneenschakeling van verhalen, gesprekken, anekdoten en herinneringen… Een defilé van uitbuiters, misdadigers en malle omhooggevallen politici, kunstenmakers en geleerden met  obscure theorieën, waanzinnige generaals, schijnvertoon zaaiende baronnen, minzieke oudere dames van adel, sadisten, racisten en protofascisten.’[1]
Mirbeau was al halverwege de dertig toen hij de ommezwaai maakte van reactionair naar anarchist. Een late overstap voor iemand die daarvoor al uitstekend op de hoogte was van de politieke situatie en van vernieuwende ontwikkelingen in kunst en cultuur, met name literatuur en schilderkunst, die hij juist toejuichte. Het is erg waarschijnlijk dat deze vernieuwingen hem ervan doordrongen dat de progressieve ontwikkelingen in kunst en cultuur niet los kunnen staan van radicale omwentelingen in de politiek en in de maatschappij.
Zijn anarchistische visie en zijn kritiek op de verhoudingen in de samenleving ontstonden nadat hij het werk van Tolstoj en de geschriften van Peter Kropotkin had gelezen. Zijn kennismaking in 1888 met de Franse anarchist Jean Grave, redacteur van het anarchistische tijdschrift La Révolte, versterkte zijn anarchistische opvattingen. Die opvattingen zijn met name bepaald door het algemeen gangbare anarchistische denken van die tijd, de laatste decennia van de negentiende eeuw. Zijn kritieken en commentaren zijn ingegeven door de actualiteit van dat moment. Mirbeau reageerde op actuele situaties en gebeurtenissen, plaatste ze tegen de achtergrond van de algehele maatschappelijke toestand. Hij ontwikkelde echter nauwelijks een toekomstvisie, hoewel hij zich realiseerde dat zijn werk wel degelijk een bijdrage was aan een gewenste radicale verandering.

Revolutie
Theoretici van het anarchisme gingen in het laatste kwart van de negentiende eeuw uit van de mogelijkheid en absolute noodzaak van een revolutie, het liefst op wereldschaal, waarna een anarchistische samenleving gerealiseerd zou kunnen worden. Mirbeau hing dit denken ook aan, maar plaatste er ook vraagtekens bij. Dat blijkt onder meer zijn toneelstuk Les Mauvais Bergers uit 1897. Dit door Mirbeau als ‘sociaal en anarchistisch’ betitelde stuk is wederom een aanklacht tegen de misstanden en onderdrukking in de samenleving. Door middel van het stuk wilde hij bij het publiek een bewustwordingsproces in gang zetten, juist bij de elite, dieniet op een maatschappijverandering zat te wachten.
Inhoudelijk is Les Mauvais Bergers niet meer toepasbaar op de huidige maatschappelijke situatie. Het is door tijd en omstandigheden ingehaald. Maar als schets van de arbeidsomstandigheden en de woon- en leefsituatie van de arbeidende bevolking van de periode waarin het is geschreven, geeft het een getrouw beeld. De arbeidersstaking waarvan in het stuk sprake is en die zou moeten leiden tot de noodzakelijke ‘grote omwenteling’, zou er echter nooit komen. In het stuk wordt een staking geleid door een charismatische socialist, geschetst naar het beeld van voormannen in de socialistische beweging zoals die eind negentiende en begin twintigste eeuw een leidende rol speelden, ook in Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog is de rol van dergelijke voortrekkers vrijwel geheel verdwenen. Door het stuk niet met een optimistische blik op de toekomst te eindigen, maar door het in mineur te besluiten, openbaart Mirbeau zijn toekomstvisie: die revolutie zal er niet komen.

Kiezersstaking
Dit pessimisme weerhield hem er echter niet van zich continu in te zetten voor rechtvaardigheid, tegen uitbuiting en repressie en de heersende instituties aan te klagen. Dat blijkt eens te meer uit zijn artikel La grève des électeurs (De Kiezersstaking, 1888), een artikel dat niet veel aan actualiteit heeft ingeboet. In het stuk roept Mirbeau de kiezers op hun stem niet uit te brengen en te staken, omdat stemmen geen wezenlijke  veranderingen in de samenleving en dus in de machtsverhoudingen teweeg kunnen brengen. Met mooie praatjes en dikdoenerij houden de machthebbers het systeem in stand. Het is een illusie dat de kiezer invloed kan uitoefenen door zijn stem uit te brengen. Verkiezingen staan mijlenver af van werkelijke democratie, stelt Mirbeau. Hij laat zijn stakingsoproep voor de kiezers echter vergezeld gaan van een stevige tirade tegen die kiezers die zich als makke schapen naar de slachtbank van het stembureau laten voeren. ‘Hoe is het mogelijk dat er ook maar ergens (…) een brave borst te vinden is die zo stom is, zo achterlijk, zo blind voor alles wat duidelijk zichtbaar is en zo doof is voor alles wat hoorbaar is, dat hij stemt op een royalistische, een religieuze of een socialistische partij, zonder dat er ook maar iets is dat hem daartoe verplicht, zonder dat hij ervoor betaald krijgt of dronken gevoerd wordt?’, schrijft Mirbeau.

Klootjesvolk
Uit zijn betoog spreekt nogal wat minachting voor de kiezer die zich goedgelovig de mooie woorden van de heersende partijen laat aanleunen maar die verder geen actie onderneemt aan zijn positie iets te veranderen. Het doet denken aan de theorie van het ‘klootjesvolk’ zoals die in 1965 door Provo werd gelanceerd. Enerzijds spreekt hij de kiezer verwijtend toe, anderzijds roept hij hen op het systeem te boycotten. In plaats van echter een alternatief te bieden voor verkiezingen, blijft zijn oproep daar steken.
Geprojecteerd op het heden zijn in De Kiezersstaking zeker overeenkomsten te vinden: machtsmisbruik, accumulatie van kapitaal bij grote bedrijven, zelfverrijking, macht van multinationals en het leugenachtige gedrag van politici.
Zijn fundamentele kritiek op de structuur van de samenleving heeft niet afgedaan, maar alternatieven biedt Mirbeau niet. Opmerkelijk is wel dat hij, hoewel hij beïnvloed was door de geschriften van Kropotkin, geen pleidooi houdt voor de door Kropotkin zo wenselijk geachte kleine gemeenschappen op anarchistische, communistische grondslag. Kropotkin (1842-1921) week daarmee af van de binnen het socialisme gangbare opvattingen van het streven naar een grote omwenteling die in een klap de ideale samenleving werkelijkheid zou laten worden. Hij wilde fabrieksarbeid, landbouw en handarbeid laten integreren in een samenleving die een uitwisseling moest zijn tussen stad en platteland.

Idealen
Steeds vaker zien we hoe mensen hun idealen in de dagelijkse praktijk proberen te realiseren. Tegenwoordig komt de leefbaarheid in steden, in de woon- en werkomgeving, meer en meer in het gedrang. En in plaats van te wachten op initiatieven van de overheid of op resultaten van trage ambtelijke molens, kiezen veel mensen ervoor zelf stappen te ondernemen om hun eigen woon-, leef- en werksituatie te verbeteren. De afgelopen decennia zijn er wereldwijd duizenden van dergelijke initiatieven van de grond gekomen op het gebied van energie, onderwijs, landbouw, voedsel, ecologie, natuur, opvoeding en dergelijke, vaak op milieuvriendelijke, coöperatieve en democratische basis. Met dit pragmatisch anarchisme – breng je idealen, voor zover mogelijk, nu al in de praktijk – werd in de tijd van Mirbeau ook al geëxperimenteerd. Utopische gemeenschappen bestonden al in Frankrijk in de negentiende eeuw, maar hun aantal was te beperkt om van propagandistische waarde te kunnen zijn.
Bovendien kon een gemiddeld arbeidersgezin onmogelijk de dagelijkse grauwe werkelijkheid ontvluchten. Mirbeau richtte zich op de bestaande samenleving, bestreed haar uitwassen en wilde het liefst zo snel mogelijk veranderingen zien. Wie zijn werk leest of herleest, ziet een schrijver die weliswaar verbonden is met zijn tijd, maar die ook actuele waarden schetst.

Noot:
[1] Octave Mirbeau, De badkamer van een zenuwlijder, De Arbeiderspers 1974. De flaptekst, van Mirbeaukenner Martin Ros, is te mooi om hier niet weer te geven.

Literatuur: De AS 198, Octave Mirbeau, literair anarchist, zomer 2017.

 

Bookmark and Share

Bob Dylan in Haarlem?


Cobi Schreier (1922 – 2005)

In het artikel Paul Simon en de Lage Landen van Robert-Hank Zuidinga (Rozenberg Quarterly – 3 juli j.l) viel de naam van Cobi Schreier (1922-2005). Als uitbaatster van Taverne De Waag in Haarlem organiseerde ze in 1964 het eerste optreden van Paul Simon in Nederland. Niet Paul Simon, maar Bob Dylan was de aanleiding van het bezoek dat ik haar in 2000 bracht in het Rosa Spierhuis in Laren.

Op 27 september 2000 zou Bob Dylan weer eens optreden in Ahoy in Rotterdam. Een week eerder vond in de Melkweg de manifestatie ‘Bob Dylan moet de Nobelprijs krijgen’ plaats.
Met Huib Schreurs (De Groene), Cor Schlösser (Melkweg), Bert van der Kamp (Oor), Roel Bentz van den Berg en Theodor Holman zat ik in het organiserend comité. Het werd een lange, onvergetelijke avond, met muzikale omlijsting door o.a. Freek de Jonge, CCC Inc., Henk Hofstede, Rick de Leeuw en J.W. Roy & Band. Tal van schrijvers, dichters en journalisten hielden die avond een pleidooi waarom juist Dylan de Nobelprijs verdiende.[1]
NRC Handelsblad wilde daarom die week wel aandacht besteden aan Bob Dylan. Mijn goede vriend Ed, die wel eens een artikel schreef voor de NRC, kreeg de vraag of hij niet iets leuks wist voor een stukje op de achterpagina van die aanstaande 27 september, de dag van Dylans optreden. Ons kwam ter ore dat Cobi Schreier mogelijk een leuk verhaal over Dylan wist te vertellen. Ze zou in de jaren zestig nauw betrokken zijn geweest bij een mogelijk optreden van Dylan in Nederland. Reden dus om haar op te zoeken.

Folkcafé
In haar appartementje in het Rosa Spierhuis luisterden we die middag vijf uur lang naar een enthousiast vertellende Cobi Schreier. In min of meer chronologische volgorde kregen we haar hele levensverhaal te horen, doorvlochten met talloze anekdotes. Plakboeken werden uit de kast getrokken, elpees en singletjes tevoorschijn getoverd en gedraaid.
Voor de oorlog trad Cobi op zestienjarige leeftijd al op voor de VARA-radio. Zichzelf begeleidend op gitaar zong ze liedjes uit de Disneyfilm Sneeuwitje. Na de oorlog legde ze zich toe op oude ballades en volksliedjes en trad ze op voor de VARA en AVRO. Haar ideaal was een cafeetje te beginnen waar allerlei artiesten zouden kunnen optreden. In 1962 kreeg ze de kans De Waag in Haarlem over te nemen. Het was een klein zaaltje, er pasten hooguit honderd mensen in. Onder meer via folkicoon Pete Seeger en contacten in Londen wist ze – toen nog onbekende – folkartiesten naar Haarlem te krijgen voor optredens in De Waag zoals Paul Simon, Alex Campbell, Bert Jansch en Martin Carthy. Ze was geabonneerd op het Amerikaanse folktijdschrift Sing Out! Op die manier raakte ze vertrouwd met het repertoire van Phil Ochs en Joan Baez. Soms vertaalde ze songs om ze zelf in De Waag te kunnen spelen. Lennaert Nijgh was in De Waag vaste gast en een jonge Boudewijn de Groot kreeg de kans er op te treden.

Pete Seeger

Pete Seeger
Contact met Pete Seeger? Hoe kwam dat tot stand? In opdracht van de Ohio Recreation Service maakte ze in 1958 een EP met een aantal Nederlandse volksliedjes, bedoeld voor de Nederlandse gemeenschap in Ohio. Op de B-kant van het plaatje stonden de liedjes in Engelse vertaling. Op de een of andere manier was een exemplaar in handen van Seeger gekomen.
Toen hij in 1964 optrad voor studenten in Leiden, belde hij Cobi op met de vraag of hij in De Waag kon optreden. Op uitnodiging van Seeger bezocht ze hem later in Londen, alwaar hij haar meetroonde naar de folkclubs The Troubadour en de Singers Club. Ze zag er Ewan McColl, de aartsvader van de Engelse folkrevival, Martin Carthy & Dave Swarbrick, Bert Jansch, de Amerikaan Mark Spoelstra en Paul Simon.

Elektrische begeleiding
In 1964 trad de volstrekt onbekende Paul Simon op in De Waag. Geld voor een hotel had hij niet dus sliep hij bij Cobi thuis op de bank. Later, toen hij al wereldberoemd was, bleven ze contact houden. In de jaren zeventig trad hij op in het Concertgebouw. Hij belde Cobi en op zijn uitnodiging zat ze op de eerste rij.
Volgens Cobi zat Simon in 1965 bij haar thuis toen Art Garfunkel hem belde en hem vertelde dat hun song The Sound of Silence door producer Tom Wilson opnieuw was gemixt en uitgebracht, maar… Wilson had er zonder hun medeweten elektrische begeleiding onder gezet.
Mogelijk waren Cobi’s herinneringen bij dit verhaal in de loop der jaren toch enigszins vervaagd. Min of meer hetzelfde verhaal is namelijk bij andere bronnen eveneens te vinden.

Bob Dylan – Royal Albert Hall 1966

Royal Albert Hall
En dan Bob Dylan. In 1966 regelde Cobi via haar contacten met de VARA een optreden van de Amerikaanse blues en folkartieste Odetta op de Nederlandse televisie. Ook zou ze in De Waag spelen. Bob Dylan, op dat moment op tournee in Engeland, hoorde via zijn tourmanager (die hij deelde met Odetta) de hoogte van het gage wat de VARA Odetta zou betalen. Daarop belde de tourmanager Cobi: ‘Kunnen wij met Bob Dylan naar De Waag komen?’ Enkele dagen later belde de manager af. Het ging niet door en Cobi werd afgescheept met een optreden van The Liverpool Spinners.
Omdat tourmanager Derek White duidelijk iets goed te maken had, bood hij Cobi aan het optreden van Dylan in de Royal Albert Hall op 26 mei 1966 bij te wonen. Ze mocht eerste rij zitten en na afloop van het optreden backstage komen. Het was Dylans beruchte tour waarop hij elektrisch ging: voor de pauze speelde hij een akoestische set, na de pauze elektrisch met The Hawks (later The Band) als begeleiders. Backstage was het een heksenketel. Bij de kleedkamers trof Cobi Simon Vinkenoog aan die had gedacht voor de Televizier wel even een interview met Dylan te kunnen maken. Niemand kreeg echter de kans Dylan te spreken. Hij gaf zijn gitaar af en sprintte naar een gereedstaande auto.

Speurtocht
Het stukje voor de achterpagina van de NRC ging uiteindelijk niet door. Ook bij dit verhaal bleken Cobi’s herinneringen mogelijk iets te gekleurd. Enige ongeloofwaardigheid doemde hier op: in onze speurtocht naar meer gegevens over het eventuele optreden van Dylan in Nederland, bleken data niet te kloppen en andere gegevens oncontroleerbaar. De vraag is ook of Bob Dylan tijdens deze tournee, die hem al naar Australië, Zweden en Denemarken had gevoerd, zat te wachten op een optreden in Nederland. Het concert in de Royal Albert Hall was het laatste van de tour. Twee maanden later kreeg Dylan een mysterieus motorongeluk en trok hij zich terug in Woodstock.
Het eerste concert van Bob Dylan in Nederland vond plaats op 23 juni 1978 in De Kuip in Rotterdam.
Het organiseren van onze manifestatie werd uiteindelijk beloond: in 2016 kreeg Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur toegekend.

Noot:
[1] Op de manifestatie Bob Dylan moet de Nobelprijs krijgen, werden voordrachten, gedichten, pleidooien en optredens verzorgd door Bert van der Kamp, Geert Mak, Theodor Holman, Elsbeth Etty, Gijs Schreuders, Martin Bril, Wim Jansen, Edward van Vooten, Wouter van Oorschot, Simon Vinkenoog, Paul Scheffer, René Boomkens, Matthijs van Nieuwkerk, René Zwaap, Sjoerd de Jong, Freek de Jonge, Pieter Steinz, Colet van der Veen, Thomas Verbogt, Hans Righart, dj Pieter Fransen, Huub Stapel, Gerard Reve (telefonisch vanuit België), Peer de Graaf, Henk Tas, Rick de Leeuw, Ed Korlaar, Henk Hofstede, CCC Inc., J.W Roy & Band, Wouter Planteyd & Band. Vic van der Reyt presenteerde de avond.

Bookmark and Share

XXL: De langste


Christine Lavin – Photo: christinelavin.com

7 (Prince and The New Power Generation), Du (Peter Maffay), Now (Dave Berry), Love (Paul Simon): korte songtitels zijn er zat. Interessanter is de vraag naar lange titels, met als hoogtepunt natuurlijk de langste songtitel uit de popgeschiedenis.

Nu lijkt lengte een objectief criterium, in tegenstelling tot persoonlijke voorkeur voor een nummer, een arrangement of het uiterlijk van een artiest. Om al te grote onenigheid te voorkomen, is het daarom wellicht wijs een paar regels aan te houden:
a. alleen letters en cijfers tellen mee, dus geen leestekens en spaties, en
b. een gedeelte tussen haakjes telt ook niet mee (waarmee een flink deel van het Verzameld Werk van Bob Dylan al afvalt).

Een voorbeeld: titelkandidaat is zeker het woordspelige If I said you had a beautiful body would you hold it against me van the Bellamy Brothers, uit 1979. Die zou op 65 tekens uitkomen, als er geen verwarring bestond over het deel na ‘body’. Dat komt in de vakliteratuur – Top 1000-lijsten, pop-encyclopedieën – namelijk in twee versies voor: wèl – dan zijn het 50 tekens – en níet tussen haakjes: 63.

De belangrijkste bron van informatie tegenwoordig, het internet, levert ellenlange lijsten van ellenlange titels op, maar die zijn zonder uitzondering van obscure nummers van obscure bands of artiesten, of zijn alleen maar bedoeld om in het Guinness Book of World Records te komen.
Interessant is trouwens, dat het Guinness Book het in de jazzhoek zoekt. Als langste wordt daar een titel genoemd van pianist en bandleader Hoagy Carmichael, die mijn eeuwige adoratie verworven heeft voor het nummer Stardust, maar die ook de bedenker blijk te zijn van de tonguetwister I’m a Cranky Old Yank in a Clanky Old Tank on the Streets of Yokohama with my Honolulu Mama Doin’ Those Beat-o, Beat-o Flat-On-My-Seat-o, Hirohito Blues uit 1942.
Het nummer van pak ‘m beet een minuut lang, werd, ondanks zijn titel van 127 tekens, nog een bescheiden hitje in de uitvoering van Bing Crosby, maar is als langste titel al lang achterhaald.
De langste telt namelijk 385 tekens en staat op het album Future Fossils (1987) van de Amerikaanse zangeres Christine Lavin:

Regretting What I Said to You When You Called Me 11:00 On a Friday Morning to Tell Me that at 1:00 Friday Afternoon You’re Gonna Leave Your Office, Go Downstairs, Hail a Cab to Go Out to the Airport to Catch a Plane to Go Skiing in the Alps for Two Weeks, Not that I Wanted to Go With You, I Wasn’t Able to Leave Town, I’m Not a Very Good Skier, I Couldn’t Expect You to Pay My Way, But After Going Out With You for Three Years I DON’T Like Surprises!! Subtitled: A Musical Apology.

Rednex

Ook overdreven uitgerekt is deze, van de Zweedse groep Rednex:

The Sad But True Story Of Ray Mingus, The Lumberjack Of Bulk Rock City, And His Never Slacking Stribe In Exploiting The So Far Undiscovered Areas Of The Intention To Bodily Intercourse From The Opposite Species Of His Kind, During Intake Of All The Mental Condition That Could Be Derived From Fermentation: welgeteld 254 tekens.

Nog zo’n nummer waarvan de titel langer is dan de tekst: Long Live British Democracy Which Flourishes and Is Constantly Perfected Under the Immaculate Guidance of the Great, Honourable, Generous and Correct Margaret Hilda Thatcher. She Is the Blue Sky in the Hearts of All Nations. Our People Pay Homage and Bow in Deep Respect and Gratitude to Her. The Milk of Human Kindness, van het Londense Test Dept, komt tot 267 letters. Het staat op het album A good night out uit 1987.

De band Paracoccidioidomicosisproctitissarcomucosis uit Mexico, producent van albums als Cunnilingus (2001) en Satyriasis and Nymphomania (2002), bedacht onder meer het enigszins onvertaalbare Uroporfironogenodescarboxilandome y pustulandome con tu anorgasmita exaclorobencenosisticarial sexo traumatizante (105 tekens).
De Amerikaanse grindcore band Anal cunt wist er ook weg mee. Toch al vaardig in het vinden van provocerende titels van normale lengte – Hitler was a sensitive man, I sent concentration camp footage to Americas Funniest Home Videos en I hope you get deported -, waren de leden extra creatief als het lekker lang moest zijn. Vrouwonvriendelijkheid en homohaat inspireerden tot pareltjes van subtiliteit als Even though you’r [sic] culture oppresses women, you still suck you fucking towelhead (69 tekens), If you don’t like the Village People, you’re fucking gay (47) en I became a counselor so I could tell rape victims they asked for it (54). Hoogtepunt in deze explosie van genuanceerd mensbeeld – The only reason men talk to you is because they want to get laid, you stupid fucking cunt van het album It just gets worse (1999) – is 72 tekens lang.

Een wèl als vermakelijk bedoelde titel kwam van de hand van Barry Mann, de mannelijke helft van het songwriter-duo dat hij vormde met zijn vrouw Cynthia Weil en dat hits voorbracht als You’ve lost that lovin’ feelin’ en Saturday Night at the Movies.
In 1968 bracht hij een single uit getiteld The Young Electric Psychedelic Hippie Flippy Folk and Funky Philosophic Turned-On Groovy 12-String Band. Dat zijn 103 leestekens mèt en 89 zònder spaties.
Het was een persiflage op A simple desultory philippic (or how I was Robert McNamara’d into submission), een eveneens grappig bedoeld nummer van Paul Simon op het album Parsley, Sage, Rosemary and Thyme (1966).

Het wordt duidelijk tijd voor een aanvulling op de spelregels:
c. het moet geen – bedoelde of onbedoelde – onzin zijn (waarmee nòg een deel van het oeuvre van Bob Dylan afvalt) en
d. het moet de titel van een nummer zijn dat een hit geweest is of van een groep of artiest die bekend is of serieus genomen kan worden.

Geen bekendere bands dan the Beatles en the Stones. The Fab Four komen maximaal tot 48 tekens met Everybody’s got something to hide except me and my monkey, van het dubbel-album The Beatles (1968), beter bekend als the White Album. En the Stones raken niet verder dan de 46 tekens van Have you seen your mother, baby, standing in the shadow? uit 1966. En ook The Under Assistant West Coast Promotion Man (1965) komt tot slechts 38.
Nee, dan Pink Floyd. Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving With A Pict, een nummer van Roger Waters op het album Pink Floyd Works (1983), telt 76 tekens.

Even tussendoor: ook het palindroom heeft zijn weg naar de titels van popsongs gevonden. Een palindroom is een woord of naam dat van voor naar achter hetzelfde is als van achter naar voor. Een mooi voorbeeld uit de popcultuur is een album van de Amerikaanse groep Soundgarden. Die bracht in 1992 het dubbel-album Badmotorfinger uit, waarvan deel 2 onder de naam Satanoscillatemy-metallicsonatas, ook bekend als SOMMS.
Daarbij vallen Olé ELO uit 1976 van het Electric Light Orchestra (ELO) en Aoxomoxoa (1969) van The Grateful Dead in het niet. Om nog maar te zwijgen van SOS van ABBA, welke naam zelf ook weer een palindroom is.

Terug naar de langste titels. De Britse groep the Faces veroverde, toen ze al lang niet meer The Small Faces heette, het record voor langste titel van een hitsingle met het 144 c.q. 116 tekens tellende You Can Make Me Dance Sing Or Anything Even Take The Dog For A Walk, Mend A Fuse, Fold Away The Ironing Board Or Any other Domestic Short Coming. Het werd uitgebracht onder de naam Rod Stewart and the Faces – ook Ron Wood maakte daar nog deel van uit voor hij overstapte naar the Stones – en bereikte rond Kerstmis 1974 de 12de plaats in de Engelse top-40. Voor de volledigheid dient vermeld, dat de titel ook voorkomt in een versie waarbij het deel vanaf Even Take The Dog tussen haakjes staat.
Mooie voorbeelden zijn ook nog de albums 3 years, 5 months & 2 days in the life of… uit 1992 van de Amerikaanse band Arrested Development, met 42 dan wel 32 tekens, en It takes a nation of millions to hold us back (1988) van de New Yorkse hip hop-group Public Enemy: 46 tekens mèt en 36 tekens zonder spaties.

Een notoir liefhebber van lange titels is Meatloaf. Alleen al op zijn meesterproef, Bat out of hell (1977) staan You took the words right out of my mouth (Hot summer night) (32 tekens, zònder het deel tussen haakjes), All revved up with no place to go (26) en natuurlijk Paradise by the dashboard light (27). Maar ook op Bat Out of Hell II: Back Into Hell (1993) weet hij van wanten: Objects in the Rear View Mirror May Appear Closer Than They Are telt er 52, en Good Girls Go to Heaven (Bad Girls Go Everywhere).

In Nederland kom je al gauw terecht bij the Golden Earrings, want zo heetten ze nog toen. Just a little bit of peace in my heart is 30 tekens lang en I’m going to send my pigeons to the sky, van het album Golden Earring (1970), slechts 31.
Kampioen van de Lage Landen, echter, is Tröckener Kecks, bekend van frontman Rick de Leeuw. Op>TK, uit 2000, staat Zou Je Niettegenstaande De Recente Gebeurtenissen Toch Nog Een Verblijf Op Amoureus Gebied In Overweging Willen Nemen Alsjeblieft, en die telt 112 tekens. Zonder spaties!
Daarmee vergeleken is Boudewijn de Groots Ballade voor de vriendinnen van een nacht met 35 tekens maar minimaal.

Maar er is geen ontkomen aan: hoe veel van zijn titels er ook afvallen, Meester van de Lange Titel blijft Bob Dylan. Een kleine keuze uit zijn grote oeuvre, willekeurig maar in oplopende mate van onbegrijpelijkheid: I’d hate to be you on that dreadful day (van The Bootleg Series Vol 9: The Witmark Demos 1962-1964, uit 2002) – 31 letters, Stuck inside of Mobile with the Memphis Blues again (op Blonde on Blonde, 1966) – 43 tekens en Talking Bear Mountain Picnic Massacre Blues – van The Bootleg Series Vols 1-3 (1991) – 38 letters
Niet zijn langste maar zeker zijn mooiste: op Highway 61 revisited (1965) staat It takes a lot to laugh, it takes a train to cry: 37 tekens.
Dat is welhaast een liedtekst op zich.

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives