George Orwell – Politics And The English Language

“Politics and the English Language” (1946) is an essay by George Orwell that criticised and ended the “ugly and inaccurate” written English of his time and examines the connection between political orthodoxies and the debasement of language.

The essay focuses on political language, which, according to Orwell, “is designed to make lies sound truthful and murder respectable, and to give an appearance of solidity to pure wind”. Orwell believed that the language used was necessarily vague or meaningless because it was intended to hide the truth rather than express it. This unclear prose was a “contagion” which had spread to those who did not intend to hide the truth, and it concealed a writer’s thoughts from himself and others. Orwell encourages concreteness and clarity instead of vagueness, and individuality over political conformity.

Source: https://en.wikipedia.org/wiki/Politics_and_the_English_Language

Bookmark and Share

Revolutie in galop – De onmisbare rol van het paard in de Mexicaanse Revolutie

Diego Rivera – Emiliano Zapata

De Mexicaanse kunstenaar Diego Rivera maakte in 1932 een litho van de legendarische Mexicaanse boerenleider Emiliano Zapata (1879-1919). Niet zonder reden beeldde hij deze af staand naast zijn witte paard. Zapata was niet alleen een groot paardenliefhebber, maar Rivera symboliseerde hiermee de rol van het paard in de zapatistische revolutie. Hij realiseerde zich dat Zapata en zijn boerenlegers onmogelijk zonder paarden hun revolutionaire strijd hadden kunnen voeren. Dat gold eveneens voor Zapata’s evenknie tijdens de Mexicaanse Revolutie, Pancho Villa (1877?-1923). De tactische strijdmethodes die door beide legerleiders werden toegepast waren alleen mogelijk dankzij een grootschalige inzet van paarden.

Strijdtoneel
Wie wel eens een speelfilm over de Mexicaanse Revolutie (1910-1920) heeft gezien, kent de beelden: in opstuivend zand stormen legers te paard een stad binnen en mannen met sombrero’s, behangen met kogelgordels, schieten schijnbaar doelloos alle kanten op. In de meeste gevallen geven deze films een nogal geromantiseerd beeld van de revolutie en van de leiders Zapata en Villa.[1] Authentieke filmbeelden van Zapata en Villla uit de revolutie hebben echter wel degelijk de basis gelegd voor de uit Hollywood afkomstige clichébeelden.
Over de Mexicaanse Revolutie zijn honderden boeken geschreven.[2] Daarin wordt uitgebreid aandacht besteed aan de door Zapata en Villa toegepaste guerrillatechnieken.
In tegenstelling tot de Franse Revolutie van 1789 en de revoluties in de negentiende eeuw (1848 en de Commune van Parijs in 1871) die plaatsvonden in een stedelijk decor, was de Mexicaanse Revolutie de eerste grootschalige revolutie waarbij steden niet het strijdtoneel vormden. De revolutie speelde zich af in een diversiteit van landbouw- en veeteeltgebieden, woestijn, plattelandsdorpen en bergen.
Zonder gebruik te maken van het paard als vervoermiddel en strijdmiddel, zou deze revolutie in de ontstane vorm nooit hebben plaatsgevonden. De vanzelfsprekende, onmisbare rol van het paard in het dagelijks leven van de meeste Mexicanen – als vervoermiddel en op boerenbedrijven – ontwikkelde zich bijna vanzelfsprekend naar die van essentieel hulpmiddel in de strijd om een beter bestaan.

Emiliano Zapata

Hacendados
Emiliano Zapata, geboren in de zuidelijke Mexicaanse staat Morelos, behoorde niet tot de armste klasse in Mexico. Zijn familie had een klein boerenbedrijf. In Morelos leden de kleine boeren voortdurend onder de misdaden van de grote landeigenaren, de hacendados. Deze eigenden zich land, waterbronnen en soms hele dorpen (pueblos) toe om hun suikerplantages te kunnen uitbreiden. De hacendados voelden zich gesteund door de Mexicaanse dictator Porfirio Díaz, die regeerde van 1876 tot 1911. De kleine landeigenaren en onafhankelijke boeren stonden volgens Díaz de vooruitgang van Mexico in de weg. Zapata wierp zich op als hun vertegenwoordiger en protesteerde voortdurend bij de lokale autoriteiten tegen de handelswijze van de hacendados. Dit had geen enkel resultaat. Zij zagen Zapata als een vervelend obstakel voor hun belangen. Om hem uit de streek weg te krijgen, wist men hem over te halen dienst te nemen in het leger. Daar viel hij op door zijn vakmanschap in de omgang met paarden. Na een half jaar hield hij het leger voor gezien en keerde hij terug naar zijn dorp waar hij als burgemeester werd gekozen. Al voor 1910 begon hij met medestanders stukken land die door de hacendados waren ingepikt, terug te veroveren.

Aanhangers van Madero

Landhervormingen
In 1911 moest Díaz onder druk van presidentskandidaat Francisco Madero het land verlaten.[3] Madero had plannen tot landhervorming en zocht daarvoor steun bij lokale leiders. In de noordelijke staat Chihuahua vond hij de plaatselijke bandiet Doroteo Arango, beter bekend als Pancho Villa, aan zijn zijde. Zapata steunde weliswaar de plannen van Madero, maar vanwege diens achtergrond als grootgrondbezitter, bleef hij hem wantrouwen.
Eenmaal president, kwam van de landhervormingen van Madero niets terecht. Zapata keerde zich tegen Madero en kwam met een eigen plan voor landhervorming, het Plan de Ayala. Zapata wilde de landerijen van de grootgrondbezitters onteigenen en teruggeven aan de kleine boeren en aan de pueblos. Zapata heeft zich nooit anarchist genoemd maar was in belangrijke mate beïnvloed door de anarchistische ideeën van de broers Enrique en Ricardo Flores Magon en door de geschriften van Kropotkin. In 1915 wist hij na verovering van grote delen van Morelos het gebied te herverdelen zoals hij in zijn plan had voorgesteld en tegelijk de levensstandaard voor de boerenbevolking aanzienlijk te verbeteren.
Madero benoemde de meedogenloze generaal Victoriano Huerta tot legerleider, om zo Zapata te kunnen bestrijden. Huerta liet Madero vervolgens uit de weg ruimen en benoemde zichzelf tot president. Het jaar 1914 werd gekenmerkt door een felle strijd tussen het federale leger en de opstandelingen. Het boerenleger van Zapata in Morelos en de troepen van Villa in het noorden, bestookten voortdurend het Mexicaanse leger. Aanvankelijk steunde Villa weliswaar Huerta, maar al snel keerde hij zich van hem af. Villa wilde in de eerste plaats de macht van de grootgrondbezitters doorbreken.

Derde van rechts: Pancho Villa

Paarden
Zapata en Villa waakten ervoor geen grootschalige confrontaties met het federale leger aan te gaan. Vaak werd een hinderlaag opgezet of werden snelle verrassingsovervallen uitgevoerd op kleine legereenheden in het veld of op dorpen en kleine steden die in handen waren van het leger. Omsingelde legereenheden werden tot overgave gedwongen of men ging de strijd aan.
Soldaten die zich aan Zapata overgaven werd de keuze gegeven zich bij hem aan te sluiten of de wapens in te leveren en naar huis te gaan. Officieren werden in de meeste gevallen geëxecuteerd. Na de inname van een stad of dorp werd het stadhuis in brand gestoken waarna men weer verdween. Expedities van het leger op zoek naar de zapatistas bleven meestal zonder resultaat. Na een snelle terugtocht naar eigen gronden, verdwenen de zapatistas geruisloos in de anonimiteit van het dagelijkse boerenleven.

Generaal Huerta inspecteert zijn troepen

Verrassingsaanvallen
Het leger van Zapata bestond uit zo’n drie- tot vijfduizend man, meestal opererend in groepen variërend van tientallen tot enkele honderden. Een belangrijke voorwaarde om snel tot actie te kunnen overgaan, was al vervuld: vrijwel alle soldaten hadden voor hun dagelijks werk al de beschikking over een paard. Wel was het voor Zapata aanvankelijk lastig om aan voldoende wapens te komen. Door haciendas van landeigenaren te overvallen werd het wapenbezit aangevuld. Het doel van Zapata’s guerrillatactiek was door telkens verrassingsaanvallen uit te voeren, de vijand te verzwakken. Daarbij was het zaak de eigen verliezen zo laag mogelijk te houden. Bij voorkeur vielen de zapatistas te paard aan op voor hen bekend terrein, ongeschikt voor de inzet van grote vijandige legers of infanterietroepen. Doorslaggevend voor de successen van de zapatistas was dat de soldaten geworteld waren in de lokale bevolking en er deel van uitmaakten. Zowel met voedselvoorziening als logistiek met de toelevering van paarden, werden de zapatistas door de lokale bevolking ondersteund. Het federale leger bestond uit vijfentwintigduizend man, veelal gelegerd in garnizoensplaatsen. Van daaruit beperkte het zich vooral tot het controleren van de omgeving.
Met weliswaar de beschikking over kanonnen, was het vooral gericht op een negentiende eeuwse, Europese wijze van oorlog voeren, zoals tijdens de Napoleontische oorlogen en de Frans-Duitse oorlog van 1870: een massale inzet van infanterietroepen die slag konden leveren met een soortgelijke tegenstander. Het Mexicaanse leger kon daarom niet effectief reageren op tegenstanders die van guerrillatactieken gebruik maakten. Met name in woestijngebieden en de bergen bleek het leger niet doeltreffend te kunnen opereren.

Pancho Villa voert zijn leger aan

Treinen
Door eveneens guerrilla-aanvallen uit te voeren kon Pancho Villa met zijn leger – variërend van vijf- tot zestienduizend man – in de staat Chihuahua een groot gebied bestrijken. Villa paste graag een overrompelingstactiek toe op zijn tegenstanders, door massaal met zijn manschappen, in volle galop al schietend de vijand tegemoet te treden. Dezelfde aanvalstactiek werd al eerder door de Noord-Amerikaanse Comanche- en Apache-indianen toegepast.
Villa vergrote zijn mobiliteit aanzienlijk door gebruik te maken van gekaapte treinen. Zo kon binnen enkele dagen honderden kilometers verderop een aanval worden uitgevoerd. De paarden van de soldaten werden in de trein gestald, de mannen namen plaats op de daken van de wagons. Met een tweede trein volgden de vrouwen van de soldaten. Villa hechtte er aan dat de echtgenotes en vriendinnen van de soldaten gedurende een veldtocht altijd in de nabijheid waren. Zo werd de desertie van villistas beperkt en de kans op verkrachtingen in veroverde pueblos verkleind. Vrouwen zorgden meestal voor de maaltijden en verzorgden de gewonden. Sommige vrouwen, de soldaderas, reden en vochten in de voorste linies mee.[4]
In het leger van Zapata was het zeker niet ongewoon wanneer een vrouw een officiersrang vervulde.[5]
Van Villa wordt beweerd dat hij zo nu en dan een trein kaapte achter de vijandelijke linies, deze volstopte met explosieven en vervolgens op de vijand liet inrijden. Bekend is dat Villa meerdere malen verslagen tegenstanders zonder pardon liet executeren.

Bankbiljet met Zapata 1994

Triomf en dood
Zapata en Villa hadden geen presidentiële ambities. Hun grootste symbolische triomf was het moment waarop beide mannen in 1914 onder het gejuich van tienduizenden, gezamenlijk Mexico City binnenreden, nadat ze tegenstanders Carranza en Obregón hadden verslagen. In de jaren twintig kwam de Partido Revolucionario Institucional, voortgekomen uit de revolutie, aan de macht. Enkele punten uit het Plan de Ayala werden weliswaar gerealiseerd, maar de landhervormingen werden niet doorgevoerd op de wijze zoals Zapata ze zich had voorgesteld. Nog steeds is de Partido Revolucionario Institucional de toonaangevende partij in Mexico, maar deze is vervallen tot een brede sociaaldemocratische beweging zonder revolutionair elan. Zapata heeft in Mexico nog steeds een legendarische status. In 1919 werd hij in een ingewikkeld complot in een val gelokt. Bij het oprijden van het dorpsplein van Chinameca, werd hij door veronderstelde medestanders doodgeschoten. Pancho Villa trof in 1923 hetzelfde lot. Nadat hij bij een plaatselijke bank goud had opgenomen, werd hij in de hoofdstraat van het plaatsje Parral door tegenstanders onder vuur genomen. Opmerkelijk detail: Villa was niet te paard, maar reed op dat moment in zijn auto, een Dodge.(6)

Noten
[1] De bekendste film is Viva Zapata! (1952) van regisseur Elia Kazan, naar een scenario van John Steinbeck, met Marlon Brando als Zapata, helaas een wat minder goede film van Kazan.
Pancho Villa is in veel Hollywoodproducties meestal vervallen tot een karikatuur, zoals in Villa Rides (1968) met Yul Brynner als Villa, of in Pancho Villa (1972) met Telly Savalas in de hoofdrol. Villa was een ijdele man en niet wars van publiciteit. Een aantal malen werden zijn acties vastgelegd door Amerikaanse filmploegen en in drie films speelde Villa zichzelf.
Een uitstekende documentaire over de Mexicaanse Revolutie en haar betekenis, The Storm that Swept Mexico (2011), is te vinden op Youtube en bevat veel authentieke filmopnames uit de revolutiejaren. Zie hieronder.
[2] Op het verloop van de revolutie kan in het bestek van dit artikel slechts kort worden ingegaan. Enkele titels over de Mexicaanse Revolutie: Ronald Atkin, Revolution! Mexico 1910-1920 (1969); Adolfo Gilly, The Mexican Revolution (1983), Robert E. Quirk, The Mexican Revolution 1914-1915 (1960). Over Zapata zijn o.a. verschenen: Peter E. Newell, Zapata of Mexico (1979); Robert P. Millon, Zapata (1969); John Womack Jr., Zapata and The Mexican Revolution (1969). De Amerikaanse auteur John Reed (de latere schrijver van Ten Days that Shook the World) reisde enige tijd mee met de troepen van Pancho Villa en deed daarvan verslag in zijn boek Insurgent Mexico (1914).
[3] Porfirio Díaz (1830-1915) sleet zijn laatste jaren in Parijs. Hij ligt begraven op Cimetière du Montparnasse (15 e Division) in Parijs.
[4] Tijdens de revolutie ontstond het volksliedje La Adelita. Het lied is een eerbetoon aan de soldaderas en wordt in Mexico nog steeds gespeeld.
[5] Zo werd de onderwijzeres Dolores Jiménes y Muro (1848-1925) in 1914 brigadegeneraal in het leger van Zapata. Ze werkte mee aan het opstellen van het Plan de Ayala en was redactrice van de krant La Voz de Juárez.
[6]  De auto waarin Villa werd gedood is te bezichtigen in het Francisco Villa Museum in Chihuahua, Mexico. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Francisco_Villa_Museum

The Storm that Swept Mexico

Bookmark and Share

Elif Shafak – Zo houd je moed in een tijd van verdeeldheid

Elif Shafak – Ills.: Joseph Sassoon Semah

Hoe kunnen we hoop, vertrouwen en geloof in een betere wereld voeden in een wereld die voelt alsof-ie op instorten staat, waar ontgoocheling en verbijstering heerst en we niet worden gehoord? Door de pandemie maken we nu een betekeniscrisis mee: fundamentele concepten moeten worden geherdefinieerd. De democratie is veel fragieler dan we dachten: ze is een delicaat ecosysteem van checks-and-balances dat voortdurend voeding en verzorging behoeft, aldus Elif Shafak.

Elif Shafak gelooft in de kracht van verhalen om te laten zien hoe democratie, tolerantie en vooruitgang door schrijven kunnen worden gevoed. Zij is geboren in Frankrijk, groeide op in Turkije, Spanje en de Verenigde Staten, en is nu staatsburger van het Verenigd Koninkrijk, maar leeft vooral in ‘Verhalenland’.
Als romanschrijfster voelt ze zich aangetrokken door verhalen en door stiltes. Haar aandacht is vooral gefocust op de ‘periferie’, de gemarginaliseerde, achtergestelde, rechteloze en gecensureerde stemmen. En op taboes: politieke, culturele en gendertaboes, want als we niet luisteren naar afwijkende meningen, stoppen we met leren.
Groepsdenken of sociale mediabubbels voeden en versterken de herhaling. Daarom moeten we blijven bewegen, intellectuele nomaden worden, tijd doorbrengen aan de randen van de samenleving.

De mensen zijn ontgoocheld doordat hun stem niet wordt gehoord, worden geconfronteerd met een politiek systeem dat bestaat uit marketingsteksten, een financiële markt die wordt gedreven door hebzucht en winst, recente gebeurtenissen die niet meer verlopen op de lineaire progressieve manier zoals eerder. Mensen zijn verbijsterd doordat kunstmatige intelligentie en data steeds meer invloed krijgen, zonder dat gewacht wordt totdat het menselijk verstand het kan bevatten. Wat rest is een grote leegte, een onzeker bestaan en een onbekend en onvoorspelbaar begin, waar we helemaal alleen zijn, zonder dat we deel uit maken van een collectief. We zijn ongerust over de toestand van de wereld, en onze plaats daarin, of juist gebrek aan een eigen plaats. We hebben een voortdurende onrust, een existentiële angst, we zijn kwetsbaar. We zijn bezorgd en boos. Hoe kunnen we die individuele en collectieve woede omzetten in een positieve kracht en betrokken zijn? En niet apathisch zijn waardoor we geïsoleerd raken.

Het staat voor Elif Shafak vast dat we niet kunnen terugkeren naar de situatie van voor de pandemie. We hebben de keuze tussen het nationalisme, de ‘eigen volk eerst’-benadering of de weg naar internationale communicatie en samenwerking. De keuze is afhankelijk van economische en politieke factoren, maar ook van het debat over identiteit. Hoe we onze identiteit benaderen zal onze volgende stappen bepalen, aldus Shafak. Zij definieert zichzelf als een wereldburger, een universele ziel, burger van de hele mensheid. We moeten allemaal geëngageerde, betrokken burgers worden. Verhalen kunnen ons daarbij helpen, ze leveren een genuanceerder, reflectievere manier om te beschouwen, ervaren, voelen en herinneren. Ze geven inzicht in de complexiteit en rijkdom van identiteiten, en van de schade die we aanrichten als we die proberen te reduceren tot één enkel definiërend kenmerk. Verhalen hebben een herscheppende kracht om ‘mensen samen te brengen, onze cognitieve horizon te verbreden, en langzaam maar zeker meer empathie en wijsheid te ontwikkelen’.

Elif Shafak – Zo houd je moed in een tijd van verdeeldheid. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2020. 96 pag. ISBN9789046828151

Elif Shafak schrijft in het Engels en Turks. Haar werk is in vijftig talen vertaald en won diverse internationale prijzen.

Elif Shafak – The revolutionary power of diverse thought

“From populist demagogues, we will learn the indispensability of democracy,” says novelist Elif Shafak. “From isolationists, we will learn the need for global solidarity. And from tribalists, we will learn the beauty of cosmopolitanism” A native of Turkey, Shafak has experienced firsthand the devastation that a loss of diversity can bring — and she knows the revolutionary power of plurality in response to authoritarianism. In this passionate, personal talk, she reminds us that there are no binaries, in politics, emotions and our identities. “One should never, ever remain silent for fear of complexity,” Shafak says.

Check out more TED Talks: http://www.ted.com

Bookmark and Share

The Mizrahi Project – The Heartbreaking Stories Of The Forgotten Jewish Refugees

Here is a compilation of all 18 of our original film interviews.

Shuli Wilder was born in Rishon L’Tzion, Israel and is of Moroccan descent. Shuli’s mother, Perla Abergel, was born in Casablanca, Morocco. Jewish people have an extensive history in the land of Morocco, reaching as far back as 587 BCE. At one point, Morocco boasted a Jewish population of nearly 300,000…

Odin Ozdil is part of a family who has a history in Turkey which reaches back hundreds of years. Unfortunately, relations in Turkey have been deteriorating with its Jewish population for some time now. As a result, many people in the region are becoming less open about sharing the fact that they’re Jewish…

David Suissa was born in Berrechid, a small town just outside of Casablanca, Morocco. Although Jews of Morocco have an extensive history, they were forced to live as second class citizens, or “Dhimmi”, which means they are not granted the same basic human rights as Muslim citizens. In spite of being an ill-treated minority, David’s family remained deeply connected to the Moroccan culture…

Mary Livi and her family serve as an example of the diversity found in Israel. Mary’s father was born in Israel, but is of Libyan heritage, and her mother was born in Morocco. Mary’s husband was born in Israel, and is the descendent of a Yemeni mother, and a Moroccan father…

Elie Nounou was born in Cairo, Egypt in 1930. However, in the 1930’s and 40’s, with anti-Jewish sentiment growing, life for Jews living in Egypt was becoming progressively more difficult. With the reestablishment of Israel in 1948, relations between Arabs and Jews deteriorated even more…

Joseph Shamash was born in 1948, in Baghdad, Iraq. His family ancestry in Iraq goes back numerous generations. Although Jews in Iraq had a rich history they were forced to live as second class citizens. There were also acts of great violence perpetrated against the Jewish people. Joseph’s parents lived through the Farhud of Baghdad, which took place in June, of 1941…

Rachel Wahba was born in 1946. Her heritage is Egyptian-Iraqi, yet she was born in India, and grew up stateless in Japan. Rachel’s parents were both faced with challenges growing up in their home countries. Although Jews in Egypt and Iraq have a rich history, they were forced to live as second class citizens. Rachel’s father fled Egypt after Hitler’s “Mein Kampf” became a bestseller…

Julie Ozon was born and raised in Egypt. In 1949, the region became too unsafe, leaving Julie and her family with no choice but to flee their home. They were forced to abandon their possessions in Egypt — fleeing with not much more than the clothes they were wearing…

Karmel Melamed was born in 1978, in Tehran, Iran. However, due to growing violence and uncertainty under the rule of Ayatollah Khomeini, Karmel and his family fled Iran in 1980. Now a journalist, Karmel remains committed to making known the Iranian regime’s human rights abuses…

Joe and Remy Pessah met in Cairo, Egypt in 1960. A few years later, they were engaged and planning their wedding. However, everything changed in 1967, when Egypt, along with other Arab Nations declared war on Israel. Although it was unexpected, Israel emerged from the war victorious. Following Egypt’s defeat, the government sought to take revenge — turning their anger on Jewish citizens within their own country…

Gina Waldman was born and raised in Tripoli, Libya and lived as second class citizen, or “Dhimmi”. She faced great challenges growing up in Libya. In 1967, Gina and her family were forced to flee escalating violence. Gina’s family fled Libya and relocated to Italy. She eventually immigrated to the United States, and is the President and Co-founder of Jews Indigenous to the Middle East and North Africa (JIMENA) http://jimena.org. Gina remains committed to speaking out on behalf of the “forgotten refugees”.

Hila Oved-Brog is an Israeli, with Libyan and German heritage. When Hila’s father was just a boy he was forced to flee Libya, due to violence after the Second World War. Hila’s maternal grandfather survived the Holocaust and made his way toward safety in Israel. Despite what her family has been through, Hila was taught the value of triumphing over hate with love and forgiveness.

Widad was born in Iraq in 1940, and witnessed the persecution and killing of Jews. She escaped in 1965 and is very grateful that the Jews now have Israel as their home.

Frank Nikbakht was born in Tehran in 1953, and witnessed the Revolution and the war with Iraq – as a Jew.

After being taken hostage right across from the American Embassy in Tehran, Simon Sion Ebrahimi needed to find a way to escape Iran.

As a Jew born in Tripoli, Libya, neither religious persecution, nor life in a refugee camp could break Penina Meghnagi Solomon‘s spirit.

Growing up as a Jew during the Farhud in Baghdad, Joseph Samuels‘ story is a peek into a forgotten history.

Bookmark and Share

Frantz Fanon: Black Skin, White Mask [documentary]

Frantz Fanon, also known as Ibrahim Frantz Fanon, was a French West Indian psychiatrist and political philosopher from the French colony of Martinique, whose works are influential in the fields of post-colonial studies, critical theory and Marxism.

Filmmaker and installation artist, Isaac Julien CBE RA, was born in 1960 in London, where he currently lives and works. His multi-screen film installations and photographs incorporate different artistic disciplines to create a poetic and unique visual language. His 1989 documentary-drama exploring author Langston Hughes and the Harlem Renaissance titled Looking for Langston garnered Julien a cult following while his 1991 debut feature Young Soul Rebels won the Semaine de la Critique prize at the Cannes Film Festival.

Bookmark and Share

Verslagen uit Spanje

De Amerikaanse journaliste Virginia Cowles, die in 1936 voor de Engelse Sunday Times naar Spanje vertrok om verslag te doen van de Spaanse Burgeroorlog, bekende later – in haar indrukwekkende oorlogsmemoires Looking for Trouble (1941) – niet in alle opzichten goed voorbereid te zijn geweest op haar werk als correspondente. Ze arriveerde in een door de Franco-troepen belegerd Madrid, in kleding volstrekt ongeschikt voor een oorlogssituatie. Strompelend op hakken en gekleed in rok bracht ze onder meer een bezoek aan republikeinse loopgraven. Ondanks de ernst van de situatie levert haar informatieve verslag van dat bezoek daardoor hilarische momenten op.

Madrid werd vanaf oktober 1936 continu belegerd door de nationalistische troepen van generaal Franco. Vrijwel dagelijks werd de stad beschoten door kanonnen en mortieren. Honderden gebouwen lagen in puin, duizenden bewoners waren de stad ontvlucht. De aanlevering van voedsel naar de stad was minimaal, een hongersnood stond op uitbreken.

Virginia Cowles

Correspondenten
Virginia Cowles boekte een kamer in Hotel Florida aan de Plaza de Callao in Madrid. Het was de plek waar de internationale oorlogscorrespondenten zich hadden verzameld om van daaruit verslag te doen van de belegering, Ze ontmoette er onder anderen Sefton Delmer van de Daily Express, Ernest Hemingway en Martha Gellhorn (de latere Mrs. Hemingway), die beiden schreven voor Collier’s Weekly en schrijver John Dos Passos. Oorlogsfotograaf Robert Capa verbleef er diverse malen, meestal in gezelschap van zijn vriendin Gerda Taro, de fotografe die later aan het front om het leven zou komen. De Nederlandse regisseur Joris Ivens was er met zijn cameraman John Fernhout om de film Spanish Earth te draaien.
Correspondenten Jay Allen van de Chicago Herald Tribune, Mikhail Koltsov (Pravda) en de journalisten Louis Fischer en George Steer waren frequente gasten van het hotel.

Toevluchtsoord
De eerste vraag die Cowles door haar collega’s werd gesteld was: heb je wat te eten meegenomen? In Hotel Florida was nauwelijks voedsel voorhanden. Hemingway maakte zich bij de anderen populair omdat hij er vaak in slaagde bacon, eieren, koffie en marmelade te regelen, bovendien was whisky en gin op zijn kamer ruim voorradig. De kamer van Hemingway was tijdens beschietingen van de stad, sowieso een toevluchtsoord voor de andere correspondenten: Hemingway had, zeer uitgekiend, de kamer genomen die net buiten het schootsveld van het geschut lag.
De correspondenten in Hotel Florida werkten onder moeilijke omstandigheden. Door de belegering was normaal werken vrijwel onmogelijk. Het verblijf in de stad en het reizen naar het front leverde voortdurend gevaren op. Bijna dagelijks was het een worsteling een telefoon of telegraafapparatuur te bemachtigen in het gebouw van de censoren van de republikeinse regering. Het contact met de censoren leverde ook nog eens talloze aanvaringen op, omdat niet ieder bericht wat het land uit zou gaan hun goedkeuring kon wegdragen.

Martha Gellhorn in Spanje

Anti-Franco
Voor de meeste correspondenten lag de sympathie duidelijk bij de republiek Spanje en niet bij de opstandelingen van Franco. Meer en meer raakten degenen die het beleg meemaakten overtuigd van de legitimatie van de strijd van de republiek.
Journalisten met een dergelijke opvatting, van wie juist verwacht werd dat zij een objectief verslag zouden leveren maar die toch blijk gaven van loyaliteit met de republikeinse zaak en dat in hun artikelen probeerden uit te drukken, kwamen daardoor soms in een lastige positie.
Gezien de anti-interventie politiek van Engeland, Frankrijk en de VS – de weigering van deze landen wapens te leveren aan de republiek – hielden veel krantenredacties er een behouden standpunt ten opzichte van het Spaanse conflict op na. Het kwam vaak voor dat artikelen die prorepubliek of anti-Franco waren, werden gewijzigd, of niet werden geplaatst. Zo waren de kranten van de conservatieve Amerikaanse persmagnaat Randolph Hearst fel tegen de republiek. Journalist Jay Allen werd door de Hearst-krant The Chicago Herald Tribune ontslagen, omdat hij in zijn artikelen te veel de kant van de republiek koos.
Soms ging de sympathie van correspondenten voor de republiek heel ver. Sommigen van hen, zoals Ernest Hemingway, Martha Gellhorn, Louis Fischer, Jay Allen en George Steer, stelden zich min of meer in dienst van de republiek, soms voor hand- en spandiensten, soms voor wezenlijke zaken zoals wapenaankopen. Zij waren bijna partizanen in dienst van de republiek, constateert de Engelse historicus Paul Preston in zijn werk over oorlogscorrespondenten in Spanje.

Mikhail Koltsov (rechts) in gesprek met de anarchistische leider Durruti

Contrarevolutionair
Zo schreef de Russische schrijver en journalist Mikhail Koltsov in 1936 en 1937 vanuit Spanje een serie artikelen voor de Pravda, die hem in de Sovjet-Unie erg populair maakten. Voor zijn serie sprak hij onder anderen met de Spaanse president Azaña en met de anarchistische voormannen Durruti en Juan García Oliver. Er is veel gespeculeerd over Koltsovs werkelijke rol tijdens het Spaanse conflict, want hij functioneerde tevens als politiek adviseur voor de Spaanse regering en bleek in meerdere kringen invloed te kunnen uitoefenen. Vermoedelijk was hij een hoge ambtenaar bij de geheime dienst of luchtmacht van de Sovjet-Unie. Zijn wekelijkse telefoongesprekken met Stalin wijzen in die richting. Als beloning voor zijn werk in Spanje werd hij bij terugkeer in de Sovjet-Unie in 1938 benoemd tot lid van de Opperste Sovjet. Tijdens de golf van arrestaties van ‘contrarevolutionaire elementen’ werd hij echter nog datzelfde jaar gearresteerd en geëxecuteerd.

Louis Fischer

Wapenembargo
Ook de Amerikaanse journalist Louis Fischer van het tijdschrift The Nation, werd er van beschuldigd een Sovjetagent te zijn. Dat was hij echter niet, ook al woonde zijn gezin in Moskou. Fischer had aanvankelijk sterke sympathie voor het communisme en hij steunde de Spaanse republiek waar mogelijk. Hij had contacten met politici en diplomaten in Spanje, de VS en de Sovjet-Unie, was bevriend met de Spaanse president Azaña en de socialistische leider Largo Caballero. Hij sprak Russisch, Duits en Spaans en hij werd geroemd om zijn levendige en altijd zeer informatieve artikelen. Politici vertrouwden hem omdat hij altijd betrouwbare informatie wist te geven. In Spanje ging hij bijna wekelijks op bezoek bij de Spaanse premier Juan Negrín. Terwijl deze ’s ochtends in bad zat, zat Fischer op het toiletdeksel met een notitieblok en bespraken zij de situatie in Spanje en de wereld. Fischer was fel tegen het door de VS afgekondigde wapenembargo tegen Spanje. In zijn contacten met diplomaten en politici, waaronder Amerikaanse congresleden, maar ook met first lady Eleanor Roosevelt, probeerde hij – tevergeefs – de VS op andere gedachten te brengen.

Wapenaankopen
Verslaggever Jay Allen, volgens velen de best geïnformeerde journalist destijds, probeerde in diplomatenkringen zijn invloed aan te wenden om het wapenembargo op te heffen. Allen had in augustus 1936 naam gemaakt met een ijzingwekkend verslag over wat hij had aangetroffen in de arena van Badajoz, waar enige dagen daarvoor honderden mensen door de Franco-troepen waren geëxecuteerd. Bovendien maakte hij het laatste interview met de falangistische leider José Antonio Prima de Rivera, voordat deze werd geëxecuteerd. Jay Allen poogde tijdens de burgeroorlog in Londen wapens te kopen voor de republiek. In de jaren veertig zette hij zich aan een gedetailleerde geschiedschrijving van de Spaanse burgeroorlog, geassisteerd door de jonge Amerikaanse academicus Herbert Southworth en de latere historica Barbara Tuchman, een werk dat helaas nooit is voltooid.

Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives