Zorg voor ouderen met dementie en de openbare ruimte ~ Wandelen met Alzheimer


Winsum, Molenstraat Foto: wikipedia

Nu ouderen met dementie steeds langer thuis blijven wonen, zijn alle ogen gericht op de zorg aan huis en aanpassingen aan de woning. Toch loont het de moeite om ook eens te kijken naar de openbare ruimte. Valt er iets te beleven voor ze? Nodigt de buurt uit om een frisse neus te halen? En voelen ze zich buitenshuis veilig en comfortabel? Want kwetsbare ouderen die vaker de deur uit komen, blijven langer zelfstandig wonen. Aandacht voor zorg en gezondheid eindigt niet bij de voordeur.

In het dorpscafé in het Noord-Groningse Winsum zijn de Pieterpad-wandelaars te herkennen aan hun rugzakken en robuuste schoenen. Vanaf een tafeltje aan het raam kijken ze uit op De Boog, een stenen brug over het Winsumerdiep dat het dorp in tweeën deelt. Hun wandeling begon 11 kilometer eerder in het wadloopdorp Pieterburen en ze hebben nog zo’n 500 kilometer te gaan voor het eindpunt: de Sint Pietersberg bij Maastricht. Als ík met mijn moeder het café binnenstap, heeft ze een wandeling van nog geen kilometer achter de rug. Voor haar een prestatie van formaat; ze is de 80 ruim gepasseerd en laat ze zich het liefst halen en brengen met de auto.

Daar komt bij, mijn moeder heeft Alzheimer. Dat begon een jaar of vijf geleden vrij onschuldig. Met sleutels die regelmatig zoek waren. Of ze vroeg zich lopend naar de keuken af wat ze daar ook alweer van plan was. Dit stadium van vergeetachtigheid had nog wel zijn charme. Per slot, wie laat nooit ergens een sleutel of beurs liggen? Maar bij beginnende dementie kan het lastig zijn om de ernst van de situatie goed te taxeren. De typische verschijnselen gaan vaak gepaard met de gevolgen van andere kwalen die op oudere leeftijd veel voorkomen. Zo bleek bij mijn moeder dat haar medicatie voor suikerziekte niet goed was ingesteld. Haar conditie verbeterde zienderogen toen dit eenmaal op orde was. Maar haar dementie bleef, daar is nog steeds geen medicijn voor gevonden. Waarom dit zo moeilijk is, leggen we uit in https://www.youtube.com

De medische doorbraak in het bestrijden van dementie laat nog op zich wachten. Desondanks is er in de afgelopen tien, twintig jaar veel verbeterd voor mensen met dementie. Er is flink geïnvesteerd in medisch onderzoek, hierdoor weten we veel meer over de oorzaken en het ziekteproces. En kan de diagnose dementie in een veel eerder stadium worden vastgesteld. Er is berekend dat ons de komende 30 jaar een verdubbeling van het aantal mensen met dementie te wachten staat. (zie:https://www.btsg.nl//dementie/prognose.html ) Maar de belangrijkste vorderingen zijn gemaakt op sociaal vlak. De begeleiding is verbeterd en de emancipatie van mensen met dementie is in gang gezet. Dementie is veel meer dan alleen een ziekte.

De diagnose
Mijn eerste kennismaking met dementie dateert van zo’n twintig jaar geleden. Dat was tijdens een openbare bijeenkomst voor mensen met dementie, verwanten, professionals en belangstellenden. In een grote zaal van de Leidse universiteit ging de psycholoog Bère Miesen op een podium in gesprek met mensen die niet lang daarvoor de diagnose dementie te horen hadden gekregen. Op een groot scherm liet hij gefilmde fragmenten zien van eerder opgenomen interviews. Zijn vragen gingen vooral over de diagnose, hoe ze die te horen hadden gekregen en wat dit voor hen betekende. Verwanten en professionals in de zaal konden hierop reageren en kregen de gelegenheid iets over hun eigen ervaringen te vertellen. De strekking was dat de diagnose op iedereen een enorme impact had gehad. In emotioneel opzicht, in het dagelijks leven en in het contact met hun dierbaren. Maar ook dat iedereen een eigen geschiedenis heeft en een eigen verhaal.

Ik had achterin de zaal plaats genomen. Op een gegeven moment stond naast mij een man op die zich voorstelde als verpleegkundige. Hij vertelde dat bij hem dementie in een vroeg stadium was geconstateerd. En dat hij onder de indruk was van de verhalen. Daar herkende hij veel van zichzelf in. Even later, tijdens het informele deel van de bijeenkomst, legde deze man me uit dat de diagnose behalve een shock, toch ook een opluchting voor hem was geweest. Op zijn werk liep hij vast, hij was in de ziektewet terecht gekomen en ook thuis liepen de spanningen op. Een flinke burn-out dacht iedereen. Hij zelf ook; geen haar op zijn hoofd had ooit stil gestaan bij dementie. Toch had de diagnose hem ook rust gebracht, hij hoefde zich niet langer schuldig over van alles te voelen. Sinds die bijeenkomst in Leiden associeer ik dementie niet meer alleen met oude mensen in verpleeghuizen die in bed, of hangend in een stoel wezenloos voor zich uit kijken. Dat is het laatste stadium. Ik was na die avond benieuwd naar verhalen over het proces dat hieraan vooraf gaat. In de jaren daarna bezocht ik een aantal keer een Alzheimer café, bijeenkomsten waar mensen met dementie, hun verwanten, mantelzorgers en professionals elkaar treffen en ervaringen uitwisselen. Een huiskamerversie van die gedenkwaardige avond in Leiden. Read more

Bookmark and Share

‘Samen maken we Nederland dementievriendelijker!’ ~ Hoezo dementievriendelijk?


LogoDementieHet polderen is nooit ver weg als zich in ons land een lastig maatschappelijk probleem aandient. Zo gaan we het spookbeeld van dementie te lijf met een deltaplan dementie. En luidt de campagne die de overheid onlangs lanceerde: Samen maken we Nederland dementievriendelijker! Zeg daar maar eens nee tegen. Toch een aantal kritische noten.

Eerst de dementie. Hoe ernstig is de situatie? Het goede nieuws is dat we gemiddeld steeds ouder worden en langer gezond blijven. Daar zit ook een keerzijde aan, want door deze hogere leeftijd loopt de komende generatie ouderen wel meer risico op dementie. In percentages is die kans 10% bij mensen boven de 65, en loopt dit op naar ruim 20% boven de 80, tot 40% boven de 90 jaar. Het is een populatie die de komende dertig jaar in omvang groeit. Nederland telt nu nog ruim 260.000 mensen met dementie, over dertig jaar zijn dit naar verwachting zo’n 400.000. Daarmee is het tegen die tijd volksziekte nummer één. En waarschijnlijk ook de grootste kostenpost in de gezondheidszorg. In 2013 werden die kosten geraamd op 4 miljard per jaar, vijf procent van het totale bedrag dat omgaat in de zorg. Deze uitgaven zullen per jaar met 2,7 % stijgen. Een groeiend aantal ouderen met dementie heeft grote gevolgen, allereerst voor de zorg, maar er dreigt ook een gigantisch financieel probleem.

Kostbaar bezit
Driekwart van de mensen met dementie woont thuis, dat is dankzij de hulp van mantelzorgers, vrienden, vrijwilligers en aanvullende professionele zorg aan huis. Het is alleen de vraag of dit over dertig jaar nog zo is, want de overheid wordt steeds kieskeuriger in het verstrekken van zorg en hulp in de huishouding. Daar staat weer tegenover dat er in brede kring overeenstemming bestaat over het streven om ouderen, ook als ze dementie hebben, zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen. Dit komt overeen met de wens van ouderen zelf. Voor het gros van hen is het verblijf in hun vertrouwde omgeving een kostbaar bezit, zeker als het geheugen hen in de steek begint te laten. Maar naarmate hun dementie toeneemt, wordt ook de druk van de omgeving groter om uit te wijken naar een zorgvoorziening. Bijvoorbeeld op het moment dat de inrichting van het huis tekortschiet en er aanpassingen nodig zijn. Of wanneer er steeds meer aanvullende zorg moet komen en het verblijf thuis heel duur wordt. In een later stadium van het ziekteproces spelen financiën steeds meer een rol bij deze afwegingen.

Dutch approach
Het streven dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig in hun huis wonen, staat ook bij de overheid hoog in het beleidsvaandel. Begin mei dit jaar, gaf staatssecretaris Martin van Rijn tijdens een groot internationaal congres in Amsterdam een toelichting op de hoofdlijnen van zijn dementiebeleid. Als tijdelijk EU-voorzitter had Nederland experts uit heel Europa uitgenodigd om hier kennis en ervaringen uit te wisselen omtrent de aanpak van dementie. Bij die gelegenheid introduceerde de bewindsman zijn ‘Dutch approach’. Een aanpak die bestaat uit twee pijlers. Als eerste een omvangrijk onderzoeksprogramma om greep te krijgen op de oorzaken van dementie en medicijnen te vinden om de ziekte te genezen. In 2013 stelde de bewindsman hier 32,5 miljoen euro voor beschikbaar. De tweede pijler is een sociaal programma, dat richt zich op het verbeteren van de zorg voor mensen met dementie en op het bevorderen van een dementievriendelijke samenleving. Hier is 16 miljoen euro vooruit getrokken.
Om dit sociale programma te voorzien van een breed draagvlak, heeft Van Rijn een deltaplan Dementie in het leven geroepen. Volgens de mores van het poldermodel is dit een netwerkorganisatie waarin een keur aan publieke en private organisaties langs drie sporen met elkaar samenwerkt. Als eerste is dat het tot stand komen van netwerken waarin mantelzorgers en andere direct betrokkenen hun zorg kunnen afstemmen met een vast team zorgprofessionals. Het tweede spoor is gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de zorg door goede praktijkvoorbeelden onder de aandacht te brengen. Om die kwaliteit te bewaken is een landelijke Zorgstandaard Dementie ontwikkeld. Het derde spoor gaat over een campagne voor dementievriendelijk Nederland. Read more

Bookmark and Share

Dorpstimmerman tovert melkfabriek om in centrum voor zorg en wonen


Foto: Waldnet

Foto: Wâldnet

In het Friese Garyp heeft het timmerbedrijf van Johan Timmermans de zuivelfabriek in zijn eigen dorp verbouwd. Het pand biedt nu onderdak aan zorgvoorzieningen, kinderopvang en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Dankzij deze timmerman die bedenker, ontwerper, eigenaar, opdrachtgever, uitvoerder en verhuurder in één is.

De Timmermantsjoender, – tsjoender is tovenaar in het Fries -, onder die naam begon Johan Timmermans in 2001, hij was 19, een eigen onderneming vanuit de woonboerderij van zijn ouders. In de beginjaren hield hij zich nog bezig met kleine verbouwingen, dakramen plaatsen, badkamers verbouwen, deuren vervangen, dat soort klussen. De zaken gingen goed, zo goed zelfs dat hij twee jaar later al met zijn bedrijf kon verhuizen naar een eigen bedrijfsloods op het industrieterrein van Garyp. De klussen werden omvangrijker en uitdagender. Met als pronkstuk de herbestemming van een monumentale boerderij in het dorp Donkerbroek. Johan Timmermans: ‘Ik heb iets met mooie oude gebouwen. Deze boerderij stond op de nominatie om gesloopt te worden. Dat is voorkomen door de agrarische bestemming te veranderen. We hebben dit karakteristieke pand weer in ere kunnen herstellen door er een fraaie woning van te maken.’ Het succes van deze herbestemming riep een nieuwe ambitie in hem wakker. Dat was in 2009.

De hamvraag
In datzelfde jaar stond in zijn eigen dorp de directeurswoning van de voormalige zuivelfabriek te koop. Daar wilde de ambitieuze timmerman wel wonen. Eenmaal in gesprek over deze aankoop, polste Johan of hij ook de hele locatie met het ernaast gelegen fabriekspand kon kopen. Daar had de voorgaande veertig jaar een appendagefabriek voor machineonderdelen in gezeten. Johan Timmermans: ‘De eerste ingeving is door de bank genomen dat je gaat slopen om iets nieuws op zo’n fabrieksterrein te bouwen.’ Dat lag ook voor de hand. Maar met de klus in Donkerbroek nog vers in het geheugen ging zijn voorkeur er naar uit om het gebouw te behouden. De melkfabriek was een begrip in het dorp, een niet weg te denken gebouw. Hij nam zich bovendien voor om bij de keuze voor een nieuwe bestemming ook uit te zoeken hoe dit ten goede kon komen van de dorpsgemeenschap. Johan Timmermans: ‘Tijdens een rondgang door de fabriek viel me gelijk op dat het gebouw een heel eigen karakter heeft. Ik zag ook genoeg potentie om er een nieuwe bestemming aan te geven. De hamvraag was alleen: Wat stop je er dan in?’ De jonge ondernemer is als eerste op de huisarts in het dorp afgestapt; die zat met zijn praktijk in een noodcabine. Johan: ‘Toen ik over mijn verbouwplannen voor de fabriek vertelde, was er van zijn kant meteen interesse. Vanaf dat moment ben ik me gaan oriënteren in de zorg; je zet natuurlijk geen garage of een schildersbedrijf naast de praktijk van een dokter.’ Read more

Bookmark and Share

Kleine dorpen ~ geen sociaal vangnet voor de meest kwetsbare ouderen


vpl_2016_4_17_24.inddOndanks de vergrijzing en verschraling van het voorzieningenniveau is het dorp nog altijd een aantrekkelijke woonplek voor de oude dag. Het sociaal vangnet biedt soelaas wanneer ouderdomskwalen zich aandienen. Bevestigt ook het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’. Maar niet voor iedereen, isolement en eenzaamheid is voor de meest kwetsbare ouderen een hardnekkig probleem, zelfs in kleine dorpsgemeenschappen.

Het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’ maakt deel uit van het onderzoeksprogramma De Sociale Staat van het Platteland (SSP). De afgelopen tien jaar is de sociale conditie van het platteland vanuit diverse invalshoeken onder de loep genomen in een reeks rapporten. Daarin lezen we hoe dorpen van karakter veranderen en gaandeweg ook stedelijke trekjes krijgen. In dit jongste rapport onderzoekt Lotte Vermeij van het SCP wat dorpsgenoten betekenen voor het groeiende aantal ouderen in dorpen. Een actueel thema in een tijdsgewricht waarin ouderen langer zelfstandig willen wonen, ook als zich gebreken aandienen. En de overheid uit financiële noodzaak de rem zet op de toenemende behoefte aan voorzieningen voor ouderen. Het gevolg hiervan is dat ouderen die hulp aan huis nodig hebben, in de toekomst steeds vaker een beroep moeten doen op de mensen in hun omgeving. Het SCP wil weten wat dit betekent voor ouderen in kleine dorpen waar voorzieningen speciaal voor ouderen doorgaans ontbreken. Hoe is het daar gesteld met de zelfredzaamheid? In hoeverre zijn dorpsgenoten bereid om bij te springen? Een andere reden om dit rapport tegen het licht te houden, is de vraag of grotere dorpen en steden op dit punt iets kunnen leren van kleine dorpsgemeenschappen? Zijn er overeenkomsten, of zijn de omstandigheden in kleine dorpen juist heel uitzonderlijk?

Eenzaamheid ligt op de loer
In ‘Kleine gebaren’ nuanceert het SCP het clichébeeld van het kleine dorp als een hechte gemeenschap waar ‘noaberschap’ vanzelfsprekend is en dorpsgenoten automatisch voor elkaar klaar staan. De enquête onder 7000 bewoners van dorpen met minder dan 3000 inwoners, wijst uit dat ouderen over het algemeen uiterst tevreden zijn met hun dorp, slechts een kleine minderheid ziet dat anders. Wel neemt het aantal contacten met dorpsgenoten op oudere leeftijd geleidelijk aan af. En hun beeld van het dorp wordt op oudere leeftijd iets minder rooskleurig. Ouderen die zichtbaar onthand zijn, kunnen op een helpende hand rekenen. De mate van aansluiting bij dorpsgenoten speelt niet zo’n grote rol bij de praktische hulp die ouderen nodig hebben. De waarde van contacten ligt op een ander vlak. Het onderhouden van dorpscontacten blijkt vooral een buffer te zijn tegen sociaal-emotionele problemen. Daar zit gelijk ook de grootste pijn bij de meest kwetsbare ouderen, met name bij bewoners die van een laag inkomen moeten rondkomen. Zij missen de aansluiting en raken hierdoor steeds verder in een isolement. En dan ligt eenzaamheid op de loer. Deze dorpsbewoners laten zich somber uit over de lokale omgangsvormen. En geven aan dat ze geen behoefte hebben aan hulp. Het laat zich aanzien dat deze ouderen hun verwachtingen al veel eerder naar beneden hebben bijgesteld. Read more

Bookmark and Share

Appeltjes van Oranje ~ De popularisering van het nieuwe welzijnswerk


OranjefondsHet Oranje Fonds nomineert elk jaar een aantal aansprekende sociale projecten. Dit jaar zijn dat er elf, waarvan drie kans maken op een prijs van 15.000 euro en een gebeeldhouwd Appeltje van Oranje. Thema is deze keer buurtvoorzieningen in eigen beheer. Wat is de impact van deze Oscars voor sociale vernieuwing die in mei worden uitgereikt?

In 2014 keerde het Oranje Fonds 27,4 miljoen euro uit aan ruim 1.100 sociale projecten. Gemiddeld is dat circa 25.000 euro per aanvraag. Ze zijn daarmee het grootste sociale fonds van Nederland, meldt het fonds op de website. Door de overheidsbezuinigingen in de sociale sector, is het belang van dit fonds in het afgelopen decennium toegenomen. Niet zozeer omdat ze het financiële gat dichten, want de 27,4 miljoen van het fonds steekt schamel af tegen de veel grotere overheidsbezuinigingen in deze sector. De betekenis van het Oranje Fonds zit vooral in de positie die het fonds in het afgelopen decennium heeft verworven. In tweeërlei opzicht. Om te beginnen is dat de bijdrage aan de popularisering van het welzijnswerk. Exponenten hiervan zijn de jaarlijkse uitreiking van de Appeltjes van oranje. Maar ook het succes van de NL-doet dag en de Buren-dag, twee jaarlijkse campagnes die mensen er toe aan wil zetten één dag als vrijwilliger voor een sociaal doel te klussen, dan wel op de ‘burendag’ een gezellige activiteit met de buren te organiseren. Een tweede verdienste is de uitbreiding van de dienstverlening die het Oranje Fonds biedt. Dat gebeurt aan de hand van sociale thema’s geclusterd in meerjarige programma’s. In plaats van de suikeroom die aanvragen al dan niet toekent, staat het fonds de mensen die bij hen aankloppen ook terzijde bij inhoudelijke vragen. Naast financiering helpt het Oranje Fonds initiatiefnemers op weg met de methodische aanpak, organiseert het uitwisseling en laat het onderzoek uitvoeren naar resultaten. Door deze ruimere taakopvatting kan het fonds de aanpak van maatschappelijke thema’s agenderen en nieuwe werkwijzen in bredere kring over het voetlicht brengen.

Troonrede
Behalve in het populariseren van het welzijnswerk is het Oranje Fonds dus ook op de inhoud een belangrijke speler geworden in deze sector. Interessant dus om hier bij stil te staan aan de hand van de Appeltjes van Oranje. Om te beginnen bij de nominaties voor 2016. Dat heeft als thema buurtvoorzieningen die mensen in eigen beheer hebben. Denk daarbij aan voorbeelden als het zelfbeheer van een buurthuis, een dorpswinkel, een buurtmoestuin, een speelruimte of het gezamenlijk geregeld vervoer. `Samen zelf doen. De handen uit de mouwen steken en meedoen, het is hard nodig,` staat in de toelichting vermeld. Deze inleiding eindigt met: `We bekronen het zelfbeheer en de inzet voor elkaar.` Sleutelbegrippen waar de jury naar kijkt bij de selectie van de genomineerde projecten zijn: zelfbeheer, zelfredzaamheid en actief burgerschap. Deze criteria zou je ook kunnen lezen als een populaire versie van de spraakmakende frase uit de Troonrede van 2013, waarin werd aangekondigd dat de klassieke verzorgingsstaat plaats moet maken voor een ‘participatiesamenleving’. Read more

Bookmark and Share

Huis van de wijk ~ ontmoetingspunt van de buurt en uitvalsbasis voor professionals


cover_Het_belang_van_slow_social_work_234wr-1433425279Rotterdam opent in 2016 maar liefst 48 Huizen van de wijk. Ook in de rest van het land schieten dergelijke kleinschalige ontmoetingscentra als paddenstoelen uit de grond. Ze hebben namen die variëren van Huiskamer van de buurt, Huis van de buurt, BuurtHuis, Buurtkamer en Huis van de wijk. Een revival van het aloude buurthuis? Of is het Huis van de wijk toch iets nieuws en is er wat anders aan de hand?

Na steden als Venlo, Amsterdam en Deventer investeert ook Rotterdam fors in een nieuwe generatie ontmoetingscentra. Een plek waar bewoners met hulpvragen kunnen aankloppen, aan activiteiten deelnemen of om er samen iets te ondernemen. Bijgestaan door de gemeente of medewerkers van instanties voor zorg en welzijnswerk. Het Huis van de wijk en de varianten daarop willen hèt sociaal knooppunt in de wijk zijn. Die aanduiding verschilt niet wezenlijk van het buurthuis dat de afgelopen decennia juist uit de gratie is geraakt. Welzijnswerkers trokken zich daar uit terug en ook gemeenten toonden zich steeds minder bereid om ze met subsidiegeld in stand te houden. Het gevolg was een kaalslag onder buurthuizen die hun exploitatie niet sluitend kregen. De recente belangstelling voor ontmoetingspunten in de wijk is daarom opmerkelijk.

Drijfveer voor nieuwe centra
Tijdens een rondgang valt al snel op dat er achter Het huis van de wijk en de andere namen van deze nieuwe trefcentra een grote diversiteit schuilgaat. In omvang variëren ze van kleine caféachtige ontmoetingsruimtes tot een grote zakelijk ingerichte multifunctionele accommodaties. De exploitatie en het beheer kan in handen zijn van de gemeente of een welzijnsorganisatie, maar ook van burgers die een stichting hebben opgericht. Hier lijkt sprake van oude wijn in nieuwe vaten, want deze variëteit was ook kenmerkend voor de buurthuizen. Wie het verschil tussen deze twee wil achterhalen moet te rade bij het beleid. Een belangrijke drijfveer voor de nieuwe buurtcentra is namelijk de nieuwe wet maatschappelijke ondersteuning (n-Wmo) die in januari 2015 in werking trad. Sinds die datum zijn gemeenten verantwoordelijk voor zorg- en welzijnsvoorzieningen. Doel ervan is participatie van kwetsbare groepen bevorderen en mensen die hulpbehoevend zijn meer gebruik laten maken van steun in hun directe omgeving. De noodzaak hiertoe wordt versterkt door het gegeven dat er minder geld beschikbaar is voor professionele hulp, gemeenten zijn tegelijk op zoek naar kostenbesparende alternatieven. Eén daarvan is het creëren van ontmoetingsplekken voor kwetsbare burgers.

Kostenbesparende oplossing
De investering in Huizen van de wijk, buurtkamers en andere trefpunten is dus vooral een strategische keuze van de overheid. Het initiatief voor de nieuwe centra ligt bij de gemeenten. Dat was drie jaar geleden ook het geval toen Venlo als één van de eersten van start ging met het concept van Huis van de wijk. Samen met het zorgkantoor in deze stad hebben ze, verspreid over de stad, een dekkend netwerk van 18 Huizen van de Wijk opgezet. Daar kunnen wijkbewoners met hun vragen over zorg, wonen, werk en inkomen terecht bij een sociaal wijkteam dat aanwezig is in elk Huis van de wijk. Zo’n team bespreekt met bewoners wat ze zelf kunnen doen en waarmee familie, vrienden en de vrijwilligers uit de buurt hen kan helpen. Pas daarna wordt aanvullend professionele ondersteuning ingeschakeld. Inmiddels kijken ze in Venlo ook al vooruit naar het onderbrengen van dagbesteding voor mensen met een beperking in zo’n wijkcentrum. Voordeel hiervan is dat de mensen dichterbij huis terecht kunnen; ongetwijfeld speelt hier ook een rol dat deze oplossing kostenbesparend is. In Venlo werken professionals van het sociaal wijkteam aan een netwerk met betrokken en actieve bewoners. En wil de gemeente op langere termijn nog een stap verder gaan door het eigenaarschap over te dragen aan een stichtingsbestuur dat bestaat uit wijkbewoners. Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles


  • Ads by Google
  • Rozenberg Quarterly Archives