‘Samen maken we Nederland dementievriendelijker!’ ~ Hoezo dementievriendelijk?


LogoDementieHet polderen is nooit ver weg als zich in ons land een lastig maatschappelijk probleem aandient. Zo gaan we het spookbeeld van dementie te lijf met een deltaplan dementie. En luidt de campagne die de overheid onlangs lanceerde: Samen maken we Nederland dementievriendelijker! Zeg daar maar eens nee tegen. Toch een aantal kritische noten.

Eerst de dementie. Hoe ernstig is de situatie? Het goede nieuws is dat we gemiddeld steeds ouder worden en langer gezond blijven. Daar zit ook een keerzijde aan, want door deze hogere leeftijd loopt de komende generatie ouderen wel meer risico op dementie. In percentages is die kans 10% bij mensen boven de 65, en loopt dit op naar ruim 20% boven de 80, tot 40% boven de 90 jaar. Het is een populatie die de komende dertig jaar in omvang groeit. Nederland telt nu nog ruim 260.000 mensen met dementie, over dertig jaar zijn dit naar verwachting zo’n 400.000. Daarmee is het tegen die tijd volksziekte nummer één. En waarschijnlijk ook de grootste kostenpost in de gezondheidszorg. In 2013 werden die kosten geraamd op 4 miljard per jaar, vijf procent van het totale bedrag dat omgaat in de zorg. Deze uitgaven zullen per jaar met 2,7 % stijgen. Een groeiend aantal ouderen met dementie heeft grote gevolgen, allereerst voor de zorg, maar er dreigt ook een gigantisch financieel probleem.

Kostbaar bezit
Driekwart van de mensen met dementie woont thuis, dat is dankzij de hulp van mantelzorgers, vrienden, vrijwilligers en aanvullende professionele zorg aan huis. Het is alleen de vraag of dit over dertig jaar nog zo is, want de overheid wordt steeds kieskeuriger in het verstrekken van zorg en hulp in de huishouding. Daar staat weer tegenover dat er in brede kring overeenstemming bestaat over het streven om ouderen, ook als ze dementie hebben, zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen. Dit komt overeen met de wens van ouderen zelf. Voor het gros van hen is het verblijf in hun vertrouwde omgeving een kostbaar bezit, zeker als het geheugen hen in de steek begint te laten. Maar naarmate hun dementie toeneemt, wordt ook de druk van de omgeving groter om uit te wijken naar een zorgvoorziening. Bijvoorbeeld op het moment dat de inrichting van het huis tekortschiet en er aanpassingen nodig zijn. Of wanneer er steeds meer aanvullende zorg moet komen en het verblijf thuis heel duur wordt. In een later stadium van het ziekteproces spelen financiën steeds meer een rol bij deze afwegingen.

Dutch approach
Het streven dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig in hun huis wonen, staat ook bij de overheid hoog in het beleidsvaandel. Begin mei dit jaar, gaf staatssecretaris Martin van Rijn tijdens een groot internationaal congres in Amsterdam een toelichting op de hoofdlijnen van zijn dementiebeleid. Als tijdelijk EU-voorzitter had Nederland experts uit heel Europa uitgenodigd om hier kennis en ervaringen uit te wisselen omtrent de aanpak van dementie. Bij die gelegenheid introduceerde de bewindsman zijn ‘Dutch approach’. Een aanpak die bestaat uit twee pijlers. Als eerste een omvangrijk onderzoeksprogramma om greep te krijgen op de oorzaken van dementie en medicijnen te vinden om de ziekte te genezen. In 2013 stelde de bewindsman hier 32,5 miljoen euro voor beschikbaar. De tweede pijler is een sociaal programma, dat richt zich op het verbeteren van de zorg voor mensen met dementie en op het bevorderen van een dementievriendelijke samenleving. Hier is 16 miljoen euro vooruit getrokken.
Om dit sociale programma te voorzien van een breed draagvlak, heeft Van Rijn een deltaplan Dementie in het leven geroepen. Volgens de mores van het poldermodel is dit een netwerkorganisatie waarin een keur aan publieke en private organisaties langs drie sporen met elkaar samenwerkt. Als eerste is dat het tot stand komen van netwerken waarin mantelzorgers en andere direct betrokkenen hun zorg kunnen afstemmen met een vast team zorgprofessionals. Het tweede spoor is gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de zorg door goede praktijkvoorbeelden onder de aandacht te brengen. Om die kwaliteit te bewaken is een landelijke Zorgstandaard Dementie ontwikkeld. Het derde spoor gaat over een campagne voor dementievriendelijk Nederland. Read more

Bookmark and Share

Dorpstimmerman tovert melkfabriek om in centrum voor zorg en wonen


Foto: Waldnet

Foto: Wâldnet

In het Friese Garyp heeft het timmerbedrijf van Johan Timmermans de zuivelfabriek in zijn eigen dorp verbouwd. Het pand biedt nu onderdak aan zorgvoorzieningen, kinderopvang en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Dankzij deze timmerman die bedenker, ontwerper, eigenaar, opdrachtgever, uitvoerder en verhuurder in één is.

De Timmermantsjoender, – tsjoender is tovenaar in het Fries -, onder die naam begon Johan Timmermans in 2001, hij was 19, een eigen onderneming vanuit de woonboerderij van zijn ouders. In de beginjaren hield hij zich nog bezig met kleine verbouwingen, dakramen plaatsen, badkamers verbouwen, deuren vervangen, dat soort klussen. De zaken gingen goed, zo goed zelfs dat hij twee jaar later al met zijn bedrijf kon verhuizen naar een eigen bedrijfsloods op het industrieterrein van Garyp. De klussen werden omvangrijker en uitdagender. Met als pronkstuk de herbestemming van een monumentale boerderij in het dorp Donkerbroek. Johan Timmermans: ‘Ik heb iets met mooie oude gebouwen. Deze boerderij stond op de nominatie om gesloopt te worden. Dat is voorkomen door de agrarische bestemming te veranderen. We hebben dit karakteristieke pand weer in ere kunnen herstellen door er een fraaie woning van te maken.’ Het succes van deze herbestemming riep een nieuwe ambitie in hem wakker. Dat was in 2009.

De hamvraag
In datzelfde jaar stond in zijn eigen dorp de directeurswoning van de voormalige zuivelfabriek te koop. Daar wilde de ambitieuze timmerman wel wonen. Eenmaal in gesprek over deze aankoop, polste Johan of hij ook de hele locatie met het ernaast gelegen fabriekspand kon kopen. Daar had de voorgaande veertig jaar een appendagefabriek voor machineonderdelen in gezeten. Johan Timmermans: ‘De eerste ingeving is door de bank genomen dat je gaat slopen om iets nieuws op zo’n fabrieksterrein te bouwen.’ Dat lag ook voor de hand. Maar met de klus in Donkerbroek nog vers in het geheugen ging zijn voorkeur er naar uit om het gebouw te behouden. De melkfabriek was een begrip in het dorp, een niet weg te denken gebouw. Hij nam zich bovendien voor om bij de keuze voor een nieuwe bestemming ook uit te zoeken hoe dit ten goede kon komen van de dorpsgemeenschap. Johan Timmermans: ‘Tijdens een rondgang door de fabriek viel me gelijk op dat het gebouw een heel eigen karakter heeft. Ik zag ook genoeg potentie om er een nieuwe bestemming aan te geven. De hamvraag was alleen: Wat stop je er dan in?’ De jonge ondernemer is als eerste op de huisarts in het dorp afgestapt; die zat met zijn praktijk in een noodcabine. Johan: ‘Toen ik over mijn verbouwplannen voor de fabriek vertelde, was er van zijn kant meteen interesse. Vanaf dat moment ben ik me gaan oriënteren in de zorg; je zet natuurlijk geen garage of een schildersbedrijf naast de praktijk van een dokter.’ Read more

Bookmark and Share

Kleine dorpen ~ geen sociaal vangnet voor de meest kwetsbare ouderen


vpl_2016_4_17_24.inddOndanks de vergrijzing en verschraling van het voorzieningenniveau is het dorp nog altijd een aantrekkelijke woonplek voor de oude dag. Het sociaal vangnet biedt soelaas wanneer ouderdomskwalen zich aandienen. Bevestigt ook het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’. Maar niet voor iedereen, isolement en eenzaamheid is voor de meest kwetsbare ouderen een hardnekkig probleem, zelfs in kleine dorpsgemeenschappen.

Het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’ maakt deel uit van het onderzoeksprogramma De Sociale Staat van het Platteland (SSP). De afgelopen tien jaar is de sociale conditie van het platteland vanuit diverse invalshoeken onder de loep genomen in een reeks rapporten. Daarin lezen we hoe dorpen van karakter veranderen en gaandeweg ook stedelijke trekjes krijgen. In dit jongste rapport onderzoekt Lotte Vermeij van het SCP wat dorpsgenoten betekenen voor het groeiende aantal ouderen in dorpen. Een actueel thema in een tijdsgewricht waarin ouderen langer zelfstandig willen wonen, ook als zich gebreken aandienen. En de overheid uit financiële noodzaak de rem zet op de toenemende behoefte aan voorzieningen voor ouderen. Het gevolg hiervan is dat ouderen die hulp aan huis nodig hebben, in de toekomst steeds vaker een beroep moeten doen op de mensen in hun omgeving. Het SCP wil weten wat dit betekent voor ouderen in kleine dorpen waar voorzieningen speciaal voor ouderen doorgaans ontbreken. Hoe is het daar gesteld met de zelfredzaamheid? In hoeverre zijn dorpsgenoten bereid om bij te springen? Een andere reden om dit rapport tegen het licht te houden, is de vraag of grotere dorpen en steden op dit punt iets kunnen leren van kleine dorpsgemeenschappen? Zijn er overeenkomsten, of zijn de omstandigheden in kleine dorpen juist heel uitzonderlijk?

Eenzaamheid ligt op de loer
In ‘Kleine gebaren’ nuanceert het SCP het clichébeeld van het kleine dorp als een hechte gemeenschap waar ‘noaberschap’ vanzelfsprekend is en dorpsgenoten automatisch voor elkaar klaar staan. De enquête onder 7000 bewoners van dorpen met minder dan 3000 inwoners, wijst uit dat ouderen over het algemeen uiterst tevreden zijn met hun dorp, slechts een kleine minderheid ziet dat anders. Wel neemt het aantal contacten met dorpsgenoten op oudere leeftijd geleidelijk aan af. En hun beeld van het dorp wordt op oudere leeftijd iets minder rooskleurig. Ouderen die zichtbaar onthand zijn, kunnen op een helpende hand rekenen. De mate van aansluiting bij dorpsgenoten speelt niet zo’n grote rol bij de praktische hulp die ouderen nodig hebben. De waarde van contacten ligt op een ander vlak. Het onderhouden van dorpscontacten blijkt vooral een buffer te zijn tegen sociaal-emotionele problemen. Daar zit gelijk ook de grootste pijn bij de meest kwetsbare ouderen, met name bij bewoners die van een laag inkomen moeten rondkomen. Zij missen de aansluiting en raken hierdoor steeds verder in een isolement. En dan ligt eenzaamheid op de loer. Deze dorpsbewoners laten zich somber uit over de lokale omgangsvormen. En geven aan dat ze geen behoefte hebben aan hulp. Het laat zich aanzien dat deze ouderen hun verwachtingen al veel eerder naar beneden hebben bijgesteld. Read more

Bookmark and Share

Appeltjes van Oranje ~ De popularisering van het nieuwe welzijnswerk


OranjefondsHet Oranje Fonds nomineert elk jaar een aantal aansprekende sociale projecten. Dit jaar zijn dat er elf, waarvan drie kans maken op een prijs van 15.000 euro en een gebeeldhouwd Appeltje van Oranje. Thema is deze keer buurtvoorzieningen in eigen beheer. Wat is de impact van deze Oscars voor sociale vernieuwing die in mei worden uitgereikt?

In 2014 keerde het Oranje Fonds 27,4 miljoen euro uit aan ruim 1.100 sociale projecten. Gemiddeld is dat circa 25.000 euro per aanvraag. Ze zijn daarmee het grootste sociale fonds van Nederland, meldt het fonds op de website. Door de overheidsbezuinigingen in de sociale sector, is het belang van dit fonds in het afgelopen decennium toegenomen. Niet zozeer omdat ze het financiële gat dichten, want de 27,4 miljoen van het fonds steekt schamel af tegen de veel grotere overheidsbezuinigingen in deze sector. De betekenis van het Oranje Fonds zit vooral in de positie die het fonds in het afgelopen decennium heeft verworven. In tweeërlei opzicht. Om te beginnen is dat de bijdrage aan de popularisering van het welzijnswerk. Exponenten hiervan zijn de jaarlijkse uitreiking van de Appeltjes van oranje. Maar ook het succes van de NL-doet dag en de Buren-dag, twee jaarlijkse campagnes die mensen er toe aan wil zetten één dag als vrijwilliger voor een sociaal doel te klussen, dan wel op de ‘burendag’ een gezellige activiteit met de buren te organiseren. Een tweede verdienste is de uitbreiding van de dienstverlening die het Oranje Fonds biedt. Dat gebeurt aan de hand van sociale thema’s geclusterd in meerjarige programma’s. In plaats van de suikeroom die aanvragen al dan niet toekent, staat het fonds de mensen die bij hen aankloppen ook terzijde bij inhoudelijke vragen. Naast financiering helpt het Oranje Fonds initiatiefnemers op weg met de methodische aanpak, organiseert het uitwisseling en laat het onderzoek uitvoeren naar resultaten. Door deze ruimere taakopvatting kan het fonds de aanpak van maatschappelijke thema’s agenderen en nieuwe werkwijzen in bredere kring over het voetlicht brengen.

Troonrede
Behalve in het populariseren van het welzijnswerk is het Oranje Fonds dus ook op de inhoud een belangrijke speler geworden in deze sector. Interessant dus om hier bij stil te staan aan de hand van de Appeltjes van Oranje. Om te beginnen bij de nominaties voor 2016. Dat heeft als thema buurtvoorzieningen die mensen in eigen beheer hebben. Denk daarbij aan voorbeelden als het zelfbeheer van een buurthuis, een dorpswinkel, een buurtmoestuin, een speelruimte of het gezamenlijk geregeld vervoer. `Samen zelf doen. De handen uit de mouwen steken en meedoen, het is hard nodig,` staat in de toelichting vermeld. Deze inleiding eindigt met: `We bekronen het zelfbeheer en de inzet voor elkaar.` Sleutelbegrippen waar de jury naar kijkt bij de selectie van de genomineerde projecten zijn: zelfbeheer, zelfredzaamheid en actief burgerschap. Deze criteria zou je ook kunnen lezen als een populaire versie van de spraakmakende frase uit de Troonrede van 2013, waarin werd aangekondigd dat de klassieke verzorgingsstaat plaats moet maken voor een ‘participatiesamenleving’. Read more

Bookmark and Share

Huis van de wijk ~ ontmoetingspunt van de buurt en uitvalsbasis voor professionals


cover_Het_belang_van_slow_social_work_234wr-1433425279Rotterdam opent in 2016 maar liefst 48 Huizen van de wijk. Ook in de rest van het land schieten dergelijke kleinschalige ontmoetingscentra als paddenstoelen uit de grond. Ze hebben namen die variëren van Huiskamer van de buurt, Huis van de buurt, BuurtHuis, Buurtkamer en Huis van de wijk. Een revival van het aloude buurthuis? Of is het Huis van de wijk toch iets nieuws en is er wat anders aan de hand?

Na steden als Venlo, Amsterdam en Deventer investeert ook Rotterdam fors in een nieuwe generatie ontmoetingscentra. Een plek waar bewoners met hulpvragen kunnen aankloppen, aan activiteiten deelnemen of om er samen iets te ondernemen. Bijgestaan door de gemeente of medewerkers van instanties voor zorg en welzijnswerk. Het Huis van de wijk en de varianten daarop willen hèt sociaal knooppunt in de wijk zijn. Die aanduiding verschilt niet wezenlijk van het buurthuis dat de afgelopen decennia juist uit de gratie is geraakt. Welzijnswerkers trokken zich daar uit terug en ook gemeenten toonden zich steeds minder bereid om ze met subsidiegeld in stand te houden. Het gevolg was een kaalslag onder buurthuizen die hun exploitatie niet sluitend kregen. De recente belangstelling voor ontmoetingspunten in de wijk is daarom opmerkelijk.

Drijfveer voor nieuwe centra
Tijdens een rondgang valt al snel op dat er achter Het huis van de wijk en de andere namen van deze nieuwe trefcentra een grote diversiteit schuilgaat. In omvang variëren ze van kleine caféachtige ontmoetingsruimtes tot een grote zakelijk ingerichte multifunctionele accommodaties. De exploitatie en het beheer kan in handen zijn van de gemeente of een welzijnsorganisatie, maar ook van burgers die een stichting hebben opgericht. Hier lijkt sprake van oude wijn in nieuwe vaten, want deze variëteit was ook kenmerkend voor de buurthuizen. Wie het verschil tussen deze twee wil achterhalen moet te rade bij het beleid. Een belangrijke drijfveer voor de nieuwe buurtcentra is namelijk de nieuwe wet maatschappelijke ondersteuning (n-Wmo) die in januari 2015 in werking trad. Sinds die datum zijn gemeenten verantwoordelijk voor zorg- en welzijnsvoorzieningen. Doel ervan is participatie van kwetsbare groepen bevorderen en mensen die hulpbehoevend zijn meer gebruik laten maken van steun in hun directe omgeving. De noodzaak hiertoe wordt versterkt door het gegeven dat er minder geld beschikbaar is voor professionele hulp, gemeenten zijn tegelijk op zoek naar kostenbesparende alternatieven. Eén daarvan is het creëren van ontmoetingsplekken voor kwetsbare burgers.

Kostenbesparende oplossing
De investering in Huizen van de wijk, buurtkamers en andere trefpunten is dus vooral een strategische keuze van de overheid. Het initiatief voor de nieuwe centra ligt bij de gemeenten. Dat was drie jaar geleden ook het geval toen Venlo als één van de eersten van start ging met het concept van Huis van de wijk. Samen met het zorgkantoor in deze stad hebben ze, verspreid over de stad, een dekkend netwerk van 18 Huizen van de Wijk opgezet. Daar kunnen wijkbewoners met hun vragen over zorg, wonen, werk en inkomen terecht bij een sociaal wijkteam dat aanwezig is in elk Huis van de wijk. Zo’n team bespreekt met bewoners wat ze zelf kunnen doen en waarmee familie, vrienden en de vrijwilligers uit de buurt hen kan helpen. Pas daarna wordt aanvullend professionele ondersteuning ingeschakeld. Inmiddels kijken ze in Venlo ook al vooruit naar het onderbrengen van dagbesteding voor mensen met een beperking in zo’n wijkcentrum. Voordeel hiervan is dat de mensen dichterbij huis terecht kunnen; ongetwijfeld speelt hier ook een rol dat deze oplossing kostenbesparend is. In Venlo werken professionals van het sociaal wijkteam aan een netwerk met betrokken en actieve bewoners. En wil de gemeente op langere termijn nog een stap verder gaan door het eigenaarschap over te dragen aan een stichtingsbestuur dat bestaat uit wijkbewoners. Read more

Bookmark and Share

Buurtzorg directeur begint een zorgverzekering ~ De knuppel in het hoenderhok


boek-het-alternatief-voor-de-zorgUit ongenoegen over de bureaucratie en commercialisering in de zorg start Buurtzorg directeur Jos de Blok in 2017 met een zorgverzekering die de naam Zorgeloos krijgt. Hij presenteert het plan voor deze nieuwe zorgverzekering a.s. donderdag 3 december. In het onlangs verschenen boek Het Alternatief voor de zorg, zet hij de discussie over de zorg op scherp, hij hekelt daarin de dwingende regelgeving van de overheid en de toenemende macht van zorgverzekeraars.

‘Bij de zorgverzekeraars staat de commercie voorop en draait het te weinig om de zorg voor patiënten. Het kan beter en goedkoper,’ aldus Jos de Blok die voorafgaand aan de publiekscampagne in de regionale krant Tubantia alvast een tipje van de sluier lichtte. Zo meldt hij dat er één polis komt. Daarin valt wel iets te kiezen, maar iedereen betaalt hetzelfde. Patiënten krijgen een belangrijke stem. En de nieuwe zorgverzekering Zorgeloos wordt niet een onderdeel van Buurtzorg, er wordt een aparte organisatie in het leven geroepen. Het is een initiatief waarin Buurtzorg samenwerkt met een aantal mensen die de kritiek op zorgverzekeraars met Jos de Blok delen. Dit zijn onder meer Jan Rotmans, hoogleraar transitiekunde en oprichter van Urganda en Nederland Kantelt en Marcel Canoy, hoofdeconoom en eerder hoogleraar zorgeconomie aan de Universiteit van Tilburg.

De start van een eigen zorgverzekering is een verrassende stap in de strijd voor een andere zorg die Jos de Blok in 2006 heeft ingezet. Al veel eerder, vanaf de tachtiger jaren, zag de directeur van Buurtzorg dat de zorg steeds meer in handen kwam van managers. En zorginstellingen door fusies uitgroeiden tot grootschalige bolwerken die steeds verder van de zorg zelf af kwamen te staan. De Blok, in die tijd werkzaam als verpleegkundige, ondervond aan den lijve dat deze ontwikkeling ten koste ging van de kwaliteit van de zorg die hij de mensen kon bieden. Deze ergernissen waren een vruchtbare voedingsbodem voor zijn plannen om de zorg op een totaal andere manier te organiseren. Hij nam zich voor de zo gewaardeerde wijkverpleegkundige van het oude kruiswerk in ere te herstellen, maar dan wel in een modern jasje. En de managers uitbannen door met zelfsturende teams te werken. Samen met zijn vrouw, eveneens verpleegkundige, begon hij in 2006 in Almelo bescheiden met een team van vier personen. Negen jaar later is Buurtzorg uitgegroeid tot een toonaangevende zorgonderneming met 800 zelfsturende teams en 9000 medewerkers in heel Nederland. En slaat zijn formule ook internationaal aan, onder meer in Zweden, Engeland, Amerika, China en Japan.

Als medeauteur biedt de publicatie Alternatief voor de zorg Jos de Blok de gelegenheid om uitvoerig uit de doeken te waar de zorg naar zijn idee in faalt. Dat doet hij samen met Herman Suichies, gepromoveerd huisarts en bestuurslid VPHuisartsen, Lewi Vogelpoel, praktiserend radioloog, actief bepleiter van vrije artsenkeuze en Thijs Jansen, directeur Stichting Beroepseer en onderzoeker/docent verbonden aan de Universiteit Tilburg. In dit boek hekelt dit gezelschap de afrekencultuur in de zorg en de eenzijdige fixatie op kostenbesparingen. In het alternatief dat ze aangedragen ligt de nadruk op het verbeteren van de kwaliteit van de zorg en het in ere herstellen van het vakmanschap van professionals. Zonder dat dit de gevreesde kostenstijging oplevert. Aan de hand van praktijkvoorbeelden wordt uiteen gezet dat een investering in professionaliteit en vakmanschap zichzelf terugverdient. Of zoals ze het zelf formuleren: ‘Als je focust op kosten, gaat de kwaliteit omlaag; als je focust op kwaliteit gaan de kosten omlaag’.

Voor meer informatie:
Bericht over initiatief Jos de Blok nieuwe zorgverzekering Zorgeloos: http://www.tubantia.nl/jos-de-blok
Website ter toelichting op de uitgave van het boek Het alternatief voor de zorg: http://www.hetalternatiefvoordezorg.nl
Website van de thuiszorgorganisatie Buurtzorg: http://www.buurtzorgnederland.com

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles


  • Ads by Google
  • Rozenberg Quarterly Archives