Dorpstimmerman tovert melkfabriek om in centrum voor zorg en wonen


Foto: Waldnet

Foto: Wâldnet

In het Friese Garyp heeft het timmerbedrijf van Johan Timmermans de zuivelfabriek in zijn eigen dorp verbouwd. Het pand biedt nu onderdak aan zorgvoorzieningen, kinderopvang en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Dankzij deze timmerman die bedenker, ontwerper, eigenaar, opdrachtgever, uitvoerder en verhuurder in één is.

De Timmermantsjoender, – tsjoender is tovenaar in het Fries -, onder die naam begon Johan Timmermans in 2001, hij was 19, een eigen onderneming vanuit de woonboerderij van zijn ouders. In de beginjaren hield hij zich nog bezig met kleine verbouwingen, dakramen plaatsen, badkamers verbouwen, deuren vervangen, dat soort klussen. De zaken gingen goed, zo goed zelfs dat hij twee jaar later al met zijn bedrijf kon verhuizen naar een eigen bedrijfsloods op het industrieterrein van Garyp. De klussen werden omvangrijker en uitdagender. Met als pronkstuk de herbestemming van een monumentale boerderij in het dorp Donkerbroek. Johan Timmermans: ‘Ik heb iets met mooie oude gebouwen. Deze boerderij stond op de nominatie om gesloopt te worden. Dat is voorkomen door de agrarische bestemming te veranderen. We hebben dit karakteristieke pand weer in ere kunnen herstellen door er een fraaie woning van te maken.’ Het succes van deze herbestemming riep een nieuwe ambitie in hem wakker. Dat was in 2009.

De hamvraag
In datzelfde jaar stond in zijn eigen dorp de directeurswoning van de voormalige zuivelfabriek te koop. Daar wilde de ambitieuze timmerman wel wonen. Eenmaal in gesprek over deze aankoop, polste Johan of hij ook de hele locatie met het ernaast gelegen fabriekspand kon kopen. Daar had de voorgaande veertig jaar een appendagefabriek voor machineonderdelen in gezeten. Johan Timmermans: ‘De eerste ingeving is door de bank genomen dat je gaat slopen om iets nieuws op zo’n fabrieksterrein te bouwen.’ Dat lag ook voor de hand. Maar met de klus in Donkerbroek nog vers in het geheugen ging zijn voorkeur er naar uit om het gebouw te behouden. De melkfabriek was een begrip in het dorp, een niet weg te denken gebouw. Hij nam zich bovendien voor om bij de keuze voor een nieuwe bestemming ook uit te zoeken hoe dit ten goede kon komen van de dorpsgemeenschap. Johan Timmermans: ‘Tijdens een rondgang door de fabriek viel me gelijk op dat het gebouw een heel eigen karakter heeft. Ik zag ook genoeg potentie om er een nieuwe bestemming aan te geven. De hamvraag was alleen: Wat stop je er dan in?’ De jonge ondernemer is als eerste op de huisarts in het dorp afgestapt; die zat met zijn praktijk in een noodcabine. Johan: ‘Toen ik over mijn verbouwplannen voor de fabriek vertelde, was er van zijn kant meteen interesse. Vanaf dat moment ben ik me gaan oriënteren in de zorg; je zet natuurlijk geen garage of een schildersbedrijf naast de praktijk van een dokter.’ Read more

Bookmark and Share

Kleine dorpen ~ geen sociaal vangnet voor de meest kwetsbare ouderen


vpl_2016_4_17_24.inddOndanks de vergrijzing en verschraling van het voorzieningenniveau is het dorp nog altijd een aantrekkelijke woonplek voor de oude dag. Het sociaal vangnet biedt soelaas wanneer ouderdomskwalen zich aandienen. Bevestigt ook het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’. Maar niet voor iedereen, isolement en eenzaamheid is voor de meest kwetsbare ouderen een hardnekkig probleem, zelfs in kleine dorpsgemeenschappen.

Het SCP-rapport ‘Kleine gebaren’ maakt deel uit van het onderzoeksprogramma De Sociale Staat van het Platteland (SSP). De afgelopen tien jaar is de sociale conditie van het platteland vanuit diverse invalshoeken onder de loep genomen in een reeks rapporten. Daarin lezen we hoe dorpen van karakter veranderen en gaandeweg ook stedelijke trekjes krijgen. In dit jongste rapport onderzoekt Lotte Vermeij van het SCP wat dorpsgenoten betekenen voor het groeiende aantal ouderen in dorpen. Een actueel thema in een tijdsgewricht waarin ouderen langer zelfstandig willen wonen, ook als zich gebreken aandienen. En de overheid uit financiële noodzaak de rem zet op de toenemende behoefte aan voorzieningen voor ouderen. Het gevolg hiervan is dat ouderen die hulp aan huis nodig hebben, in de toekomst steeds vaker een beroep moeten doen op de mensen in hun omgeving. Het SCP wil weten wat dit betekent voor ouderen in kleine dorpen waar voorzieningen speciaal voor ouderen doorgaans ontbreken. Hoe is het daar gesteld met de zelfredzaamheid? In hoeverre zijn dorpsgenoten bereid om bij te springen? Een andere reden om dit rapport tegen het licht te houden, is de vraag of grotere dorpen en steden op dit punt iets kunnen leren van kleine dorpsgemeenschappen? Zijn er overeenkomsten, of zijn de omstandigheden in kleine dorpen juist heel uitzonderlijk?

Eenzaamheid ligt op de loer
In ‘Kleine gebaren’ nuanceert het SCP het clichébeeld van het kleine dorp als een hechte gemeenschap waar ‘noaberschap’ vanzelfsprekend is en dorpsgenoten automatisch voor elkaar klaar staan. De enquête onder 7000 bewoners van dorpen met minder dan 3000 inwoners, wijst uit dat ouderen over het algemeen uiterst tevreden zijn met hun dorp, slechts een kleine minderheid ziet dat anders. Wel neemt het aantal contacten met dorpsgenoten op oudere leeftijd geleidelijk aan af. En hun beeld van het dorp wordt op oudere leeftijd iets minder rooskleurig. Ouderen die zichtbaar onthand zijn, kunnen op een helpende hand rekenen. De mate van aansluiting bij dorpsgenoten speelt niet zo’n grote rol bij de praktische hulp die ouderen nodig hebben. De waarde van contacten ligt op een ander vlak. Het onderhouden van dorpscontacten blijkt vooral een buffer te zijn tegen sociaal-emotionele problemen. Daar zit gelijk ook de grootste pijn bij de meest kwetsbare ouderen, met name bij bewoners die van een laag inkomen moeten rondkomen. Zij missen de aansluiting en raken hierdoor steeds verder in een isolement. En dan ligt eenzaamheid op de loer. Deze dorpsbewoners laten zich somber uit over de lokale omgangsvormen. En geven aan dat ze geen behoefte hebben aan hulp. Het laat zich aanzien dat deze ouderen hun verwachtingen al veel eerder naar beneden hebben bijgesteld. Read more

Bookmark and Share

Appeltjes van Oranje ~ De popularisering van het nieuwe welzijnswerk


OranjefondsHet Oranje Fonds nomineert elk jaar een aantal aansprekende sociale projecten. Dit jaar zijn dat er elf, waarvan drie kans maken op een prijs van 15.000 euro en een gebeeldhouwd Appeltje van Oranje. Thema is deze keer buurtvoorzieningen in eigen beheer. Wat is de impact van deze Oscars voor sociale vernieuwing die in mei worden uitgereikt?

In 2014 keerde het Oranje Fonds 27,4 miljoen euro uit aan ruim 1.100 sociale projecten. Gemiddeld is dat circa 25.000 euro per aanvraag. Ze zijn daarmee het grootste sociale fonds van Nederland, meldt het fonds op de website. Door de overheidsbezuinigingen in de sociale sector, is het belang van dit fonds in het afgelopen decennium toegenomen. Niet zozeer omdat ze het financiële gat dichten, want de 27,4 miljoen van het fonds steekt schamel af tegen de veel grotere overheidsbezuinigingen in deze sector. De betekenis van het Oranje Fonds zit vooral in de positie die het fonds in het afgelopen decennium heeft verworven. In tweeërlei opzicht. Om te beginnen is dat de bijdrage aan de popularisering van het welzijnswerk. Exponenten hiervan zijn de jaarlijkse uitreiking van de Appeltjes van oranje. Maar ook het succes van de NL-doet dag en de Buren-dag, twee jaarlijkse campagnes die mensen er toe aan wil zetten één dag als vrijwilliger voor een sociaal doel te klussen, dan wel op de ‘burendag’ een gezellige activiteit met de buren te organiseren. Een tweede verdienste is de uitbreiding van de dienstverlening die het Oranje Fonds biedt. Dat gebeurt aan de hand van sociale thema’s geclusterd in meerjarige programma’s. In plaats van de suikeroom die aanvragen al dan niet toekent, staat het fonds de mensen die bij hen aankloppen ook terzijde bij inhoudelijke vragen. Naast financiering helpt het Oranje Fonds initiatiefnemers op weg met de methodische aanpak, organiseert het uitwisseling en laat het onderzoek uitvoeren naar resultaten. Door deze ruimere taakopvatting kan het fonds de aanpak van maatschappelijke thema’s agenderen en nieuwe werkwijzen in bredere kring over het voetlicht brengen.

Troonrede
Behalve in het populariseren van het welzijnswerk is het Oranje Fonds dus ook op de inhoud een belangrijke speler geworden in deze sector. Interessant dus om hier bij stil te staan aan de hand van de Appeltjes van Oranje. Om te beginnen bij de nominaties voor 2016. Dat heeft als thema buurtvoorzieningen die mensen in eigen beheer hebben. Denk daarbij aan voorbeelden als het zelfbeheer van een buurthuis, een dorpswinkel, een buurtmoestuin, een speelruimte of het gezamenlijk geregeld vervoer. `Samen zelf doen. De handen uit de mouwen steken en meedoen, het is hard nodig,` staat in de toelichting vermeld. Deze inleiding eindigt met: `We bekronen het zelfbeheer en de inzet voor elkaar.` Sleutelbegrippen waar de jury naar kijkt bij de selectie van de genomineerde projecten zijn: zelfbeheer, zelfredzaamheid en actief burgerschap. Deze criteria zou je ook kunnen lezen als een populaire versie van de spraakmakende frase uit de Troonrede van 2013, waarin werd aangekondigd dat de klassieke verzorgingsstaat plaats moet maken voor een ‘participatiesamenleving’. Read more

Bookmark and Share

Huis van de wijk ~ ontmoetingspunt van de buurt en uitvalsbasis voor professionals


cover_Het_belang_van_slow_social_work_234wr-1433425279Rotterdam opent in 2016 maar liefst 48 Huizen van de wijk. Ook in de rest van het land schieten dergelijke kleinschalige ontmoetingscentra als paddenstoelen uit de grond. Ze hebben namen die variëren van Huiskamer van de buurt, Huis van de buurt, BuurtHuis, Buurtkamer en Huis van de wijk. Een revival van het aloude buurthuis? Of is het Huis van de wijk toch iets nieuws en is er wat anders aan de hand?

Na steden als Venlo, Amsterdam en Deventer investeert ook Rotterdam fors in een nieuwe generatie ontmoetingscentra. Een plek waar bewoners met hulpvragen kunnen aankloppen, aan activiteiten deelnemen of om er samen iets te ondernemen. Bijgestaan door de gemeente of medewerkers van instanties voor zorg en welzijnswerk. Het Huis van de wijk en de varianten daarop willen hèt sociaal knooppunt in de wijk zijn. Die aanduiding verschilt niet wezenlijk van het buurthuis dat de afgelopen decennia juist uit de gratie is geraakt. Welzijnswerkers trokken zich daar uit terug en ook gemeenten toonden zich steeds minder bereid om ze met subsidiegeld in stand te houden. Het gevolg was een kaalslag onder buurthuizen die hun exploitatie niet sluitend kregen. De recente belangstelling voor ontmoetingspunten in de wijk is daarom opmerkelijk.

Drijfveer voor nieuwe centra
Tijdens een rondgang valt al snel op dat er achter Het huis van de wijk en de andere namen van deze nieuwe trefcentra een grote diversiteit schuilgaat. In omvang variëren ze van kleine caféachtige ontmoetingsruimtes tot een grote zakelijk ingerichte multifunctionele accommodaties. De exploitatie en het beheer kan in handen zijn van de gemeente of een welzijnsorganisatie, maar ook van burgers die een stichting hebben opgericht. Hier lijkt sprake van oude wijn in nieuwe vaten, want deze variëteit was ook kenmerkend voor de buurthuizen. Wie het verschil tussen deze twee wil achterhalen moet te rade bij het beleid. Een belangrijke drijfveer voor de nieuwe buurtcentra is namelijk de nieuwe wet maatschappelijke ondersteuning (n-Wmo) die in januari 2015 in werking trad. Sinds die datum zijn gemeenten verantwoordelijk voor zorg- en welzijnsvoorzieningen. Doel ervan is participatie van kwetsbare groepen bevorderen en mensen die hulpbehoevend zijn meer gebruik laten maken van steun in hun directe omgeving. De noodzaak hiertoe wordt versterkt door het gegeven dat er minder geld beschikbaar is voor professionele hulp, gemeenten zijn tegelijk op zoek naar kostenbesparende alternatieven. Eén daarvan is het creëren van ontmoetingsplekken voor kwetsbare burgers.

Kostenbesparende oplossing
De investering in Huizen van de wijk, buurtkamers en andere trefpunten is dus vooral een strategische keuze van de overheid. Het initiatief voor de nieuwe centra ligt bij de gemeenten. Dat was drie jaar geleden ook het geval toen Venlo als één van de eersten van start ging met het concept van Huis van de wijk. Samen met het zorgkantoor in deze stad hebben ze, verspreid over de stad, een dekkend netwerk van 18 Huizen van de Wijk opgezet. Daar kunnen wijkbewoners met hun vragen over zorg, wonen, werk en inkomen terecht bij een sociaal wijkteam dat aanwezig is in elk Huis van de wijk. Zo’n team bespreekt met bewoners wat ze zelf kunnen doen en waarmee familie, vrienden en de vrijwilligers uit de buurt hen kan helpen. Pas daarna wordt aanvullend professionele ondersteuning ingeschakeld. Inmiddels kijken ze in Venlo ook al vooruit naar het onderbrengen van dagbesteding voor mensen met een beperking in zo’n wijkcentrum. Voordeel hiervan is dat de mensen dichterbij huis terecht kunnen; ongetwijfeld speelt hier ook een rol dat deze oplossing kostenbesparend is. In Venlo werken professionals van het sociaal wijkteam aan een netwerk met betrokken en actieve bewoners. En wil de gemeente op langere termijn nog een stap verder gaan door het eigenaarschap over te dragen aan een stichtingsbestuur dat bestaat uit wijkbewoners. Read more

Bookmark and Share

Floor de Jong ~ WhatsApp-experiment geeft impuls aan familieparticipatie bij Zorgpalet


Whatsapp0002In het voorjaar van 2015 kwam Linda van Deursen, activiteitenbegeleidster bij de Veranda, op het idee om via een WhatsApp-groep familieleden en naasten te betrekken. De Veranda is een dagcentrum waar dagactiviteiten voor ouderen worden aangeboden (dagbesteding) en maakt deel uit van ouderenzorgorganisatie ZorgPalet in Soest. Bij de Veranda startten ze met een WhatsApp-experiment. Ilona van der Wal, de dochter van meneer Hodde, was meteen enthousiast: “Ik heb gelijk een WhatsApp-groep aangemaakt en iedereen in de familie uitgenodigd. Wat een leuk idee.” Linda was verrast door het enthousiasme: “Dat ging in een keer heel snel.”

Delen van berichten en foto’s als leuke toevoeging
Ilona had met haar broer al veel contact via WhatsApp om de zorg voor haar ouders te organiseren en maakte de WhatsApp-groep aan. Gekozen werd voor de groepsnaam ‘Dhr. Hodde’. Ilona: “Iedereen stelde zichzelf kort voor in de groep. Mijn man en ik, mijn broer en schoonzus en alle kleinkinderen die lid zijn van de groep. Alleen mijn vader en moeder zelf en de jongere zus van mijn vader nemen niet deel aan de groep, omdat zij geen smartphone hebben. Mijn tante is helemaal bij de tijd met tablet en computer, dus hopelijk komt dat nog.”

De WhatsApp-groep is bedoeld voor het delen van leuke berichten en foto’s. Linda stuurt vaak een kort berichtje wat ze op een dag hebben gedaan met een foto van meneer Hodde in actie. Bijvoorbeeld van het sjoelen. “Daarop kregen we meteen reactie van Tjarda, de kleindochter van meneer, want ook zij heeft sjoeltalent.” Ook aan de verjaardag van meneer Hodde wordt op de dagbesteding aandacht besteed. “En dat delen we dan weer met de familie”.

Lees verder: http://www.expertisecentrummantelzorg.nl/WhatsApp-experiment

Bookmark and Share

Slow social work in Rotterdam ~ als antwoord op het tandeloos welzijnswerk


cover_Het_belang_van_slow_social_work_234wr-1433425279Typisch Rotterdams zoals ze daar het beleid in de sociale sector weer eens stevig op de schop nemen. Deze keer om plaats te maken voor Welzijn Nieuwe Stijl. Platform 31 wijst in het rapport Het belang van slow social work op de tandeloosheid van de opeenvolgende beleidswisselingen in het sociaal domein. En ziet veel meer in een organische verandering met een bescheiden rol voor professionals. Samenlevingsopbouw nieuwe stijl, slow social work op zijn Rotterdams.

Werkelijk elke gemeente in ons land worstelt er mee: de transitie, en de transformatie voor wie hogere ambities heeft met het sociaal domein. Het is work in progress, niemand kan voorzien hoe deze omslag in zorg en welzijn precies zal uitpakken. Wel lopen er diverse onderzoeken, evaluaties, enquêtes en worden er statistische gegevens verzameld. Vaak zijn het dagkoersen, cijfers die nog weinig houvast bieden en bespiegelingen die in het gunstigste geval te bestempelen zijn als educated guesses. Dan zijn er nog de succesverhalen, best practices en handzame lijstjes met tips die instant succes in het vooruitzicht stellen. Wat in veel publicaties onvoldoende tot zijn recht komt is de gelaagdheid van de materie, in het bijzonder de dilemma’s en tegenstrijdigheden die gepaard gaan met zo’n omslag. Het is lastig om deze complexiteit op een toegankelijke manier uiteen te zetten.
De publicatie Het belang van slow social work van Platform31 is een mooi tijdsdocument over het Rotterdamse welzijnswerk waar het roer voor de zoveelste keer om moet. De auteurs Radboud Engbersen en Tineke Lupi doken in beleidsrapporten, spraken over een langere periode met bestuurders, ambtenaren, professionals en vrijwilligers. Ze keken ter plekke en spraken met direct betrokkenen. Hun keuze om buurthuizen en religieuze gemeenschappen onder de loep te nemen, is een gouden greep. Daar leggen ze de Achilleshiel van het welzijnswerk bloot, en sprokkelen er de bouwstenen voor een andere benadering: het slow social work.

Retorische beleidstaal
Rotterdam heeft een traditie hoog te houden als het gaat over sociale uitvindingen: Duimdrop, Opzoomeren, Mensen maken de stad, Perron Nul, de inzet van mariniers, het Kwaliteitspanel, de APK-projectgarage, Topscore, om zo maar eens wat voorbeelden te noemen. Een kwart eeuw geleden werd de spraakmakende Rotterdamse versie van sociaal vernieuwen zelfs tot kabinetsbeleid verheven. Engbersen en Lupi volgen het beleidsspoor van de afgelopen 25 jaar en lichten er een rode draad uit die ondanks alle wisselingen in het beleid, steeds weer de kop op steekt: de rol van de burger als gangmaker voor sociale veranderingen. De jongste beleidsrapporten, – met termen als eigen kracht, zelfredzaamheid, burgerkracht en zelforganisatie -, wijzen opnieuw in die richting. En ook uit dit rapport blijkt dat het een hardnekkige kwestie is om de regie echt in handen te leggen van burgers. De auteurs concluderen : ‘…dat de veranderingen in het welzijnswerk zich vooral op institutioneel niveau tussen de overheid en welzijnsinstellingen afspelen.’ Saillant is dat bestuurders en ambtenaren de mentaliteit van de burgers en het gebrek aan kennis van het beleid, als oorzaken aanwijzen waarom de beleidsvoornemens maar niet aarden. En de burgers die wel actief worden, krijgen het verwijt dat ze zich alleen inzetten voor de eigen groep, in plaats van de buurt in zijn geheel. Zoveel wantrouwen jegens de eigen burgers zegt wel iets over het retorisch gehalte van hun beleidsnota’s. Read more

Bookmark and Share

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles

  • Rozenberg Quarterly Archives