Een terugblik op het hart van de buurt

No comments yet

UwBuurthuisMaart 2014. Het buurthuis zit al een tijd in de hoek waar de bezuinigingsklappen vallen. Op veel plaatsen moeten ze de deuren sluiten. Het hart van de buurt, zoals buurthuizen zich vaak presenteren, dreigt zijn aantrekkingskracht te verliezen. Maar er zijn tekenen van herstel. Bewoners die na sluiting van het buurthuis zelf het beheer op zich nemen. En dan is er de opkomst van  buurtcentra die inspelen op de nieuwe ontwikkelingen in de zorg. In deze tweede aflevering van een serie over het buurthuis kijken we naar de beginjaren en de wisselende periodes van bloei en terugslag. Wat is door de jaren heen de betekenis van het buurthuis geweest? Hoe kon de reputatie in een neergaande spiraal terecht komen? En is het nog altijd het hart van de buurt? Die vragen zijn het uitgangspunt voor deze terugblik.

Voor het prille begin van het buurthuis gaan we terug naar het eind van de 19e eeuw, als een aantal gegoede burgers en later ook geestelijk leiders zich inzet voor de volksopvoeding van ongeschoolden in de grote steden.  Daar zijn de levensomstandigheden in de achterbuurten belabberd, de industrialisatie laat zijn sporen na in de gezinnen, er is armoede, de opgroeiende generatie wordt aan haar lot overgelaten en hangt op straat rond. Tegen die achtergrond, met veel sociale onrust en een opkomend arbeidsproletariaat dat zich begint te roeren, kiezen de oprichters van de eerste buurthuizen voor een beschavingsoffensief in de volkswijken. Als bijdrage aan de opvoeding bieden ze de jeugd een plek in de eerste clubhuizen, buurthuizen en volkshuizen. Want ze realiseren zich dat de kloof tussen deze achterbuurtjeugd en het in opkomst zijnde verenigingsleven onoverbrugbaar groot is.

Twee clubhuizen voor fabrieksmeisjes
In de eerste helft van de twintigste eeuw neemt het aantal clubhuizen en buurthuizen gestaag toe.  Eerst in de grote steden, daarna volgen de middelgrote en kleinere plaatsen. Kerkelijke organisaties richten eigen clubhuizen op met een christelijke signatuur, vooral voor jongeren. Kenmerkend aan de beginperiode is dat de pioniers hun stempel drukken op het clubhuis, dan wel volkshuis of buurthuis. Zo sticht de dochter van een fabrikant in Den Haag twee clubhuizen voor fabrieksmeisjes. In 1915 krijgt het Drentse Paterswolde als een van de eersten een dorpshuis, en volgen er al snel meer in andere perifere provincies als Friesland, Groningen en Limburg. Het ontstaan en de opbloei van de dorpshuizen op het platteland vertoont veel overeenkomsten met en de buurthuizen in de stedelijke gebieden. Maar er zijn ook duidelijke verschillen aan te wijzen. In een aparte bijdrage staat ZorgLab2015 ook uitvoeriger uitvoerig stil bij het verleden van het dorpshuis en de ontwikkelingen die dorps- en buurthuizen op het platteland hebben doorgemaakt.

Agogisch geschoolde welzijnswerkers
Na de oorlog vinden twee opvallende veranderingen plaats die ook van invloed zijn op het buurthuis. Allereerst is dat de ontkerkelijking, stukje bij beetje verdwijnen de levensbeschouwelijke schotten en is de christelijke grondslag steeds minder een belemmering om samen te werken. Doorslaggevender is wellicht de rol van de overheid. In de jaren die volgen op de wederopbouw legt de overheid het fundament voor de welvaartsstaat. Het Rijk komt met financieringsregelingen voor de bouw en exploitatie van club- en  buurthuizen. En investeert in de professionalisering van het welzijnswerk, sociale academies maken in de zeventiger jaren een bloeiperiode mee. Er komt ook een ander type beroepskracht. De charismatische buurthuiswerker met een dik bos sleutels aan z’n broekriem die zich in het gebouw overal mee bemoeit, maakt plaats voor een keur aan agogisch geschoolde welzijnswerkers die zich voorstellen  als jeugd- en jongerenwerker, vrouwen- of emancipatiewerker, ouderenwerker, buurtwerker of opbouwwerker. De differentiatie neemt toe, ieder zijn eigen doelgroep.

Ze nestelen zich als een koekoek
Anders dan de club- & buurthuiswerkers die het gebouw vrijwel niet uitkwamen, trekt de nieuwe professional ook de buurt in. Die vergadert, richt werkgroepen en actiegroepen op, buigt zich over verkeerskwesties in de buurt, de emancipatie van de vrouw, huurverhogingen, achterstallig onderhoud, sloop of renovatie van woningen,  rondhangende jeugd en opvoedingsproblemen, ouderparticipatie en achterstanden in het onderwijs. De  professionals nestelen zich als een koekoek in de buurthuizen. Ze overschaduwen daar de veelal amateuristische besturen van stichtingen bij wie ze formeel in dienst zijn. Zorgen voor een boost aan nieuwe activiteiten, die voor een belangrijk deel plaats vinden in het buurthuis. De komst van mediterrane gastarbeiders en andere allochtone nieuwkomers versterkt het proces van professionalisering, door hun marginale positie en bijkomende integratieproblemen vormen zij een dankbare doelgroep voor het welzijnswerk. Een belangstelling overigens die  de vaste kern van bezoekers in de buurthuizen nogal eens met argusogen bekijkt. Maar het buurthuis is steeds minder de biotoop van de welzijnswerker, die twee groeien heel geleidelijk uit elkaar. En de ontmoetingsfunctie van het buurthuis wordt veelal overgelaten aan de beheerder.

buurthuisSPFusiegolf en schaalvergroting
Het club- en het buurthuiswerk wordt tot de jaren zeventig in één adem werd genoemd, op een soortgelijke manier is ook het buurthuiswerk en het welzijnswerk lange tijd verstrengeld geweest. Het is lastig om een tijdstip te noemen waarop die twee zich van elkaar gingen onderscheiden. Dit proces verloopt per stad, per wijk of buurt en zelfs per buurthuis weer anders. Wel zijn een aantal ontwikkelingen te noemen die dit in de hand hebben gewerkt. Eén daarvan is de kaderwet welzijn in 1984, als het rijk de regie van het welzijnswerk in handen legt van gemeenten. De vrees dat het welzijnswerk het voortaan moest afleggen tegen spreekwoordelijke lantaarnpalen, blijkt mee te vallen. Wel krijgt het verbrokkelde welzijnswerk te maken met een fusiegolf en schaalvergrotingen. De personele inzet van teams wordt opgeschaald van buurt- naar wijk- en soms zelfs stadsniveau. Uitgezonderd een aantal achterstandswijken met complexe sociale problemen, dit zijn het soort buurten waar ooit de eerste buurthuizen stonden. Hier is het buurthuis vaak nog wel het vertrekpunt voor een integrale aanpak met intensieve bemoeienis van een team professionals dat laagdrempelig, buurtgericht en op een persoonlijke manier aansluiting zoek bij de leefwereld in zo’n buurt. Het zijn de buurten die al veel etiketten opgeplakt hebben gekregen, waarvan krachtwijken misschien wel de meest opmerkelijke is

Raad van Toezicht en registratiesystemen
Directie en management van gefuseerde welzijnsstichtingen vestigen zich in afzonderlijke kantoorpanden en profileren zich als onderneming die welzijn markt zien. De stichtingen moeten als één van de marktpartijen zien dat ze in aanmerking komen voor de uitvoering van gemeentelijk welzijnsbeleid. Zo’n omslag vraagt een hele andere benadering en een nieuwe structuur van de organisatie, is de redenering. Intern worden de organisatorische teugels aangehaald, de functie van coördinator als primus inter pares verandert in directeur of directeur-bestuurders, vrijwillige en bij buurt betrokken bestuurders worden ingewisseld voor ter zake deskundigen in een Raad van Toezicht op afstand. Er komen registratiesystemen voor een striktere verantwoording van het uitvoerend werk, want in de nieuwe verhoudingen laat het welzijnswerk zich afrekenen op doelen en resultaten die vooraf zijn vastgesteld. Het missionaire aspect van het werk verdwijnt naar de achtergrond, ook het welzijnswerk schudt de ideologische veren af. De directeuren bundelen in 1996 de belangen van hun branche in de landelijke vereniging Verdiwel.

Melkertbanen
Binnen de gelederen van de gefuseerde welzijnsorganisaties krijgen buurthuizen steeds meer de status van een dependance, dan wel `vindplaats` voor de beroepskrachten. Het wordt een onderkomen voor bewoners en groepen die zich elders in de stad of in hun eigen buurt niet thuis voelen. Deze marginalisering van het buurthuis is voor de welzijnsinstellingen geen reden voor een kwaliteitsimpuls. Of hardop na te denken over het herijken van de functie van het buurthuis. Integendeel, als de minister Melkert van Sociale Zaken in 1994 met een regeling komt om langdurig werklozen in een tijdelijke regeling aan een zuinig betaalde baan te helpen, creëren de welzijnsondernemingen veel Melkertbanen in het beheer van de buurthuizen. Dit is geen signaal dat het buurthuis in sociaal opzicht gezien wordt als epicentrum voor vernieuwingen in de buurt. Een noodgreep bovendien, omdat eerder juist bezuinigd is op dat beheer. En een miskenning van het belang van continuïteit van het beheer, omdat de Melkertbaan een tijdelijke tewerkstelling is, en bedoeld om langdurig werklozen een opstap te bieden naar betaald werk.

Enig hartfalen
Een interessante graadmeter voor de stand van zaken bij de buurthuizen is het jubileum van het toenmalige Julianafonds, de voorloper van het huidige Oranjefonds.  Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van dit fonds wordt in het voorjaar van 1998 een grote manifestatie in de Jaarbeurs Utrecht georganiseerd die in het teken staat van Buurthuis, het hart van de buurt. Met kraampjes, debatten, muziek, theater en allerhande optredens wordt het buurthuis die dag pontificaal in de schijnwerpers gezet. Het is de laatste keer dat dit op een dergelijke prominente manier gebeurt. Wie de jubileumuitgave voor die dag ruim vijftien jaar later nog eens doorleest, kan met de kennis van nu vaststellen dat er toen al sprake was van enig hartfalen. Het boekje geeft in 1998 een dwarsdoorsnede van de actuele ontwikkelingen in en rond het buurthuis. Het gaat in die tijd om drie elementen, staat er in het voorwoord:  er bij horen, samenwerken en praktische zorg voor de woonomgeving. Van de dertig praktijkvoorbeelden die in het boekwerkje beschreven worden, zijn er slechts zeven die in het buurthuis zelf plaatsvinden. Het overgrote deel van de activiteiten speelt zich af op straat of op een plein, in een (brede) school of verpleeghuis, bij mensen thuis of in een bus die de wijk doorkruist. De digitale snelweg als vindplaats is, uitgezonderd een internetclub voor meiden in Nijmegen, op dat moment nog een onbekend fenomeen.

Melting pot of kleffe huiskamer
In diezelfde uitgave komen deskundigen en betrokkenen aan het woord die direct, dan wel indirect te maken hebben met het buurthuis. Op de vraag waar het hart van het buurthuis ligt, wijst het merendeel op ontmoeting en integratie als belangrijkste bestanddelen. Het ideale buurthuis schetsen ze als een melting pot, een plek waar je leert om te gaan met verschillen. Het gedachtengoed van de multiculturele samenleving klinkt hier duidelijk door in de antwoorden. Maar er worden ook relativerende opmerkingen geplaatst. Bijvoorbeeld door de associatie van het buurthuis met achterstand en het huiskameridee als achterhaald en klef onderuit te halen. Gevraagd naar de uitdagingen voor de komende tien jaar antwoordt Jan Willem Duyvendak, in die tijd bijzonder hoogleraar Wetenschappelijke grondslagen van het Opbouwwerk, als volgt: `Het valt mij op dat er zo weinig nagedacht wordt over het belang van het buurthuis. Wel wordt veel gepraat over de functie van de school in de buurt, hangplekken en ontmoetingsplekken in de buurt. Toen ik een tijdje geleden op de Nationale Burendag was, had men het over de buurt, het buurtschap en de buren. Dat het buurthuis in de discussie buiten beschouwing bleef, vond ik zo raar. Het lijkt me een uitdaging om na te denken over de moderne plaats die het buurthuis kan innemen in de buurt.`

Nieuwe ontmoetingspunten
In de afgelopen vijftien jaar heeft niemand die handschoen serieus opgepakt. Als oplossing voor bezuinigingen in de welzijnssector kiezen veel gemeenten en welzijnsinstellingen voor het sluiten van buurthuizen. De protesten daartegen zijn over het algemeen bescheiden. Buurthuizen hebben kennelijk niet meer de positie om zich te verweren tegen dergelijke besluiten, en krijgen niet genoeg mensen op de been om die besluiten van tafel te krijgen. Is het hartfalen waar het buurthuis aan lijdt dan toch een chronische aandoening? En heeft het buurthuis zijn langste tijd gehad?


Eindhoven. 30 mei 2012. De besturen van 15 buurthuizen hebben dinsdagavond gezamenlijk 600 handtekeningen aangeboden aan de commissie Ruimte en Vastgoed.

Dit laatste is toch een te eenzijdig beeld. Want vier jaar geleden liet het Oranjefonds onderzoek doen naar de beeldvorming en het gebruik van het buurthuis. Uit een steekproef onder 1000 mensen blijkt dat het wel goed zit met de bekendheid, 91% kent de buurt-, wijk- en dorpscentra bij hen in de buurt, ook al weten ze vaak niet wat er precies te doen is. Toch zegt 50% dat ze er eens per jaar komen en brengt één op de vijf er zelfs eens per maand een bezoek. Per maand trekken buurt-, wijk en dorpscentra volgens dit onderzoek maar liefst 2,6 miljoen bezoekers. Deze cijfers zijn een aanwijzing dat de ontmoetingscentra in buurten, wijken en dorpen nog altijd een groot bereik hebben. En voeden het vermoeden dat het buurthuis als het hart van de buurt, plaats heeft gemaakt voor de komst van allerlei andere centra in de buurt. Daarbij kan gedacht worden aan de komst van multifunctionele accommodaties (MFA’s), Kulturhusen, inloopcentra, Buurtkamers, jongerencentra en seniorenkamers. Of een herstart maken als onderdeel van een brede school, sportvereniging, verzorgingshuis of de scouting. Dan wel als onderkomen voor groepen in de marge zoals een soos voor homo’s, theehuizen voor migranten, het Odense huis voor dementerenden of het Toon Hermanshuis voor mensen met kanker. Met de explosieve groei van digitale communicatie en sociale media is het zelfs de vraag of  het buurthuis van de toekomst nog wel een fysiek gebouw is. Zal deze diversiteit zich voortzetten? Of herpakt het buurthuis zich en staat het een nieuwe jeugd te wachten als centrum in de buurt voor zorg en welzijn?

Aanknopingspunten voor de toekomst?
De overheid trekt zich terug op delen van het sociaal domein en het particulier initiatief wordt onder de noemer van burgerkracht aangemoedigd om het stokje over te nemen. Op diverse plekken in het land omarmen bewonersgroepen het buurthuis in hun omgeving dat leeg komt te staan en trekken de regie naar zich toe. En dan  blijkt er van alles van de grond te komen, van Repaircafés tot buurtrestaurants, zzp-collectieven en ateliers voor kunstenaars. Elders in wijken en buurten bloeien buurtkamers op en ontstaan sociale cafés. En in de schaduw van het professionele zorgcircuit ontstaan burgerinitiatieven voor een nieuw soort huizen en ontmoetingsruimtes waar mensen met een verstandelijke handicap, of met Alzheimer, kanker, niet aangeboren hersenletsel of autisme elkaar kunnen opzoeken in een eigen, beschermde omgeving. Je zou het clubhuizen in een nieuw jasje kunnen noemen, initiatieven die inspelen op de tendens dat de zorg meer in de eigen omgeving te organiseren, vaak op initiatief van de mensen zelf of betrokkenen om hen heen. Ontstaan uit een praktisch soort idealisme. Ligt hier ook het voorland voor het buurthuis van de toekomst? Te meer nu de overheid de organisatie van de zorg meer bij de mensen zelf wil leggen en ook het professionele zorgcircuit  meer aanwezig wil zijn in de buurten en wijken? Denk aan de wijkteams die in opkomst zijn. Komen er nieuwe verbindingen met het professionele welzijnswerk? Of zit de vernieuwende kracht vooral in het particuliere initiatief van burgers? Wellicht in combinaties daarvan?

In een reeks artikelen gaan wij op zoek gaan naar de nieuwe gedaantes die het buurthuis aanneemt in deze tijd van transformaties in de zorg. In een reeks reportages en interviews wil ZorgLab2015 initiatieven over het voetlicht brengen waarbij het buurthuis een nieuwe en verbindende rol speelt in de veranderingen in de zorg.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 10 + 7 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)



Ads by Google

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles

  • Rozenberg Quarterly Archives