Huis van de wijk ~ ontmoetingspunt van de buurt en uitvalsbasis voor professionals

No comments yet

cover_Het_belang_van_slow_social_work_234wr-1433425279Rotterdam opent in 2016 maar liefst 48 Huizen van de wijk. Ook in de rest van het land schieten dergelijke kleinschalige ontmoetingscentra als paddenstoelen uit de grond. Ze hebben namen die variëren van Huiskamer van de buurt, Huis van de buurt, BuurtHuis, Buurtkamer en Huis van de wijk. Een revival van het aloude buurthuis? Of is het Huis van de wijk toch iets nieuws en is er wat anders aan de hand?

Na steden als Venlo, Amsterdam en Deventer investeert ook Rotterdam fors in een nieuwe generatie ontmoetingscentra. Een plek waar bewoners met hulpvragen kunnen aankloppen, aan activiteiten deelnemen of om er samen iets te ondernemen. Bijgestaan door de gemeente of medewerkers van instanties voor zorg en welzijnswerk. Het Huis van de wijk en de varianten daarop willen hèt sociaal knooppunt in de wijk zijn. Die aanduiding verschilt niet wezenlijk van het buurthuis dat de afgelopen decennia juist uit de gratie is geraakt. Welzijnswerkers trokken zich daar uit terug en ook gemeenten toonden zich steeds minder bereid om ze met subsidiegeld in stand te houden. Het gevolg was een kaalslag onder buurthuizen die hun exploitatie niet sluitend kregen. De recente belangstelling voor ontmoetingspunten in de wijk is daarom opmerkelijk.

Drijfveer voor nieuwe centra
Tijdens een rondgang valt al snel op dat er achter Het huis van de wijk en de andere namen van deze nieuwe trefcentra een grote diversiteit schuilgaat. In omvang variëren ze van kleine caféachtige ontmoetingsruimtes tot een grote zakelijk ingerichte multifunctionele accommodaties. De exploitatie en het beheer kan in handen zijn van de gemeente of een welzijnsorganisatie, maar ook van burgers die een stichting hebben opgericht. Hier lijkt sprake van oude wijn in nieuwe vaten, want deze variëteit was ook kenmerkend voor de buurthuizen. Wie het verschil tussen deze twee wil achterhalen moet te rade bij het beleid. Een belangrijke drijfveer voor de nieuwe buurtcentra is namelijk de nieuwe wet maatschappelijke ondersteuning (n-Wmo) die in januari 2015 in werking trad. Sinds die datum zijn gemeenten verantwoordelijk voor zorg- en welzijnsvoorzieningen. Doel ervan is participatie van kwetsbare groepen bevorderen en mensen die hulpbehoevend zijn meer gebruik laten maken van steun in hun directe omgeving. De noodzaak hiertoe wordt versterkt door het gegeven dat er minder geld beschikbaar is voor professionele hulp, gemeenten zijn tegelijk op zoek naar kostenbesparende alternatieven. Eén daarvan is het creëren van ontmoetingsplekken voor kwetsbare burgers.

Kostenbesparende oplossing
De investering in Huizen van de wijk, buurtkamers en andere trefpunten is dus vooral een strategische keuze van de overheid. Het initiatief voor de nieuwe centra ligt bij de gemeenten. Dat was drie jaar geleden ook het geval toen Venlo als één van de eersten van start ging met het concept van Huis van de wijk. Samen met het zorgkantoor in deze stad hebben ze, verspreid over de stad, een dekkend netwerk van 18 Huizen van de Wijk opgezet. Daar kunnen wijkbewoners met hun vragen over zorg, wonen, werk en inkomen terecht bij een sociaal wijkteam dat aanwezig is in elk Huis van de wijk. Zo’n team bespreekt met bewoners wat ze zelf kunnen doen en waarmee familie, vrienden en de vrijwilligers uit de buurt hen kan helpen. Pas daarna wordt aanvullend professionele ondersteuning ingeschakeld. Inmiddels kijken ze in Venlo ook al vooruit naar het onderbrengen van dagbesteding voor mensen met een beperking in zo’n wijkcentrum. Voordeel hiervan is dat de mensen dichterbij huis terecht kunnen; ongetwijfeld speelt hier ook een rol dat deze oplossing kostenbesparend is. In Venlo werken professionals van het sociaal wijkteam aan een netwerk met betrokken en actieve bewoners. En wil de gemeente op langere termijn nog een stap verder gaan door het eigenaarschap over te dragen aan een stichtingsbestuur dat bestaat uit wijkbewoners.

In lijn met de wmo
Dit voorbeeld uit Venlo legt het dilemma bloot waar gemeenten mee zitten bij de uitvoering van het wmo-beleid: enerzijds moeten kwetsbare en hulpbehoevende inwoners de zorg en steun krijgen die noodzakelijk is. Tegelijkertijd willen gemeenten dat mensen zelfredzaam worden en in staat zijn de steun zo veel mogelijk in eigen kring te regelen. Beide elementen, overheidszorg en zelfredzaamheid, komen terug in het concept van Huis van de wijk in Venlo, net als in veel andere steden. De afwegingen hierbij worden vertroebeld door bezuinigingen die al zijn ingecalculeerd bij de introductie van de nieuwe wmo. Zo speelt het kostenaspect wel degelijk een rol bij de keuze voor het verplaatsten van dagbesteding naar een Huis van de wijk. Hetzelfde geldt voor het opzetten van een project voor burenhulp, of het aanbod van warme maaltijden in een Huis van de wijk. Het zijn stuk voor stuk activiteiten in de lijn van de wmo-doelstellingen en daaraan gekoppelde bezuiniging. De keuzen voor een accommodatie is van secundair belang: dat kan een buurthuis zijn, maar net zo goed een oud schoolgebouw, een verzorgingshuis of een leegstaand winkelpand ingericht wordt als ontmoetingsruimte.

Tweedeling als rode draad
In Rotterdam is de verantwoordelijkheid voor het welzijnsbeleid in 2014 overgeheveld van de deelgemeenten naar de centrale stad. Een jaar later, in de zomer van 2015, heeft het stadsbestuur in de nota Nieuw Rotterdams Welzijn het concept Huis van de wijk aangewezen als speerpunt. En aangekondigd dat er vanaf januari 2016 in totaal 48 Huizen van de wijk komen. Per wijk is gekeken naar accommodaties die zich lenen voor de functie van Huis van de wijk. En voor de komende twee jaar zijn resultaatafspraken opgesteld waar deze voorzieningen op afgerekend worden. In de Maasstad maken ze onderscheid in twee typen Huis van de wijk: huizen met sociaal beheer door welzijnsorganisaties en huizen in zelfbeheer, waar bewoners zelf de touwtjes in handen hebben. Ook deze tweedeling weerspiegelt het dilemma dat als rode draad door de wmo loopt: zorg verlenen en steun bieden, versus aansturen op zelfredzaamheid. Bij een Huis van de wijk met sociaal beheer ligt de nadruk op zorg en steun van professionele welzijnswerkers. Bij een Huis met zelfbeheer ligt het initiatief bij de bewoners. Het gaat om twee benaderingen met ieder een eigen logica.

Netwerk van actieve bewoners
In Rotterdam voert het professionele model de boventoon. Bij zo’n op aanbod gerichte benadering past een evenredige spreiding over de stad en een groter schaalniveau dan de buurt. Ook Venlo heeft voor een top down benadering gekozen en hanteert eveneens een wijkindeling. Hier zijn Huizen van de wijk de thuisbasis voor sociale wijkteams met professionele hulpverleners. Die teams functioneren als vooruitgeschoven post van het stedelijk wmo beleid. Toch zien we dat beide steden ook pogingen doen om ruimte te creëren voor een bottom up benadering. Wellicht om daarmee tegemoet te komen aan het uitgangspunt van zelfredzaamheid en burgerparticipatie die ook deel uitmaken van de wmo-gedachte. Zo heeft Rotterdam de variant van Huizen van de wijk in zelfbeheer. En is als uitzondering op de regel in de wijk Middelland een experiment gestart met een netwerk van kleine ontmoetingsplekken op buurtniveau. Samen vervullen die de functie van één Huis van de Wijk. In Venlo bouwen kwartiermakers aan een netwerk van actieve bewoners. En streven ze er op langere termijn naar het eigenaarschap over te hevelen naar een stichting die in handen is van bewoners.

Perspectieven met elkaar verbinden
De Huizen van de in Rotterdam en Venlo zijn voorbeelden van ontmoetingscentra die ook in de rest van het land van de grond komen. Vaak geïnitieerd door gemeenten en in samenwerking met particuliere organisaties voor zorg en welzijn. Omdat ze inspelen op het nieuwe wmo-beleid kan hier wellicht beter gesproken worden van Huizen vóór de wijk. Al is het maar om ze te onderscheiden van burgerinitiatieven die de laatste jaren in zwang zijn geraakt: bewoners die uit eigen beweging zelf een buurthuis runnen, samen een buurtmoestuin onderhouden of een zorgcoöperatie oprichten. Om het essentiële verschil tussen die twee te verhelderen maakt de filosoof Harry Kunneman de vergelijking tussen het licht van de lantaarnpaal en het kampvuur. Het eerste schijnt van bovenaf en verspreidt het licht gelijkmatig. Dit staat voor regie, transparantie en controle. Bij een kampvuur is sprake van schemerlicht waar werkers en cliënten om heen staan. Die zoeken elkaar op en delen verhalen en emoties. Dit staat voor interactie en co-creatie. De vraag is hoe deze twee perspectieven met elkaar verbonden kunnen worden. Wellicht dat het Rotterdamse experiment met kleinschalige ontmoetingsplekken in Middelland daar aanwijzingen voor geeft. Interessant is ook om de ervaringen van Huizen van de wijk in zelfbeheer te vergelijken met Huizen van de wijk die onder regie staan van professionele welzijnswerkers. Net zoals in Venlo valt vast wel iets te leren van de pogingen om het eigenaarschap van de Huizen van de wijk over te dragen aan bewoners. Gemeenten zouden ook eens hun licht op kunnen steken bij actieve bewoners die in onmin geraakte buurthuizen nieuw leven in proberen te blazen. Daar ligt een schat aan informatie voor het oprapen.

Zie:
Onderzoek naar betekenisvolle ontmoetingsplekken door David ter Avest van de Wmo-werkplaats Rotterdam : http://www.wmowerkplaatsen.nl/onderzoek-naar-betekenisvolle-ontmoetingsplekken-door-rotterdam
Over de introductie van Huis van de wijk in Venlo: http://goedopgelost.overheid.nl/venlo-experimenteert-met-huis-van-de-wijk
Over het rapport Het belang van slow social work: http://www.platform31.nl/het-belang-van-slow-social-work
Harry Kunneman sprak in een Lezing over Reflectie in de zorg over lantaarnpalen en kampvuren: http://www.humanistischealliantie.nl/

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 8 + 10 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)



Ads by Google

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles

  • Rozenberg Quarterly Archives