Laat terroristen niet bepalen wie onze helden zijn

No Comments yet

Bart Top

Bomaanslagen op moskeeën in Nieuw Zeeland worden beantwoord met zelfdodingsmissies in Sri Lanka en aanslagen op een synagoge in de Verenigde Staten. Extremisten richten zich op religieuze symbolen van de veronderstelde vijand. In 2015 waarschuwde Bart Top dat ‘cartoonwedstrijden’ in diezelfde richting gaan. Reden om een geactualiseerde versie van het essay nogmaals uit te brengen.

Wie weet nog dat er een tijd was dat de VVD zich hard maakte voor de emancipatie van de islam in Europa, een tijd waarin uitgerekend Frits Bolkestein zich profileerde met zijn rol in het comité van aanbeveling bij een leerstoel ‘liberale islam’ voor de Parijse hoogleraar Islamitische Filosofie Mohammed Arkoun, zoals Bolkestein ook het boek Moslims in de polder publiceerde waarin hij in gesprek ging met een range aan moslims en dat volgens de VVD-leider een ‘boeiend perspectief’ bood ‘op de positie van de islam in de polder die Nederland heet’. Na 9/11, Fortuyn, Verdonk wil niemand er meer van weten. Zich inlaten met de islam, dat past niet meer bij het beeld dat de VVD nu neerzet.

De verschuiving binnen de VVD is ook bij links te zien. De agenda van partijen als PvdA en Groenlinks bestond vanaf de jaren negentig tot 2008 zo ongeveer uit het zo ongemerkt mogelijk opschuiven naar de rechts-liberale agenda, pas onlangs is daarin een kentering gaande. Van de vrijheid, gelijkheid en broederschap bleef twee decennia lang alleen de vrijheid op het banier staan. Dertig jaar nadat in Frankrijk de bekende leuze Touche pas á mon pote opkwam, kleurt de leus Je suis Charlie het (virtuele) landschap. Waar de jongerenbeweging toen schreeuwde om integratie en het aanpakken van de banlieues sluiten de rijen zich nu om de vrijheid van meningsuiting. Waar toen het accent lag op gelijkheid en het tegengaan van discriminatie is nu bij sterk toegenomen maatschappelijke ongelijkheid vrijheid het parool.

Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zijn op zich uiteraard geen rechtse onderwerpen. Integendeel. Het zijn moeizaam door burgers op overheden bevochten rechten voor wie misstanden aan de kaak wil stellen. Zij worden pas ‘rechts’ als het concept vrijheid in een dominante verhouding gebruikt wordt om de vrijheid van anderen te beperken. Is dat nu het geval? Op voorhand is vast te stellen dat de discussie over de vrijheid van meningsuiting op dit moment geen vrijblijvende, filosofische kwestie is. Zij spitst zich in een heel specifieke context toe op het recht het afbeeldingstaboe in de islam te schenden. Het schijnt op dit moment de ultieme en enige lakmoesproef om die vrijheid van meningsuiting te toetsen.

Dit discours over de islam, de vrijheid van meningsuiting en het recht op kwetsen begon voor ons in Nederland met de zogenaamde Rushie-affaire, die geruime tijd na het publiceren van de Duivelsverzen losbarstte. Rushdie zelf benadrukte altijd dat hij nooit de intentie had om moslims te kwetsen en distantieerde zich niet van de islam. Rushdie was en is eerder een multiculturalist die werelden confronteert zonder ze boven elkaar te stellen.

Niet de intentie van Rushdie maar de gewelddadige reactie op de aantasting van het taboe werd vervolgens het uitgangspunt van latere interventies, zoals Submission in 2004, de cartoons in de Jyllands-Posten in 2006, Wilders’ Fitna in 2008 en zijn uiteindelijk afgeblazen ‘cartoonwedstrijd’ in 2018. In deze gevallen ging het bewust om het aanvallen van de islam door een taboe aan te pakken, met sinds Rushdie een gegarandeerde bonus van heldendom en martelaarschap. Waar Rushdie als schrijver onbewust speelde met de grenzen van de godsdienst waarmee hij was opgegroeid, werden hier bewust de grenzen overschreden vanuit een verwerping van de godsdienst zelf. Een oefening in vrijheid werd met een heel andere intentie gekopieerd. Je zou kunnen zeggen: een links project, gericht op emancipatie, werd omgevormd tot een rechts project ter adstructie en versterking van de clash of cultures.

Submission – en later Fitna – pasten bij de ‘liberale jihad’ die Hirsi Ali met haar – toen nog – VVD- collega Wilders begonnen waren, een poging de in hun ogen inherent gewelddadige moslimideologie in de kern te bestrijden door het voorwerp van verering te ontheiligen. Dat het ook in de Deense cartoonkwestie de intentie was om een clash te veroorzaken, vertelde de hoofdredacteur van de Jyllands-Posten, Flemming Rose, begin 2006 in NRC-Handelsblad. Hij had de cartoonisten gevraagd om een ‘islamitisch taboe’ te schenden ‘om de zelf opgelegde grenzen aan de meningsuiting, die krapper leken te worden, te verruimen’. Zo wilde hij de moslims integreren in ‘de Deense satirische traditie’.

Hier ging het duidelijk om iets anders dan om tekenaars die in vrijheid reageren op de wereld. Een hoofdredacteur nodigt hen uit een taboe te schenden vanuit een klip en klaar politieke agenda, gericht op hardhandige assimilatie. Van journalist wordt de hoofdredacteur activist die tolerantie eist van de moslims ten opzichte van de seculiere intolerantie die hij voor Deense cultuur verslijt. Op dat moment is niet alleen de vrijheid van meningsuiting aan de orde maar mag van links én rechts ook een oordeel over dit project gevraagd worden: delen we het uitgangspunt van geforceerde assimilatie en steunen we de shock and awe strategie? Het gaat hier niet om de vraag of kunstenaars cartoons mogen maken en media cartoons mogen publiceren, dat recht staat niet ter discussie, die vrijheid is er. Het gaat hier om de vraag hoe vanuit progressieve uitgangspunten de maatschappelijke en politieke reactie zou kunnen en misschien wel moeten zijn.

Anders dan in Nederland, waren de media in Angelsaksische landen daar in 2006 heel duidelijk in, het project werd niet gesteund, de cartoons niet gepubliceerd. De Internationale Federatie van Journalisten (IFJ) steunde die opvatting. De organisatie noemde de cartoons ‘deeply offensive to many Muslims’ en riep media op acties te vermijden die in eigen land of elders tot spanningen tussen de gemeenschappen zouden leiden.
In Nederland was de reactie van de meeste politieke partijen en media anders. Zonder enige analyse van de bedoelingen van de Jyllands-Posten toonden veel media de cartoons als reflexmatige steun aan de bedreigde tekenaars.

Er waren betrekkelijk weinig tegenstemmen. De betreurde journalist Michael Zeeman probeerde het in de Volkskrant : “Onder de huidige verhoudingen moet ermee gerekend worden dat een opvatting of een spotprent, zodra die in de openbaarheid komt, een eigen leven gaat leiden en wordt onderworpen aan talloze interpretaties en manipulaties. Vrijheid van meningsuiting is nooit een statisch gegeven en met de evolutie van de context waarin die wordt beoefend evolueren ook de verantwoordelijkheden van de pers. Verantwoordelijkheid kan dan verkieslijker zijn dan vrijheid.”

De eminente socioloog J. van Doorn schreef: “Verdere escalatie is alleen te voorkomen, indien we er in slagen de massa van de gematigden aan beide zijden van de kloof te winnen voor een politiek van de-escalatie. Dat zal alleen lukken als we de gevoeligheden van de gematigden ontzien en de fanaten in beide kampen in de tang nemen. De huidige relativistische moraal van ‘alles mag gezegd worden’ zal daaraan moeten worden opgeofferd. Gezien de zaak die op het spel staat, geen groot verlies.“ Het waren wegstervende stemmen in een zee van borstklopperige dapperheid.

Na de barbaarse aanslag van begin 2015 in Parijs domineerde opnieuw de reflex op te komen voor wie als martelaren van het vrije woord werden beschouwd. Premier Rutte sprak op de Dam over twaalf vermoorde ‘poortwachters van de vrijheid’. Nederland stond massaal achter de leus ‘Je suis Charlie’ en zelfs kinderen op school werd gevraagd of ze ‘Charlie’ waren. De massale steun onttrok het gebrek aan aandacht voor de Joodse doden in de kosjere supermarkt aan het oog. Deze werden blijkbaar als collateral damage gezien. Niemand riep ‘Je suis Juif’ en waar de volgende Charlie Hebdo een mega-oplage haalde, was er geen stormloop op kosjere producten.

Op zo’n moment is het oppassen: als het ene feit genegeerd wordt en het andere opgeblazen. De mensen in de supermarkt werden vermoord omdat de dader ervan uitging dat ze Joods waren, niet vanwege hun opvattingen, de politieagent omdat hij in de weg stond en de tekenaars vanwege de publicatie van onwelgevallige cartoons in hun blad. Door de cartoonisten als ‘poortwachters van de vrijheid’ centraal te stellen verdween uit het oog dat de terreur zich uiteindelijk tegen iedereen richt die niet achter jihadistische opvattingen staat.
Waar zich de mogelijkheid voordeed grote groepen in te sluiten door de diversiteit aan slachtoffers centraal te stellen hamerden politici en media hier te lande vooral op het aambeeld van de vrijheid, verbeeld in de reproductie van de cartoons.
Het valt op dat dit vrijheidsdiscours bijna net zo’n fundamentalistisch karakter kreeg als het gedachtegoed aan de overzijde. Zo wordt – ook op links – tegenwoordig vaak gezegd dat ‘de vrijheid van meningsuiting een en ondeelbaar’ is. De term werd in de jaren tachtig geïntroduceerd door Theo van Gogh, maar duikt later steeds vaker op.

Wie de oorsprong van het begrip ‘een en ondeelbaar’ zoekt, komt uit bij gesloten, vaak religieuze wereldbeelden, zoals theocratische opvattingen binnen het Jodendom en Christendom en in nationalistische vertogen: “De Bataafsche republiek is een en ondeelbaar.” Door de vrijheid van meningsuiting zo voor te stellen wordt zij een heilige graal in plaats van een groot goed wat betreft de bescherming van de burger tegen overheden, zoals in een progressief discours.
Degenen die de vrijheid van meningsuiting als absoluut zien richten hun pijlen dan ook niet op de overheid – die immers ook deze retoriek bezigt – maar op degenen die de publicatie en wijde verspreiding van de cartoons ter discussie wensen te stellen. Zij krijgen het verwijt van slappe knieën, inbinden voor terreur of zelfs heulen met de vijand en landverraad.

Een treffend voorbeeld was de actie van Paul Scheffer, half februari 2015, om niet naar een debat op Journalistenschool Windesheim te komen omdat het hoofd van die opleiding, Bas Mesters, de Charlie Hebdo met Mohammed-cartoon van het aankondigingsaffiche had verwijderd. Dit leidde in Scheffers ogen tot een ‘ onoverkomelijk meningsverschil ‘. Hij vond dat er ‘ergens een grens moet worden getrokken in het toegeven aan angst’. In de Telegraaf voegde hij toe: “Juist de nu de vrije meningsuiting onder druk staat als het om de islam gaat, moet die worden verdedigd.” In de opvatting van Scheffer moeten de cartoons steeds weer opnieuw worden vertoond. Wie daarvoor bedankt verzaakt de strijd. Dat Mesters niet uit angst maar prudentie had gehandeld werd hoon lachend weggewuifd.

Maar welk geluid wordt er hier gesmoord? In het debat had Scheffer zijn opvattingen luid en duidelijk kunnen verwoorden. Werkt het niet eerder zo: de moord op Van Gogh verkleinde de ruimte om zijn opvattingen en scheldkanonnades te kritiseren en af te wijzen. De moord op de halve redactie van Charlie Hebdo maakt het lastiger vraagtekens te zetten bij hun werkwijze.

Die vraagtekens bij de werking van sommige cartoons zijn zeker terecht. Cartoons hebben als genre een bonte geschiedenis. De cartoon kan scherp zijn als een mes, wisten ook totalitaire bewegingen in het verleden. De Joden in ‘Der Stürmer’ hadden dezelfde haakneuzen en dreigend voorkomen als sommige Mohammed afbeeldingen. Losgezongen uit de relatief veilige omgeving van een specifieke uitgave kunnen cartoons een heel ander effect krijgen dan een tekenaar ooit bedoelde of vermoedde, onderdeel worden van (anti-)propaganda. In de praktijk worden ze het ook: een propagandawapen in de clash of cultures.

Er is nog iets geks met die Mohammed-cartoons. Ze refereren behalve aan een ludiek op z’n jaren zestig-achtig trappen tegen heilige huisjes ook aan de veel minder liberale en veel primitievere traditie van stammen, volkeren en religies om elkaars heilige plaatsen te vernielen, schedels te scalperen, tempels en beelden op te blazen, zoals de Taliban de Boeddha’s van Bamyan vernietigden en dichterbij onze eigen Taliban van de zeventiende eeuw, de protestanten in Nederland huishielden tijdens de beeldenstorm. De Prins van Oranje zei daarover toen hij in 1580 de vernieling van de Heilige Stede, een kerk aan het Amsterdamse Rokin zag: “Doen sy dit aen ‘t ghewijde, wat sal ‘t van de reste wesen?” Hij wist hoe het aantasten van de heilige godsdienstige symbolen de wederzijdse haat kon voeden.

Gaan de associaties te ver? Zeker, in de cartoons wordt geen geweld gebruikt, ze staan ver af van het fysiek geweld tegen medemensen. Maar de vraag is wel gewettigd of het vernietigen van beelden erger is dan een (schunnig) beeld maken van wat de gelovige beeldloos wil houden. Een Mohammed-cartoon is op te vatten als het negatief van een beeldenstorm.

Dit is ongetwijfeld een heftige uitspraak. Maar juist het opeisen van het recht op kritiek op deze bruut vermoorde burgers beschermt de vrijheid van meningsuiting van alle burgers, niet het zwijgen daarover. Als de terroristen al een doel hebben met hun acties dan is het een wig drijven tussen bevolkingsgroepen, het discours verscherpen , onoverbrugbare tegenstellingen creëren. De grootste bedreiging voor terrorisme is gematigdheid, de grootste angst van extremisten samen thee drinken, het beste wapen tegen radicalisering is respect.

Een progressieve samenleving kan hier iets mee. Een fundamentalistische benadering van vrijheid zonder na te denken over cohesie en respect biedt weinig perspectief. Als media een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid durven te nemen, zullen zij iets anders moeten doen dan met een beroep op de persvrijheid inhakken op religieuze symbolen. Persvrijheid is ook de vrijheid van de pers om een nieuwe, perspectiefvolle agenda van integratie via emancipatie op te stellen. Zo krijgen stemmen die nu nauwelijks gehoord worden meer ruimte. De stemmen van hervormers binnen de Islam, de stemmen van al die mensen die in het onderwijs en in maatschappelijke organisaties, tegen de wereldwijde polarisatie in, proberen achterlijkheid, achterstand en achterstelling te bestrijden. Hun recht op vrijheid van meningsuiting is zinloos als die niet in de media tot uiting komt.

Binnen links is het middenveld cruciaal, de burgers die zich vanuit een diep gewortelde overtuiging inzetten voor emancipatie en gelijkberechtiging. Maar de politieke partijen moeten daar ook vorm aan willen geven. Als links weer rol van betekenis wil spelen dan moet het begrijpen in wat voor wereld wij leven: een wereld waarin de mondialisering tot stilstand is gekomen, waarin waarden als democratie, mensenrechten en het vrije woord in dat project zwaar gecontamineerd geraakt zijn in grote delen van de wereld omdat zij verkondigd werden onder condities die deels werden bepaald door ‘s werelds grootste monopolies, met vaak excessief wapengeweld en barbaarse martelingen.

Links moet zich daarom ver afwenden van het idee van de clash of civilizations, het denken dat uitgaat van de status quo, van de onveranderlijkheid van cultuur. Rechts probeert met een exclusief vrijheidsbegrip het eigen gelijk te bewijzen en heeft het recht op vrije meningsuiting instrumenteel gemaakt voor een aanval op de islam, gebruikt de Mohammed-cartoons als hefboom, zoekt het conflict. Links moet zich daar aan ontworstelen door de huidige grondwet, inclusief het door rechts de facto aan de dijk gezette artikel 1, te omarmen en te praktiseren, omdat de in de grondwet neergeslagen wijsheid de burger vrijheid en verantwoordelijkheid biedt waarbinnen deze kan bewegen. Dankzij die grondwet kan links het juridische oordeel over overschrijdingen van de vrijheid van meningsuiting met een gerust hart overlaten aan de rechters. Tegelijkertijd zijn linkse partijen vrij in hun politieke oordeel over de omgangsvormen in de samenleving, waarin respect voor iedereen die zich binnen de grenzen van de wet beweegt voorop staat, ongeacht afkomst of  godsdienst. Hoe meer mensen, joden, christenen, vitalisten, ietsisten, atheisten, moslims, socialisten, Yezidi’s, Hindoes zich veilig en erkend zullen voelen, des te veiliger de samenleving, des te geringer de kans op extremistisch geweld. Die veiligheid ontstaat alleen als iedereen verantwoord omgaat met zijn vrijheid en de grenzen daarvan onder ogen ziet. Links moet daarom niet blijven zwelgen in de mantra van de ondeelbare vrijheid, links moet opnieuw beginnen waar Bolkestein stopte.


Dit is een bewerking van het artikel dat onder de titel ‘Laat terroristen niet bepalen wie onze helden zijn’ zowel verscheen in het themanummer van De Helling ‘De linkse toekomst’, uit 2015 als in het S&D themanummer ’Toekomst van links’, jaargang 72, no. 2

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 4 + 4 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives