Lang leven in het dorp ~ Bestuur dorpshuis en dorpsraad Nigtevecht

No comments yet

dorpie

Foto: Jarich Schaap

Maart 2014. Utrecht hoeft zich als Randstedelijke provincie de komende 20 jaar geen zorgen te maken over krimp, is de gangbare opinie. Toch is er volgens Cees Boonacker wel degelijk iets aan de hand: ‘De kleine kernen in Utrecht zijn aan het vergrijzen, de jeugd trekt weg en plaatselijk is er sprake van krimp. Het lastige is dat het om een langdurig en tamelijk onzichtbaar proces gaat. En dat zowel de oorzaken als de gevolgen voor ieder dorp weer kunnen verschillen.’  Zijn afscheid grijpt de voorzitter van de UVKK aan om stil te staan bij de vraag in hoeverre deze demografische veranderingen de komende decennia hun stempel zullen drukken op de kleine kernen.

Volgend jaar wordt Cees Boonacker 75 jaar, daarmee is hij met recht ervaringsdeskundige te noemen als het over vergrijzing gaat. Vanuit de functies van voorzitter van het dorpshuis in Nigtevecht en secretaris van de plaatselijke dorpsraad kent hij bovendien de ins en outs van het dorpsleven. Toch kost het hem zichtbaar moeite om in een paar volzinnen uit te leggen in welke mate de samenstelling van de dorpsbevolking aan het veranderen is. En hoe dat doorwerkt op de leefbaarheid en het karakter van zijn dorp, laat staan in hoeverre dit het geval is in de 36 andere kleine kernen in de provincie Utrecht. Op zoek naar meer houvast en steekhoudende cijfers over die verschuivingen, valt op dat de gewenste statistische gegevens op de schaal van een kleine kern ontbreken.

Bonte lappendeken
Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft onlangs op de website www.demowijzer.nl een digitale kaart gepresenteerd die op buurt- en dorpsniveau met kleuren aangeeft in welke mate er sprake is van groei, dan wel krimp. In de provincie Utrecht springen de steden er uit als flinke groeiers. Daar zal niemand van opkijken. Het wordt interessant als we surfend over de kaart van de provincie Utrecht inzoomen op buurt- en dorpsniveau. Wie de loep er op zet, ziet per wijk, buurt en dorp veel meer verscheidenheid. Dan blijkt dat deze provincie een bonte lappendeken is waar groei en krimp pal naast elkaar voorkomen. Boonacker:  ‘Dat is inderdaad een indicatie, maar bij fenomenen als krimp, vergrijzing en ontgroening gaat het om langdurige processen. Wil je daar echt inzicht in krijgen, dan heb je toch meer gegevens nodig dan deze kaarten kunnen bieden.’

Wereld van verschil
Cees Boonacker voelt zich zo langzamerhand als een vis in het water als het over ontwikkelingen in kleine kernen gaat. Door bestuurslidmaatschappen bij de landelijke vereniging kleine kernen (LVKK) en het overkoepelende netwerk Dorpshuizen.nl, volgt hij de landelijke ontwikkelingen op de voet. En is als geen ander in staat om de situatie in de provincie Utrecht te vergelijken met andere delen van het land. Boonacker: `Er is bijvoorbeeld een wereld van verschil tussen kleine kernen in plattelandsgebieden als Oost-Groningen, Noord-Friesland, Zuid-Limburg of de Zeeuwse eilanden en de kleine kernen in onze verstedelijkte provincie midden in het land. Dat onderscheid komt nog sterker naar voren als wij het gaan hebben over de gevolgen van krimp.

Krimp als kans
Tot voor kort werd krimp vooral geassocieerd met afgelegen dorpen in regio’s die met economische en maatschappelijke problemen kampen. Dan ging het over knelpunten als een aftakelend voorzieningenniveau, werkloosheid, huizen die langdurig leeg staan, of dorpen die als vestigingsplaats niet aantrekkelijk zijn voor bedrijven. In dergelijke perifere regio’s werkt krimp als een elixer van problemen. Maar in minder problematische omstandigheden kan een bevolkingsdaling weer hele andere effecten hebben. Om de negatieve connotatie van krimp te ontwijken, wordt in beleidskringen steeds vaker gebruik gemaakt van de term demografische transitie. Of heeft men het in pr-jargon over krimp als kans. Het is dus belangrijk om bij krimp, dan wel bij demografische veranderingen, allereerst te kijken naar de omstandigheden waarin het zich voordoet.

Sterke kernen
Met de kaart van de provincie Utrecht uitgevouwen op tafel, wijst Cees Boonacker een aantal groeikernen en satellietsteden aan waar sinds de 70’er en 80’er jaren grote aantallen woningen uit de grond zijn gestampt. Het gaat om voormalige dorpen als Maarssen, Maarssenbroek, Vleuten, De Meern, maar ook Nieuwegein, Houten, IJsselstein en noem ze maar op. Cees: `Als de bevolkingsgroei straks afvlakt of zelfs daalt, dan zal je daar naar mijn inschatting de gevolgen van krimp en vergrijzing als eerste zien. Het zou mij niet verbazen dat daar in kwetsbare buurten binnenkort dezelfde soort kwalen de kop opsteken, die zich nu voordoen in zwakke plattelandsregio’s. Terwijl de Utrechtse kleine kernen er wel eens relatief sterk uit zouden kunnen komen als de inwoneraantallen licht dalen. De moeilijkheid is dat we hier, ondanks alle projecten en onderzoeken naar krimp, nog heel weinig over weten.’

Glazen bol
Als Cees Boonacker de provinciekaart er bij pakt en in vogelvlucht de 37 kleine kernen overziet, wijst hij op twee aspecten die volgens hem van invloed zijn op hun aantrekkingskracht. Dat is als eerste de nabijheid, of juist de afstand van grote steden. Boonacker: `Dat speelt hier in Nigtevecht en belangrijke rol, wij wonen onder de rook van Amsterdam en Schiphol ligt om de hoek. Voor forenzen en mensen die voor hun werk veel moeten reizen is de ligging van het dorp wel degelijk een punt van overweging. Welgestelde ouderen letten bij hun keuze voor kleine kernen veel meer op aspecten als rust, kleinschaligheid en het mooie landschap.` Daarbij wijst de UVKK-voorzitter op dorpen in landschappelijke pareltjes als het Westelijk Weidegebied, de Heuvelrug, en het Kromme Rijngebied. En vraagt zich, tijdens het opvouwen van de kaart, hardop af of de kleine kernen in Utrecht de komende decennia wellicht steeds meer gewild zullen worden als woonplek. Voor die vraag zou een glazen bol meer uitkomst bieden.

Wooncarrière
Om toch iets te kunnen zeggen over demografische veranderingen op de lange termijn gaat Boonacker te rade bij de ervaringen in zijn eigen dorp. Nigtevecht heeft hij de afgelopen decennia stukje bij beetje zien veranderen. Boonacker: `Na mijn trouwen ben ik in Nigtevecht gaan wonen. En heb er destijds geen moment bij stilgestaan voor hoelang. Je kinderen groeien er op en je gaat er stilzwijgend van uit dat je de rest van je leven in het dorp zult blijven wonen. Net zoals zo veel families in het dorp hier al generaties lang wonen. Het dorp was heel lang een plek waar je van wieg tot graf verblijft, waar het wonen, werken en recreëren samenvalt met de contacten met de familie en je kennissen in de buurt. Bij nieuwkomers merk je dat dit toch net even anders ligt. Die stellen veel duidelijker eisen aan het dorp en de woonomgeving en zijn ook bereid daar voor te betalen. Beslissender is misschien wel dat hun keuzes veel meer afhangen van de fase in hun leven. Ouders zien het dorp als een ideale periode om hun kind in een veilige omgeving op te laten groeien. Terwijl senioren met prepensioen of op hun oude dag van de rust en het landschap willen genieten. En tweeverdieners aan het begin van hun carrière juist met één been in de stad willen leven. Iedereen heeft zo zijn eigen afwegingen, de keuze voor het dorp is veel meer een onderdeel van iemands wooncarrière geworden.’

Eigen dynamiek
Het is de UVKK-voorzitter niet zozeer te doen om de individuele afwegingen van de nieuwkomers. Deze veranderingen in levensstijl hangen ook samen met de toegenomen welstand, mobiliteit en modernisering die zijn weerslag heeft op het hele dorp. De impact daarvan op het dorpsleven is heel zichtbaar tijdens een wandeling langs de basisschool. Het is eind april, de kinderen hebben een vakantieweek en de school ligt er verlaten bij. Maar ook op straat is geen kind te bekennen. Cees Boonacker: `Al die hardwerkende ouders pakken het vliegtuig, zoeken een weekje de zon op. Of ze regelen een vakantie voor de kinderen als ze die week zelf moeten werken. Hetzelfde gebeurt in de zomervakantie, dan vindt hier een kleine volksverhuizing plaats. Wie als kind dan niet op vakantie is, verveelt zich stierlijk. Daar staat tegenover dat hier op andere momenten van het jaar fantastische culturele evenementen en uitbundige kinderfeesten georganiseerd worden. Dan bruist het dorp, mede door de inzet van de nieuwkomers. Want die brengen een eigen dynamiek met zich mee waar het dorp zijn voordeel mee doet. Dat is zeker het geval, ook al is het tamelijk op de eigen kroost gericht en voor de korte termijn.’

Alle generaties
De transformatie van een klassiek dorp waar gewoond en gewerkt wordt, naar een dorp waar het wonen voorop staat, is een verandering die zich in het hele land in kleine kernen voordoet. Alhoewel dit zich in het midden van het land en in de nabijheid van grote steden waarschijnlijk in een hogere versnelling voltrekt. Boonacker: `Nigtevecht is nogal in trek bij jonge gezinnen en goed verdienende tweeverdieners met drukke banen. Deze mensen zijn vaak zeer zelfredzaam en pragmatisch. Voorzieningen kopen ze in of ze wijken uit naar de stad. Je zal ze nauwelijks tegenkomen in het enig overgebleven winkeltje in het dorp. Ik schets misschien een karikatuur, maar in grote lijnen komt het hier wel op neer. Als Nigtevechter van de oude garde en dorpsraadlid kijk ik met heel andere ogen naar het dorp. Ik zie de zorg voor voorzieningen als een gezamenlijke verantwoordelijkheid en hecht veel waarde aan het dorp als gemeenschap. Wij streven er naar dat ons dorp toegankelijk blijft voor alle generaties. Voor jongeren die weer terug willen naar hun dorp. En ook voor ouderen als zij meer zorg nodig hebben. Dit zijn hele andere kwaliteitseisen die je aan het dorp stelt.`

Afbrokkelen
Tot nu toe lag vooral Nigtevecht onder het vergrootglas. Het scenario dat Boonacker hier schetst is misschien nogal somber, realiseert hij zich. Maar het maakt wel duidelijk waarom hij zich vanuit de dorpsraad en het dorpshuisbestuur inzet om het voorzieningenniveau op peil te houden en zich in te zetten voor de leefbaarheid van het dorp. Het verklaart ook waarom de discussie over krimp hem het laatste jaar zo aan het denken heeft gezet. Lange tijd kon hij volstaan met de relativerende houding van `leven en laten leven`. Maar steeds meer wordt hij zich bewust van het feit dat wonen in een dorp niet voor iedereen dezelfde betekenis heeft. En dat de sociale infrastructuur van een dorp op de lange termijn en heel geleidelijk zal afbrokkelen als deze trend zich voortzet. Vandaar ook dat hij deze zorg wil delen en andere dorpsbestuurders uitnodigt om hier bij stil te staan.

Langere termijn
Cees Boonacker is zich bewust dat zijn beeld van Nigtevecht op heel veel punten kan afwijken van de ervaringen die bewoners in de 36 andere kleine kernen hebben. Dat dorpen die verder van de stad liggen bijvoorbeeld veel meer in trek zijn bij ouderen op leeftijd. En dat die zich weer op een heel andere manier betrokken voelen bij het dorp. De UVKK-voorzitter vermoedt dat deze nieuwkomers over meer vrije tijd beschikken dan de drukke tweeverdieners die hij op het netvlies heeft. En dat zij zich inzetten voor het dorp als geheel, wellicht zelfs meer dan dorpsbewoners die er hun hele leven al wonen. Best mogelijk dat deze kleine kernen er juist heel goed in slagen om nieuwkomers binnen te halen in het dorpscomité, of actief te worden in het dorpshuis. Maar een toestroom van actieve senioren kan weer gevolgen hebben voor bijvoorbeeld het draagvlak van de dorpsschool en het ledental van verenigingen. Of dat hier nagedacht moet worden over de beschikbaarheid op de langere termijn van zorgvoorzieningen. Ze illustreren, wat Boonacker betreft, het belang om de gevolgen van demografische veranderingen op de agenda te zetten.

Scenario’s
Een van de lessen van de eerste projecten in krimpgebieden is dat het niet gaat om geïsoleerde ontwikkelingen die zich binnen een dorp afspelen. En dat het daarom juist belangrijk is om ook over de dorpsgrenzen heen te kijken naar wat er elders in de regio gebeurt. Cees Boonacker: `De gemeenteraadsverkiezingen die er aankomen zijn misschien een mooi moment om dit punt aan de orde te stellen. Maar het zou ook mooi zijn als dorpshuisbesturen na gaan denken over de manier waarop zij in kunnen spelen op de veranderende samenstelling en behoeften van de dorpsbewoners. En dat een dorpscomité het gesprek opent over het dorp waarin ze willen wonen en alvast gaat nadenken over mogelijke scenario’s voor de toekomst.’

Gouden tip:
Het dorp is niet het onbetwiste eigendom van de oude garde. Nieuwkomers kunnen bijdragen aan een herwaardering van het dorp in huis, omdat zij de rijkdom en verworvenheden vaak beter op hun waarde weten te schatten.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 9 + 18 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)



Ads by Google

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles

  • Rozenberg Quarterly Archives