Mijn generatie, tien jaar later ~ Cultuur


esterDe hele vrijheid, openheid en ‘alles is lekker bespreekbaar’
instelling staan mij ontzettend tegen…
Het is een reactie op mijn opvoeding
18-jarige columnist jongerenrubriek Spunk
NRC Handelsblad

6.1 Inleiding
Het is dagelijks nieuws: de tanende seksuele moraal, het steeds vroeger startende alcohol- en drugsmisbruik, het gebrek aan respect en fatsoen (in de echte wereld of op Internet), de accumulatie van versgelabelde geestesziekten, het ongebreidelde consumentisme, de verslaving aan het geestdodende ‘gamen’, het dagenlange feesten afgewisseld met eindeloos rondhangen, de zucht naar faam en het snelle geld liefst zonder spelling- of rekentoets te hoeven halen, de maniakale fixatie op lichaamscorrecties ook op doorgaans bedekte plaatsen. Dat alles, mocht daar nog misver­stand over zijn, is tekenend voor de jonge generaties van tegenwoordig. Veelal is het voldoende om dit af te doen met de platitude dat deze zorgen van alle tijden zijn. Niet iets om teveel woorden aan te wijden. Socrates wist immers al dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ bandeloos is, wordt dan meestal toegevoegd. Toch mag het opmerkelijk heten dat deze klachten zo taai zijn. Het geweeklaag over jonge generaties is hardnek­kig. In de jaren tachtig en negentig waren het de jongeren uit de apathi­sche, egocentrische en hedonistische ‘Verloren Generatie’ of Generatie X die rolmodel stonden voor de vrije val van de moraal. In Mijn Generatie (Diepstraten et al., 1998: 126) halen we uit de Volkskrant van 11 septem­ber 1997 de berichtgeving over het laatste trendonderzoek aan: “Jongeren zijn… meer egoïstisch geworden. Hun leven draait om lol maken, van niemand afhankelijk zijn en geld verdienen. Niet als hebberige yuppen, maar als calculerende hedonisten met een opmerkelijke hang naar een gelukkig gezinsleven…”.[i] Nu we toch minstens enkele letters in het gene­ratiealfabet verder zijn, worden er steeds opnieuw jongere cohorten ont­dekt die de vorige in a- en immoraliteit schijnen te overtreffen. Wellicht heeft dit toch een grond in een door de tijd constante behoefte om waar­schuwingen af te geven over waar het maatschappelijk heen zou gaan als de jongste ‘verworden’ generatie volwassen wordt. Zo bezien bevatten de klachten bijna altijd impliciet een mix van generatie- en levensfaseper­spectieven. Immers, er speelt een generatieperspectief mee in het idee dat de toekomst er weinig rooskleurig uitziet als deze generatie jongeren zo blijven zoals ze nu zijn. Tegelijk lijkt er een roep om een herstel van een morele balans uit te spreken, dat ingrijpen op hoe jongeren zich nu voordoen mogelijk is en dat zij zich met het ouder worden dus van hun huidige dwalingen herstellen.

Het is overigens niet allemaal kommer en kwel. Sterker, er lijkt aan de andere kant van het spectrum – de kant van glorificering in plaats van de verkettering – ook een aantal opmerkelijke wapenfeiten van de jongere generatie te melden. Ze vormen mede door hun kennis en vaardigheden op het IT-gebied een wel heel bijzonder intelligente generatie die hiermee de naam generatie Einstein heeft verdiend. Het gelijknamige boek van de marketeers Boschma en Groen (2006) lijkt erg op die het Amerikaanse duo Howe en Strauss (2000, vergelijk Howe & Strauss 1991, 1993, 1997), ook actief in marketingkringen. Ook zij menen dat jongeren fundamenteel anders zijn dan hun voorgangers in hun optimisme en praktische daadkracht. Dat is nog eens wat anders dan de downbeat, somberende en doelloos rondzwervende GenX’ers (ook wel de 13th Gen: Howe & Strauss, 1993). Boschma en Groen, de Hollandse Howe en Strauss, baseren hun vergaande conclusies op interviews en observaties, niet op een cijfermatige vergelijking met oudere generaties. Voorzichtigheid is dan ook geboden. Het meer gedegen onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (De Haan & Van ’t Hof, 2006) toont overigens aan dat ook onder jongeren het ICT-gebruik en de ICT-vaardigheden nog steeds sterk ongelijk verdeeld zijn.

Diegenen die vaak haastig aan komen dragen met hun agenda vol urgente zorgen of vol goed nieuws over jonge generaties en diegenen die deze agenda’s met graagte overnemen worden zelden gehinderd door een kritische blik op de aangeleverde bewijsstukken. De roep om actie, van de politiek en natuurlijk het onderwijs, is vele malen luider dan het verlangen naar gedegen onderbouwing. Elke organisatie kan tegenwoordig via Internet op goedkope en eenvoudige wijze een ‘onderzoek’, ‘burgerpanel’ of webpoll’ laten uitvoeren. Het blijft voor iedereen, experts incluis, gissen naar de betrouwbaarheid en geldigheid van alles wat er beweerd wordt.

In dit hoofdstuk staan culturele voorkeuren en waarden centraal. De volgende paragraaf zetten we summier enkele trends op een rij rondom culturele voorkeuren. In paragraaf 6.3 gaan we na wat generaties zelf voor cesuren leggen tussen generaties op het gebied van muziek, boeken en films. Hierna vervolgen we in paragraaf 6.4 met trends in waarden rondom opvoeding, gezin en seksualiteit en in paragraaf 6.5 rapporteren we de posities die onze generaties in deze waarden innemen. We laten generaties op al deze terreinen zelf een duiding geven over hun onderscheid in voorkeuren, waarden en normen. Nemen zij zichzelf en de oudere of jongere generaties inderdaad zo anders waar en is dat nu meer dan tien jaar terug? Waar zien zij de verschillen in de kansen om hun leven naar die voorkeuren, waarden en normen in te richten? We sluiten in paragraaf 6.6 af met de belangrijkste conclusies.

6.2 Muziek, boeken en films
In Wilde Jaren (Ter Bogt & Hibbel, 2000: 7; zie ook Ter Bogt, 1997), hét Nederlandse overzichtsboek van jeugdculturen in de twintigste eeuw, wordt vooral de popmuziek de stem van de jeugd genoemd “in die zin… dat die muziek jeugdige opvattingen en idealen uitdraagt”. In een zelfde redenering zou muziek ook wel eens de stem van generaties kunnen zijn. De opvattingen en idealen die typisch zijn voor verschillende opgroeiende generaties komen onder andere tot uiting in de muziek uit de zeer verschillende jeugdjaren van die generaties. Sombere jazz voor de generaties die in en pal na de tweede wereldoorlog opgroeide, verwachtingsvolle zo niet naïeve bevrijdingspop en verwarde psychedelische klanken voor de ideologisch gestaalde, maar zorgeloos levende babyboomgeneratie, lotgevallengekrijs uit de punkperiode afgewisseld door niksige top-veertigniemendalletjes en oorverdovende dance beats in de hedonistische tijd van de brede keuzegeneratie. Als generaties en vooral de enkele opvallende generatie-eenheden hierbinnen de vehikels zijn van culturele veranderingen dan zijn vaak hun muziek, hun kleding en hun haardracht de meest opvallende symbolen daarvan. Juist, zoals in Wilde Jaren wordt opgemerkt, als jongeren in de twintigste eeuw een eigen ruimte maken die geen ander doel dient dan ‘alleen’, ‘gewoon’ plezier, kan dit een sterk generationeel teken aan de wand zijn. Vaak wordt alleen een politiek-idealistische verzetscultuur verwart met een generatiecultuur, alsof alleen generaties die zich in muzikaal-politieke manifestaties verzetten tegen volwassenen het doel van maatschappelijke verandering dienen. Dit perspectief verraadt in dit geval vooral de generationele herkomst van de auteurs. Juist in het bijvoorbeeld met muziek benadrukken van plezier om het plezier, inderdaad “zonder grote woorden en parolen” (Ter Bogt & Hibbel, 2000: 8), nemen jonge generaties een generationele wending. Een wending die de deur openzet voor kritiek van de voorgaande generaties die ‘tenminste’ met hun muziek nog uitdroegen dat ‘het systeem’ niet deugde.[ii]

Het overzichtsboek van Ter Bogt en Hibbel (2000) gaat tot de millenniumwisseling. Wat zij niet konden voorzien is de weliswaar al eind jaren negentig ingezette en zeker sinds 2000 (opnieuw) groeiende populariteit van Nederpop. Nederlandse en vaak ook Nederlandstalige bandjes van Anouk, Kane, Di-Rect tot Marco Borsato en Jan Smit, studentikoze groepjes als Hermes House Band en Guus Meeuwis, landelijke goed scorende regiobands als Rowwen Hèze, De Kast en Bløf stormen naar voren op de hitlijsten.[iii] De Marokkaanse knuffel-rapper Ali B maakt landelijke furore, ook in de wereld van de goede doelen, actualiteitenprogramma’s en talkshows. Een nieuw verschijnsel sinds 2003 is Idols, de talentenjacht op televisie. De ultieme democratisering van de popmuziek treedt in: massa’s jongeren, met en vooral veel zonder talent, willen zonder oefening liefst onmiddellijk beroemd worden door een aantal seconden bekende liedjes na te doen. Zij die het halen worden door producenten, choreografen en visagisten onder handen genomen en met wisselend succes op de muziekmarkt gelanceerd. Ondertussen lijken jonge generaties de stoffige LP-dozen van hun babyboomouders herondekt te hebben. Pink Floyd, Led Zeppelin, Frank Zappa of Deep Purple klinken na een lange periode weer door de huiskamers. Grijzende vaders worden met hun jongste zonen op de zomerse concertterreinen gesignaleerd.

Ook op het terrein van boeken en films gebeurt sinds het midden van de jaren negentig van alles. De opkomst van de ‘literaire thriller’, de groeiende populariteit van de ‘chicklit’ – naar verluidt “‘brutale’ en ‘inventieve’ boeken voor jonge vrouwen”[iv] –, de ‘historische’ bestsellers als de Da Vinci Code, en natuurlijk de wereldwijde successerie rondom Harry Potter in boek- maar zeker ook in filmvorm. Het voert hier wat ver om de Nederlandse boek- en filmgeschiedenis sinds ons laatste generatieonderzoek uitgebreid uit de doeken te doen. Hofstede (2000) houdt het er voor de Nederlandse film op dat deze zich in Kondratieff-golven van een jaar of dertig lijkt te ontwikkelen, met recentelijk een krachtige internationalisering van de Nederlandse film, mede onder invloed van Europese steunmaatregelen. Films als Antonia en Karakter winnen zelfs een Oscar en nomineerde de film Zwartboek zich voor deze hoogste prijs.

Ook ziet Hofstede een toenadering van de film- en televisiewereld waarbij televisieprogramma’s filmprijzen binnenhalen en andersom. Hollywood verovert overal meerderheidsaandelen, maar de film van eigen bodem is zeker rond de millenniumwisseling sterker zichtbaar geworden. Wat wellicht een majeure trend wordt, is de multimedialisering vooral via Internet en hierop explosief gegroeide e-networks en upload-sites zoals Hyves, MySpace, Facebook en YouTube. Rondom muziek, boeken en films ontstaan allerlei zeer actieve wereldwijde gemeenschappen. Haast elke website, iedere blogger en elk e-netwerk heeft links naar fansites, staat vol met eigen fanpagina’s, bevat eindeloze aanbevelingslijsten en kruisverwijzingen. Liefhebbers van gevestigde namen of van een niche-genre waar ook ter wereld treffen elkaar om de laatste nieuwtjes en eigenaardigheden op het gebied van muziek, boeken én films te bespreken, te beluisteren en te zien. Uiteraard is er aan de zijde van de afspeelapparatuur van alles gaande. Spoedig zal het aanbod van bestaande en eigen muziek-, boeken- en filmarchieven, televisie en Internet zelf tot één geheel zijn geïntegreerd zonder dat iemand tussen deze grootheden nog een of ander onderscheid zal kunnen maken.

6.3 Generaties over hun culturele voorkeuren
In het vorige hoofdstuk is al aandacht geschonken aan het domein van de arbeid en de mate waarin generaties eigen jeugdervaringen als verklaring zien voor verschillen in de ‘houding tegenover arbeid’ tussen generaties. Hieronder komen het domein van de ‘muziek, boeken en films’ aan bod. Zowel voorkeuren als mogelijkheden keuzes te maken worden nader bezien. We gaan na of leden van de drie generaties zelf evidente verschillen tussen de generaties waarnemen. Wellicht belangrijker nog: we bekijken of zij die verschillen ook terugvoeren op de jaren waarin zij opgroeiden. Alleen met de combinatie van beide (waargenomen verschillen én verwijzing naar de jeugdjaren) kunnen we concluderen of iets in de publieke opinie ook generationeel geduid wordt. Zoals al eerder betoogd, zijn jeugdervaringen cruciaal voor het ontstaan van blijvende generatieverschillen. Immers, we nemen aan dat wat we in die vormende jaren ervaren van de wereld om ons heen ons voor de rest van het leven tekent, bindt en onderscheidt van anderen die deze jeugdervaringen niet hebben. Ziet men dus ‘alleen’ verschillen tussen generaties maar geen onderscheidende jeugdervaringen, dan meent men blijkbaar dat deze verschillen weinig van doen hebben met de omstandigheden waarin deze generaties opgroeiden. Ziet men beide dan kunnen we aannemen dat volgens het Nederlandse publiek verschillen tussen generaties ook echt als het gevolg ziet van het opgroeien in andere tijden, als iets dat een generatie tekent, bindt en blijvend onderscheidt van andere generaties. Om dit na te gaan kijken we op de eerste plaats naar voorkeuren, normen en waarden op een aantal domeinen die het debat over generationele tegenstellingen sterk gekleurd hebben.

Tabel 6.1 rapporteert over de popculturele generatiekloven die generaties zelf waarnemen. Alle generaties zien sterke verschillen tussen de generaties wat hun voorkeuren voor muziek, boeken of films betreft. Dat is vooral het geval in de eerste wave van het generatieonderzoek, 1996: meerderheden wijzen op sterke verschillen. In 1999 zijn deze meerderheden geslonken en ziet vooral de keuzegeneratie de sterkste verschillen en daarbinnen weer vooral het jongste cohort (geboren na 1970). In 2006 blijft ongeveer de helft van de generaties verschillen zien, maar is er tussen de generaties weer consensus. De eerste conclusie kan zijn dat het waargenomen generatieonderscheid in popculturele voorkeuren midden en eind jaren negentig levendiger was dan in recentere jaren. Dat lijkt een eerste tempering van de opwinding over de afwijkende stijlbotsingen van opvolgende generaties. Speculerend kan het mogelijk zijn dat andersoortige generatiekloven de overhand hebben genomen. Zoals we in het vorige hoofdstuk zagen is er redelijk wat generationele spanning op het gebied van de sociale zekerheid. Wellicht dat dergelijke spanningen de meer symbolische verschillen tussen generaties, zoals de voorkeuren voor muziek, boeken en films, afdekt.

Hoe zit dat met jeugdervaringen: hechten sommige generaties hier een groter of juist kleiner belang aan? In 1996 onderscheiden de generaties zich niet in de feitelijke afzwakking van het belang van jeugdervaringen voor huidige verschillen in culturele voorkeuren. Er zijn wel verschillen, zo zagen we, maar deze hebben in 1996 volgens generaties zelf weinig van doen met de tijd waarin zij opgroeiden. In 1999 en 2006 is de attributie aan de periode van opgroeien wel aanwezig: het is met name de keuzegeneratie die op beide momenten meent dat latere voorkeuren in muziek, boeken of films terug te voeren zijn op jeugdervaringen.

Vooral voor het jaar 1999 is dit opvallend: niet alleen is popcultuur dan een distinctief generatiekenmerk, vooral volgens de keuzegeneratie, ook worden jeugdervaringen hierbij doorslaggevend geacht, opnieuw door de keuzegeneratie. In 2006 zijn alle generaties in gelijke mate van mening dat er generatieverschillen op dit terrein zijn, maar nu legt opnieuw vooral de keuzegeneratie de nadruk op jeugdervaringen. Al met al kan men concluderen dat midden jaren negentig de generatieverschillen als sterk ervaren werden maar dat deze door generaties niet teruggevoerd worden op vroege ervaringen. In de loop van de jaren negentig en begin van deze eeuw worden er minder sterke generatieverschillen waargenomen. Latere culturele voorkeuren worden dan weer wel vaker teruggevoerd op ervaringen in de jeugdperiode vooral door de jongste generatie. Opnieuw kan het matige generatieverschil op dit terrein met de prominentie van andere, meer materiële thema’s te maken hebben. Er kan echter ook nog iets anders spelen. Wellicht dat de jonge generatie onderschrijft dat ze lijken op oudere generaties juist vanwege hun jeugdervaringen rondom culturele voorkeuren. Zoals we al beschreven gaan de muziekvoorkeuren van de jongeren soms letterlijk hand in hand met die van hun babyboomouders. Wellicht geldt ook steeds sterker andersom: oudere generaties die muziek van nu waarderen.

Tabel 6.1 Muziek, boeken en films

Tabel 6.1 Muziek, boeken en films

We hebben niet alleen gevraagd naar voorkeuren, maar ook naar de mogelijkheid om in het popculturele domein te kiezen wat men wilde. Tussen 1999 en 2006, de periode waarover we dit type informatie hebben, zien we een toename van het generationele onderscheid: de oorlogsgeneratie denkt vaker en vooral de oudere keuzegeneratie juist minder vaak dat de eigen generatie andere keuzemogelijkheden op het popculturele terrein heeft gehad. Volgens de drie generaties spelen onderscheidende jeugdervaringen nauwelijks een rol, niet in 1999 en niet in 2006. De jongste keuzegeneratie ziet dat in 2006 anders: zij rapporteren dat hun jeugdervaringen wel degelijk van groot belang zijn. Zij zijn er ook sterker dan het oudere cohort van de keuzegeneratie van overtuigd dat generationele keuzemogelijkheden wat popcultuur betreft onderscheidend zijn. We lijken hier te raken aan een nakend generationeel onderscheid wat nog afwezig was in 1999 maar tot bloei lijkt te komen in 2006: jongeren die zeggen andere keuze-ervaringen op te doen op het popculturele terrein en die mede hierdoor zich als generatie anders voelen. Mogelijk dat Internet en de e-networks, respectievelijk sinds midden jaren negentig en sinds ongeveer 2005 sterk in ontwikkeling gekomen, hier een rol spelen. Voor jonge generaties verschillen de keuzemogelijkheden op gebied van muziek, boeken en films hemelsbreed met die voor voorgaande generaties. De tijd zal uitwijzen of ze zich ook blijvend als anders aftekenen en zullen blijven voordoen. Het moet mettertijd blijken of het ontluikend generatiebewustzijn zich omzet in een eigen generatie-identiteit.

6.4 Opvoeding, gezin en seksualiteit
In augustus van 2007 verschijnen de resultaten van een opvoedingsonderzoek van het jubilerende opvoedingstijdschrift J/M.[v] De softe ‘kind is koning’-opvoeding is passé, aldus het persbericht: 63% wil de opvoedregel ‘Rust, Reinheid en Regelmaat’ terug, 89% vindt dat het op scholen strenger en gedisciplineerder kan, 78% ergert zich aan kinderen van anderen (te brutaal, te asociaal, te stiekem, te ongehoorzaam), 84% geeft toe zelf wel eens opvoedkundige fouten te maken (plaats vier van de ‘pedagogische missers’-top: ‘te streng geweest’), maar alle ouders vinden zichzelf gemiddeld een 7,2 waard; andere ouders moeten het met een 6,4 doen.[vi]

Los van enkele opvallende tegenstrijdigheden bevat het J/M-onderzoek ook fraaie bevestigingen van een grootschalig SCP-survey uit 2000 over opvoeding en onderwijs (Herweijer & Vogels, 2004). Uit dat survey blijkt ook de toegenomen steun voor conformistische opvoedingsdoelen. Hieronder vallen doelen als respect hebben voor ouderen, goede manieren hebben en ouders gehoorzamen (Herweijer & Vogels, 2004: 26). Als op basis van deze SCP-cijfers uit 2000 een vergelijking wordt gemaakt met die van midden jaren negentig (Rispens et al., 1996) dan daalt de populariteit van autonomie (‘verantwoordelijkheidsgevoel’, ‘zelfstandig oordelen’, ‘willen weten waarom dingen gebeuren’) ten faveure van deze conformistische reeks. Een dergelijke hersteltrend werd al in diezelfde periode van het midden van de jaren negentig gesignaleerd. Zo spreekt Van den Brink (1997) van een rehabilitatie van traditionele omgangsvormen. Dieleman (2000c) houdt het erop dat conformisme tegenwoordig anders wordt begrepen: conformeren is nu op basis van inzicht, overleg en overtuiging in lijn met de ‘autoritatieve’ opvoeding, anders dan het volgen van regels tout court zoals bij de ‘autoritaire’ opvoeding zou passen (die gemakshalve als behorend tot de jaren vijftig wordt beschouwd). Welke mening, van Van den Brink of Dieleman, de sterkste waarheidsgrond heeft valt hier niet te zeggen. Keren we terug naar de SCP-data dan blijken vooral jongere ouders de conformistische doelen te onderschrijven. Herweijer en Vogels (2004: 34) spreken in dit verband zelfs van een generatie-effect meer nog dan van een leeftijdseffect.[vii] Zij zien het als een correctieve reactie op de eerder ingezette trend naar een hoge waardering van autonomie die eerder onder invloed van emancipatie en persoonlijke ontplooiingsbewegingen door Nederland trok.

We zullen hierna nader bezien of er inderdaad sprake is van een generationele duiding van normen en waarden op het brede gebied van opvoeding, gezin en seksualiteit. Wat dat laatste betreft is er de afgelopen jaren de nodige publieke opwinding. Ophef die niet zonder gevolgen is gebleven. Onder aanvoering van de minister van onderwijs (en emancipatie) Ronald Plasterk wordt begin oktober 2007 actie ondernomen tegen wat wel de ‘seksualisering van de samenleving’ heet.[viii] Het is onhelder wat dit verschijnsel nu precies inhoudt en tegen welke molen nu de aanval wordt ingezet, maar dat er in het publieke domein behoorlijke discussie is over deze zaak staat als een paal boven water. Politici deden in de media al enige tijd hun uiterste best om het publicitair interessante onderwerp seks naar zich toe te trekken en hun diepgevoelde morele afkeuring te laten blijken. Zo zou er een brede ontwikkeling onder jongeren gaande zijn waarin seks steeds vaker een legitiem middel is om materiële zaken te bemachtigen.[ix] We raken hier aan het ‘Breezer’-seksfenomeen. Van dit fenomeen, voor het eerst gesignaleerd in de Bijlmer onder Antilliaanse meisjes, weet eigenlijk niemand echt zeker of het nu wel of geen ‘Broodje Aap’-verhaal is.[x] Hetzelfde geldt voor het verschijnsel ‘loverboys’ die onschuldige meisjes na één enkele traktatie op een Prada-tas de prostitutie in schijnen te lokken. De ophef past bij de afnemende schroom om in het publieke debat ook het teveel aan damesbloot op de televisie, met name op muziekzenders, aan de kaak te stellen.[xi]

Vreemd genoeg is er tot op heden nog geen gedegen, openlijk toegankelijk nationaal onderzoek beschikbaar dat iets van deze vermeende trendmatige ontwikkelingen met feiten schraagt. Onschuldig is het niet want in alle ophef wordt geroepen om het verplicht invoeren van een dwingende ethische code en het duidelijk grenzen stellen in een vernieuwde stevige seksuele voorlichting. Er wordt door de Rutgers Nisso Groep – kenniscentrum seksualiteit – op dit moment gepleit voor bijvoorbeeld een onderzoek naar de invloed van media op seksualiteit bij jongeren. Het is er dus nog niet. Eén van de meest opvallende punten voor de onderzoekers van ‘Seks onder je 25e’ van de Rutgers Nisso Groep (De Graaf et al., 2005) is echter een gestegen mediane leeftijd (17,2 in 2005) voor ervaring met geslachtsgemeenschap, zoals dat dan ineens zakelijk genoemd wordt. Vergeleken werden cijfers uit 1995 en 2005. De gemiddelde leeftijd is overigens stabiel op 15,1 jaar. Volgens deskundigen in het opvoedblad J/M past het feit dat een deel van de jongeren er heel jong bij is en het andere deel juist langer wacht, let wel, bij de hernieuwde hang naar tradities, zoals seks in en niet vóór het huwelijk.[xii] Dat is nog eens een ander verhaal. Een onderzoek van Trendbox uit 2003 voegt toe dat 70% van 16-24-jarigen tegen 81% van de babyboomers (44-60-jarigen bij Trendbox) liever niet over seks praat en het als een persoonlijke aangelegenheid ziet die niemand anders wat aangaat.[xiii] De vraag is of seks als onderwerp ongebreideld de publieke ruimte in zal schallen als het aan jongeren zelf ligt: zij doen er liever het zwijgen toe. Mooier nog is dat 68% van de jongeren tegen 61% van de babyboomers vindt dat seks en liefde niet los van elkaar gezien kunnen worden. Ook 81% van de jongeren geeft aan dat hun verhouding over en uit is als de partner vreemd gaat tegen 68% van de babyboomers. Bovendien zijn jongeren de afgelopen jaren meer aan een vaste relatie gaan hechten (vergeleken met 1997).

Ook recent literatuuronderzoek van de Rutgers Nisso Groep (De Graaf, 2007) wijst op de rol van ouders in de seksuele ontwikkeling. Vanaf de jaren vijftig is volgens dit onderzoek de seksuele opvoeding fors verschoven. Alle onderzoeken samenvattend (De Graaf, 2007: 3-4) loopt de trend van het vóórkomen van seksuele activiteit voor het huwelijk en dus het beperken van contacten tussen de seksen (jaren vijftig), tot het accepteren van seks als het maar wel ‘vast aan’ is tussen de twee geliefden en er voornemens tot trouwen zijn (jaren zeventig). Daarna wordt het aantal ouders dat vindt dat seks in het huwelijk thuishoort bijna nihil en laat een derde van de ouders het helemaal aan hun kind over of ze wel of geen seks voor het huwelijk hebben als ze als ouders, aldus hun kinderen, er zelf maar niet over hoeven te praten (jaren tachtig). Tot slot wordt seks door het eigen kroost als prima gezien zolang ze de tegenpartij maar een ‘tijdje kennen’, immers kinderen kunnen dit uitstekend zelf bepalen en moeten maar ‘een grote mate van zelfsturing en zelfcontrole laten zien (jaren negentig). Wat tegenwoordig de seksuele moraal is, wordt uit dit onderzoek niet duidelijk.

Interessanter wellicht dan de morele verontwaardiging is de ‘Wertegang’ die de omgang met seksualiteit heeft gemaakt sinds de vermeende ‘culturele revolutie’ van de jaren zestig van de vorige eeuw. Elsevier-redacteur Liesbeth Wytzes illustreert dit fraai in haar boek ‘De Mabelgeneratie’ (2004) dat gaat over vrouwen geboren na 1970. Het voor haar verbazingwekkend blakende zelfvertrouwen van deze vrouwen, ook op het gebied van de liefde, inspireerde Wytzes, zelf uit de laatste jaren van de babyboomgeneratie (ook wel de vroege jaren van voorheen de ‘verloren generatie’), tot het schrijven van dit portret. Er zou een lichting vrouwen uit de bovenlaag van de samenleving zijn opgestaan die niet alleen op het intimiderende af ambitieus is, maar ook schaamteloos vrijgevochten. Het is de generatie die optimaal profiteert van de verworvenheden uit de vorige eeuw, groot gebracht met het idee dat ze geweldig zijn, hoogopgeleid en met forse tred op de werkvloer actief. Het is not done thuis te blijven bij de kinderen, volgens deze vrouwen (dertigers), terwijl het voor de generatie van hun moeders precies andersom was.[xiv] Ook op het seksuele vlak is afwachten geen en initiatief nemen wel een optie. Verhalen volgen over promiscue uitspattingen, mee naar huis gesleurde mannen (‘projectjes’) en geanimeerde gesprekken over seksspeeltjes binnen (ook nieuw voor deze generatie) echt vriendinnenclubjes. Wytzes erkent zelf dat deze moderne zedenschets maar beperkt opgaat en dat het gros van de vrouwen in de dertig anders is.

Toch geeft het beeldend weer hoe een bovenlaag (een ‘generatie-eenheid’?) voor een omwenteling in de omgang met seks kan zorgen. Het voert zeker te ver de zakelijke relatie met seks en de andere sekse van deze bovenlaag te paren aan de ‘seks als ruilmiddel’- fenomenen. Voor beide fenomenen hebben we geen harde, maar vooral essayistische en zeer fragmentarische ‘bewijzen’. Koppelen we dit echter aan het hierboven beschreven ouderlijke standpunt dat jongeren op het seksuele vlak vooral zelf het heft in eigen handen moeten nemen, alles prima zelf kunnen bepalen en er veel aan zelfsturing verwacht wordt, dan ontstaat er toch een beeld. Anders wellicht dan in de voorgaande generaties is de jongere generatie, gegeven het ideaal van zelfsturing, ook vrijer om aan seks een eigen invulling te geven zonder dat andere partijen zich met hun keuzes kunnen, mogen en lijken willen bemoeien. Uit het voorgaande mag in ieder geval duidelijk worden dat jongeren rondom seksualiteit, liefde en trouw behoorlijk serieus zijn. Zij koppelen deze drie thema’s sterker aan elkaar dan ouderen dat doen.

6.5 Generaties en hun waarden
Dit is een goed moment om de generaties weer zelf aan het woord te laten. Tabel 6.2 laat zien of generaties inderdaad denken dat zij in normen en waarden rondom opvoeding, gezin en seksualiteit zo’n andere positie innemen. Het antwoord is kort samengevat: ja, maar in afnemende mate. Midden jaren negentig is het bewustzijn van generatieverschillen op dit privédomein zeer sterk: een grote meerderheid binnen alle generaties denkt dat generaties op dit punt anders zijn en zeker de oorlogsgeneratie denkt dat. Eind jaren negentig is dat besef al wat getemperd, juist ook onder de oorlogsgeneratie. In 2006 is er alles overziend opnieuw een daling te bespeuren in het idee dat generaties zo anders zijn op dit punt, zij het dat het idee onder de oorlogsgeneratie weer wat meer steun vindt. Vooral de keuzegeneratie, die toch in de fors aangezette stereotypering op dit terrein de meeste wind opvangt, meent dat het wel meevalt met het anders-zijn in normen en waarden over opvoeden, gezin en seks. Consequent door de tijd beseffen generaties dat de eigen generatie verschilt wat deze normen en waarden betreft, al temperen de verschillen.

Halverwege het eerste decennium van deze nieuwe eeuw zijn alleen leden van de jongere generatie hier niet in meerderheid van overtuigd. Ook consequent door de tijd rekenen de generaties dit onderscheid in normen en waarden toe aan ervaringen in de eigen jeugdjaren. Opnieuw zijn vooral oudere generaties hiervan steeds het meest overtuigd. De andere generaties neigen er met de jaren minder snel toe om de jeugdervaringen als relevant aan te merken. Opmerkelijk is dat er in 2006 ook een onderscheid binnen de keuzegeneratie ontstaat: de oudere keuzegeneratie (geboren in de jaren zestig) neemt duidelijk afstand van de eerdere positie dat de eigen jeugdjaren vormend zijn, de jongste keuzegeneratie (1971 en later geboren) benadrukt dit nu juist sterker.

Al met al nemen flinke, maar afnemend grote groepen binnen alle generaties waar dat zij verschillen in normen en waarden op het privéterrein. Zij onderkennen in meerderheid dat de eigen jeugdervaringen belangrijk zijn. Uitzondering vormt de keuzegeneratie. Het aandeel onder deze generatie dat verschillen in normen en waarden ziet wordt snel kleiner in de laatste tien jaar. Vooral de jongere cohorten onder hen bevestigen daarenboven meer en meer het belang van de eigen jeugdjaren. Combineren we deze opmerkelijke bevindingen dan lijken het juist de jongste cohorten te zijn die door hun eigen (huidige) jeugdervaringen beseffen dat generaties in termen van normen en waarden niet zo verschillend zijn als de andere cohorten en de publieke opinie ons willen doen geloven. Opnieuw een vingerwijzing dat de naoorlogse generaties naar elkaar toegegroeid zijn, niet alleen wat voorkeuren voor muziek en dergelijke betreft, maar ook wat normen en waarden op het privéterrein aangaat.

Normen en waarden zijn natuurlijk slechts een deel, zij het een heel belangrijk deel van het verhaal. Het is ook belangrijk dat men mogelijkheden en kansen heeft om naar eigen keuze de opvoeding te regelen, een gezin te vormen en seks te hebben. Haast spreekwoordelijk zijn de ‘bevrijdingen’ in het privédomein die met de jaren-zestiggeneratie hun intrede doen. Meer nog dan door hun politieke pamfletten, protesten tegen Vietnam of pogingen starre instituties zoals de universiteiten te democratiseren, lijkt deze generatie herinnerd te worden door hun ‘bevrijdingstheologie’ op het gebied van opvoeding, gezin en seksualiteit. Deze generatie vocht, toch in ieder geval naar eigen inzicht, voor de vrijheid om te experimenteren met alternatieven voor het klassieke gezin, de vrijheid om binnen deze leefvormen kinderen op te voeden naar de inzichten van dat moment en bovenal de vrijheid om seks te beleven met wie en hoe dat zo uitkwam. Die vrijheid was tegelijk ook een dwang om, al was het maar kort, ongetrouwd te blijven, ver van zoiets als het burgerlijke gezin te blijven, kinderen anti-autoritair op te voeden en zeker niets van preutsheid te laten merken. De jongste cohorten van vandaag zijn de kinderen van de babyboomgeneratie uit de jaren zestig. Zij wonen weer langer thuis of, zoals het ook gezien wordt, profiteren optimaal van ‘hotel mama’ (Herms-Bohnhoff, 2004).

Ze hebben er vergeleken met vorige generaties ook een platform bij gekregen: de nieuwe media. Op Internet en in virtuele netwerken kan volop worden geëxperimenteerd met de eigen seksuele identiteit. Zij hebben zelfs de mogelijkheid om met staatsteun hun eerste schreden op het liefdespad te zetten. De gemeente Delfzijl, zo blijkt uit Elsevier, voegde eind jaren negentig heuse ‘vrijhokjes’ aan een drietal speeltuinen toe: “Het is uitdrukkelijk toegestaan, liet de gemeente weten, dat kinderen in die hokjes niet alleen voor de regen schuilen, maar er ook met elkaar ‘knuffelen’” (Van Schoonhoven, 1999: 20). Gealarmeerd meldt Elsevier dat de jeugd te veel rechten en te weinig plichten heeft gekregen. De solidariteit en vertedering tussen generaties lijkt wat al te groot wanneer de babyboomgeneratie de verfrissende ideeën van de jongste generatie waar het maar kan faciliteert. In de nieuwbouwwijk een skatebaan, hangplek, drinkfontein, vrijhokje, coffeeshop? Alle wensen van jonge mensen lijken in de loop van de jaren negentig door ijverig besturende babyboomers ingewilligd te kunnen worden. Toch, het zijn kopstukken van de babyboomgeneratie, zoals Freek de Jonge en Robert Long, die aan het begin van het nieuwe millennium de roep om gezag, fatsoen, normen en waarden doen herleven. Het moet uit zijn met de grofheid om de grofheid. Moraliseren moet juist weer mogen. Normen en waarden moeten weer opgelegd mogen worden.

Met de reeks kabinetten Balkenende volgt hernieuwde aandacht voor normen en waarden. Sterker nog, normen en waarden worden het onderscheidende motto van deze kabinetten. Een motto dat velen instemmend onderschrijven en sinds de millenniumwisseling voortdurend aandacht krijgt (WRR, 2003). Wat later verschijnt voor het eerst een minister van Jeugdbeleid, wordt gewerkt aan vernieuwing en versterking van ‘de pedagogische infrastructuur’, is er zelfs een noodzaak voor een ‘pedagogisch offensief’ en het ‘begrenzen van de individualisering’, en moeten, natuurlijk, kinderen zo vroeg mogelijk geleerd worden zich als fatsoenlijk gesocialiseerd lid van de samenleving op te stellen, bijvoorbeeld door ze een ‘portfolio’ te laten bijhouden waarin zij hun vorderingen en ervaringen op dit terrein optekenen (WRR, 2007; zie ook Grotenhuis et al., 2002). Met het aanschuiven van de post-babyboomers lijkt de bestuurlijke elite de koers te verleggen. Een koers die minstens schijnbaar teruggrijpt op de pre-babyboomperiode van gezag, fatsoen en beperktere mogelijkheden om naar eigen inzichten gezinsleven, opvoeding en seksualiteit vorm te geven. Herkennen ‘onze’ generaties de pendelbewegingen op dit terrein?

estertab6-2Kijken we weer naar Tabel 6.2, dan zien we dat er in het laatste jaar van het oude millennium getemperde generatieverschillen waren: binnen elke generatie denkt ongeveer de helft dat generaties sterk verschillen naar mogelijkheden om naar eigen inzicht een gezin te stichten, de opvoeding te regelen en seksualiteit te beleven. In 2006 verschillen generaties iets sterker in hun mening: dan denkt vooral de oorlogsgeneratie dat die kansen generationeel anders verdeeld zijn, de keuze- en vooral de oudere keuzegeneratie ondersteunt dat idee nu juist het minst.

Het belang van de eigen jeugd op dit terrein van kansen wordt op beide momenten breed onderkend (door ongeveer de helft van alle generaties). Binnen de keuzegeneratie is er steeds verdeeldheid: het oudste cohort

estertab6-2b

Tabel 6.2: Opvoeding, gezin en seksualiteit

heeft steeds de minst grote neiging het belang van de eigen jeugd te benadrukken, terwijl het jongste hier juist een redelijk sterke nadruk oplegt. Samenvattend kan de conclusie zijn dat eerst vooral oudere generaties de kansen in het privédomein generationeel definiëren. Daarna valt op dat met name de jongste generatie en vooral het oudere cohort onder hen het minst genegen is om de eigen jeugd belang toe te kennen.

Kortom: generaties zijn in de eerste jaren van het nieuwe millennium gereserveerder geworden om zichzelf generationeel te stereotyperen langs de lijnen van normen, waarden en kansen in het privédomein. De generatiekloven, zo die al geprononceerd waren op dit terrein, lijken gedicht. Zeker het oudere keuzegeneratiecohort neemt op dit terrein gas terug. Dit kan duiden op een levensfase-effect: nu deze generatie de handen vol heeft aan eigen kinderen, zien zij hoe de geschiedenis zich herhaalt, hoe zij lijken op voorgaande generaties.

Anderzijds, zoals al eerder opgeworpen, lijken de naoorlogse generaties nader tot elkaar te komen en hun voorkeuren, waarden en kansen in het privédomein nauwelijks nog als onderscheidend aan te kunnen merken. Niet alleen hebben jongere generaties in de zorgvuldig verstopte LP-dozen van de babyboomgeneratie gewinkeld, ook hebben ze, zo lijkt het, aansluiting gezocht bij de normen en waarden van deze generatie.

We zien dat hieronder ook nog eens als generaties inschatten of zij anders zijn in het naar eigen inzicht vormgeven van het leven in het algemeen en de vrijetijd in het bijzonder. Het is in 1996 de babyboomgeneratie die er het sterkst van overtuigd is dat het voor hen, vergeleken met oudere generaties, makkelijker is om het leven naar eigen inzichten in te richten. Tabel 6.3 laat dit zien.

estertab6-3a

 

 

 

 

Tabel 6.3: Als u uw generatie vergelijkt met … generaties, hoe denkt u dan dat het voor uw generatie is of was om..

Dat blijkt een scherp afgetekende positie in 1996. In 2006 is daar niet veel meer van over. Nu menen ook de jongere generaties, zij het dat het oudste keuzegeneratiecohort aarzelt, dat het voor hen wat dit betreft makkelijker is dan voor oudere generaties. De oudste generatie onderkent eveneens dat het voor hen moeilijker was als ze zich vergelijken met jongere generaties. Een soortgelijk beeld zien we als het gaat om het zelf bepalen van de vrijetijdsbesteding, zeker in 2006: alle jongere generaties menen dat deze zelfbepaling voor hen makkelijker was dan voor oudere generaties. De oorlogsgeneratie vindt dit moeilijker als ze zich meten aan jongere generaties. Het valt tot slot op dat generaties in een vergelijking met oudere generaties zichzelf steeds positiever afschilderen. De vergelijking met jongere generaties valt meestal neutraal uit. Dat geldt zowel voor het leven zelf inrichten als de vrije tijd zelf bepalen.

6.6 Conclusies
In de tweede helft van het nieuwe decennium is de stroom verontrustende berichten over de jongeren van tegenwoordig nog niet opgedroogd. Vooral de zorgen om wat jongeren consumeren, of dat nu muziek of het huwelijk is, blijken hardnekkig. De ophef zal zonder twijfel een functie hebben. Het duidt in ieder geval op een blijkbaar breed gevoelde neiging om nieuwe cohorten, gevraagd of ongevraagd, een aantal bestaande voorkeuren, waarden en normen aan de man te brengen. Er zijn niet veel stevige bewijzen dat het die cohorten hieraan ontbreekt, maar dat betekent nog niet dat de plicht verzaakt dient te worden. Elke nieuwe lichting kan immers weer anders zijn. Met de voortdurende morele verontwaardiging geeft men, zo bezien, blijk van het denken in generaties. Oude generaties dragen hun erfgoed over, nieuwe nemen wat hen goeddunkt. Oude verbazen en verzetten zich, nieuwe verheffen al dan niet een eigen stem maar nemen hoe dan ook het stokje over, inclusief de confrontatie met de volgende generatie.

We hebben hier ingezoomd op twee type culturele botsingen: stijl- en waardenbotsingen. In een mengeling van bewondering en afgrijzen kijken generaties naar de stijlvoorkeuren van de andere generaties. In muziek, boeken en films klinkt de stem van generaties. Bij de ene staan ze bol van ‘grote woorden en parolen’, bij de ander klinken de idealen van een leven als instant-beroemdheid door. Eens was de juiste keuze een zaak van levensbelang. Wie voor het ene type muziek, film of boek was, was tegen het andere. Wie niet tegen het andere was hoorde er niet bij. Nu lopen niet alleen stijlen, maar ook de media en de dragers hiervan onontwarbaar door elkaar. Een goede of foute keuze en het goed of fout zijn, zijn obsolete concepten. In het midden en het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw zagen onze generaties nog een levendig onderscheid in de culturele voorkeuren van generaties. Midden in het eerste decennium van de nieuwe eeuw is dat besef duidelijk minder sterk. Omgekeerd is de beweging in de toewijzing van jeugdervaringen aan de culturele voorkeuren die men ook later nog heeft. Deze toewijzing neemt toe met de jaren en deze trend wordt vooral door de gehele keuzegeneratie gedragen. De redenering kan luiden dat de jonge generatie (net als de andere generaties) erkent als generatie niet veel anders te zijn in culturele voorkeuren juist vanwege belangrijke jeugdervaringen. Mogelijk zijn dat ervaringen waarbij zij stijlen en cultuuruitingen van voorgaande generaties, zonder die als anders of behorend bij een andere generatie te duiden, met die van hun generatiegenoten vermengen. Of deze mix-cultuurvoorkeur een blijvend generatiekenmerk is, is nu nog niet vast te stellen. Antwoorden op de vraag naar de mogelijkheid om in het culturele domein te kiezen wat men wil, steunen deze redenering. De drie generaties zien in de keuzemogelijkheden verschillen naar generaties, maar leggen geen verband met jeugdervaringen. Behalve de allerjongste keuzegeneratieleden: meer nog dan de babyboomers en oudere keuzegeneratieleden erkennen zij generatieverschillen in wat er naar eigen inzicht te kiezen valt en onderschrijven zij hierbij het belang van hun formatieve jaren. Al met al is het domein van culturele voorkeuren geen arena van grootse generationele botsingen. Wel is er bij de jonge generatie een ontluikend generatiebesef waar te nemen: zij erkennen het belang van jeugdervaringen voor hun latere culturele leven, bekennen als generatie anders te zijn in hun keuze-ervaringen in het culturele domein mede op grond van voor hen nu nog relevante jeugdervaringen.

Ook hebben we volop aandacht besteed aan de waardenbotsingen en dan vooral die rondom gezin, opvoeding en seksualiteit. Het behoeft weinig betoog dat vooral het laatste deel in de driedelige thematiek blijvend voor de nodige ophef in media, politiek en publieke opinie zorgt. Geen groot nieuws, maar wel nieuws is het dat de kopstukken van de eens op dit terrein vrijgevochten generatie babyboomers na een periode van vertroeteling van de jongere generatie nu aan de alarmbel trekken en roepen om het herstel van respect en fatsoen. Alweer: of het hier nu wel of niet slecht mee gesteld is, onder de een of de andere generatie, lijkt niet de te bewijzen zaak. In ieder geval herkennen onze drie generaties zich in afnemende mate in generationele distincties op dit terrein. Het besef van generationele onderscheidingen in waarden en normen in dit private domein is zeer sterk in het midden van de jaren negentig, al minder maar nog steeds sterk eind jaren negentig en tot een kleine meerderheidsgroep afgezwakt in 2006. Vooral onder de keuzegeneratie neemt dit besef met de jaren af. Wel wijzen alle generaties hun jeugdjaren aan als relevante ervaringsperiode voor hun huidige waarden en normen rondom gezin, opvoeding en seks. Bij de twee oudste generaties is deze toewijzing door de tijd stabiel. Bij de keuzegeneratie, en dan vooral het oudere cohort, is dat stevig afgenomen. Kijkend naar de mogelijkheden om naar eigen inzicht het leven op deze thematiek vorm te geven zien we deels een omgekeerde en deels een zelfde trend: hier neemt het waarnemen van onderscheid naar generaties gemiddeld genomen toe en is het erkennen van de relevantie van de eigen jeugdjaren stabiel. De oudste keuzegeneratieleden zien met de jaren minder onderscheid tussen generaties en minder invloed van de jeugdjaren dan de jongste keuzegeneratieleden.

Al met al, wordt het domein van waarden en normen in de private sfeer meer getekend door generationele interpretaties dan dat van culturele voorkeuren. Dit vonden we al in Mijn Generatie en zien we hier bevestigd. Wel neemt de generationele spanning rondom het thema af en deels heeft dat met de oudste keuzegeneratieleden te maken: zij lijken zich het sterkst af te keren van een generationeel interpretatiekader. Dat wordt tot slot bevestigd bij de vraag of het makkelijker is om het leven naar eigen inzichten in te richten. Eerst staat de babyboomgeneratie alleen met een gunstiger oordeel als ze de eigen generatie met oudere generaties vergelijken, later voegt de keuzegeneratie zich bij hen, zij het dat dit vooral op het conto van het jongste cohort te schrijven is. Het oudste cohort beweegt niet. Ook dit duidt mogelijk op reserves bij dit cohort om generaties als denkkader te gebruiken. We bezien in het volgende hoofdstuk of zich dit ook bij het thema politiek aftekent.

NOTEN
i. Vergelijk het ontnuchterende tegengeluid in het boek ‘Laat me feesten. Het eeuwige misverstand over jongeren’ van nota bene Volkskrantredacteur Peter Giesen (1999).
ii. Het voert wat ver om hier verder door te filosoferen of muziek dat doel ook voor generaties diende die voorgingen aan de babyboomgeneratie en dus of deze laatste ge-neratie niet juist de enige historische uitzondering op de ‘plezier’-regel is. Onwaarschijnlijk is het niet.
iii. Zie www.popinstituut.nl/encyclopedie/geschiedenis1011.html
iv. Zie www.chicklit.nl
v. Zie www.jmouders.nl/nieuwsartikelpagina/jmjubileumonderzoek.htm; zie het commentaar hierop door pedagoog Bas Levering www.fontys.nl/pedagogiek/info/pagina_226477.htm.
vi. Het is uiteraard logisch onmogelijk dat iedereen zichzelf een betere opvoeder vindt dan alle anderen. Hier speelt het uit de vergelijkende psychologie bekende mechanisme van de systematische toewijzingsfouten een rol: de meesten neigen er naar zichzelf als beter af te beschouwen dan alle anderen. Dit staat ook wel bekend als de ‘positivity bias’. Een dergelijke afwijking vonden wij ook in onze toekomstonderzoeken: Nederlanders zijn allen zeer optimistisch over hun eigen verdere leven en pessimistisch over dat van alle anderen (Vinken et al., 2003).
vii. Zij geven echter zelf toe dit empirisch niet afdoende te kunnen vaststellen (Herweijer & Vogels, 2004: 50).
viii. Zie:
http://www.nu.nl/news/1253260/11/Campagne_tegen_meisjes_als_lustobject.html. Via de school, Internetsites, muziekzenders en tv-programma’s wil het kabinet de jeugd weerbaar maken tegen seksueel geweld en zich keren tegen de ‘seksualisering van de samenleving’. Aldus Plasterk in zijn nieuwe emancipatienota (Ministerie van OC&W, 2007).
ix. Zie de column van een CDA-politicus in Trouw van mei 2007. Uit reacties op de column blijkt de behoefte meer te willen lezen over de wetenschappelijke onderbouwing: Zie:
http://www.trouw.nl/deverdieping/podium/article714455.ece/Niemand_praat_over_seks_en_mo-raal_opinie?pageNumber=3
x. Het verhaal is de wereld ingekomen na een ‘quickscan’ van de GGD Amsterdam Zuidoost in 2006. Zie pedagogiek.net voor een stevige kritiek op dit ‘onderzoek’: http://www.pedagogiek.net/content/artikel.php?ContentID=1407&subname=Opvoeding&sectieNR=1&&rubriekID=2. Sinds het verhaal worden er plotseling overal in het land, ook al in Almere, meisjes gezien die voor een kleine vergoeding in natura seks bieden.
xi. In 2006 verschijnt in de Verenigde Staten naar aanleiding van het vele MTV-bloot een pamflet van Ariel Levy waarin de term ‘bimbocultuur’ gemunt wordt. Volgens Levy (2006) pogen jonge vrouwen in de ‘raunch culture’ hun mannelijke tegenhangers te overtreffen: “women outdoing men in applauding pornofication”.
xii. Zie: http://www.jmouders.nl/Nieuwsartikelpagina/JongerenEnSeksDeel1.ZeWillenWel,
Maar-DurvenNiet.htm
xiii. Zie voor het onderzoek en de cijfers http://www.nieuwsbank.nl/inp/2004/03/11/F009.htmcijfers
xiv. Dit wordt wel indirect weersproken door SCP-onderzoek (Ooms, Eggink & Van Gameren, 2007) waaruit blijkt dat de lage arbeidsparticipatie en dito gebruik van kinderopvang deels terug te voeren is op de sterke moedercultuur in Nederland (gemeten aan de rol van normen en waarden bij de keuze voor werk of opvang). De rol van die moedercultuur is complex (deels ook ontstaan door een gebrekkige opvang en ontbrekende gewoontes om formele opvang te gebruiken) en niet allesbepalend, maar wel van veelzeggend belang. De vraag is derhalve of een nieuwe generatie vrouwen ook met deze cultuur breekt. Dat lijkt gegeven de vaak aangetoonde persistentie van culturele gewoonten en gebruiken (o.a. Vinken et al., 2004) een brug te ver.