Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Continuïteit en verandering

No comments yet

PotholesGraffitiUit de vergelijking van de strafdossiers uit 1999 en 2008 zijn in voorgaande hoofdstukken zowel overeenkomsten als verschillen tussen de jaren naar voren gekomen. Bij het profiel van de verdachten zagen we bijvoorbeeld een toename van het percentage meisjes (hoofdstuk 3). Wat betreft de concrete handelingen waren binnen de CBS-categorie Bedreiging de bedreigende handelingen in 2008 lichter dan in 1999, binnen de CBS-categorie Mishandeling was er een verschuiving van zwaarder naar lichter letsel, bij de CBS-categorie Openbare Orde werd een duidelijke afname van geweld met gebruik van wapens of andere voorwerpen geconstateerd en ook de CBS-categorie Openbaar Gezag liet een tendens richting lichter verzet tegen politie zien (hoofdstuk 4). De juridische kwalificatie van vergelijkbare incidenten vertoonde vooral veel overeenkomsten tussen beide jaren (hoofdstuk 5). Bij de afdoening bleek bovenal dat jeugdigen die verdacht werden van openbare orde delicten of geweldsdelicten in 2008 vaker dan in 1999 een taakstraf kregen (hoofdstuk 6). Doel van dit hoofdstuk is allereerst de beantwoording van de laatste onderzoeksvraag.

5. In hoeverre kunnen veranderingen in de omvang van de geregistreerde jeugdcriminaliteit worden verklaard uit het verschil in kwalificatie van delicten door politie, Openbaar Ministerie (OM) en Rechterlijke Macht (RM)?
Ter mogelijke verklaring van de hierboven genoemde ontwikkelingen zijn in voorgaande hoofdstukken met name veranderingen in wetgeving en richtlijnen voor vervolging en straftoemeting naar voren gebracht. In dit hoofdstuk trekken we deze lijn door en betrekken hierbij de kennis en ervaring van experts uit de rechterlijke macht, politie, advocatuur en wetenschap, die deelnamen aan een focusgroepsgesprek, met als centraal thema (verklaringen voor) veranderingen in kwalificatie tussen 1999 en 2008.[i] Daarnaast worden de geconstateerde ontwikkelingen tegen het licht gehouden van de drie theorieën uit het inleidende hoofdstuk.

Meer aangiftes en processen-verbaal
Uit het focusgroepsgesprek komt unaniem naar voren dat de politie steeds meer criminaliteit is gaan registreren. Deze ontwikkeling is al eerder ingezet en daarbij heeft het rapport van de Commissie Roethof over de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit een grote rol gespeeld (Commissie kleine criminaliteit, 1984/1986). Maar de praktijkervaring leert volgens de deelnemers dat de kans op registratie tussen 1999 en 2008 nog verder is toegenomen.

Vroeger kreeg je van politie reprimande, nu leidt alles tot proces-verbaal, al dan niet naar aanleiding van aangifte.”

Dat heeft wat betreft jeugdcriminaliteit voor een belangrijk deel te maken met ontwikkelingen op scholen voor voortgezet onderwijs. Aan de ene kant zijn er, vooral bij grote scholen, meer groepen scholieren die vanwege de gaten in het onderwijsrooster op straat rondhangen en conflicten veroorzaken. Bovendien kennen grotere scholen vaker incidenten met lastige leerlingen, waar ze weinig grip op hebben. Aan de andere kant bestaan voor conflicten die voorheen informeel en intern werden opgelost, nu steeds meer protocollen. Ouders en leerlingen worden vanuit de school gestimuleerd om aangifte te doen (als de school het zelf al niet doet). En vervolgens wordt van de politie en het OM wordt verwacht dat er ook actie wordt ondernomen.

Scholen zijn nu veel groter, met veel meer leerlingen. Op scholen is de politie is een soort externe ordedienst geworden. Incidenten die voorheen onder het ‘tuchtrecht’ van de scholen vielen, gaan nu naar de justitiële keten. Die begint bij de politie. En als je er dan als justitie niets mee doet, krijg je direct een artikel 12 Strafvordering procedure.[ii]

De grotere geneigdheid tot het doen van aangifte geldt overigens niet alleen voor scholen, maar bijvoorbeeld ook voor instellingen en personen die te maken hebben met kinderen waarover ‘zorgsignalen’ zijn. En voor buurtbewoners die last hebben van groepen jongeren. Daarbij is het doen van aangifte steeds gemakkelijker geworden.

Er kan nu zelfs vanuit huis via internet aangifte gedaan worden. Als gevolg hiervan is de politie een ‘verbaliseringsmachine’ geworden.

Het beperken van de speelruimte om jeugdigen op het politiebureau een reprimande te geven, vloeit mede voort uit de toegenomen verplichting om “van alles wat binnenkomt” een proces-verbaal van aangifte op te nemen. En als er een daderindicatie is, moet er ook vervolgd worden. Niet alleen de politieke roep om een strengere aanpak (die begint met de plicht om proces-verbaal op te maken), maar ook de invloed van de media draagt volgens de focusgroep-deelnemers bij aan meer verbalisering. Leidinggevenden bij de politie willen niet door de media verrast worden en eisen derhalve van hun ondergeschikten dat die hen goed kunnen informeren over strafbare feiten – en daarvoor zijn processen-verbaal de meest aangewezen weg. Vanaf ongeveer 2005 worden aangiftes nauwelijks meer door rechercheurs opgenomen, maar door goedkopere medewerkers met een administratieve functie. Ook dit draagt bij aan een toename van het aantal aangiftes.

Kwalificatie
De administratief medewerkers die tegenwoordig bij de politie de aangiftes opnemen, vullen ook zelf de door hen toepasselijk geachte wetsartikelen in. Hierdoor worden volgens de deelnemers aan het focusgroepsgesprek bij de politie incidenten nu zwaarder gekwalificeerd dan tien jaar geleden. Volgens hen heeft de politie sowieso de neiging om feiten zwaarder te kwalificeren dan het OM, hoewel minder ervaren beoordelaars bij het OM de kwalificatie van de politie eerder volgen dan collega’s die al langer meedraaien.
Maar ook veranderingen in wet- en regelgeving kunnen hier van invloed zijn. Zo kwalificeerde de politie vanaf midden jaren tachtig een vechtpartij bijna vanzelfsprekend als poging tot zware mishandeling (art. 302 jo 45 Sr), terwijl het achteraf vaak om eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr) bleek te gaan. Deze praktijk stagneerde rond 2004-2005, dankzij de invoering van de voorlopige hechtenis bij art. 300 Sr. Dat de politie voorheen koos voor het zwaardere wetsartikel, was omdat jeugdigen op basis hiervan toen wel in voorlopige hechtenis genomen konden worden. De bevindingen van het dossieronderzoek onderschrijven deze ontwikkeling echter niet; de beschreven verschuiving in kwalificatie door politie werd niet teruggevonden. Bij de kwalificatie door het OM zagen we een minieme verschuiving van art. 302 Sr naar art. 300 Sr. Uitgedrukt in de gemiddelde strafmaat was de kwalificatie van mishandelingen door het OM in 2008 wel wat lichter dan in 1999.
Volgens de deelnemers aan het focusgroepsgesprek wordt tegenwoordig vaker art. 141 Sr (openlijke geweldpleging) gehanteerd. De keuze van het OM voor kwalificatie van geweld tegen personen met art. 141 Sr in plaats van art. 300 Sr (mishandeling) heeft vaak een praktische achtergrond. Art. 141 Sr leidt sneller tot bewaring en wordt dan ingezet als ‘ordemaatregel’, om verdachten ter de-escalatie even vast te kunnen zetten. Dat bij geweld tegen goederen art. 141 Sr wordt gekozen in plaats van art. 350 Sr (beschadiging van goederen) heeft ermee te maken dat art. 141 Sr minder eisen stelt met betrekking tot het bewijs van het aandeel van de verdachten. Ook deze ontwikkelingen worden niet gestaafd door de bevindingen van het onderzoek. In de bestudeerde dossiers werd geweld tegen personen en goederen in 2008 niet vaker gekwalificeerd met art. 141 Sr dan in 1999.

Concrete handelingen, registratie en kwalificatie
Uit de ervaringen van de deelnemers aan de focusgroep is af te leiden dat de kans op aangifte en registratie in de CBS-categorie Bedreiging groter is geworden. Naast de reeds genoemde invloed hierop vanuit scholen, speelt mee dat het dankzij moderne communicatiemiddelen (sms, e-mail, Facebook, Twitter, Ping, Whatsapp en andere sociale media) vooral voor jongeren gemakkelijker is geworden om iemand te bedreigen. De explosieve groei in het gebruik van sociale media is echter van na 2008 en dit zou kunnen verklaren waarom in de bestudeerde dossiers van 2008 niet meer dan drie internetbedreigingen werden aangetroffen. De gevonden toename van het aandeel lichtere, minder direct fysieke bedreigingen zal dus waarschijnlijk vooral samenhangen met de trend om eerder en vaker aangifte te doen.
Met betrekking tot de CBS-categorie Mishandeling leert volgens de deelnemers aan de focusgroep de ervaring dat meisjes sneller verontwaardigd zijn en ook eerder aangifte doen dan jongens. Het doen van aangifte van mishandeling is vergemakkelijkt doordat (vermeende) slachtoffers dankzij mobieltjes en dergelijke veel vaker dan voorheen over foto’s van letsel beschikken. Overigens zou bij veel zaken die door de politie zijn gekwalificeerd met art. 300 Sr niet of nauwelijks sprake zijn van (in juridische zin) ‘letsel’. Dat dergelijke zaken toch tot vervolging leiden, komt doordat de aangifte hier als het ware toe verplicht, ten einde te voorkomen dat het slachtoffer een art. 12 Sv-procedure opstart (zie p.86).
De cijfermatige ontwikkelingen binnen de CBS-categorie Openbaar Gezag hebben volgens de experts uit de focusgroep vooral te maken met een veranderde houding ten aanzien van het niet gehoorzamen aan een ambtelijk bevel en het verzet tegen aanhouding. Het OM en de politie hebben met elkaar afgesproken om verzet te vervolgen (“we pikken het niet meer”). Veel vaker dan in 1999 wordt nu wel een proces-verbaal opgemaakt. Maar volgens de ervaringsdeskundigen is het niet gehoorzamen aan, c.q. geweld tegen het gezag ook toegenomen. Enerzijds bij bepaalde groepen jongeren[iii] en anderzijds doordat omstanders meer geneigd zijn om zich met een incident te bemoeien en niet weggaan als de politie hen daartoe beveelt.

Wel of niet dagvaarden
Op de beslissing tot dagvaarding zijn volgens de deelnemers aan het focusgroepsgesprek in hoofdzaak drie factoren van invloed: de ernst van het feit (is het meer ‘waard’ dan het aantal uren taakstraf dat het OM zelf kan opleggen); de problematiek van de verdachte (zodat de rechter een voorwaardelijk deel kan opleggen met hulptraject, dit geldt voor zowel minderjarigen als meerderjarigen); en recidive. Dit laatste komt uit de resultaten in hoofdstuk 6 ook duidelijk naar voren.
Aangezien de laatste jaren de regel met betrekking tot recidive is dat verdachten na één keer Halt en/of één keer taakstraf OM worden gedagvaard, komen volgens de deelnemers aan de focusgroep minder ernstige delicten tegenwoordig vaker voor de rechter dan tien jaar geleden. Anderzijds hebben rechters ook meer te maken gekregen met “verveeldelicten”, zoals mishandeling of vernieling door jeugdigen zonder enige aanleiding of voor de rechter “invoelbaar” motief.[iv]

Geldboete of taakstraf
Waar gekozen kan worden tussen taakstraf en geldboete, geven het OM en de rechter bij jeugdigen over het algemeen de voorkeur aan een taakstraf, want aangezien het niet ongebruikelijk is dat de ouders de geldboete van hun kind betalen, raakt de taakstraf jongeren zelf meer dan de geldboete.
De hoogte van door jeugdrechters opgelegde taakstraffen is door de tijd heen veranderd. In de eerste jaren na invoering van de taakstraf in 1989 legden zij vaak 80-100 uur op, vanuit de veronderstelling dat de taakstraf qua zwaarte niet zoveel voorstelde. De praktijk was anders en jeugdigen kregen zo’n taakstraf vaak niet uitgevoerd, met als gevolg dat rechters zakten naar zo’n 30 uur. De laatste jaren is dit weer verhoogd naar 40-50 uur. Het is echter niet te verwachten – en het komt uit het onderzoek ook niet naar voren – dat dit in de periode 1999-2008 tot significante veranderingen in de gemiddelde duur van de taakstraffen heeft geleid.

Theorieën over trends in jeugdcriminaliteit
In hoofdstuk 1 vatten we de verschillende visies op ontwikkelingen in (reacties op) jeugdcriminaliteit samen in drie theorieën: de verergerings-, de kattenkwaad- en de strafverzwaringstheorie.
Volgens de verergeringstheorie is de jeugdcriminaliteit toegenomen en/of ernstiger van aard geworden. Op basis van ons onderzoek kunnen geen uitspraken gedaan worden over ontwikkelingen in de omvang (toe- of afname) van jeugdcriminaliteit. Dat kan niet over jeugdcriminaliteit in bredere zin, omdat het onderzoek uitsluitend ging over geregistreerde criminaliteit (en bovendien alleen over gewelds- en openbare ordedelicten). Maar ook niet over geregistreerde jeugdcriminaliteit, omdat we, binnen de geselecteerde delictscategorieën, slechts steekproeven van dossiers onderzochten. De recente daling in de cijfers over aangehouden jeugdigen (hoofdstuk 1) indiceren echter wel dat van een voortschrijdende verergering in de zin van een toename in criminaliteit niet langer sprake is. Wat betreft de aard van jeugdcriminaliteit is het overheersende beeld dat uit de dossieranalyse – die dus alleen gaat over geregistreerde criminaliteit en daarbinnen uitsluitend over bepaalde delicten – naar voren komt, eerder van lichtere dan van zwaardere gedragingen en gevolgen. Dit is in tegenspraak met de verergeringstheorie.

De kattenkwaadtheorie heeft uitsluitend betrekking op geregistreerde criminaliteit. Volgens deze theorie zijn politie en justitie eerder, c.q. vaker gaan optreden tegen gedragingen die voorheen niet werden gekwalificeerd als jeugdcriminaliteit en/of soortgelijke gedragingen zwaarder zijn gaan kwalificeren. Op basis van de bevindingen in hoofdstuk 4 en de praktijkervaringen van de deelnemers aan de focusgroep is de conclusie gerechtvaardigd dat, althans wat betreft het vaker optreden van politie en justitie, de kattenkwaadtheorie inderdaad opgaat voor de CBS-categorieën Bedreiging en Mishandeling.

De strafverzwaringstheorie gaat over de wijze waarop justitie reageert, namelijk vaker sanctioneren en/of met strengere maatregelen. In hoofdstuk 6 werden de hypothesen over strengere maatregelen (vaker sepot, zwaardere straffen) verworpen. Maar wel werd vaker gesanctioneerd. Jeugdigen die verdacht werden van openbare orde delicten of geweldsdelicten kregen in 2008 vooral vaker dan in 1999 een taakstraf van het OM (in de vorm van een transactie) of van de rechter. Wanneer een vrijheidsstraf werd opgelegd, was die meestal geheel voorwaardelijk. Daarentegen waren de taakstraffen overwegend onvoorwaardelijk – altijd bij transacties van het OM, geheel of gedeeltelijk bij strafoplegging door de rechter. Dit brengt ons tot drie conclusies. Ten eerste is bezien vanuit wat we het belevingsperspectief noemden de kans op bestraffing – vooral voor bedreiging – nu groter dan tien jaar geleden. Ten tweede kan gesteld worden dat de grotere bevoegdheid van het OM bij het transigeren in de vorm van een taakstraf mogelijk heeft bijgedragen aan een kleinere kans op een vrijheidsstraf, maar vooral en veel sterker aan ‘netwidening’ bij de justitiële reacties op jeugdige verdachten van openbare orde delicten of geweldsdelicten.[v] Ten derde lijkt het gerechtvaardigd om te concluderen dat de justitiële reacties, doordat taakstraffen vaker onvoorwaardelijk zijn, minder vrijblijvend zijn geworden.

Noten
i. Dit vond plaats op 23 februari 2012 te Rotterdam. In alfabetische volgorde waren de deelnemers: mr. Ad de Beer (officier van justitie te Rotterdam jeugdzaken, voorheen werkzaam bij de reclassering op gebied van jeugd), John Bergsma (rechercheur bij politie Rotterdam, afdeling zeden/jeugd), mr. Reinier Feiner (advocaat bij het Advokatenkollektief Rotterdam, lid Vereniging Jeugdrecht Advocaten Rotterdam), mr. Sonja de Pauw Gerlings – Dohrn (jeugdrechter bij Rb. Rotterdam) en dr. Jolande uit Beijerse (UHD (jeugd)strafrecht Erasmusuniversiteit, rechter-plaatsvervanger bij Rb. Rotterdam en lid van Commissie van Toezicht van een jeugdinrichting).
ii. Art. 12 Sv behelst een klachtprocedure tegen niet vervolgen.
iii. Bijvoorbeeld Antilliaanse jongeren, die niet willen dat je aan ze zit, want dan mogen zij het ook; bovendien zien deze jongeren verbale bedreiging niet als een strafbaar feit. Of Marokkaanse jongens met een grote mond.
iv. En ook vaker met zware delicten zoals beroving, maar dit valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek.
v. Van Ruller (2001) stelt in verband met net-widening dat “… door uitbreiding van het sanctiepakket er een proliferatie van strafrechtelijke interventiemogelijkheden optreedt” (p. 397). Bij netwidening worden bijvoorbeeld jongeren justitieel aangepakt waarvan de zaak anders geseponeerd zou zijn (Spaans, 1995).

LITERATUUR
Althoff, M. (2005). Het beeld van de jeugd als criminaliteits- en veiligheidsprobleem. Een discours theoretische verklaring. Pedagogiek, 25 (4) pp, 262-278.
Brouwers, M. & Eggen, A.Th.J. (2011) Vervolging. In: Kalidien, S.N. & de Heer – de Lange, N.E. (red.) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 298), pp.121-138.
Buruma, Y. (2005). De dreigingsspiraal. Onbedoelde neveneffecten van misdaadbestrijding. Den Haag: Boom Juridische uitgevers
Butts, J. & Travis, J. (2002). The rise and fall of American youth violence: 1980 to 2000. Washington: The Urban Institute Justice Policy Center
Commissie kleine criminaliteit (1984). Interimrapport van de Commissie kleine criminaliteit. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Commissie kleine criminaliteit (1986). Eindrapport Commissie kleine criminaliteit. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Doob, A.N. & Sprott, J.B. (1998). Is the “quality” of youth violence becoming more serious? Canadian Journal of Criminology, 40 (2), pp. 185-194
Egelkamp, M.M. (2002) Inflation von Gewalt? Strafrechtliche und kriminologische Analysen von Qualifikationsentscheidungen in den Niederlanden und Deutschland. Groningen: University of Groningen.
Eggen, A.Th.J. & Kalidien, S.N. (red.) (2008) Criminaliteit en rechtshandhaving 2007. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 271)
Eggen, A.Th.J. & Kessels, R.J. (2011) Criminaliteit en opsporing. In: Kalidien, S.N. & de Heer – de Lange, N.E. (red.) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en beleid, nr. 298), pp.83-117.
Estrada, F. (2001). Juvenile violence as a social problem; Trends, media attention and societal response. British Journal of Criminology, 41 (4), pp. 639-655.
Flight, S. & Abraham, M. (2011) Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Amsterdam: DSP-groep.
Gabor, T. (1999). Trends in youth crime; Some evidence pointing to increases in the severity and volume on the part of young people. Canadian Journal of Criminology, 41 (3), pp. 385-392.
Goudriaan, H. & Eggen, A.Th.J. (2009). Verdachten van criminaliteit. In: S.N. Kalidien en A.Th.J. Eggen (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008: Ontwikkelingen en samenhang, p. 101-130, Den Haag, Boom Juridische uitgevers. Onderzoek en beleid 279.
Heer-de Lange, N.E. de (2009). Berechting. In: S.N. Kaliden en A.Th. Eggen (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008: Ontwikkelingen en samenhang, p. 153-174, Den Haag, Boom Juridische uitgevers. Onderzoek en beleid 279.
Junger-Tas, J. (1997) Geweld onder jongeren. In: K. Schuyt (red.), Het sociaal tekort: Veertien sociale problemen in Nederland. Amsterdam: De Balie, pp. 112-126.
Kalidien, S.N. & Heer – de Lange, N.E. de (red.) (2011) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Den Haag: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 298) 122
Laan, A.M. van der, Blom, M., Tollenaar, N. & Kea, R. (2010). Trends in de geregistreerde jeugdcriminaliteit onder 12- tot en met 24-jarigen in de periode 1996-2007. Den Haag: WODC (Cahier 2010-2).
Laan, A.M. van der & Blom, M. (2011). Meer jeugdige verdachten, maar waarom? Een studie naar de relatie tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de veranderingen in het aantal jeugdige verdachten van een misdrijf in de periode 1997-2007. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers. (WODC, Onderzoek en beleid, nr. 292).
Nabben, T., Doekhie, J. & Korf, D.J. (2010) Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Ruller, S. van (2001) Sancties. In: E. Lissenberg, S. van Ruller & R. van Swaaningen (red.) Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie. Nijmegen: Ars Aequie Libri, pp. 387-412.
Spaans, E.C. (1995) Werken of zitten. Toepassing van werkstraffen en korte vrijheidsstraffen in 1992. Arnhem: Gouda Quint (WODC 144).
Weijers, I. (2008). Het gaat niet slecht met de Nederlandse jeugd. Justitiële verkenningen, 34 (8), pp. 38-48.
Wittebrood, K. & Nieuwbeerta (2006) Een kwart eeuw stijging in de geregistreerde criminaliteit. Vooral meer registratie, nauwelijks meer criminaliteit. Tijdschrift voor Criminologie, 48(3), p. 227-242.
Zimring, F. (1998a). The youth violence epidemic: myth of reality? Wake Forest Law Review, 33, pp. 727-744.
Zimring, F. (1998b). American Youth Violence. New York: Oxford Press.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 19 + 20 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent articles

  • Rozenberg Quarterly categories