Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Inleiding

No comments yet

ball-chain-prisonJongeren die met elkaar op de vuist gaan, politieagenten bedreigen, auto’s beschadigen, muren met graffiti bekladden. Het zijn allemaal gedragingen die de laatste decennia een steeds prominentere plaats hebben gekregen in de media en de politiek en ook in toenemende mate de criminaliteitsstatistieken zijn gaan vullen. Een veelgehoorde klacht is niet alleen dat dergelijke vormen van jeugdcriminaliteit steeds vaker voorkomen, maar ook dat de gedragingen ernstiger zijn geworden. Geweld zou steeds vaker zwaarder letsel teweegbrengen en vernieling zou steeds grotere schade veroorzaken. Gaan we af op de statistieken van politie en justitie, dan hebben de aanhangers van deze benadering het gelijk aan hun kant. Want deze cijfers laten op de langere termijn een duidelijke stijging zien in jeugdcriminaliteit, in het bijzonder in geweldsdelicten. Critici stellen hier vaak tegenover dat zulke officiële cijfers een vertekend beeld van de jeugdcriminaliteit geven. Voor politie en justitie zouden gedragingen waarvoor jongeren voorheen niet werden aangepakt, steeds vaker aanleiding vormen voor aanhouding en vervolging, met als gevolg dat jongeren eerder in de criminaliteitsstatistieken terechtkomen. Daarbovenop zouden rechters vergelijkbare gedragingen steeds strenger zijn gaan bestraffen.

Deze verschillende visies op ontwikkelingen in (reacties op) jeugdcriminaliteit kunnen worden samengevat in drie theorieën. Volgens de verergeringstheorie is de jeugdcriminaliteit (a) toegenomen en/of (b) ernstiger van aard geworden, terwijl volgens de kattenkwaadtheorie politie en justitie (a) eerder, c.q. vaker optreden tegen gedragingen die voorheen niet werden gekwalificeerd als jeugdcriminaliteit en/of (b) soortgelijke gedragingen zwaarder zijn gaan classificeren. Daarnaast onderscheiden we de strafverzwaringstheorie. Daar waar de kattenkwaadtheorie betrekking heeft op hoe vaak politie en justitie optreden tegen jeugdcriminaliteit, gaat de strafverzwaringstheorie over de wijze waarop justitie reageert, namelijk (a) vaker sanctioneren en/of (b) met strengere maatregelen.

Alle drie theorieën komen we, impliciet of meer expliciet, tegen in de literatuur. Zo spreekt de Nederlandse strafrechtgeleerde Buruma (2005) van miniaturisering van het strafrecht; de tendens om ergerlijk gedrag steeds vaker te criminaliseren. Deze visie sluit aan bij de kattenkwaadtheorie. Ook buitenlandse juristen en criminologen zijn actief in onderzoek naar en de discussie over trends in jeugdcriminaliteit. Bepaald niet de minste hiervan is de Amerikaanse strafrechtwetenschapper Zimring. In de Verenigde Staten lieten de cijfers van politie en justitie over moord, verkrachting en mishandeling een sterke stijging zien. Dat vormde een krachtig bewijs voor aanhangers van de verergeringstheorie. Aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam in de Verenigde Staten veel aandacht te liggen op gewelddadige jeugdcriminaliteit en werd gepleit voor een hardere aanpak hiervan (Butts & Travis, 2002). Over de validiteit van de toename in geregistreerde criminaliteit als empirische ondersteuning voor de verergeringstheorie stelt Zimring (1998a, 1998b) echter dat de stijging in de Amerikaanse politiecijfers over aggravated assault (geweld onder verzwarende omstandigheden, bijvoorbeeld gebruik van een wapen) vooral kwam door re-classificatie bij de politie in plaats van door gewelddadiger gedrag van jongeren.

How assaults are counted and classified is essentially a matter of police discretion. Changing police standards can have a huge impact on statistical trends.” (Zimring, 1998a, p. 736).

Zimring spreekt van een verschuiving in de grens tussen simple en aggravated assault, oftewel een upgrading van gedrag dat voorheen werd geclassificeerd als lichter geweld, naar zwaarder geweld. Door re-classificatie wordt de drempel om aangifte te doen steeds lager en kunnen gedragingen steeds gemakkelijker als crimineel bestempeld worden, waardoor de officiële criminaliteits-statistieken een kunstmatige stijging van de criminaliteit teweegbrengen:

While the statistics indicate an increase in assaults, the actual behavior had remained unchanged.”
(Zimring, 1998a, p. 743).

Met dit betoog schaart Zimring zich onder de aanhangers van de katten-kwaadtheorie. Tegelijkertijd waarschuwt hij echter voor een eenzijdige, negatieve duiding van re-classificatie. De oude classificatie was immers niet zondermeer beter dan de nieuwe. Bovendien is re-classificatie op zichzelf een relevant gegeven, want het legt een feitelijke verschuiving in de aandacht van beleidsmakers en instanties bloot. Hij illustreert dit aan de hand van huiselijk geweld. Sinds dit meer aandacht kreeg en beleidsmatig meer prioriteit verwierf, zijn politie en justitie in Amerika slaande ruzies in huiselijke kring ook serieuzer gaan nemen en worden ze minder gauw afgedaan als huiselijke twisten, die burgers zelf maar met elkaar moesten uitvechten.

In dit rapport beperken we ons tot jeugdcriminaliteit (in de leeftijd 12 t/m 24 jaar) en richten we ons primair op de vraag hoe ontwikkelingen in geregistreerde criminaliteit binnen deze leeftijdsgroep verklaard kunnen worden en niet op de vraag in hoeverre de totale (geregistreerde plus niet-geregistreerde) jeugdcriminaliteit daadwerkelijk is toegenomen of veranderd. Zijn trends in geregistreerde jeugdcriminaliteit te wijten aan ontwikkelingen in gedragingen van jeugdigen die in aanraking komen met justitie (verergeringstheorie)? Of is er vooral sprake van een verandering in de strafrechtelijke aanpak (kattenkwaadtheorie)? En in hoeverre is sprake van vaker en/of strenger straffen (strafverzwaringstheorie)?
De empirische beantwoording van deze vragen komt in latere hoofdstukken aan bod. In het vervolg van dit hoofdstuk bespreken we eerst de Nederlandse trends in officiële cijfers over jeugdcriminaliteit. Daarna gaan we in op verklaringen voor, respectievelijk duidingen van criminaliteitstrends in de literatuur en beschouwen die in het licht van de eerdergenoemde drie theorieën. Aansluitend beschrijven we de doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen die tegen grondslag liggen aan dit rapport. Ook formuleren we op basis van de literatuur enkele hypothesen. Daarna wordt in grote lijnen de onderzoeksopzet geschetst en we sluiten dit hoofdstuk af met een overzicht van de opbouw van het gehele rapport.

Aangehouden jeugdige verdachten per 1.000 inwoners van betreffende leeftijdscategorie 1

Aangehouden jeugdige verdachten per 1.000 inwoners van betreffende leeftijdscategorie 1

Nederlandse trends in officiële cijfers over jeugdcriminaliteit
Jarenlang kende Nederland een stijgende lijn in het aantal door de politie geregistreerde minderjarige verdachten en het aantal minderjarige daders tegen wie een strafzaak werd aangespannen en wiens zaak door het OM (Openbaar Ministerie) of de rechter werd afgedaan (Goudriaan & Eggen, 2009; De Heer – de Lange, 2009). Ook bij de 18-24-jarigen was sprake van een continu stijgende trend in de geregistreerde criminaliteit (Van der Laan e.a., 2010). Zo bleek uit politie- en justitiecijfers van het WODC over de periode 2002-2007 een stijging van het aantal verdachten en daders onder 12-24-jarigen (Van der Laan e.a., 2010).[i] De stijging in jeugdcriminaliteit (12-24 jaar, dus beide genoemde leeftijdsgroepen) gold met name voor delicten tegen de openbare orde en geweldsdelicten (Van der Laan e.a., 2010).
Recentere cijfers laten rond het jaar 2007 een duidelijke kentering zien. Tussen 2005 en 2010 nam het totaal aantal door de politie geregistreerde verdachten met een kwart af. Bij minderjarigen was de daling zelfs 39%, van 99.000 naar 61.000 (Eggen & Kessels, 2011). Een soortgelijke trend is waar te nemen in het aantal bij het OM ingeschreven strafzaken tegen minderjarige verdachten (Brouwers & Eggen, 2011). Uitgedrukt per 1.000 inwoners in dezelfde leeftijdscategorie werden overigens in 2008 en 2009 nog wel meer jeugdige verdachten aangehouden dan aan het begin van het nieuwe millennium (Figuur 1.1).[ii]

Verklaringen voor trends in officiële criminaliteitscijfers
Op het eerste gezicht past de zojuist geschetste langetermijnontwikkeling uitstekend binnen de verergeringstheorie. Toch valt hierop wel wat af te dingen – en niet alleen vanwege de recente kentering. Een belangrijke empirisch gefundeerde relativering van de verergeringstheorie komt uit de hoek van slachtofferenquêtes, die de generaliseerbaarheid van de opwaartse trend in geregistreerde criminaliteit naar de totale (geregistreerde plus niet-geregistreerde) criminaliteit in twijfel doen trekken. Een eerste voorbeeld betreft agressie en geweld tegen politieagenten, ambulancepersoneel en andere werknemers met een publieke taak. Tegenover het overheersende beeld dat zij steeds vaker worden mishandeld, bedreigd en bespuugd, blijkt uit enquêtes onder overheidsdienaren en andere hulpverleners dat geweld jegens hen de laatste jaren juist gedaald is (Flight & Abraham, 2011). Een tweede voorbeeld gaat over een langere periode en heeft betrekking op criminaliteit in bredere zin. Wittebrood & Nieuwbeerta (2006) concludeerden over de jarenlange stijging in het aantal door de Nederlandse politie geregistreerde delicten op basis van cijfers uit slachtofferenquêtes onder de bevolking vanaf 18 jaar over de jaren 1980-2004 dat het aantal slachtoffers van criminaliteit in Nederland in die 25 jaar vrijwel stabiel was gebleven. Dat de politiecijfers een heel ander beeld lieten zien, kwam volgens de criminologen voor een deel doordat burgers steeds vaker melding zijn gaan doen bij de politie (grotere aangiftebereidheid) en voor een nog veel groter deel omdat de politie veel vaker processen-verbaal is gaan opmaken (grotere registratiekans). Het lijkt aannemelijk dat deze trends in aangiftebereidheid en registratiekans ook van toepassing zijn op de officiële cijfers over criminaliteit onder jongeren beneden de 18 jaar (Weijers, 2008).

Een andere insteek is die van Van der Laan & Blom (2011). Naar aanleiding van het in de periode 1997-2007 gestegen aantal jeugdige verdachten (12 t/m 24 jaar) in Nederland namen zij in een analyse van de internationale literatuur verschillende algemene sociale, demografische en economische ontwikkelingen onder de loep, die van invloed kunnen zijn op ontwikkelingen in jeugdcriminaliteit. Daarnaast voerden zij statistische analyses uit. Kort samengevat kwamen de onderzoekers tot de volgende slotsom. Landelijke demografische en sociale ontwikkelingen bieden geen verklaring voor de stijging in de geregistreerde jeugdcriminaliteit in de genoemde periode. Het aantal 12-17 jarigen steeg amper en de leeftijdscategorie 18-24 jaar bleef min of meer stabiel. De toename van het aantal niet-westerse allochtone jongeren ging niet gelijk op met de groei van het aantal jeugdige verdachten. Bovendien was de grotere geregistreerde criminaliteit juist te zien bij verdachte autochtone jongeren en niet bij de allochtone jeugd. Ook achtten de onderzoekers het niet aannemelijk dat de stijging in de geregistreerde jeugdcriminaliteit kwam door een stijging van het aantal jongeren met gedragsproblematiek.

Als dergelijke (macro)factoren geen duidelijke verklaring bieden voor de gestegen officiële criminaliteitscijfers, welke dan wel? Komen we dan toch niet uit op beeldvorming? En is er in het verlengde hiervan misschien meer empirische ondersteuning voor de kattenkwaad-theorie en/of de strafverzwaringstheorie? Is in Nederland, net als in de Verenigde Staten, zoals beschreven door Zimring (1998b), vooral sprake van een veranderde focus bij politie en justitie?

De rol van media
Volgens de Groningse criminologe Althoff spelen de media een krachtige rol in de maatschappelijke aandacht voor jeugdcriminaliteit en “… bestaat [er] een nauw verband tussen de beelden die media over jeugd produceren en de beelden van de bevolking” (Althoff, 2005, p. 264). Uit een analyse door Estrada (2001) van de berichtgeving over jeugdcriminaliteit in Zweden in de periode 1950-1994 bleek dat tot 1980 dagbladen vrij weinig schreven over jongeren en criminaliteit. De berichten die wel verschenen, gingen over vermogenscriminaliteit. Toen de officiële cijfers hierover daalden, verdween ook de berichtgeving. Na 1980 begon de geregistreerde geweldscriminaliteit te stijgen en nam ook de berichtgeving toe. Jonge verdachten werden begin jaren tachtig vooral neergezet als probleemkinderen met een moeilijke thuissituatie. De oorzaak van hun criminele gedrag lag buiten de jongere. Vanaf 1986, toen de geregistreerde geweldscriminaliteit onder jeugdigen in Zweden omhoogschoot, werden jeugdige wetsovertreders steeds meer afgeschilderd als onvoorspelbare en koelbloedige “super predators”. Zij werden individuen die ervoor kiezen om delicten te plegen in plaats van dat zij in de criminaliteit verzeild raakten door hun thuissituatie of andere externe factoren. Volgens Estrada sloeg met dit veranderde beeld in de media ook de houding van de samenleving ten aanzien van deze jongeren om. Uit deze Zweedse media-analyse komt een duidelijke omslag in zowel cijfers als beeldvorming naar voren. Moeten we hieruit nu concluderen dat de media vooral een tamelijk getrouwe afspiegeling van de officiële cijfers vormen? Als dit het geval is, dan betekent dit een bevestiging van de verergeringstheorie.

In Canada onderzochten Doob & Sprott (1998) in hoeverre het beeld, dat geweldsdelicten steeds ernstiger werden, in overeenstemming was met de geweldsincidenten zoals die beschreven stonden in strafdossiers. Zij stelden vast dat de (algemene) stijging in geregistreerde geweldsincidenten onder jongeren en jongvolwassenen gedurende de jaren 1990- 1995 vooral kwam door een (specifieke) toename in het aantal lichte geweldsincidenten en juist niet in de zwaardere categorie. Dat pleit tegen de verergeringstheorie. Voor de toename van lichte geweldsincidenten in de officiële criminaliteitscijfers zien de Canadese onderzoekers als mogelijke verklaring dat het zerotolerance beleid ten aanzien van geweld op scholen ervoor heeft gezorgd dat steeds vaker aangifte wordt gedaan van lichte geweldsincidenten, die voorheen niet in de politiestatistieken terechtkwamen. Dit zou ook kunnen verklaren dat in Canada bij meisjes eveneens een stijging te zien was voor de lichte gevallen van geweld. Zo beschouwd spreekt de Canadese analyse vooral in het voordeel van de kattenkwaadtheorie.
Hiertegenover stelt de eveneens Canadese onderzoeker Gabor (1999) de mogelijkheid dat de ‘jeugd van tegenwoordig’ een hogere tolerantiegrens heeft als het aankomt op gewelddadigheid, zowel wat betreft gedrag als ‘harde beelden’ in bijvoorbeeld in videogames en grove taal. Wellicht wordt wat door vorige generaties en in het wetboek verstaan wordt onder belediging, door een nieuwe generatie jongeren minder zwaar beoordeeld en zijn zij minder snel dan voorheen geneigd om hiervan aangifte te doen. Indien de tolerantiegrens bij jongeren daadwerkelijk hoger is geworden, dan maakt dit de verergeringstheorie wel aannemelijk, althans voor geweld tussen jongeren onderling.[iii] Of is er sprake van elkaar bevestigende en versterkende fenomenen? Dan zou dit meer pleiten voor de kattenkwaadtheorie en mogelijk ook voor de strafverzwaringstheorie.

Inflatie van geweld
In haar proefschrift zocht Egelkamp (2002) naar een verklaring voor de toename in geregistreerde geweldscriminaliteit. In haar onderzoek, uitmondend in een Duitstalig proefschrift, ging zij na of bij de Nederlandse politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de Rechterlijke Macht (RM) een verschuiving in de kwalificatie van geweldsmisdrijven, gepleegd door volwassenen, heeft plaatsgevonden. Zij analyseerde daarvoor strafdossiers van twee arrondissementen ter zake geweldsmisdrijven uit 1986 en 1996.
Op basis van wat zij aantrof in de strafdossiers, maakte Egelkamp door middel van inhoudsanalyse allereerst een onderscheid in drie categorieën: lichte, middenzware en zware handelingen (Tathandlungen) van de dader (verdachte). Daarnaast betrok zij de gevolgen (Tatfolgen) voor het slachtoffer (ernst van lichamelijk letsel, schade aan object), aangezien deze in het geval van geweld van belang zijn voor de juridische kwalificatie. Deze deelde zij als volgt in: niet noemenswaardig, licht (bijvoorbeeld alleen blauwe plek), middenzwaar en zwaar. Niet elke ernstcategorie kwam voor en in haar analyse voegde Egelkamp de eerste twee (niet noemenswaardige en lichte gevolgen) samen. Zij liet echter ook zien dat zware mishandeling soms geen noemenswaardig letsel tot gevolg had (Egelkamp, 2002, p. 131).

Bij de kwalificatie van geweldsmisdrijven vond Egelkamp significante verschillen tussen de jaren 1986 en 1996. Verschuivingen in de kwalificatie van geweldsmisdrijven hadden zich bijvoorbeeld voorgedaan bij mishandeling. Ook aan het delictsbestanddeel ‘lichamelijk letsel’ en ‘zwaar lichamelijk letsel’ werden in 1996 minder hoge eisen gesteld dan in 1986. Als ernstig letsel was toegebracht leidde dit in 1996 steeds tot een vervolging voor poging doodslag. Egelkamp concludeerde dat in 1996 vergelijkbare handelingen met vergelijkbare gevolgen voor het slachtoffer zwaarder werden gekwalificeerd dan in 1986. Deze bevindingen zijn in overstemming met de kattenkwaadtheorie.

De resultaten van het onderzoek van Egelkamp sluiten tevens aan bij de strafverzwaringstheorie, want ook wat betreft de sancties verschilden de afhandeling door het OM en de rechtbank tussen beide jaren. Het OM seponeerde in 1996 minder vaak dan in 1986. Bovendien werd in 1996 meer gedagvaard en getransigeerd. Op grond van de zwaardere kwalificaties werden vergelijkbare handelingen in 1996 bovendien zwaarder bestraft dan in 1986.
Haar onderzoeksbevindingen overziend, komt Egelkamp tot de conclusie dat de relatieve toename van het aantal lichte gevallen dat als geweldsmisdrijf wordt gekwalificeerd alleen te verklaren is vanuit een toegenomen bereidheid van slachtoffers en de politie om ook van lichtere gevallen aangifte te doen en proces-verbaal op te maken. Dankzij deze ontwikkeling wordt een deel van de ‘verborgen geweldscriminaliteit’ aan het licht gebracht, stijgt de geregistreerde geweldscriminaliteit en ontstaat ten onrechte het beeld dat de totale geweldscriminaliteit toeneemt. Daarmee ontkracht Egelkamp de verergeringstheorie. Aangezien echter steeds meer handelingen als geweld worden getypeerd, het geweldsbegrip juridisch is verbreed, de delictsbestanddelen ruimer worden uitgelegd en geweldsmisdrijven zwaarder worden gekwalificeerd, stelt zij dat er feitelijk sprake is van een inflatie van geweld.

Ontwikkelingen in het (jeugd)strafrecht
Het strafrecht is voortdurend in beweging. Dat geldt zowel voor beleid en wet- en regelgeving, als voor de rechtspraktijk en de jurisprudentie. Reeds in 1997 stelde de gezaghebbende Nederlandse criminologe Junger-Tas dat de toenemende aandacht voor jeugdcriminaliteit ervoor zorgde dat
… veel minder zaken dan in het recente verleden gebruikelijk was informeel afgedaan worden via een politie-sepot of een sepot van de officier van justitie (bijvoorbeeld een standje en naar huis sturen)” (Junger-Tas, 1997, p. 114).

Analyse van de literatuur en jurisprudentie laat onder andere zien dat het aanbrengen van graffiti tegenwoordig wordt gerekend tot ‘openlijke geweldpleging’ (tegen goederen, art. 141 Sr; zie bijv. Rechtbank Amsterdam 27 juni 2008, LJN BD6519) en soms zelfs kan vallen onder ‘deelnemen aan een criminele organisatie’ (art. 140 Sr; zie bijvoorbeeld Rechtbank ’s-Gravenhage 28 mei 2004, LJN AP0265).

Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen en hypothesen
Achter de delictscategorieën met de (tot voor enkele jaren) sterkste stijging in geregistreerde jeugdcriminaliteit (delicten tegen de openbare orde en geweldsdelicten) gaat een veelvoud aan handelingen schuil. Doel van het onderzoek is allereerst in kaart te brengen welke concrete handelingen zich – binnen deze delictscategorieën – voordoen. Dit ten einde vervolgens te onderzoeken of – en zo ja, in hoeverre – dergelijke incidenten anders (bijvoorbeeld zwaarder) dan voorheen worden gekwalificeerd door politie, OM en rechter. De aard en mate van veranderingen in kwalificatie van soortgelijke handelingen verklaren mogelijk ook (een deel van) de stijging binnen bepaalde delictscategorieën. Daarom is het van belang te onderzoeken of soortgelijke incidenten anders worden gesanctioneerd dan voorheen.

Vanuit deze doelstelling komen we op de volgende probleemstelling.
Welke concrete handelingen – binnen de delictscategorieën openbare ordedelicten en geweldsdelicten – plegen jeugdigen? Zijn dat andere handelingen dan tien jaar geleden? Worden vergelijkbare incidenten nu anders gekwalificeerd en/of bestraft dan tien jaar geleden?

Deze probleemstelling laat zich vertalen in de volgende onderzoeksvragen.
1a. Welke concrete handelingen plegen jeugdige verdachten, in wier zaak openbare orde delicten of geweldsdelicten ten laste zijn gelegd, nu en 10 jaar geleden?
1b. Zijn dat andere handelingen dan 10 jaar geleden?
2a. Welke sancties kregen deze verdachten opgelegd, nu en 10 jaar geleden? Welke zaken werden geseponeerd? Op welke grond?
2b. Zijn dat andere sancties dan 10 jaar geleden?
3. Worden dezelfde incidenten nu anders gekwalificeerd dan 10 jaar geleden? Zo ja, welke verschillen doen zich voor?
4. Worden voor dezelfde incidenten nu andere sancties opgelegd dan 10 jaar geleden? Zo ja, welke verschillen doen zich voor?
5. In hoeverre kunnen veranderingen in de omvang van de geregistreerde jeugdcriminaliteit worden verklaard uit het verschil in kwalificatie van delicten door politie, Openbaar Ministerie (OM) en Rechterlijke Macht (RM)?[iv]

Dit roept de vraag op of deze gedraging voorheen op dezelfde wijze werd bejegend als tegenwoordig, of toen – voor zover het überhaupt bij het OM terechtkwam – bijvoorbeeld viel onder de kwalificatie ‘vernieling’ (art. 350 Sr).

Uit het eerdergenoemde onderzoek van Egelkamp (2002) bleek dat in 1996 vergelijkbare handelingen met vergelijkbare gevolgen voor het slachtoffer door de politie zwaarder werden gekwalificeerd dan in 1986. Het OM seponeerde in 1996 minder vaak dan in 1986. Bovendien werden – door de zwaardere kwalificaties – vergelijkbare handelingen in 1996 door de rechter zwaarder bestraft dan in 1986. Een belangrijke vraag is of deze bevindingen ook van toepassing zijn voor een recentere periode (1999-2008) en voor jeugdigen (12-24 jaar; Egelkamp onderzocht de leeftijdsgroep 21 jaar en ouder). Daartoe formuleren we voor ons onderzoek met betrekking tot openbare orde en geweldsdelicten door jeugdigen de volgende hypothesen:
1. Vergelijkbare handelingen met vergelijkbare gevolgen voor het slachtoffer werden in 2008 door de politie, OM en RM zwaarder gekwalificeerd dan in 1999.
2. Het OM seponeerde in 2008 minder vaak dan in 1999.
3. Vergelijkbare handelingen werden in 2008 door de rechter zwaarder bestraft dan in 1999.

Alle drie hypothesen hebben betrekking op de strafverzwaringstheorie. De eerste hypothese vormt een nadere uitwerking van de derde onderzoeksvraag. De tweede en derde hypothese zijn een specificatie van de vierde onderzoeksvraag.

Begrippen
De onderzoeksvragen bevatten enkele begrippen en hieruit vloeien soms andere begrippen voort. Hieronder worden deze kort omschreven.
Delict: gedraging zoals omschreven en strafbaar gesteld in een wetsartikel (bijvoorbeeld art. 300 Sr).
Delictcategorie: verzameling van delicten (bijvoorbeeld ‘misdrijven tegen de openbare orde’, ‘geweld tegen personen’), onder te verdelen in delict-subcategorieën.
Handelingen: concrete (strafbare, strafrechtelijk relevante) gedragingen van de dader (verdachte) en de concrete, directe gevolgen daarvan (letsel, schade).
Incident: samenstel van handelingen (incl. gevolgen) van één of meerdere verdachten.
Jeugdigen: personen in de leeftijd 12 tot en met 24 jaar.
Kwalificatie: het rangschikken van een handeling/incident onder een strafbepaling (delict of delictscategorie) door politie, OM en RM.
Sanctie: aard van de afdoening door OM (inclusief sepot) of RM.

Opzet in grote lijnen
Empirisch startpunt van het onderzoek zijn strafdossiers uit 1999 en 2008 die bij het OM zijn binnengekomen, zodat niet alleen de zaken die aan de rechter zijn voorgelegd kunnen worden geanalyseerd, maar ook de zaken die door het OM zijn geseponeerd of getransigeerd. Bij de bestudering van zowel de kwalificatie als de sanctionering van incidenten hanteren we steeds twee uitgangspunten: de delict categorie en de handeling. Bij de eerste stellen we de vraag: bevat een vergelijkbare delictscategorie in 1999 en 2008 soortgelijke handelingen met soortgelijke sancties? Bij de tweede luidt de vraag: ontvangen soortgelijke handelingen in 1999 en 2008 vergelijkbare delictskwalificaties en sancties?
In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksopzet verder uitgewerkt. Hoofdstuk 3 bevat een korte schets van de kenmerken van de verdachten in de bestudeerde dossiers. In hoofdstuk 4 worden de concrete handelingen beschreven waarvan de jeugdigen werden verdacht. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de kwalificatie van deze handelingen en hoofdstuk 6 gaat over de (veranderingen in) afdoening, vonnis en sanctie. In hoofdstuk 7 worden de empirische bevindingen met betrekking tot de onderzoeksvragen en de hypothesen samengebracht en tegen het licht gehouden van ontwikkelingen in beleid en jurisprudentie. Aansluitend worden de drie theorieën kritisch besproken. Ten slotte worden in hoofdstuk 8 de belangrijkste bevindingen samengevat.

Noten
i. Voor de groep 18-24-jarigen kwamen hier verkeersdelicten bij.
ii. Cijfers over 2000 t/m 2004 bij benadering, namelijk op basis van gemiddelde van de op hele getallen afgeronde cijfers voor elke leeftijd binnen de betreffende categorie (Eggen & Kalidien, 2008, Tabel 4.10, p. 413). Cijfers over 2005 t/m 2009 uit Tabel 4.11, p. 382 (Kalidien & de Heer – de Lange, 2011).
iii. Toename in geregistreerde criminaliteit zou daarnaast (ook) een gevolg kunnen zijn van het belang voor de politie om meer te registreren, bijvoorbeeld omdat de beschikbaar gestelde financiële middelen (mede)n afhangen en van de criminaliteitscijfers.
iv. Jurisprudentie onder andere via Rechtspraak.nl. Deze website bevat rechterlijke uitspraken vanaf 1999.

LITERATUUR
Althoff, M. (2005). Het beeld van de jeugd als criminaliteits- en veiligheidsprobleem. Een discours theoretische verklaring. Pedagogiek, 25 (4) pp, 262-278.
Brouwers, M. & Eggen, A.Th.J. (2011) Vervolging. In: Kalidien, S.N. & de Heer – de Lange, N.E. (red.) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 298), pp.121-138.
Buruma, Y. (2005). De dreigingsspiraal. Onbedoelde neveneffecten van misdaadbestrijding. Den Haag: Boom Juridische uitgevers
Butts, J. & Travis, J. (2002). The rise and fall of American youth violence: 1980 to 2000. Washington: The Urban Institute Justice Policy Center
Commissie kleine criminaliteit (1984). Interimrapport van de Commissie kleine criminaliteit. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Commissie kleine criminaliteit (1986). Eindrapport Commissie kleine criminaliteit. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Doob, A.N. & Sprott, J.B. (1998). Is the “quality” of youth violence becoming more serious? Canadian Journal of Criminology, 40 (2), pp. 185-194
Egelkamp, M.M. (2002) Inflation von Gewalt? Strafrechtliche und kriminologische Analysen von Qualifikationsentscheidungen in den Niederlanden und Deutschland. Groningen: University of Groningen.
Eggen, A.Th.J. & Kalidien, S.N. (red.) (2008) Criminaliteit en rechtshandhaving 2007. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 271)
Eggen, A.Th.J. & Kessels, R.J. (2011) Criminaliteit en opsporing. In: Kalidien, S.N. & de Heer – de Lange, N.E. (red.) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en beleid, nr. 298), pp.83-117.
Estrada, F. (2001). Juvenile violence as a social problem; Trends, media attention and societal response. British Journal of Criminology, 41 (4), pp. 639-655.
Flight, S. & Abraham, M. (2011) Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Amsterdam: DSP-groep.
Gabor, T. (1999). Trends in youth crime; Some evidence pointing to increases in the severity and volume on the part of young people. Canadian Journal of Criminology, 41 (3), pp. 385-392.
Goudriaan, H. & Eggen, A.Th.J. (2009). Verdachten van criminaliteit. In: S.N. Kalidien en A.Th.J. Eggen (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008: Ontwikkelingen en samenhang, p. 101-130, Den Haag, Boom Juridische uitgevers. Onderzoek en beleid 279.
Heer-de Lange, N.E. de (2009). Berechting. In: S.N. Kaliden en A.Th. Eggen (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008: Ontwikkelingen en samenhang, p. 153-174, Den Haag, Boom Juridische uitgevers. Onderzoek en beleid 279.
Junger-Tas, J. (1997) Geweld onder jongeren. In: K. Schuyt (red.), Het sociaal tekort: Veertien sociale problemen in Nederland. Amsterdam: De Balie, pp. 112-126.
Kalidien, S.N. & Heer – de Lange, N.E. de (red.) (2011) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Den Haag: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 298) 122
Laan, A.M. van der, Blom, M., Tollenaar, N. & Kea, R. (2010). Trends in de geregistreerde jeugdcriminaliteit onder 12- tot en met 24-jarigen in de periode 1996-2007. Den Haag: WODC (Cahier 2010-2).
Laan, A.M. van der & Blom, M. (2011). Meer jeugdige verdachten, maar waarom? Een studie naar de relatie tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de veranderingen in het aantal jeugdige verdachten van een misdrijf in de periode 1997-2007. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers. (WODC, Onderzoek en beleid, nr. 292).
Nabben, T., Doekhie, J. & Korf, D.J. (2010) Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Ruller, S. van (2001) Sancties. In: E. Lissenberg, S. van Ruller & R. van Swaaningen (red.) Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie. Nijmegen: Ars Aequie Libri, pp. 387-412.
Spaans, E.C. (1995) Werken of zitten. Toepassing van werkstraffen en korte vrijheidsstraffen in 1992. Arnhem: Gouda Quint (WODC 144).
Weijers, I. (2008). Het gaat niet slecht met de Nederlandse jeugd. Justitiële verkenningen, 34 (8), pp. 38-48.
Wittebrood, K. & Nieuwbeerta (2006) Een kwart eeuw stijging in de geregistreerde criminaliteit. Vooral meer registratie, nauwelijks meer criminaliteit. Tijdschrift voor Criminologie, 48(3), p. 227-242.
Zimring, F. (1998a). The youth violence epidemic: myth of reality? Wake Forest Law Review, 33, pp. 727-744.
Zimring, F. (1998b). American Youth Violence. New York: Oxford Press.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 11 + 10 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent articles

  • Rozenberg Quarterly categories