Minder ernstig – Vaker gestraft ~ Methode

No comments yet

PotholesGraffitiDe empirische basis voor dit onderzoek wordt gevormd door 600 strafdossiers die bij het Openbaar Ministerie (OM) zijn binnengekomen, zodat niet alleen de zaken die aan de rechter zijn voorgelegd kunnen worden geanalyseerd, maar ook de zaken die door het OM zijn geseponeerd of getransigeerd. Daarnaast kan deels teruggekeken worden naar wat de politie over deze zaken noteerde.[i]

In dit hoofdstuk beschrijven we eerst hoe de steekproef van strafdossiers is getrokken en welke selectie hierbij gemaakt werd. Vervolgens wordt de procedure uitgewerkt die we hanteerden bij het in kaart brengen van relevante informatie in de dossiers. Daarna schetsen we in het kort het verloop van het dossieronderzoek. Aansluitend wordt uitgelegd hoe de (voor dit onderzoek relevante) handelingen van verdachten zijn genoteerd en vervolgens gecategoriseerd in de vorm van vignetten, waarbij tevens wordt toegelicht hoe hierbij een verdeling is gemaakt naar lichte, matige en zwaardere gevolgen in de vorm van letsel of schade. Aangezien voor een vergelijking tussen 1999 en 2008 de steekproef niet voldoende vergelijkbare handelingen opleverde is een extra steekproef van 200 strafdossiers meegenomen in het onderzoek. De hierbij gehanteerde selectieprocedure wordt uitgelegd. Tegen het eind van dit hoofdstuk wordt de statistische analyse toegelicht. Afsluitend wordt besproken hoe een focusgroepgesprek met experts uit het vakgebied is gevoerd.

Tabel 2.1 Aantal dossiers OM naar arrondissement, leeftijdscategorie, jaar en CBS-categorie

Tabel 2.1 Aantal dossiers OM naar arrondissement, leeftijdscategorie, jaar en CBS-categorie

Steekproef
De basissteekproef bestaat uit 600 strafdossiers van jeugdige verdachten, verdeeld over de CBS-categorieën Bedreiging, Mishandeling, Openbaar Gezag, Openbare Orde en Vernieling, de leeftijdscategorieën 12-17-jarigen en 18-24-jarigen, en de jaren 1999 en 2008.
Voor deze categorieën is gekozen omdat eerder een stijging in jeugdcriminaliteit bij beide leeftijdscategorieën was gesignaleerd (zie Hoofdstuk 1). Voor de jaren 1999 en 2008 is gekozen omdat voor recentere jaren de afdoening nog niet altijd bekend was en voor oudere jaren informatie moeilijker beschikbaar is.[ii]
Het was ondoenlijk om de steekproef te verdelen over alle 19 arrondissementsparketten van het OM in Nederland. Om toch een zekere mate van landelijke representativiteit en variatie te verkrijgen, is ervoor gekozen het onderzoek uit te voeren in de parketten Amsterdam (stedelijk gebied) en ‘s-Hertogenbosch (meer landelijk gebied). Deze keuze is o.a. gemaakt op basis van het aantal beschikbare dossiers per arrondissement. Tezamen vormen deze twee parketten een redelijke afspiegeling van de landelijke situatie.
Het totaal aantal beschikbare dossiers van jeugdige verdachten in de vijf CBS-categorieën in ’s-Hertogenbosch en Amsterdam bedraagt 8.890, waaronder 3.096 uit 1999 en 5.794 uit 2008. Zie Tabel 2.1 voor meer gedetailleerde aantallen.

CBS-delictscategorieën bestaan uit een verzameling van verschillende wetsartikelen (zie Bijlage A voor een uitgebreid overzicht). Sommige wetsartikelen komen binnen de 8.890 dossiers niet of nauwelijks voor en zijn daarom buiten beschouwing gelaten. In Tabel 2.2 zijn de wetsartikelen die wegens kleine aantallen niet zijn meegenomen cursief gedrukt. Wetsartikelen die helemaal niet voorkomen worden niet genoemd. In de CBS-categorie Openbaar Gezag zijn de wetsartikelen valse aangifte (art. 188 Sr) en ongewenste vreemdelingen (art. 197 Sr), naast wegens relatief beperkte aantallen, ook buiten beschouwing gelaten omdat bij deze delicten nauwelijks concrete handelingen en gevolgen kunnen worden onderscheiden. Met de exclusie van deze wetsartikelen zijn in totaal 176 dossiers (2.0% van 8.890) bij het trekken van de steekproef buiten beschouwing gelaten.

Tabel 2.2 Wetsartikelen in dossiers OM jeugdige verdachten ’s-Hertogenbosch en Amsterdam

Tabel 2.2 Wetsartikelen in dossiers OM jeugdige verdachten ’s-Hertogenbosch en Amsterdam

Om praktische reden zijn daarnaast ook dossiers buiten beschouwing gelaten met meer dan drie strafbare feiten. Omdat alle strafbare feiten in een dossiers meetellen in een eventuele strafmaat, kan er niet zomaar voor gekozen worden om bijvoorbeeld alleen het zwaarste strafbare feit mee te nemen in de analyse. Het zou echter ook ondoenlijk zijn om alle strafbare feiten (soms meer dan 10) mee te nemen. Daarom is een pragmatische keuze gemaakt voor dossiers met maximaal drie strafbare feiten. Hiermee zijn 179 dossiers (2.0% van 8.890) buiten beschouwing gelaten. Zie pagina 19 voor meer uitgebreide informatie over meerdere strafbare feiten in een dossier.

Tot slot vallen ook dossiers die zijn overgedragen aan een ander parket buiten de steekproef (164 dossiers, 1.8% van 8.890). Door de exclusie van bepaalde wetsartikelen, dossiers met meer dan drie strafbare feiten en overdrachten naar andere parketten komt het aantal dossiers voor de steekproeftrekking op 8.378, 94% van de oorspronkelijke 8.890. Hieruit is een steekproef van 600 dossiers getrokken (Tabel 2.3). Deze steekproef is evenredig verdeeld over de twee arrondissementen, leeftijdscategorieën en jaartallen. Wel zijn van CBS-categorieën die vaker voorkomen ook meer dossiers getrokken.[iii]

Tabel 2.2 Wetsartikelen in dossiers OM jeugdige verdachten ’s-Hertogenbosch en Amsterdam - VERVOLG

Tabel 2.2 Wetsartikelen in dossiers OM jeugdige verdachten ’s-Hertogenbosch en Amsterdam – VERVOLG

Checklist
Voor de dossierstudie is een checklist ontworpen waarin op systematische wijze relevante componenten van het delict konden worden genoteerd. De checklist bestond uit deels voorgecodeerde, deels open antwoordmogelijkheden en bevatte de volgende onderdelen:
Verdachte: Geslacht, geboortedatum, geboorteland, nationaliteit, woonsituatie, school of studie, betaald werk, stoornissen/problematiek en recidive.
Bedreiging: Individueel of openbaar, welk medium, aan wie of wat gericht, inhoud, fysieke dreiging met geweld tegen personen, fysieke dreiging met een wapen, fysieke dreiging met geweld tegen objecten.
Geweld tegen personen: Tegen wie gericht, vormen van fysiek geweld (duwen, slaan, schoppen, etc.), wapengebruik.
Slachtoffer: Geslacht, geboortejaar, burger, gezagdrager of dienstverlener, aard letsel, gevolg en duur letsel.
Vernieling: Beschrijving object, wijze en aard van beschadiging/vernieling, schadebedrag.

Tabel 2.3 Steekproef van dossiers OM naar arrondissement, leeftijdscategorie, jaar en CBS-categorie

Tabel 2.3 Steekproef van dossiers OM naar arrondissement, leeftijdscategorie, jaar en CBS-categorie

Overige bijzonderheden: Andere relevante handelingen, samen of alleen, context, aanleiding, invloed alcohol/drugs, wederzijds geweld en/of verwonding verdachte, onduidelijkheid rond gebeurtenissen.
Kwalificatie, afdoening en vonnis: Kwalificatie politie, kwalificatie OM, afdoening OM, jeugd- of volwassenenrechter, vonnis rechter, kwalificatie rechter.
Sanctie: Duur of hoogte (voorwaardelijk en onvoorwaardelijk) vrijheidsstraf, taakstraf, leerstraf, PIJ/TBS, OTS, boete, schadevergoeding of anders.

Elke checklist werd afgesloten met een synopsis: een beschrijving in woorden van de handelingen en de gevolgen daarvan. Elke synopsis kreeg ook een uniek nummer. Bijvoorbeeld:

Verdachte en haar vriendinnen denken dat ze uitgescholden zijn door het slachtoffer en zijn vriendengroep. Wanneer verdachte en vriendinnen het slachtoffer later tegenkomen, schoppen verdachte en een vriendin tegen zijn fiets. Schade fiets: verlichting kapot, slag in voor en achterwiel. Een andere vriendin slaat het slachtoffer met de vuist in het gezicht en duwt hem tegen de muur. Het slachtoffer raakt bewusteloos. Letsel: blauwe neus en blauw oog. Doktersbezoek wijst op een flinke kneuzing van de neus. [uniek nummer: 388]

Verloop dossieronderzoek
Nadat de onderzoekers formeel toestemming hadden verkregen van het college van procureurs-generaal en de twee parketten voor inzage in de dossiers, verliep het dossieronderzoek over het algemeen goed. Een aantal dingen viel op. Ten eerste bleken de dossiers uit 1999 meer documenten te bevatten dan die uit 2008. Meer papierwerk betekende ook meer zoekwerk. Zo was het vinden van de thuis- of schoolsituatie van een verdachte uit 1999 soms heel lastig. De dossiers uit 2008 bleken ook efficiënter samengesteld te zijn. Het (verslag van het) verhoor van de verdachte begint bijvoorbeeld steeds met dezelfde vragen: Waar woon je? Zit je op school? Heb je werk? Dit scheelde een hoop zoekwerk. Daarnaast bevatten dossiers uit 2008 vaker foto’s van bijvoorbeeld het letsel van het slachtoffer of de graffiti die op een muur was gespoten. Ook was in deze dossiers altijd een kopie van het legitimatiebewijs van de verdachte(n) te vinden. Deze kopie zat er niet standaard bij in de dossiers uit 1999.

We kregen snel en gemakkelijk toegang tot de dossiers in Den Bosch. Er was in principe elke dag plek voor de onderzoekers en we kregen een bureau ter beschikking dat letterlijk naast het archief stond. Dit betekende dat dossiers snel uit de schappen konden worden gehaald en deze niet formeel (zoals in Amsterdam) steeds moesten worden aangevraagd. De toegang in Amsterdam verliep iets stroever. De contactpersoon aldaar was zeer behulpzaam, maar moest elk dossier afzonderlijk opvragen en weer met desbetreffend formulier terugsturen naar het archief, dat elders in Amsterdam gevestigd is. Vervolgens moest elk gearriveerd dossier weer eerst door haar handen.
Het meest lastige (vooral in Amsterdam) was dat een deel van de dossiers niet vindbaar was in het archief. Deze dossiers lagen dan waarschijnlijk bij een andere partij, met als gevolg dat deze dossiers vervangen moesten worden door reserves uit onze steekproeflijst (weer aanvragen, papierwerk, wachten op dossier uit archief).

Dossiers, incidenten, feiten, checklists en synopsissen
Een strafdossier handelt niet altijd over een enkel delict, maar beslaat vaak meerdere strafbare feiten. Dit kan twee redenen hebben:
1. iemand wordt ervan verdacht bij meerdere incidenten (op verschillende dagen/tijden) een wetsartikel te hebben overtreden, of
2. iemand wordt ervan verdacht bij een enkel incident meerdere wetsartikelen te hebben overtreden.[iv] Combinaties hiervan zijn ook mogelijk.

Dossiers die meerdere strafbare feiten beslaan, worden ingedeeld in een CBS-categorie aan de hand van het zwaarste strafbare feit. De overige strafbare feiten, al dan niet van hetzelfde incident, kunnen tot dezelfde categorie behoren, maar net zo goed tot een andere categorie of zelfs buiten het Wetboek van Strafrecht vallen (bijvoorbeeld Wegenverkeerswet, Wet wapens en munitie, Algemene Plaatselijke Verordening). Bijvoorbeeld:
Verdachte probeert langs een alcoholcontrole te rijden op een bromfiets terwijl hij te veel heeft gedronken en niet in het bezit is van een rijbewijs. Als een agent hem aanhoudt, verzet hij zich door zijn arm stijf te houden terwijl de agent hem wil boeien. Onderwijl scheldt hij onophoudelijk “kankerhomo’s”. Als verdachte bij fouillering wordt gevraagd of hij iets scherps in zijn zakken heeft, zegt hij dat hij vijf messen heeft en ze zo neersteekt. [63]

Het OM heeft aan dit incident niet alleen het Openbare Orde delict wederspannigheid (art. 180 Sr) toegekend, maar ook belediging van een ambtenaar in functie (art. 267 Sr) en rijden onder invloed (art. 8 Wvw). Het eerstgenoemde delict geldt als het zwaarste strafbare feit en op basis daarvan valt dit dossier in de CBS-categorie Openbare Orde.

In bovenstaand voorbeeld is in verband met de focus op bepaalde delicten uitsluitend de wederspannigheid relevant voor dit onderzoek. In het volgende overzicht geldt dit dus als een dossier met één relevant incident en één relevant strafbaar feit.

Het grootste deel van de 600 dossiers, namelijk 534 stuks, heeft betrekking op één relevant incident en één relevant strafbaar feit. Van elk van deze dossiers is één checklist ingevuld en één synopsis gemaakt.
Andere dossiers hebben ook betrekking op één relevant incident, maar met meerdere relevante strafbare feiten. Bij 44 dossiers was sprake van twee strafbare feiten en bij 5 dossiers waren dat er drie. Van de gezamenlijke strafbare feiten van een incident is één checklist ingevuld en de handelingen en gevolgen zijn beschreven in één synopsis. Dit is gedaan omdat deze strafbare feiten niet afzonderlijk van elkaar gezien kunnen worden, zoals het volgende voorbeeld illustreert:
Verdachte hangt regelmatig in een snackbar waar hij het personeel intimideert. Op een avond schreeuwt hij agressief dat hij een kipburger wil. Als de snackbarhouder, zegt dat hij even moet wachten gooit verdachte twee keramieken plantenbakken stuk en gooit een rek met ijshoorntjes omver. De metgezel van verdachte legt geld neer voor een kipburger en vraagt om een whisky-cola. Die krijgt verdachte, maar als de snackbarhouder zich omdraait gooit verdachte het blikje tegen zijn rug. Als het slachtoffer vraagt waar dat voor nodig is bedreigt verdachte het slachtoffer met de dood en pakt een slabak uit de saladebar en dreigt deze naar het slachtoffer te gooien. Ook suggereert verdachte dat hij een wapen in zijn binnenzak heeft en bedreigt hij het personeel dat hij hen zal opwachten. Als het slachtoffer de politie belt, vertrekt verdachte met zijn metgezel. [176]

Het OM heeft deze verdachte gedagvaard voor drie strafbare feiten, namelijk mishandeling (art. 300 Sr), bedreiging (art. 285 Sr) en vernieling (art. 350 Sr). Het dossier valt onder de CBS-categorie Mishandeling.

Minder ernstig - Vaker gestraft-page-021

Tabel 2.4. Aantallen dossiers, checklists en synopsissen

De resterende 17 dossiers hebben betrekking op meerdere relevante incidenten (15x twee incidenten, 2x drie incidenten), met elk één relevant strafbaar feit. De verschillende incidenten in een dossier kunnen (afgezien van dezelfde verdachte) los staan van elkaar.

Verdachte fietste met twee vrienden op de stoep. Toen hij een vrouw passeerde, kon hij er niet goed langs en kwam hij tegen een paaltje. Hij is daar boos om geworden en heeft zijn fiets tegen het been van de vrouw gegooid. Ze bleven daarna achter het slachtoffer aanlopen en zij is nog een keer getrapt. Het slachtoffer heeft pijn aan haar been. [360]

Dezelfde verdachte was op een andere dag buiten met vrienden stenen aan het gooien in de richting van een andere vriendengroep. Die groep gooide ook naar hen. Verdachte gooide een steen op het moment dat er een auto langskwam. De steen heeft de linker ruit vernield en kwam tegen het hoofd van de bestuurder. Het slachtoffer heeft enkele sneetjes in zijn gezicht. [361]

In andere dossiers zijn de incidenten meer aan elkaar gerelateerd. Bijvoorbeeld wanneer de ene vechtpartij leidt tot een andere, wanneer de verdachte zich verzet bij aanhouding voor bijvoorbeeld een mishandeling, of zoals in het volgende voorbeeld.

Zonder duidelijke aanleiding heeft verdachte een schoolgenoot op straat een duw gegeven, tegen de benen geschopt en tegen het hoofd geslagen. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer een schram bij haar oog. Een vriendin van het slachtoffer riep dat verdachte op moest houden en kreeg toen ook een schop. De sleutels van het slachtoffer waren op de grond gevallen en verdachte heeft die tegen haar buik gegooid. [240]

In de hierop volgende periode heeft verdachte het slachtoffer op verschillende momenten bedreigd omdat het slachtoffer aangifte had gedaan van de mishandeling door verdachte. Verdachte zou tegen haar hebben gezegd een mes in haar nek te steken, haar ramen te vernielen en haar kop tegen de stenen te slaan en dat ze nog niet klaar was met haar. [241]

Deze incidenten en feiten zijn in afzonderlijke checklists en synopsissen beschreven. De 600 dossiers hebben daarom geresulteerd in 619 checklists en synopsissen (Tabel 2.4).

Tabel 2.5 Overzicht vignetten

Tabel 2.5 Overzicht vignetten

Vignetten
Tijdens de dossieranalyse werd elke checklist afgesloten met een synopsis van de voor dit onderzoek relevante gedragingen en de eventuele gevolgen voor (het) slachtoffer(s). Op basis van een inhoudsanalyse van de eerste 300 checklists werden aanvankelijk 19 soorten vignetten opgesteld, verdeeld over vijf categorieën. Daarbij werd rekening gehouden met (in principe) strafrechtelijk relevante specificaties. Zo werd bij de vignetten over bedreiging een onderscheid gemaakt tussen bedreiging van gezagdragers (vrijwel altijd politie), dienstverleners en burgers. En bij de vignetten over mishandeling werd een onderscheid gemaakt naar de ernst van het letsel. Elk vignet bevat een korte omschrijving van de gedragingen en daarnaast eventueel van de ernst van het letsel (Tabel 2.5).

Elke synopsis is eerst – zonder voorkennis van de strafrechtelijke categorie waarbinnen het dossier viel – door twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar gescoord met een 4-cijferige code: de eerste twee cijfers voor de vignetnaam, het derde cijfer voor de eventuele schade en het vierde cijfer voor het eventuele letsel.[v] Per onderzoeker leverde dit vaak één score (één soort handeling) per synopsis op, maar regelmatig ook twee en heel af en toe drie scores (meerdere soorten handelingen). Twee derde van de scores (65.6%) waren gelijk. Vervolgens werden de onderling afwijkende scores door de onderzoekers nogmaals onafhankelijk van elkaar bekeken en zo nodig gecorrigeerd. Hierdoor steeg het aandeel gelijke scores naar driekwart (75.6%). Ten slotte werden de resterende onderling afwijkende scores gezamenlijk beoordeeld en werd tot één of meer gemeenschappelijke scores per synopsis besloten. Bij (initieel) onderling afwijkende scores betrof het overigens veelal verschil van beoordeling op detailniveau. Zo was bijvoorbeeld soms schade aan kleding aanvankelijk door de een als ‘licht’ gescoord (t/m € 250), terwijl de ander koos voor ‘bedrag onbekend’. Ook het onderscheid tussen geen en oppervlakkig en tussen oppervlakkig en licht letsel was niet altijd even simpel en eenduidig te maken. Aan een synopsis konden één of meer vignetscores worden gegeven. Meestal komt het aantal vignetscores overeen met het aantal strafbare feiten dat in de synopsis is beschreven: 530 synopsissen waarin één strafbaar feit werd beschreven kregen ook één vignetscore, 28 synopsissen met twee strafbare feiten kregen twee vignetscores.

Minder ernstig - Vaker gestraft-page-025

Tabel 2.6 Vignetten per vignet- en ernstcategorie

Het komt echter ook voor dat een synopsis die één strafbaar feit beschreef twee (37x) of drie (3x) vignetscores kreeg, of een synopsis die twee strafbare feiten beschreef drie vignet-scores (3x). In die gevallen kwamen uit het proces-verbaal handelingen naar voren waar het OM geen wetsartikel aan heeft verbonden. Onderstaande synopsis kreeg bijvoorbeeld drie vignetscores toegekend, te weten voor bedreiging, mishandeling en vernieling, terwijl het OM de verdachte alleen heeft gedagvaard voor het delict openlijke geweldpleging (art. 141 Sr).[vi]

Verdachte zit met zijn broertje in een café als verdachte plots een andere cafébezoeker bij de keel grijpt en hem bedreigt met de dood. Volgens verdachte omdat het slachtoffer homo zou zijn en aan de penis van zijn broertje zat. Als het slachtoffer het café verlaat, wachten de broertjes hem op en slaan hem in het gezicht en schoppen hem tegen de benen. Het slachtoffer houdt hier een zwelling aan het gezicht en een dikke en gewonde lip aan over. Verdachte trapt ook nog een deur in van een flatgebouw, waardoor de ruit sneuvelt. [434]

Andersom zijn er ook synopsissen die twee strafbare feiten beschreven, maar slechts één vignetscore kregen toegekend (13) of synopsissen met drie strafbare feiten die twee (4) of één (1) vignetscore kregen. Soms ging het om meerdere slachtoffers of vernielingen die als afzonderlijke strafbare feiten in het dossier stonden, maar onder één vignetscore vielen. In andere gevallen kwamen overtredingen van wetsartikelen die het OM aan een incident toekende niet eenduidig uit de in het proces-verbaal beschreven handelingen naar voren of waren min of meer impliciet. Waar we in de synopsissen beschreven handelingen vertaalden in een vignetscore voor ‘fysiek verzet tegen aanhouding’, classificeerde het OM deze bijvoorbeeld soms zowel als wederspannigheid (art. 180 Sr) als het niet voldoen aan een politiebevel (art. 184 Sr).

Verdachte wordt aangesproken door de politie omdat hij zonder helm zou rijden. Verdachte wordt boos, volgens hem deed hij net zijn helm af bij het parkeren en heeft hij al genoeg boetes gehad. Hij grist zijn bromfietscertificaat uit handen van de agent. Hierop wordt hij aangehouden, daarbij rukt en duwt hij alle kanten op. [575]

Dat vignetscores niet altijd aansluiten bij de classificatie door het OM kan mede verklaard worden doordat de in de synopsissen beschreven handelingen zonder voorkennis van de strafrechtelijke categorie waarbinnen het dossier werden gescoord. Zo dagvaardde het OM voor het volgende incident de verdachte voor zowel mishandeling als openlijke geweldpleging, terwijl de synopsis alleen een vignetscore voor mishandeling kreeg.

Een vriendin van verdachte heeft tijdens het uitgaan een bekende enkele malen geslagen wegens een conflict over geld. Verdachte zag dit gebeuren en is zich ermee gaan bemoeien. Verdachte zou het slachtoffer ook geslagen hebben, hoewel onduidelijk is of dat met de vuist of vlakke hand was. Ook andere aanwezige vrienden van verdachte en zijn vriendin hebben het slachtoffer geslagen en tegen het been geschopt. De vriendin heeft het slachtoffer tevens in zijn kruis getrapt. Letsel van het slachtoffer bestond uit een opgezwollen en blauw gezicht. [287]

Uiteindelijk is het aantal vignetscores groter dan het aantal dossiers en strafbare feiten in de steekproef. Het totaal bedraagt 700 vignetscores.

Vanwege de soms beperkte aantallen zijn de vele verschillende vignetscores vervolgens teruggebracht tot 12 vignetten, onderverdeeld in 4 vignetcategorieën, met daarbinnen 3 ernstcategorieën (Tabel 2.6). Bij bedreiging zijn de vignetscores van gezagdragers, dienstverleners en burgers gecombineerd. Bij mishandeling is middelzwaar en ernstig letsel gecombineerd. En bij vernieling is graffiti en beschadigen/vernielen gecombineerd. Omdat bij vernielingen de schade (‘ernst’) vaak onbekend was, is hiervoor een afzonderlijk vignet gecreëerd. Daarmee zijn er 13 verschillende vignetten ten behoeve van statistische analyses.

Aanvullende steekproef
De synopsissen en vignetten vormen ook de basis van de matching van soortgelijke handelingen uit 2008 en 1999 ten behoeve van de beantwoording van de derde en vierde onderzoeksvraag, die respectievelijk gaan over eventuele verschillen in kwalificatie en in sanctionering. Voor een handeling uit 2008 kan een match gevonden worden in dezelfde CBS-categorie uit 1999 of in een andere van de vijf geselecteerde CBS-categorieën uit 1999. Wanneer geen match gevonden kan worden, kan dit komen doordat een soortgelijke handeling in 1999 minder vaak voorkwam en dus ook niet of nauwelijks in de steekproef wordt aangetroffen. Een andere reden kan zijn dat een soortgelijke handeling in 1999 werd gekwalificeerd tot een andere dan de vijf geselecteerde CBS-categorieën. Om het aantal gematchte synopsissen en vignetten te optimaliseren, is daarom naast de basissteekproef van 600 strafdossiers voor het jaar 1999 een aanvullende steekproef van 200 strafdossiers getrokken.
De basissteekproef van 600 dossiers resulteerde in 619 synopsissen en 700 vignetscores. Het aantal synopsissen dat werd ingedeeld bij vignetten in de categorie mishandeling bleek voldoende voor verdere analyses en ook het aantal synopsissen dat werd ingedeeld bij het vignet beschadigen/vernielen was voldoende groot. Daarentegen was het aantal synopsissen dat ingedeeld werd bij het vignet graffiti vrij klein, met name wat betreft graffiti met weinig schade. Er zou echter een fors aantal extra dossiers moeten worden bestudeerd om slechts enkele extra vignetten in deze categorie op te leveren.
Het aantal synopsissen in de basissteekproef dat werd ingedeeld bij de vignetten ‘niet gehoorzamen aan politie’ en ‘indirect fysiek verzet’ was, vooral voor 1999, beperkt. Het merendeel van de betreffende synopsissen was afkomstig uit dossiers in de CBS-categorie Openbaar Gezag en andersom leverden de meeste dossiers uit deze CBS-categorie ook vignetten openbaar gezag op. Daarom werden besloten tot 100 extra dossiers van 1999 in de CBS-categorie Openbaar Gezag.
Ten slotte bevatte de basissteekproef in principe voldoende synopsissen bij vignetten over het bedreigen van burgers, maar bleek het aantal synopsissen bij de vignetten over het bedreigen van gezagdragers en dienstverleners vrij klein. Om de kans op matching te vergroten waren hier dus extra dossiers uit 1999 gewenst. Deels zou hieraan al tegemoetgekomen worden door de extra dossiers uit de CBS-categorie Openbaar Gezag, aangezien deze in de basissteekproef ook vignetten over het bedreigen van gezagdragers en van dienstverleners opleverde. Bij de basissteekproef kwamen de meeste vignetten over het bedreigen van gezagsdragers echter uit de dossiers van de CBS-categorie Bedreiging. Daarom werd ook besloten tot 100 extra dossiers van 1999 in de CBS-categorie Bedreiging.
De aanvullende dossiers zijn op dezelfde wijze bestudeerd als die in de basissteekproef en ook voor de toekenning van vignetscores aan synopsissen is dezelfde procedure gevolgd. De aanvullende steekproef brengt het totaal aantal strafdossiers uit 1999 op 500 en voor het hele onderzoek op 800. Het totaal aantal checklists en synopsissen in het onderzoek wordt 730 en het totaal aantal vignetten wordt 835.

Statistische analyse
De analyses in de komende hoofdstukken zijn gebaseerd op wisselende gegevensniveau ’s. In onderstaand schema is dit kort weergegeven. In de betreffende hoofdstukken wordt verder verduidelijkt welke gegevens worden gebruikt.
Voor de statistische vergelijking van gegevens op nominaal (bijv. woonsituatie) of binair (bijv. geslacht) meetniveau is gebruik gemaakt van een Chi-kwadraat toets. Bij onvoldoende celvulling is uitgeweken naar een Fisher-exact test. Gegevens op ordinaal meetniveau (bijv. vignetten naar ernstcategorie) zijn vergeleken met behulp van een Mann-Withney test. In hoofdstuk 6, dat gaat over afdoening, vonnis en sanctie, is gebruikgemaakt van binaire logistische regressieanalyse met achtereenvolgens dagvaarding, strafoplegging, vrijheidsstraffen en bestraffing als afhankelijke dichotome variabele. Jaar (2008 vs. 1999), leeftijdscategorie (18-24 vs. 12-17), geslacht (vrouw vs. man), recidive (recidivist vs. first offender), vignetcategorie (Vernieling, Verzet en Bedreiging vs. Mishandeling) en ernstcategorie (licht en matig vs. zwaarder) zijn als categoriale covariaten in de regressieanalyse opgenomen.
Bij alle statistische toetsen is een significantiegrens van p < .05 gehanteerd. In de tabellen zijn niet significante uitkomsten weergegeven als n.s. Meestal wordt per variabele één p-waarde weergegeven. Wanneer er meerdere p-waarden worden gegeven, gaat het om variabelen waarbij meerdere opties mogelijk zijn.[vii]

Tenzij anders vermeld, wordt in dit rapport alleen gesproken van verschillen, indien deze statistisch significant zijn. Dat wil zeggen dat in principe niet gerapporteerd wordt over niet-significante verschillen of over variabelen die niet significant bijdragen aan een voorspelling. Op twee manieren wordt soms van deze algemene regel afgeweken. Ten eerste wordt soms iets wat op het oog verschillend lijkt, maar statistisch niet significant blijkt te zijn, toch besproken. Dit gebeurt bijvoorbeeld om eventuele misinterpretatie van een grafiek te voorkomen. Ten tweede wordt soms een kritische kanttekening geplaatst bij niet-significante verschillen, omdat deze mogelijkerwijs wel significant zouden zijn bij grotere aantallen. Dit geldt vooral wanneer de afzonderlijke resultaten met betrekking tot een bepaald thema of voor subcategorieën weliswaar niet significant zijn, maar wel allemaal in dezelfde richting wijzen. In die gevallen spreken we dan van een trend of tendens. Om de niet-significantie te benadrukken wordt doelbewust steeds gesproken van ‘lijkt’ of ‘lijken’, in plaats van ‘blijkt’ of ‘blijken’.

Focusgroep
In de dossierstudie wordt geïnventariseerd voor welke delicten (wetsartikelen) de jeugdige verdachten werden aangehouden (politie), welke delicten hen ten laste werden gelegd (OM) en voor welke delicten zij veroordeeld werden (RM). Op basis van deze gegevens wordt met statistische analyse onderzocht in hoeverre in de kwalificatie tussen 1998 en 2008 veranderingen zijn opgetreden. Eventuele veranderingen in kwalificatie zouden (mede) verklaard kunnen worden door veranderingen in wetgeving en richtlijnen voor vervolging en straftoemeting, maar misschien ook of vooral door ontwikkelingen in de aard en ernst van de concrete handelingen die jeugdige verdachten plegen, in wier zaak openbare orde delicten of geweldsdelicten ten laste zijn gelegd, en/of door bijvoorbeeld veranderingen in de registratiekans (zie Hoofdstuk 1). Om hier meer inzicht in de krijgen is, naast literatuurstudie (inclusief jurisprudentie), tegen het einde van het onderzoek een focusgroepsgesprek georganiseerd met experts uit de rechterlijke macht, politie, advocatuur en wetenschap.[viii]

Tijdens deze bijeenkomst bespraken de deelnemers, onder leiding van de onderzoekers, veranderingen in kwalificatie tussen 1999 en 2008. Eerst werd de deelnemers gevraagd wat zij als de belangrijkste ontwikkelingen in de periode 1999-2008 zagen, zowel qua profiel van jeugdige verdachten van openbare orde delicten en geweldsdelicten, als in de omvang, aard en ernst van dergelijke delicten die bij OM binnen komen. Vervolgens werd gediscussieerd over wat volgens de experts in de onderzoeksperiode de belangrijkste veranderingen in kwalificatie en sanctionering waren geweest en wat hierin onveranderd was gebleven. Aansluitend werden in het kort de onderzoeksbevindingen met betrekking tot kwalificatie en sanctionering voorgelegd en discussieerden de experts op basis van hun kennis en jarenlange praktijkervaring over de mogelijke verklaringen voor de gevonden verschillen en overeenkomsten tussen 1999 en 2008.

Noten
i. Logischerwijs alleen zaken die naar het OM gingen en dus niet van zaken binnen de bestudeerde CBS-categorieën die niet bij het OM terechtkwamen.
ii. In eerste instantie was gekozen voor het jaar 1998. Bij de start van de dossierstudie in Den Bosch bleken dossiers uit dit jaar echter te worden opgeschoond. Daarom is voor het hele onderzoek uitgeweken naar dossiers uit 1999.
iii. Er is echter geen volledig gewogen steekproef naar CBS-categorie getrokken, omdat sommige categorieën dan slechts een paar dossiers zouden bevatten.
iv. Een derde mogelijkheid is voeging. Feiten uit gevoegde dossiers zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Alleen strafbare feiten behorende bij de 600 dossiers in de steekproef zijn bestudeerd.
v. Schade: 0 = geen, 1 = t/m €250 (fl.550), 2 = t/m €1000 (fl. 2200), 3 = meer dan €1000 (fl.2200), 8 = bedrag onbekend. Letsel: 0 = geen, 1 = oppervlakkig, 2 = licht, 3 = middelzwaar, 4 = ernstig.
vi. Deze beslissing van het OM heeft vermoedelijk te maken met bewijsbaarheid. Er worden echter alleen se-potgronden vermeldt wanneer voor alle feiten in een dossier niet wordt vervolgd. Er is in dit voorbeeld voor één strafbaar feit wel gedagvaard; het dossier vermeldt niet waarom dit niet gebeurde voor de andere strafbare feiten.
vii. Bij bijvoorbeeld het geslacht van de verdachten (Tabel 3.1 in het volgende hoofdstuk) zijn jongen en meisje onderling uitsluitende mogelijkheden (iemand kan niet zowel het een als het ander zijn, in computertermen spreekt men van radio button). Maar bij problematiek (Tabel 3.3) zijn meerdere opties mogelijk (bijvoorbeeld zowel zwakbegaafdheid als verslaving, in computertermen heet dit checkbox). In het laatste geval worden dan ook meerdere p-waarden vermeld.
viii. Dit vond plaats op 23 februari 2012 te Rotterdam. In alfabetische volgorde waren de deelnemers: mr. Ad de Beer (officier van justitie te Rotterdam jeugdzaken, voorheen werkzaam bij de reclassering op gebied van jeugd), John Bergsma (rechercheur bij politie Rotterdam, afdeling zeden/jeugd), mr. Reinier Feiner (advocaat bij het Advokatenkollektief Rotterdam, lid Vereniging Jeugdrecht Advocaten Rotterdam), mr. Sonja de Pauw Gerlings – Dohrn (jeugdrechter bij Rb. Rotterdam) en dr. Jolande uit Beijerse (UHD (jeugd)strafrecht Erasmusuniversiteit, rechter-plaatsvervanger bij Rb. Rotterdam en lid van Commissie van Toezicht van een jeugdinrichting).

LITERATUUR
Althoff, M. (2005). Het beeld van de jeugd als criminaliteits- en veiligheidsprobleem. Een discours theoretische verklaring. Pedagogiek, 25 (4) pp, 262-278.
Brouwers, M. & Eggen, A.Th.J. (2011) Vervolging. In: Kalidien, S.N. & de Heer – de Lange, N.E. (red.) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 298), pp.121-138.
Buruma, Y. (2005). De dreigingsspiraal. Onbedoelde neveneffecten van misdaadbestrijding. Den Haag: Boom Juridische uitgevers
Butts, J. & Travis, J. (2002). The rise and fall of American youth violence: 1980 to 2000. Washington: The Urban Institute Justice Policy Center.
Commissie kleine criminaliteit (1984). Interimrapport van de Commissie kleine criminaliteit. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Commissie kleine criminaliteit (1986). Eindrapport Commissie kleine criminaliteit. Den Haag: Staatsuitgeverij.
Doob, A.N. & Sprott, J.B. (1998). Is the “quality” of youth violence becoming more serious? Canadian Journal of Criminology, 40 (2), pp. 185-194
Egelkamp, M.M. (2002) Inflation von Gewalt? Strafrechtliche und kriminologische Analysen von Qualifikationsentscheidungen in den Niederlanden und Deutschland. Groningen: University of Groningen.
Eggen, A.Th.J. & Kalidien, S.N. (red.) (2008) Criminaliteit en rechtshandhaving 2007. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 271)
Eggen, A.Th.J. & Kessels, R.J. (2011) Criminaliteit en opsporing. In: Kalidien, S.N. & de Heer – de Lange, N.E. (red.) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Meppel: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en beleid, nr. 298), pp.83-117.
Estrada, F. (2001). Juvenile violence as a social problem; Trends, media attention and societal response. British Journal of Criminology, 41 (4), pp. 639-655.
Flight, S. & Abraham, M. (2011) Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Amsterdam: DSP-groep.
Gabor, T. (1999). Trends in youth crime; Some evidence pointing to increases in the severity and volume on the part of young people. Canadian Journal of Criminology, 41 (3), pp. 385-392.
Goudriaan, H. & Eggen, A.Th.J. (2009). Verdachten van criminaliteit. In: S.N. Kalidien en A.Th.J. Eggen (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008: Ontwikkelingen en samenhang, p. 101-130, Den Haag, Boom Juridische uitgevers. Onderzoek en beleid 279.
Heer-de Lange, N.E. de (2009). Berechting. In: S.N. Kaliden en A.Th. Eggen (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2008: Ontwikkelingen en samenhang, p. 153-174, Den Haag, Boom Juridische uitgevers. Onderzoek en beleid 279.
Junger-Tas, J. (1997) Geweld onder jongeren. In: K. Schuyt (red.), Het sociaal tekort: Veertien sociale problemen in Nederland. Amsterdam: De Balie, pp. 112-126.
Kalidien, S.N. & Heer – de Lange, N.E. de (red.) (2011) Criminaliteit en rechtshandhaving 2010. Ontwikkelingen en samenhangen. Den Haag: Boom Juridische uitgevers (WODC, Onderzoek en Beleid, nr. 298) 122
Laan, A.M. van der, Blom, M., Tollenaar, N. & Kea, R. (2010). Trends in de geregistreerde jeugdcriminaliteit onder 12- tot en met 24-jarigen in de periode 1996-2007. Den Haag: WODC (Cahier 2010-2).
Laan, A.M. van der & Blom, M. (2011). Meer jeugdige verdachten, maar waarom? Een studie naar de relatie tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de veranderingen in het aantal jeugdige verdachten van een misdrijf in de periode 1997-2007. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers. (WODC, Onderzoek en beleid, nr. 292).
Nabben, T., Doekhie, J. & Korf, D.J. (2010) Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Ruller, S. van (2001) Sancties. In: E. Lissenberg, S. van Ruller & R. van Swaaningen (red.) Tegen de regels IV. Een inleiding in de criminologie. Nijmegen: Ars Aequie Libri, pp. 387-412.
Spaans, E.C. (1995) Werken of zitten. Toepassing van werkstraffen en korte vrijheidsstraffen in 1992. Arnhem: Gouda Quint (WODC 144).
Weijers, I. (2008). Het gaat niet slecht met de Nederlandse jeugd. Justitiële verkenningen, 34 (8), pp. 38-48.
Wittebrood, K. & Nieuwbeerta (2006) Een kwart eeuw stijging in de geregistreerde criminaliteit. Vooral meer registratie, nauwelijks meer criminaliteit. Tijdschrift voor Criminologie, 48(3), p. 227-242.
Zimring, F. (1998a). The youth violence epidemic: myth of reality? Wake Forest Law Review, 33, pp. 727-744.
Zimring, F. (1998b). American Youth Violence. New York: Oxford Press

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 20 + 17 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent articles

  • Rozenberg Quarterly categories