Multiculturele schizofrenie ~ ‘Jij bent anders, jij bent Chinees’

No Comments yet

‘Die nieuwe buurman van me, volgens mij is het een Marokkaan. Hij houdt z’n vrouw de hele dag binnen. Maar z’n kinderen laat ie buiten rondhangen. Moeten die lui niet werken of naar school gaan of zo? En hun tuin ziet er verschrikkelijk uit, zo asociaal. Allochtonen zouden echt beter moeten integreren.’
‘Eh sorry maar ik ben ook een allochtoon.’
‘Oh maar jij bent anders, jij bent Chinees.’

Inderdaad, ik ben Chinees en ik woon al 15 jaar in Nederland. Wat ik zojuist citeerde is een fragment uit een gesprek tussen mij en een Nederlandse – ik bedoel blanke vrouw. Een dergelijk gesprek, in honderden licht wisselende versies, maak ik vaak mee, altijd met in de kern dezelfde boodschap: er wordt geklaagd over etnische minderheden en de multiculturele samenleving maar het gaat nooit over mij. Ik weet niet of ik me gevleid of beledigd moet voelen. Ik weet niet of ik me binnen- of buitengesloten voel. Ik ben in verwarring. Terwijl deze Nederlandse kennissen mij in vertrouwen nemen met hun klachten over etnische minderheden – variërend van verdenkingen van vrouwendiscriminatie, slechte opvoeding en asociaal gedrag tot meer algemene beschuldigingen van uitkeringsfraude, criminaliteit en niet willen integreren – voel ik mezelf in een kleine identiteitscrisis geplaatst. Hoor ik bij die etnische minderheden? Enerzijds voel ik me zo, maar anderzijds weet ik dat ik vaak niet als zodanig word gezien, tenminste niet volgens de in een dergelijk gesprek geldende voorwaarden.

En die voorwaarden zijn dubieus. Als ik, een Chinees wonend in Nederland, last heb van een identiteitscrisis, begin ik me af te vragen of deze mensen die met me praten misschien licht schizofreen zijn. Het zinnetje ‘Oh maar jij bent anders, jij bent Chinees’ articuleert eigenlijk op indirecte wijze twee aspecten van het Chinese verhaal in de Nederlandse samenleving:
1. Chinezen worden over het algemeen gezien als een homogene groep die afwijkt van overige minderheden die problemen veroorzaken voor de Nederlandse samenleving, en daarom
2. zijn ze afwezig in Nederlandse debatten over de multiculturele samenleving die ingekaderd zijn door problemen van economische, sociale, en in toenemende mate ook culturele en religieuze aard.

Op een cyclische wijze, voeden deze twee elkaar en produceren en handhaven zo datgene wat ik beschouw als de mythe van de Chinezen als ‘modelminderheid’. In Nederland, net als in de meeste andere Europese landen, zien we inderdaad dat in publieke vertogen over het ‘multiculturele drama’ – om Paul Scheffer’s controversiële term te gebruiken – de Chinezen, vaak aangemerkt als een van de oudste etnische minderheden in Nederland, niet genoemd worden. In de karige media-aandacht die Nederlandse Chinezen krijgen, worden zij echter wel vaak als ‘modelminderheid’ beschreven. Een kop op de voorpagina van een zaterdagbijlage van De Telegraaf bijvoorbeeld, noemde de Chinees de ‘Ideale Allochtoon’: ‘Ze klagen niet, ze halen geen narigheid uit en ze werken hard’ (24 januari 2004). De kop vervult een aantal functies, waaronder het disciplineren van de Chinezen en het opwekken van machtsstrijd tussen minderheden onderling. Op een meer fundamenteel niveau helpt zo’n success story iedereen, minderheden of niet, ervan te overtuigen dat het systeem, in dit geval het Nederlandse systeem, eerlijk en open is, dat het niet racistisch is: ‘Kijk, de Chinezen hebben het wel gemaakt.’

Hoezeer echter de modelminderheid mag getuigen van de vitaliteit van het systeem, ze verraadt ook het schizofrene karakter van de debatten over de multiculturele samenleving. Wanneer de debatten gaan over problematische minderheden, worden deze in toenemende mate in culturele temen vervat waarbij integratie of het accepteren van ‘Nederlandse’ normen en waarden meer en meer sleutelthema’s zijn. Anderzijds, wanneer de debatten de Nederlandse Chinezen negeren, lijkt niemand het erg te vinden als zij vrouwen discrimineren, homoseksualiteit onderdrukken, of hun buren niet op de koffie vragen. In plaats van culturele achtergrond of ‘homeland’ culturen als de wortel van integratiekwalen te zien, beschouwt de mythe van de ‘modelminderheid’ de zogenaamde Chinese tradities en waarden nu en dan zelfs als de grote verklarende factor in het Chinese succesverhaal. We kennen allemaal de als typisch Chinees beschouwde arbeidsethiek, familiewaarden, en de los-je-eigen-problemen-op variant van onafhankelijkheid. In zowel politieke als populaire vertogen wordt de wens geuit dat andere minderheden zich cultureel integreren in de Nederlandse samenleving. De Chinezen daarentegen, worden als exemplarisch beschouwd juist omdat zij Chinees blijven. Het impliciete commentaar naar andere minderheden lijkt: ‘hoe Nederlands ben je?’ Maar naar de Nederlandse Chinezen is het: ‘Hoe Chinees!’ Dat is, voor mij, een symptoom van multiculturele schizofrenie.

‘Oh maar jij bent anders, jij bent Chinees.’ Hoe moeten we reageren op deze als compliment verpakte schizofrenie? Hoe zouden de Nederlandse Chinezen omgaan met de homogeniserende kracht van de mythe van de modelminderheid? Hoe zouden zij denken over de multiculturele samenleving waarin ze leven maar die hen uitsluit van haar discussies? Ik heb gesproken met 5 Nederlandse Chinezen, geboren in China of opgegroeid in Nederland, tussen 20 en 30 jaar oud, vier mannen en een vrouw. Wat ik van hen heb gehoord, kan en mag geen claim leggen op volledigheid en representativiteit. Op zijn minst zijn dit de stemmen die door de mainstream in de samenleving en de media het zwijgen wordt opgelegd. Op zijn best, bieden ze ons een beeld van hoe sommige jonge Nederlandse Chinezen hun leven leiden in de schaduw van de modelminderheid.

Die schaduw is die van henzelf, in die zin dat zij weten dat hij er is, ontegenzeggelijk deel van hun leven en toch ook weer niet. Soms willen ze hem afschudden, zoals men vaak wil doen met schaduwen. Het is niet verrassend dat zij het er allen over eens zijn dat Nederlandse Chinezen voorbeeldig zijn. En het zijn niet alleen zij maar ook ‘de Nederlanders’, zeggen ze, die het daar mee eens zouden zijn. Verbazender is het dat zij dit model uiteenzetten in bewoordingen die precies overeenkomen met die in de kop van De Telegraaf. Het commentaar van Terrence is typisch te noemen:
‘Ik denk dat de Chinezen een goed model zijn voor andere minderheden in Nederland omdat ik vind dat de Chinezen in het algemeen stiller zijn, hardere werkers, en dat ze minder problemen veroorzaken, zeg maar, dan andere minderheden in Nederland. En de meeste Nederlanders hebben meestal een goede indruk van Chinezen.’

Soms verwoordden ze een gevoel van trots op het Chinese succes, in het bijzonder dat van de eerste generatie. Tegelijkertijd zei geen van deze Nederlandse Chinezen zijn leven op dezelfde manier in te richten. In plaats daarvan leken ze enige afstand te nemen van deze overheersende voorstelling van zaken alsof ze het hadden over Nederlandse Chinezen in het algemeen maar niet noodzakelijkerwijs over zichzelf. Hun verhouding tot de mythe van de modelminderheid zit complexer in elkaar en draait om meer dan trots zijn. Er zijn op zijn minst drie strategieën die toegepast worden bij het zich verhouden tot het succesverhaal zonder het verhaal fundamenteel in twijfel te trekken: het verhaal is niet helemaal goed, niet helemaal waar, of niet helemaal relevant.

Tijdens een discussie over de Chinese ‘teruggetrokkenheid’, bekritiseert Amy de Nederlandse Chinezen (zichzelf inbegrepen geeft ze toe) omdat ze ‘liever omgaan met mede-Chinezen’ en omdat ze ‘niet mengen met andere etnische groepen’. Daniel wijt deze teruggetrokkenheid in eerste instantie aan ‘de genen van onze cultuur’. Direct daarop herziet hij zijn mening:
‘Nu ik erover nadenk, het is anders in China of Hong Kong, waar mensen wel hun gedachten uiten. Ik vind dat ik ook gereserveerd ben. Maar ik ben bezig dat te veranderen omdat ik erachter gekomen ben dat het een slechte gewoonte is. Wanneer ik bijvoorbeeld in het gezelschap van Nederlanders ben of mensen van andere etnische achtergronden, ben ik degene die met de minste suggesties kom.’

Terwijl Amy en Daniel het verhaal van de modelminderheid niet helemaal goed achten, gelooft Way dat het ook niet helemaal waar is:
‘Chinezen zijn harde werkers. Maar ik denk dat het aantal kleiner wordt. Toen ik jong was, zag ik dat iedereen druk was met werken en geld verdienen, ik dacht dat Chinezen hard werkten. Maar toen ik ouder werd, leerde ik meer mensen kennen. Er zijn veel nuttige en hardwerkende mensen. Maar er zijn ook veel luie mensen die alleen maar gokken.’

Voortgaand op het thema van hardwerkende Chinezen, blijkt dat TK niet zozeer een probleem heeft met het waarheidsgehalte ervan; hij vindt het gewoon niet helemaal relevant:
‘De eerste generatie was over het algemeen druk met het opzetten van een bedrijf en geld verdienen. Zij maakten lange werkdagen. En naast het werk hadden zij geen tijd voor andere dingen. Maar de tweede en derde generatie is anders.’

Terrence:
‘Ik ken veel Chinezen die het niet erg vinden door te werken terwijl anderen koffiepauze houden, of die overwerken zonder te klagen. Maar ik wil meer vrijheid… of misschien ben ik wel gewoon lui.’

Wat de beweegredenen van Terrence ook zijn, hij kijkt tegen de mythe van de modelminderheid aan op een manier die lijkt op die van de andere jonge Nederlandse Chinezen. Ze onderschrijven de mythe maar tegelijkertijd gaan ze ermee in onderhandeling en weigeren ze elk op hun eigen manier gelijkgeschakeld te worden. Het is wellicht ook niet toevallig dat geen van hen ‘wij’ gebruikt wanneer zij verwijzen naar de Chinezen in Nederland.

Terwijl deze Nederlandse Chinezen proberen te verschillen van wat de mythe van de modelminderheid beschrijft en voorschrijft, laten zij ook een grote drang zien om hetzelfde te zijn als hun mede-Nederlanders. Ondanks het feit dat zij grotendeels buiten beschouwing blijven in multiculturele debatten, zijn ze niet vrijgesteld van de gevolgen ervan, in het bijzonder de eis tot integratie. De vijf Nederlandse Chinezen die ik gesproken heb steunen zonder uitzondering de dominante ideeën over integratie. In de woorden van Terrence:
‘Aanpassen aan de Nederlandse samenleving, bijvoorbeeld het leren van de taal en de cultuur, omgaan met Nederlanders, de Nederlandse wetten in acht nemen, kortom rimpelloos samenleven met Nederlanders… leren wat de Nederlandse normen en waarden zijn en je eraan houden.’

Amy brengt ook naar voren dat minderheden niet hun eigen taal zouden moeten spreken of te hard lachen in publieke ruimten om gevoelens van onveiligheid te voorkomen bij mensen die niet begrijpen wat ze zeggen en waarom ze lachen, een idee dat doet denken aan de gedragscode die eerder circuleerde in Rotterdam en ondersteund werd door minister van integratie Rita Verdonk. Hoewel geen van hen het integratieparadigma aanviel, haastten allen zich om op zijn minst twee voorwaarden toe te voegen die steeds minder gehoord worden in dominante vertogen. Allereerst, in de woorden van Amy: ‘vergeet je eigen wortels niet’. Niet belast met het stigma dat hangt aan andere ‘homeland’ culturen, met name de zogenaamde Islamitische cultuur, benadrukken deze jonge Nederlandse Chinezen simpelweg het belang van het in contact blijven met ‘hun eigen cultuur’. De meest gebruikelijke manier waarop dit vorm krijgt wordt duidelijk in Way’s woorden: ‘Ik ‘hang’ liever met Chinezen dan met Nederlanders.’

Ten tweede zien zij integratie als een wederzijdse relatie. ‘Ik verwacht ook van de Nederlanders dat zij leren over de minderheden,’ verwoordt Daniel dit op voor deze jongeren typerende wijze. Enkelen onder hen wijzen er ook op dat terwijl Nederlanders andere minderheden steeds meer in een negatief licht zijn gaan plaatsen, zij steeds meer interesse zijn gaan tonen voor Chinese cultuur, vooral in verband met ‘de opkomst van China’. De voorbeelden die ze aanhalen blijven echter beperkt tot het ‘studeren van sinologie’, de ‘Aziatische markt’, en de Nederlandse deelname aan Chinees Nieuwjaarvieringen. In elk geval is de toegenomen maar beperkte belangstelling die Nederlanders tonen voor Chinese cultuur blijkbaar niet voldoende om de culturele kloof tussen de Nederlandse samenleving en de Chinezen die door deze Nederlandse Chinezen wordt waargenomen te dichten.

Bij het verwoorden van hun eis om een groter wederzijds begrip, voelen ze ook dat de hardnekkige culturele kloof soms kan veranderen in een mechanisme van discriminatie, of een ‘glazen plafond’, dat zich richt tegen de Chinezen in Nederland. TK zegt:
‘Sommigen van mijn vrienden geloven dat ze nooit helemaal geaccepteerd zullen worden door de Nederlandse samenleving, dat ze bijvoorbeeld nooit een echt hoge positie in een bedrijf zullen krijgen.’

Wanneer de maatschappij behoefte heeft aan een etnische minderheid om te bewijzen dat het systeem werkt, worden de Chinezen naar voren geschoven. Wanneer de maatschappij multiculturele discussies in het licht van mislukte integratie wil plaatsen, wordt er gefocust op andere etnische minderheden. Wanneer het moet gaan over succes, doet het er niet toe dat de Chinezen vasthouden aan hun veronderstelde Chinese culturele waarden. Wanneer het moet gaan over problemen, doet het er ineens wel toe dat etnische minderheden dominante waarden en normen niet onderschijven. Dit is de culturele schizofrenie waar etnische minderheden, Chinezen of niet, mee te maken krijgen in het dagelijkse leven. De uitspraken van deze jonge Nederlandse Chinezen tonen de complexe manier waarop zij omgaan met de mythe van de modelminderheid, met het integratieparadigma, en met de meervoudige eisen die hen opgelegd worden door politieke en populaire vertogen.

In die zin zijn de Chinezen toch niet zo anders.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 18 + 17 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)


  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives