Na de ontmaskering van het zorgzame dorp ~ het dorp dat zijn zorg zelf organiseert

No comments yet

640px-Zuid_Hazerswoude_Dorp

Foto: nl.wikipedia.org

Maart 2015. Een kleine kern wil nog niet zeggen dat de sociale binding groot is. Het Sociaal Cultureel Planbureau haalt de idylle van het dorp als een gemeenschap van noabers die voor elkaar klaar staan grondig onderuit in de recente publicatie Dicht bij huis. Het zorgzame dorp is geen vanzelfsprekendheid. Wat er toe doet zijn mensen die bereid zijn zich voor het dorp en de bewoners in te zetten. Maar hoe organiseren ze die zorg? En blijven lokale zorginitiatieven beperkt tot de dorpsgrenzen?

Het SCP-rapport Dicht bij huis heeft als ondertitel ‘Lokale binding en inzet van dorpsbewoners’. De publicatie brengt in kaart op welke manieren bewoners zich verbonden voelen met hun dorp. En gaat over de vraag in hoeverre dorpsbinding iets zegt over de inzet voor elkaar en voor het dorp. Deze zoektocht naar het sociale DNA van kleine dorpen is heel actueel nu de overheid, met name in de zorg, van burgers verwacht dat ze gezamenlijk verantwoordelijkheden op zich nemen. Over burgerinitiatieven in de zorg wordt nogal eens beweerd dat ze juist in kleine kernen goed gedijen vanwege de veronderstelde sociale cohesie in een kleine dorpsgemeenschap. Deze aanname heeft door de jaren heen moeiteloos een eigen leven kunnen leiden omdat er nooit uitgebreid onderzoek naar is gedaan.

De samenstelling en niet het aantal inwoners
Om meer inzicht te krijgen in de sociale netwerken en de mate van onderlinge steun in kleine dorpen, heeft SCP-onderzoeker Lotte Vermeij gegevens verzameld over circa zevenduizend personen, afkomstig uit ruim 500 dorpen met niet meer dan drieduizend inwoners. Uit deze enorme hoeveelheid data destilleert het SCP, in grote lijnen, dat de relatie tussen de veronderstelde binding met het dorp en hun inzet voor medebewoners geen vanzelfsprekendheden zijn. Het sociale leven van dorpsbewoners speelt zich voor een groot deel buiten het dorp af. En de omvang van een dorp is geen goede maatstaf voor sociale betrokkenheid. In een kleine kern is men niet per definitie behulpzamer dan in een dorp met meer inwoners. En in de kleinste kernen is de binding relatief gering, maar de bereidheid om elkaar te helpen weer groter. Er zijn volgens het SCP criteria die meer gewicht in de schaal leggen dan het inwoneraantal. Zoals de samenstelling van een dorpsgemeenschap; vooral hoger opgeleiden, kerkelijken en senioren zijn bereid zich vrijwillig in te zetten voor hun dorp en de dorpsgemeenschap. Het helpt ook dat een dorp aantrekkelijk gevonden wordt. Het SCP constateert een grotere toewijding bij mensen die bewust kiezen voor een dorp. Hier gaat het over dorpen die als mooi bestempeld worden, of gewild vanwege hun gunstige ligging nabij een stad.

Veronderstelde sociale cohesie
Het rapport Dicht bij huis, dat in januari 2015 is verschenen, maakt deel uit van het veel langer lopend onderzoeksprogramma van de SCP onder de titel  ‘De sociale staat van het platteland’. Het eerste rapport Thuis op het platteland verscheen in 2006 en belichtte de sociale en culturele verschillen tussen stad en platteland. Die bleken mee te vallen. De modernisering voltrekt zich net zo goed op het platteland; leefstijlen lopen steeds minder uiteen. En net als eerder het geval was bij de auto en tv, veranderen nu ook het internet en de sociale media het dagelijks leven op het platteland. Een rode draad in deze reeks rapporten is wel dat het platteland onmiskenbaar stedelijke trekken krijgt. Dit jongste rapport sluit daar op aan. Een van de verdiensten van de hele reeks SCP-onderzoeken is dat ze een aantal hardnekkige stereotyperingen weerleggen. In dit jongste rapport gebeurt dat met de veronderstelling dat sociale cohesie en het wederkerig  hulpbetoon wezenlijke kenmerken zijn van kleine dorpsgemeenschappen. Aan de hand van uitgebreide databestanden ontrafelen ze patronen in de participatie en onderlinge zorg in kleine dorpen. Deze kwantitatieve benadering heeft als nadeel dat de conclusies heel gemiddeld en daarmee ook een beetje kleurloos zijn. Het voorkomt wel weer al te voor de hand liggende clichéverhalen over het dorpsleven.

Foto: revital.nl

Foto: revital.nl

Clichés die worden opgediend
Het lijkt er op dat er voor verhalen over het dorpsleven maar twee smaken in omloop zijn, twee tegengestelde frames: het geïdealiseerde dorp waar nog rust en ruimte is en iedereen klaar staat voor elkaar, tegenover het dorp dat krimpt, vergrijst en maatschappelijk in de hoek zit waar de klappen vallen. Een sprekend voorbeeld hiervan is een sfeervolle reportage over Slootdorp, een kleine kern in de Westfriese polder van Noord-Holland, in de Volkskrant van 24 januari jongstleden. In het begin van dat artikel worden klassieke voorbeelden opgevoerd van veronderstelde sociale cohesie in kleine kernen, zoals de kerk, het verenigingsleven, de vrijwillige brandweer en een jaarlijks Midzomerfeest. Dit beeld van een dorpsgemeenschap in een notendop kantelt halverwege het artikel als een 78-jarige vrouw aan het woord komt. Die zet zich als vrijwilliger met hart en ziel in voor het dorp. De teleurstelling in haar dorpsgenoten zit eerst nog verpakt in de opmerking dat het altijd de zelfden zijn die het vrijwilligerswerk doen. Het beeld kantelt verder als ze vertelt dat het in haar straat steeds lastiger wordt om bij generatiegenoten aan te kloppen; het merendeel is vertrokken naar een verpleeghuis. Daarna, tijdens een rondgang door het dorp, trekt de reporter een heel ander register open door de teloorgang van het dorp te benadrukken. Het is een doordeweekse dag waarop de straten er stil en verlaten bij liggen. De meeste mensen zijn het dorp uit; naar hun werk. Het hotel-restaurant dat een jaar eerder moest sluiten, herbergt nu Oost-Europese arbeiders. En ook het slag nieuwkomers in de sociale huurwoningen draagt bij aan de neerwaartse spiraal. Het dorp dat aanvankelijk deed denken aan de  wereld van Ot en Sien, verandert in een gat dat leegloopt, vergrijst en verloedert. De reportage zal bedoeld zijn om de bevindingen van het SCP-rapport op een journalistieke manier onder de aandacht te brengen. Maar clichés uit een verstofte aflevering van Swiebertje, laten de lezer in het ongewisse over de kwestie die in het rapport wordt aangesneden.

Schaalvergroting en dorpisme
Het SCP-onderzoek biedt inzicht in de sociale dynamiek op het platteland, dit nodigt uit om uitvoeriger stil te staan bij de kansen en ook de valkuilen voor burgerinitiatieven in de zorg. Neem de constatering van het SCP dat het sociale leven zich steeds meer buiten de dorpsgrenzen afspeelt. Op het eerste gezicht lijkt dit een open deur in een tijd waarin auto’s, mobieltjes en internetverkeer op het platteland al net zo voor de hand liggen als het gebruik van toiletpapier en elektriciteit. Daarin is, zou je verwachten, het zogeheten ‘dorpisme’ geen issue meer;  door Gert Jan Hospers, economisch geograaf van de Universiteit Twente omschreven als een hinderlijke neiging van dorpen om hun eigen kerktoren als middelpunt van het universum te beschouwen. Met die speldenprik geeft hij heel treffend aan dat zaken zich soms beter regionaal of zelfs op een nog grotere schaal laten regelen. Er valt  dus wel iets voor te zeggen om de dorpsgrenzen niet als maat voor alle voorzieningen te nemen. Te meer omdat het SCR-rapport aangeeft dat het sociale leven van dorpsbewoners zich voor een groot deel buiten het dorp afspeelt. De vraag is dan of dit ook consequenties moet hebben voor het organiseren van de zorg in een dorp? Lokale burgerinitiatieven op het platteland, zorgcoöperaties voorop, zijn vrijwel overal op dorpsniveau georganiseerd. Initiatiefnemers kiezen daar ook heel bewust voor. Soms uit ongenoegen over de dominantie van de schaalvergroting en bureaucratisering; men wil de zorg kleinschaliger en persoonlijker organiseren. Maar vooral vanwege de dreiging dat ouderen op hoge leeftijd nog eens hun dorp en hun dierbaren moeten verlaten bij gebrek aan passende voorzieningen. Dit houdt de gemoederen in dorpen erg bezig. Toch zit er een limiet aan de draagkracht van een lokaal burgerinitiatief; er kan een moment komen dat de stap naar een gespecialiseerde voorzieningen buiten het dorp onvermijdelijk is. Het is interessant om te kijken  in hoeverre burgerinitiatieven hier bij betrokken worden. En welke contacten ze hierover onderhouden met professionals van zorginstellingen en de gemeente.

Lippendiensten naar burgerinitiatieven
Toen de Tweede Kamer in april 2014 de nieuwe Wmo aanvaardde, stond heel nadrukkelijk in die tekst vermeld dat de regie van de burger waar mogelijk versterkt moest worden. Dankzij een amendement van twee Kamerleden hebben burgerinitiatieven het recht om taken in de zorg op zich te nemen; het right to challenge naar Brits voorbeeld. Burgers mogen de zorg in hun buurt zelf organiseren als ze dat beter kunnen. Dit kunnen ze  claimen voor een afzonderlijk dorp, maar ook voor een afgebakend deel van de zorg. Inmiddels hebben tientallen gemeenten deze mogelijkheid in hun lokale Wmo-verordening opgenomen. De invoering van de nieuwe Wmo op 1 januari 2015 maakt de weg vrij voor nieuwe concepten. Toch hebben gemeenten, die de regierol hebben, voor de uitvoering van de hulpverlening tamelijk uniform gekozen voor de inzet van professionals in multidisciplinaire wijkteams. Voor lokale burgerinitiatieven is het nadelig dat deze wijkteams in veel gevallen niet aansluiten op de kleinschaligheid van hun werkgebied. En ondanks de lippendiensten naar burgerinitiatieven, – verordening voor het right to challenge zijn vrijwel overal met grote meerderheid van stemmen aangenomen – hebben gemeenten in de praktijk heel weinig aandacht voor de rol en de mogelijke positie van burgerinitiatieven. Omgekeerd rammelen die burgerinitiatieven zelf ook nog niet massaal aan de poort. Dat valt overigens te begrijpen; het zijn over het algemeen jonge initiatieven die hun potenties nog aan het verkennen zijn. Een eerste voorzichtige toenadering naar zo’n wijkteam vinden we in het Limburgse dorp Ospel. Hier komt een dorpsteam, actieve vrijwilligers in de zorg, eens in de drie weken bijeen om de informele hulp in hun dorp te regelen. In het geval er zaken zijn die in aanmerking komen voor professionele hulp, dan verwijzen  ze die door naar een gemeentelijk wijkteam dat is samengesteld uit beroepskrachten. Een opbouwwerker pendelt daar als parlevinker tussen om beide teams op elkaar af te stemmen. De gemeente Alkmaar heeft vrijwilligersorganisaties in de zorg nadrukkelijk uitgenodigd om deel te nemen aan de aanbestedingsprocedures voor wijkteams. En biedt ze faciliteiten die er aan kunnen bijdragen aansluiting te vinden in zo’n wijkteam met professionals. Het zijn nog heel bescheiden pogingen.

Austerlitz3Zorgcoöperatie als uitvoerder van de Wmo
Burgerinitiatieven in de zorg worden over het algemeen nog gezien als een vreemde eend in de bijt van professionele wijkteams. Nog, want op een aantal plekken in het land wordt gewerkt aan nieuwe constructies om zorginitiatieven van burgers een meer prominente positie te geven. In Brabant, waar de eerste zorgcoöperaties een jaar of tien geleden van de grond kwamen, doen ze al ervaring op met het uitbesteden van delen van de zorg aan deze coöperaties. En in het Utrechtse Austerlitz, een dorp met circa 1500 inwoners, is de zorgcoöperatie er in geslaagd alle wmo-taken toebedeeld te krijgen die een wijkteam normaliter uitvoert. Zeist was vorig jaar één van de gemeenten die een aanvullende bepaling in hun Wmo-verordening heeft gezet die ruimte bood voor een burgerinitiatief. De gemeente heeft Austerlitz Zorgt aangewezen als organisatie die vanaf januari 2015 verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Wmo in het dorp Austerlitz. Dit betekent dat alle inwoners, dus ook de mensen die geen lid zijn, voor ondersteuning aan kunnen kloppen bij de zorgcoöperatie Austerlitz Zorgt. Dit geldt voor de huishoudelijke hulp, woningaanpassing, regiotaxi, een scootmobiel en dagopvang. En ook voor wijkverpleegkundige zorg. De dorpsondersteuner van Austerlitz Zorgt voert deze taak uit. ‘Een moedige stap van de gemeente Zeist,’ noemt Jan Snijders, voorzitter van Austerlitz Zorgt, deze beslissing. Snijders: ‘Wethouders uit andere gemeenten spreken de gemeente Zeist hier op aan en stellen kritische vragen over deze constructie. Wij hebben ook stevig moeten onderhandelen om vast te kunnen houden aan onze relatief onafhankelijke positie. En bureaucratie, overhead en vergadercircussen te voorkomen. Nu dat is gelukt, gaan we ons stinkende best doen om deze samenwerking te laten slagen.’

Erkenning voor verpleging en verzorging
De eerste zorgcoöperaties dateren van circa tien jaar geleden in Brabant, sindsdien is deze provincie het epicentrum van een groeiend aantal corporaties over het hele land. De schattingen variëren tussen de 100 en 150. Van begin af aan hanteren die de grenzen van het dorp als hun werkterrein. Wel valt op dat ook de eerste bovenlokale initiatieven zich ontspinnen. Sinds 2011 hebben 15 coöperaties in Brabant zich verenigd in een Platform Zorgcoöperatieve ontwikkelingen. Het belangrijkste doel hiervan is het uitwisselen van ervaringen en het  aanmoedigen van dorpen in de regio om ook een lokaal zorgproject te starten. Er is ook een bundeling van coöperaties die zich onder de naam Coopnet inzet om in de nabije toekomst naast Wmo-taken ook gezamenlijk de inkoop van verzorging en verpleging zelf te kunnen regelen. Deze overkoepelende coöperatie doorloopt momenteel een formele aanvraagprocedure die er toe moet leiden dat ze van het Ministerie van Volksgezondheid de status erkende instelling krijgen. In de verwachting dat deze erkenning per 1 januari 2016 rond komt, is Coopnet inmiddels druk in onderhandeling met zorgverzekeraars over de inkoop van verzorging en verpleging. En kunnen de coöperaties die bij Coopnet zijn aangesloten vanaf volgend jaar verpleging en verzorging in hun dorp aanbieden. Deze erkenning vormt het voorlopige sluitstuk van de formele bevoegdheden die burgerinitiatieven in het veranderend landschap van de zorg hebben weten te bemachtigen.

stadsdorpzuidStedelijk DNA voor burgerzorg in de stad
Met dit pionierswerk, dat ongetwijfeld navolging vindt in de rest van het land, krijgen lokale zorginitiatieven van burgers voet aan de grond in het professionele circuit van de hulpverlening. Een beweging die gesteund wordt door nieuwe wetgeving die daar de ruimte voor biedt. Deze ontwikkeling beperkt zich overigens niet tot dorpen op het platteland. De opkomst van stadsdorpen in Amsterdam, de zorgvrijstaat in Rotterdam en soortgelijke initiatieven in andere steden, zijn een aanwijzing dat ook hier burgers hun krachten bundelen en gezamenlijk oplossingen zoeken voor de gaten die er in de zorg dreigen te vallen. Opvallend verschil is alvast de snelheid waarmee deze stedelijke initiatieven toenemen; in Amsterdam werd in 2010 de zorgcoöperatie Stadsdorp Zuid opgericht, vijf jaar later telt deze stad ruim twintig van soortgelijke burgerinitiatieven. In het SCP-rapport Dicht bij huis wordt aangegeven dat de samenstelling van de bewoners van een dorp meer gewicht in de schaal legt voor burgerinitiatieven dan het aantal inwoners. En dat ook een geliefde woonomgeving bevorderlijk werkt. Het zou interessant zijn als het SCP onderzoek zou doen naar het stedelijk DNA en daar de condities in kaart brengt die gunstig zijn voor burgerinitiatieven in de zorg.

Voor meer informatie:

Publicatie van het SCP, waarin onderzocht is in hoeverre dorpen van elkaar verschillen in de mate waarin bewoners zich inzetten voor hun omgeving : http://www.scp.nl/Dichtbij_huis

Eerdere publicaties over ‘De staat van het platteland’ zijn:

De Dorpenmonitor. Ontwikkelingen in de leefsituatie van plattelandsbewoners. (2013)

Overgebleven dorpsleven. Sociaal kapitaal op het hedendaagse platteland.  (2008).

Het platteland van alle Nederlanders. Hoe Nederlanders het platteland zien en gebruiken. (2007).

Het beste van twee werelden. Plattelanders over hun leven op het platteland. (2006).

Thuis op het platteland. De Leefsituatie van platteland en stad vergeleken. Den Haag: SCP

Een reeks van tien artikelen waarin lokale burgerinitiatieven in de zorg onder een vergrootglas worden gehouden:http://www.platform31.nl/succesvolle-burgerinitiatieven

Stadsdorp Zuid in Amsterdam is in 2010 de pionier in deze stad, vijf jaar later zijn er 21 stadsdorpen verspreid over de stad:  http://www.stadsdorpzuid.nl    en http://www.stadsdorpenamsterdam.nl/netwerk

Inventarisatie en schematisch overzicht van burgerinitiatieven in de zorg: http://www.vilans.nl/burgerinitiatieven

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 13 + 4 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)



Ads by Google

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Recent Rozenberg Quarterly Articles

  • Rozenberg Quarterly Archives