Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Een al te absolute overtuiging over Dick Swaab: Wij zijn ons brein

No Comments yet

Van dit boek [i] zijn er al met al zo’n 450.000 exemplaren verkocht. Een ongekend succes. En, zo zeg ik erbij, een verdiend succes. Dat meende ik en dat meen ik nog steeds. Het is een populair wetenschappelijk boek in de gunstige betekenis van dat woord. Een leek op dit gebied, zoals ikzelf er een ben, kan bij zorgvuldige lezing er veel van leren.

Tegelijk ben ik van mening dat de auteur in zijn boek maatschappelijke factoren al te zeer onderschat. Die fungeren, zeker in ons type samenleving, als de voortzetting van de evolutie met andere middelen. Zij werken dan ook nog eens veel en veel sneller dan verandering door biologische oorzaken. Ik heb over deze kwestie enkele jaren geleden een verhandeling geschreven. Swaab en ik kennen elkaar tamelijk goed, we zijn al jaren lid van hetzelfde dispuutgezelschap. Daarom heb ik hem dat stuk opgestuurd met het verzoek om commentaar. Het enige wat hij terug schreef was: ‘Ik kan ermee leven’ Ook later ging hij niet in discussie met mij.

Dat veranderde toen er een kritisch stukje van mij over het onderwerp in de krant verscheen. Hij kreeg alle ruimte van die krant om niet alleen mij maar ook enkele andere critici van repliek te dienen.[ii] Hoe hij dat in mijn geval deed wil ik laten zien door in kort bestek mijn argumenten weer te geven en vervolgens stuk voor stuk, per argument zijn reactie te vermelden.

Swaab schrijft in zijn boek uitvoerig over seksualiteit. Wat iemands seksuele geaardheid betreft, zo leert hij ons, is er geen keus. Of je hetero bent of homo ligt vast in je brein. Maar daarnaast onderscheidt hij nog een derde categorie, de biseksuelen.
Die hebben, dunkt mij, dus wel een keuze, nl. voor een levenspartner van ofwel hetzelfde ofwel het andere geslacht.

Als bekend is de houding tegenover homoseksualiteit in Nederland nu zeer veel minder afwijzend dan voorheen. Het valt daardoor aan te nemen dat heden ten dage meer mensen dan voorheen bewust voor een homoseksuele levenswandel durven te kiezen. Immers het hoeft hun maatschappelijke positie niet meer te schaden. Je kan als homo zo maar burgemeester van Maastricht worden of staatssecretaris.

Reactie Swaab: ‘Köbben mist de kern van mijn betoog, die is dat bisexualiteit zelf geen keuze is maar vastligt in het brein. Köbbens idee dat we vrij zouden zijn om onze seksuele oriëntatie te kiezen is niet alleen onjuist, het heeft ook veel ellende veroorzaakt’. Daarop volgt een lange tirade waarin beschreven wordt hoe in allerlei landen ook nu nog homoseksualiteit beschouwd wordt als strafbaar en een verkeerde keuze. (net of ik, André Köbben, dat niet zou weten. Trouwens het ‘onjuiste idee’ dat hij mij toeschrijft heb ik niet en heb ik ook nooit gehad).

Puberteit. ‘Bij jongens in de puberteit’, zegt Swaab in zijn boek, ‘ontwaakt niet alleen de seksualiteit maar valt ook antisociaal, agressief en crimineel gedrag te verwachten. En ontremd gedrag, zoals overmatig drank- en drugsgebruik. Dat is nu eenmaal in en door de evolutie zo bepaald’. – Ik (André Köbben) geloof hem graag. Alleen, al die verschijnselen deden zich ook in mijn jeugd wel voor, maar vele malen minder hevig. Het coma-zuipen bestond nog niet, ‘zinloos geweld’ met de dood als gevolg door stomdronken jongelui kwam, voor zover ik weet, niet of nauwelijks voor. Groepsverkrachting door jongeren evenmin. Het verschil met vroeger is vooral te verklaren doordat ouders en bijvoorbeeld ook leraren door de maatschappelijke ontwikkelingen hun greep op jongeren goeddeels hebben verloren, waardoor zij de corrigerende rol die zij vroeger hadden niet meer kunnen vervullen.

Reactie Swaab: ’Dit is weer zo’n jaren zestigreliek die je nog veel tegenkomt bij maatschappijwetenschappers en psychologen … Elke generatie weer proberen ouderlijke breinen met matig succes om de schade van pubers te beperken. … Uiteindelijk worden die vreselijke pubers praktisch allemaal brave burgers’.

Religie. Swaab is van mening dat ook of iemand al dan niet religieus is grotendeels door het brein bepaald wordt. Je wordt dat, zegt hij in zijn boek, als je ouders gelovig zijn. Want die brengen je het geloof bij in je prille jeugd, als je hersenen nog plooibaar zijn. – Heeft hij gelijk dan valt, dunkt mij, te verwachten dat iemands religieuze overtuiging robuust is, zodat de betrokkene daar meestal voor zijn leven aan vast zit. Ik ben geboren en getogen in Den Bosch, een stad die in mijn jeugd zeer, om niet te zeggen overweldigend katholiek was. Maar, opmerkelijk genoeg, is aldaar het katholicisme in één generatie welhaast weggevaagd en heeft het in ieder geval als machtsfactor definitief afgedaan.

Swaab maakt in zijn boek van de gelegenheid gebruik om een lange beschouwing te wijden aan de wandaden die door gelovigen van allerlei slag begaan worden als uiting of gevolg van hun geloof. Hij besluit met de retorische vraag of de wereld niet beter af zou zijn met een religievrije maatschappij. Van wat hij over dit onderwerp te berde brengt is geen woord gelogen. Zeker in het huidige tijdsgewricht zien wij zulke wandaden ook dagelijks gebeuren. Maar twee dingen. Het is natuurlijk ook mogelijk een lijst op te stellen van loffelijke daden door gelovigen, ingegeven door hun geloof. Omgekeerd is het niet moeilijk afgrijselijke misdaden op te sommen die ongelovigen hebben begaan als uiting of gevolg van hun politieke dogma’s. Dick Swaab noemt er zelf drie, Hitler, Mao, Stalin. Ik houd het er op dat gelovigen en ongelovigen in gelijke mate geneigd zijn tot het kwade (en waar dat zich voordoet, ook tot het goede).

Reactie Swaab: ‘Of iemands religieuze overtuiging robuust is hangt samen met de spiritualiteit waarmee je ter wereld komt. Die hangt weer af van kleine variaties in ons DNA. En wat gelovigen betreft, ik heb niet alleen hun wandaden genoemd maar op p. 334 ook hun loffelijke daden’ (inderdaad bevat p. 334 drie en een halve regel met iets positiefs over gelovigen, tegenover 180 regels met negatieve dingen. Het is de uitzondering die de regel bevestigt. Bovendien handhaaft Swaab zijn stelling dat een religieloze samenleving te verkiezen zou zijn ten volle). Swaab komt tenslotte met de volgende dooddoener: ‘Wat Hitler, Stalin en Mao aangaat, die zijn dood, dus over hen hoeven we ons gelukkig niet meer druk te maken’.

De boodschap van Swaab ‘wij zijn ons brein’ is een absolute. Toch zijn er hier en daar in zijn tekst, gelukkig zou ik bijna zeggen, uitspraken die met dat absolutisme in strijd zijn. Zo in zijn hoofdstuk over Alzheimer waar hij zegt dat een goede scholing, een uitdagende baan en een actief bestaan – maatschappelijke factoren dus – de kans op die aandoening verkleinen. En in het hoofdstuk over vetzucht, waarin hij meedeelt dat een lagere economische status een verhoogd risico op vetzucht vormt.[iii]

Darwin en anderen. Swaab citeert Darwin waar die schrijft dat opvoeding en omgeving slechts een geringe invloed op de mens uitoefenen en dat de meeste van onze eigenschappen aangeboren zijn. Hij, Swaab, vindt dit een interessante en originele uitspraak. Ik meen daarentegen dat het hier gaat om een bewering die in zijn tijd heel conventioneel was. Het merendeel van de geleerden in de negentiende eeuw en zelfs nog een eindweegs in de twintigste eeuw, hield er sterk biologistische, ‘nature’, denkbeelden op na. Dat geldt zelfs voor veel beoefenaars van de sociale en culturele wetenschappen. Een voorbeeld is Pitirim Sorokin en zijn in 1928 verschenen ‘Contemporary Sociological Theories’, een toen gezaghebbend handboek. Hij bespreekt uitvoerig de biologistische – hij noemt het de ‘anthropo-raciale’ – richting in de sociale wetenschappen. Hij levert er kritiek op, dat wel, maar deze is weinig fundamenteel van aard, en zijn conclusie luidt als volgt: ‘het is een van de meest waardevolle richtingen in de sociologie. We moeten de overdrijving waar die zich bij de aanhangers ervan voordoet verwerpen, maar verder kunnen we haar slechts dankbaar zijn voor haar vele bijdragen tot onze kennis.’ Hij bespreekt uitvoerig en met veel waardering de boeken van A. De Gobineau (1816-1882), van Houston Stewart Chamberlain (1855-1926) en van F.K. Günther. Later zijn de theorieën van deze drie auteurs gretig gebruikt door nazigeleerden.

In dit verband noem ik verder nog twee overigens verdienstelijke Nederlandse beoefenaars van de sociale wetenschappen, S.R. Steinmetz (1862-1940) en W.A. Bonger (1876-1940). Steinmetz dacht sterk in biologistische termen. Zo schrijft hij in 1929: Het gaat tegen alle ervaring in te menen dat negers in intellectuele en morele begaafdheid op gelijke hoogte zouden kunnen komen als Europeanen.[iv] Verder meent hij dat burgerzin, politieke interesse en discipline ‘in laatste instantie erfelijk bepaald zijn’. Wel moet ik erbij vertellen dat hij na 1933 op zijn oude dag het initiatief nam om met anderen een boek uit te brengen, gericht tegen het ‘rasfanatisme’ van de nazi’s. Dat boek is er ook gekomen.[v]

Bonger beschouwde zichzelf als marxist. En koos als zodanig veeleer voor ‘nurture’ dan voor ‘nature’. Hij keerde hij zich tegen de gedachte dat er zoiets als ‘de geboren misdadiger’ zou bestaan. Zijn boek ‘Ras en Misdaad’ uit 1939 is bedoeld om naïeve opvattingen over het causale verband tussen ras en misdaad te bestrijden. Maar gegeven de toen heersende ‘nature’ opvattingen probeerde hij zijn tegenstanders zoveel mogelijk tegemoet te komen door ook uitspraken te doen als: ‘Men krijgt de indruk – volstrekte zekerheid is er niet – dat de aangeboren intelligentie van de neger geringer is … dat joden sexueler zijn dan bijvoorbeeld de nordici is niet bewezen echter wel aannemelijk’.6 Maar ook al eerder in 1934 gaf hij te kennen vrouwen qua aanleg minder geschikt te achten voor de democratie en pleitte hij voor een studie naar het verband tussen lichaamsbouw en democratie.[vii] ‘De democraten zijn vermoedelijk vooral te vinden onder het pyknische type’. Pyknisch betekent, in mijn lekentaal dan, klein, rond en dik.

Conclusie
Generaties lang zijn biologistische, ‘nature’, verklaringen gemeengoed geweest, tot in het absurde aan toe. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden maatschappelijke verklaringen, ‘nurture’, ineens door velen als alles bepalend beschouwd. Vaak ook tot in het absurde. Swaab stelt dat laatste in een lange passage aan de kaak, op zich zelf niet onterecht. Alleen, waarom hij mij ook op dit punt van allerlei onjuiste denkbeelden beticht is mij een raadsel.

En tenslotte, als gezegd ik gun ‘Wij zijn ons brein’ zijn succes, vrees alleen dat het met name bij leken, tot wie dit boek zich toch voornamelijk richt, zal leiden tot een al te biologistisch mens en maatschappijbeeld.

P.S. De psycholoog Jan (prof. dr. J.J.L.) Derksen heeft ook kritiek geleverd op Swaab en die beantwoordt hem in hetzelfde krantenartikel. Derksen vertelt mij: ‘Een echte discussie met Swaab is niet mogelijk. Kritiek op hem hoort hij niet of begrijpt hij niet. Hij gaat er tenminste nooit serieus op in.’

Een nieuw boek[viii]
In september 2016 is een nieuw boek verschenen van Dick Swaab. Het is nog omvangrijker dan zijn eerste boek (550 versus 480 pagina’s*) en is andermaal een succesvolle uitgave. Het is in de meeste landelijke dagbladen besproken als ook op de TV. En wekenlang is het een van de meest verkochte boeken in Nederland geweest.

Er valt veel over het boek te zeggen. Eerst het positieve. Dick Swaab weet als weinig anderen boeiend te schrijven. Neem als voorbeeld hoe hij zijn boek inleidt. In het jaar 250 na Christus, zo vertelt hij, wordt de bisschop van Parijs onthoofd. Hij zou zijn hoofd hebben opgeraapt, het hebben afgespoeld en ermee hebben gelopen naar de plek waar hij begraven wilde worden, tien km verderop. Hij (Swaab) heeft er een plaatje van hem (die bisschop) aan toegevoegd, waar op je hem ziet sjouwen met dat hoofd.
‘Maar’ zegt Swaab dan, ‘dat kan niet waarlijk gebeurd zijn, want lopen kan je nou eenmaal niet zonder de hulp van je hersenen, het is maar dat je het weet’. Wat een vondst het boek zo te beginnen!

Hij trakteert zijn lezers op een veelheid van onderwerpen. Ietwat willekeurig gekozen, maar meestal de aandacht toch wel waard: verrassend, bizar en/of vermakelijk. Ik noem er enkele: De muziek van Mozart. Die maakt mensen van iedere leeftijd en van allerlei slag rustig en blij. Voor wie het geloven wil geldt dat zelfs voor sommige diersoorten.
Kunst. Wanneer in de evolutie kon kunst ontstaan en waar die waarschijnlijk voor het eerst voorkwam.
Castraatzangers. Vanaf de zestiende eeuw tot aan het begin van de twintigste eeuw zijn in Italië duizenden jongens gecastreerd om te voorkomen dat ze de baard in de keel zouden krijgen. Ook vertelt Swaab hoe dat castreren gebeurde en welke psychische en fysieke gevolgen het had voor de betrokkenen.

Er zijn ook negatieve zaken over het boek te vermelden. Ik bespreek er hier één van, maar wel de voornaamste.
Swaab schrijft, ook al op de eerste bladzij van zijn Inleiding: ‘Mijn critici verwijten mij dat ik als hersenonderzoeker de context waarin gedrag tot stand komt verwaarloos. Maar ik weet, zoals iedere hersenonderzoeker dat hersenen functioneren in voortdurende interactie met de omgeving. Dat verwijt is dus onzin.’ Even verderop besteedt hij één en niet meer dan één zin aan de begrippen ‘nature or nurture’. Dat is, zegt hij, een achterhaald strijdpunt.
Als gezegd, verscheidene commentatoren van zijn eerste boek hebben met overtuigende voorbeelden aangetoond dat Swaab ‘nurture’ factoren ernstig onderschat. Hij is op die kritiek nooit ook maar enigszins serieus ingegaan.
Op deze manier geeft hij te kennen, laat ik zeggen op elegante wijze, dat hij volstrekt niet van plan is dat nu wel te doen.

Noten
1 Swaab D.F. Wij zijn ons brein; van baarmoeder tot alzheimer. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2010
2 NRC/Handelsblad, 23 april 2011.
3 Swaab, resp. p. 408 en p. 163.
4 Steinmetz, S.R. Soziologie des Krieges, Leipzig: Barth 1929, p. 46.
5 Steinmetz, S.R. e. a.: Rassen der mensheid. Amsterdam 1938.
6 van Heerikhuizen, B: W.A. Bonger, socioloog en socialist. Amsterdam 1987, p. 19
7 Bonger, W.A.: Problemen der democratie. Groningen-Batavia: Noordhof 1934.
8 Swaab, D.: Ons creatieve brein; hoe mens en wereld elkaar maken. Amsterdam/Antwerpen, Atlas Contact, 2017

Volgende hoofdstuk: over-de-rol-van-ijdelheid-in-de-wetenschap-de-kwestie-buck/

 

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 10 + 5 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives