Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Sir Cyril Burt

Cyril Burt (1883-1971) was een alleszins en alom geachte en geëerde Engelse psycholoog en geleerde. Hij is niet voor niets geridderd (‘Sir’ Cyril Burt}. Op zijn oude dag ging hij artikelen publiceren die op verzinsels waren gebaseerd. Die hadden betrekking op identieke tweelingen die in verschillend milieu waren opgegroeid, maar toch een opmerkelijke overeenkomst zouden hebben in hun IQ en levenswijze.

Ik ontleen mijn kennis over hem hoofdzakelijk aan zijn biograaf L.S. Hearnshaw.[i] Deze is mede daarom zo geloofwaardig omdat hij bevriend was met Burt en met spijt moest toegeven dat hij inderdaad bedrog had gepleegd. De vraag overigens of dat werkelijk zo is en in welke mate, is nog jarenlang doorgegaan; zij heeft een hoog welles-nietes-gehalte. Het zou een heel onderzoek vergen om uit te maken wie er van de strijdende partijen (het meeste) gelijk heeft.

Dat Burt zo heeft gehandeld heeft te maken met de eeuwige nature-nurture controverse. Burt had een onwrikbaar geloof in nature als de doorslaggevende factor. Hij was toen lang niet de enige beoefenaar van de wetenschap voor wie dat gold, niet in Engeland, maar zeker ook niet in Nederland.[ii] Maar in de jaren zestig van de vorige eeuw werd plotseling in heel de Westerse wereld nurture ongekend populair. Burt kon dat blijkbaar niet velen en wilde daartegen iets ondernemen. Hij moet gedacht hebben: ‘Gegeven mijn leeftijd heb ik geen tijd meer om dat te onderzoeken. Maar dat geeft niet. Ik weet toch wel hoe het zit, ook zonder het onderzocht te hebben’ en: ‘Mij, Sir Cyril Burt, zullen ze vast wel op zijn woord geloven’. Echter op dat punt heeft hij zich lelijk misrekend.

Thans in Nederland is professor Dorret Boomsma de belangrijkste onderzoeker inzake het tweelingen onderzoek. Zij deelt mij mee dat er althans in Nederland niemand meer op dit gebied is die nog negatief oordeelt over Burt. Dat komt, zegt zij, vooral omdat al zijn uitspraken over identieke tweelingen naar hun strekking bevestigd worden door recent nauwkeurig en omvangrijk onderzoek. Een interessante uitspraak! Dit is het enige geval dat mij bekend is, waarbij de gedachte: ‘Ik weet toch wel hoe het zit, ook zonder het onderzocht te hebben’ als juist aanvaard wordt.

Noten
1 Hearnshaw, L.S.: Cyril Burt, psychologist. Cornell University Press, Ithaca, New York 1979.
2 Een Nederlandse psycholoog wiens opvattingen in diezelfde periode opmerkelijk overeenkomen met die van Burt is Adriaan de Groot. Zie Köbben A.J.F: De Weerbarstige Waarheid. Amsterdam, Prometheus 1990, aldaar pp. 43-52.

Volgende hoofdstuk: over-de-rol-van-ijdelheid-in-de-wetenschap-bernard-berenson-tussen-kunstwetenschap-en-handel/

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Bernard Berenson tussen kunstwetenschap en handel

Op 3 september 1923 legde de vermaarde kunstexpert Bernard Berenson (1865-1959) op het Amerikaanse consulaat in Parijs een verklaring af over de maker van het schilderij La Belle Ferronnière. De eigenaren, het Amerikaans-Franse echtpaar Harry en Andrée Hahn meenden dat het schilderij een eigenhandig werk was van Leonardo da Vinci. Het schilderij was weliswaar ongesigneerd, maar dat gold voor de overgrote meerderheid van schilderijen uit de 15de en 16de eeuw. De geschiedenis van het schilderij kon volgens hen echter worden getraceerd tot de verzameling van Koning Frans I (1494-1547), die Da Vinci in zijn laatste levensjaren in Frankrijk had gesteund en enkele van zijn werken in zijn bezit had gehad. Maar in 1920 had de machtige kunsthandelaar Joseph Duveen in de New York World gezegd dat het een kopie was en dat de echte La Belle Ferronnière van Leonardo da Vinci in het Louvre hing. Het echtpaar Hahn beweerde dat zijn vernietigende uitspraak de verkoop aan het Kansas City Art Institute onderuit had gehaald en eiste via de rechtbank in New York een aanzienlijke schadevergoeding, tenzij Duveen bereid zou zijn om zijn uitspraak te herroepen. Duveen weigerde en blaakte van zelfvertrouwen. Kunstexperts als Bernard Berenson zouden zijn gelijk aantonen.

Het lag voor de hand om Berenson om een oordeel te vragen. Hij was immers een van de grootste kunstkenners van dat moment, iemand die rond de eeuwwisseling met standaardwerken over de Italiaanse schilderkunst uit de 15de en 16de eeuw naam had gemaakt en die er nog steeds volop over publiceerde. Volgens hem was het schilderij van het echtpaar Hahn geen echte Leonardo da Vinci, dat stond voor hem vast, maar Berenson, wiens zelfvertrouwen als kunstkenner niet onderdeed voor dat van Duveen als kunsthandelaar, had niettemin grote moeite met het afleggen van een verklaring over de echtheid van La Belle Ferronnière, zowel over die van de Hahns als die van het Louvre. Hij had namelijk enkele jaren eerder geschreven dat het exemplaar in het Louvre was gemaakt door Boltraffio, volgens Berenson de begaafdste leerling van Leonardo da Vinci. Geheel zeker was Berenson niet, want in een ander geschrift over Leonardo da Vinci had hij geschreven dat het schilderij in het Louvre misschien toch van de meester zou kunnen zijn, zij het “in een zeer beperkte zin”.[i] In feite zou Berenson met zijn verklaring zowel de Hahns als Duveen moeten teleurstellen, maar hij wilde op een of andere manier de schade van zijn onwelkome boodschap beperken. Niet voor het echtpaar Hahn, niet voor Duveen, maar vooral voor zichzelf. Zijn pogingen konden echter niet voorkomen dat niet alleen de Hahn’s en Duveen niet het volle pond kregen, maar uiteindelijk vooral hijzelf zijn reputatie als onafhankelijk geleerde verloor. Aan het slot van dit betoog zullen wij zien hoe dat gebeurde, maar eerst moet worden duidelijk gemaakt hoe Berenson zich zo’n bijzondere plaats in de kunstwereld had weten te verwerven.

Volgens huidige begrippen was Berenson een echte netwerker. Hij beschikte in 1920, op zijn 55ste, over een lijst met ruim 1200 personen die hij persoonlijk kende en waarmee hij correspondeerde. Deze laat zich lezen als een Who’s who van de high society van de eerste helft van de 20ste eeuw en omvatte naast kunstexperts, critici, handelaren en verzamelaars ook politici, schrijvers, dichters en musici. Hij bewoonde al zo’n 20 jaar de prachtige Villa I Tatti, gelegen op een heuvel nabij Florence, die niet alleen een plek was voor rust en studie – zijn bibliotheek telde meer dan 12.000 boeken – maar vanwege zijn omvang ook geschikt was om zijn vrienden en relaties te ontvangen. In de loop der tijd was hij er gastheer voor de Koning van Zweden, president Harry Truman, Jacqueline Kennedy, Ernest Hemingway, Ezra Pound, Kenneth Clark en talloze anderen. Villa I Tatti, dat Berenson vermaakte aan zijn alma mater en na zijn dood de ondertitel Harvard Center for Renaissance Studies kreeg, had op menigeen het effect dat Bernhard Berenson had beoogd: het verblijf van een geleerde en grand seigneur, maar dan wel een die niet vanwege geboorte of vermogen, maar vanwege verdienste een hoge maatschappelijke plaats had verworven. Buitenstaanders moesten er van worden doordrongen dat hier een ware selfmade man woonde, een begaafde navolger van het Renaissance ideaal van de uomo universale, die de top van de kunstwereld had bereikt vanwege zijn fenomenale belezenheid en intellectuele prestaties. Iemand die in uiterlijk, manieren en conversatie kon doorgaan voor een telg van de elite van Boston, die vanzelfsprekend aan Harvard University had gestudeerd. Weinigen kenden de feiten over zijn nederige – en in 19de eeuwse ogen besmette – afkomst en slechts een enkeling wist precies hoe hij zich de weelde van Villa I Tatti had kunnen veroorloven.

Bernard Berenson was in 1865 geboren in een shtetl in Litouwen onder de naam Bernhard Valvrojenskis als oudste zoon van een eenvoudige, joodse houthandelaar. Zijn ouders hadden Litouwen in 1875 berooid verlaten en zich met hun kinderen in Boston gevestigd. Een joodse afkomst was in de kringen waarin Berenson zich wilde bewegen beslist geen pre integendeel, in het racistische klimaat van de 19de en begin 20ste eeuw, kon het een forse handicap zijn voor wie vooruit wilde komen. Berenson wilde echter beslist aan zijn armoedige, joodse milieu ontsnappen en leerde hoe hij dat in Boston moest verheimelijken. De naamsverandering was een eerste stap, de volgende was om alles wat anderen aan zijn joodse wortels zou kunnen herinneren te vervangen door wat onder de hogere White Anglo Saxon Protestants gebruikelijk was: hun dictie, kleding, manieren en opvattingen. Niet alleen anderen, maar vooral hijzelf, want hij schreef in 1888 als Bernhard Berenson in een tijdschriftartikel de volgende memorabele zinnen: ‘Alleen door een studie van joodse gewoontes en literatuur zullen wij het raadselachtige karakter van de joden beginnen te begrijpen. Beginnen te begrijpen, zeg ik, want wij zullen het nooit volledig bevatten. Hun karakter en belangen staan levensver van ons af, te ver om het soort intelligente begrip tussen hen en ons te vestigen dat noodzakelijk is voor begrijpen …’ Als 20-jarige trad hij toe tot de Anglicaanse kerk, later als inwoner van Italië bekeerde hij zich tot het Katholicisme. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Rangschikkingen

De tien hier in dit boek besproken personen worden in dit slothoofdstuk gerangschikt inzake acht onderwerpen. Te weten:

1. Zij die weigeren serieus in te gaan op kritiek over hun werk, ook al gaat het om gegronde en faire kritiek. Dat geldt voor Claude Lévi-Strauss, en wel in extreme mate. – Voorts voor Dick Swaab. – Verder nog voor Norbert Elias: ‘hij verwaardigt zich niet van kritiek, hoe zinnig ook, kennis te nemen, laat staan erop te reageren, laat helemaal staan die ter harte te nemen’. – Dan nog Henk Buck (vóór 12 april 1990) en enigermate ook voor Jan Bakker.

2. Zij die bedrog gepleegd hebben. Ten eerste is dat Claude Lévi-Strauss, tenminste in enkele gevallen. Hierbij een voorbeeld ter toelichting. In 1962 levert de filosoof Jean-François Revel kritiek op ‘Tristes Tropiques’, zijn meest populaire boek. Lévi-Strauss ontzegt Revel het recht om te oordelen over zijn boek, ‘want’, zo redeneert hij, ‘ik heb geleefd te midden van de indianen van het Amazone gebied en mijn boek is op dat onderzoek gebaseerd. Hoe zou een buitenstaander daar iets zinnigs over te berde kunnen brengen?’ – Twee dingen ten antwoord. Hij moet als geen ander geweten hebben dat zijn pogingen om aldaar etnografisch onderzoek te doen grotendeels zijn mislukt. En verder dat zijn boek over veel meer zaken handelt dan alleen over dit onderwerp. Toch is er met deze reactie van Lévi-Strauss iets bijzonders aan de hand. Waarschijnlijk is dit de enige keer in zijn lange loopbaan dat hij tenminste een poging waagt om argumenten van zijn critici te weerleggen. – Als volgende bedrogpleger dient hier de naam van Henk Buck genoemd te worden, al is het de vraag of dat helemaal terecht is. Sommigen betwijfelen of hij bewust bedrog gepleegd heeft, anderen menen van wel. – Dan Jan Hendrik Schön, Diederik Stapel, Mart Bax en Bernard Berenson. Er is bij hen geen twijfel mogelijk, zij hebben systematisch en geruime tijd bedrog gepleegd. – Tenslotte Cyril Burt, die dat in een betrekkelijk korte periode en over één onderwerp gedaan heeft.

3. Straffen. Henk Buck is in juridische zin niet gestraft. Hij werd ‘slechts’ gedwongen ‘vrijwillig’ ontslag te nemen, met alle gevolgen van dien. Hij was toen pas 60 jaar oud. – Jan Hendrik Schön is er betrekkelijk gunstig van af gekomen. Hij is weliswaar ontslagen bij Bell Labs, maar heeft aldra in Duitsland een nieuwe passende functie gevonden. Zijn enige straf was dat hem zijn Duitse doctorstitel ontnomen werd. – Diederik Stapel is streng gestraft. – Mart Bax was al emeritus toen zijn bedrog aan het licht kwam. Zijn ‘straf’ was slechts het voor hem heel negatieve rapport dat de commissie over zijn zaak uitgebracht heeft. Overigens dient men over het effect daarvan niet te licht te denken. – Het bedrog van Cyril Burt is pas ontdekt na zijn dood. Het heeft zijn nagedachtenis weinig geschaad. Nagenoeg hetzelfde geldt voor Bernard Berenson.

4. Hebben de betrokkenen hun straf aangevochten? Henk Buck heeft zich twintig jaar lang krachtig daartegen verweerd, somtijds gesteund door collega’s die vonden dat hem toch enigszins onrecht was aangedaan. Pas in 2011 heeft de Nationale Ombudsman hem tenminste op één punt gelijk gegeven. –Jan Hendrik Schön heeft, begrijpelijk, de ontneming van zijn doctortitel aangevochten. Dat heeft geleid tot een langdurige juridische strijd die hij uiteindelijk verloren heeft. Mart Bax was en is heel verbaasd en kwaad over het negatieve oordeel over hem van ‘zijn’ onderzoekscommissie. Maar op aandringen van zijn arts en zijn advocaat heeft hij toch maar besloten de zaak verder te laten rusten. Slechts Diederik Stapel heeft gereageerd met iets als een excuus: ‘Ik heb het rapport over mij met ontzetting en schaamte gelezen.’ Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Over de rol van ijdelheid in de wetenschap ~ Bibliografie

Brewer, J.: The American Leonardo. A tale of obsession, art and money. Oxford and New York, Oxford University Press 2009.
Cannadine, D.: Mellon. An American life. New York, Alfred A. Knopf 2007.
Clarke, K.: Another Part of the Wood. John Murray 1974.
Cohen, R.: Bernard Berenson. A life in the picture trade. New Haven and London, Yale University Press 2013.
Conner, J. and L.A. Waldman (eds.): Bernard Berenson. Formation and heritage. Villa I Tatti, The Harvard University Center for Italian Renaissance Studies 2014.
Gimpel, R.: Journal d’un collectioneur marchand de tableaux. Paris, Calmann-Lévy 1963.
Ginzberg: C.: ‘Morelli, Freud and Sherlock Holmes: Clues and Scientific Method.’ In: History Workshop, No.9, Spring 1980, 7-36. (URL: http://www.jstor.org/stable/4288283)
Samuels, E.: Bernard Berenson: the making of a connoisseur. Cambridge (MA), Belknap Press 1979.
— : Bernard Berenson: the making of a legend. Cambridge (MA), Belknap Press 1987.
Schapiro, M.: ‘Mr. Berenson’s values.’ In: Theory and philosophy of art: style, artist and society. Selected papers, Vol. IV. New York, George Braziller 1994.
Secrest, M.: Being Bernard Berenson: a biography. New York, Holt, Rinehart and Winston 1979.
— : Kenneth Clark: a biography. New York, Holt, Rinehart and Winston 1984.
— : Duveen: a life in art. New York, Alfred A. Knopf 2004.
Simpson, C.: Artful partners. Bernard Berenson & Joseph Duveen. New York, MacMillan Publishing Company 1986.
Walker, J.: Selfportrait with donors. Confessions of an Art Collector. Boston, Little, Brown and Company 1974.

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

Polycracy As An A-System Of Rule? Displacements And Replacements Of The Political In An Unbounded Dictatorship

Abstract

The concept of polycracy is beset by a number of paradoxes: it designates a form of political rule in the absence of such rule. In such circumstances, a
multiplicity of social formations, economic and financial agencies and operational functions install themselves anomically at local level and extend independently of and beyond policy and legislation. In doing so, they split and supplant frameworks of the state and of political and societal institutions. This article sets out to trace the lineages of the concept of polycracy and its instantiations in a system of rule that involves a process of political de-structuring. More specifically, the question explored here is what takes place in the destroyed political space and what takes its place in the unbounded state of the Nazi dictatorship.

Keywords: polycracy; National Socialist totalitarianism; Nazi regime; party–state relationship; occupying regime; Weimar Republic; quantitatively total state

Introduction
Even with historical hindsight, the phenomenon termed “totalitarianism” presents a number of conundrums. To start off with, it resists definition. To describe it as a “system of rule” risks contradiction (see Kershaw 1999, 222), because “a-systematicity” is its most pertinent characteristic. As a particular type of modern dictatorship, it has invited comparisons, yet such comparisons remain limited and general (considering e.g. the limited comparability of the National Socialist regime in Germany and the Stalinist regime in the Soviet Union—see Kershaw 1999). The process of political disintegration described by it is bound to leave the concept under-theorised (see Kershaw 1991, 98) and possibly even to impress itself on the theorist as incomprehensible (see Arendt [1951] 1994, viii), both conceptually and politically. In this article, we propose to put one of the elements specifying “totalitarianism” to the test: Can “polycracy” provide a specifying criterion for the definition of “totalitarianism”? If so, how would it have to be conceptualised in order to be able to account for the simultaneous diffraction and concentration of structures and agencies that reconfigure governance for conditions of geopolitical expansion, invasion, annexation and occupation; total mobilisation for war; and population relocations, forced labour and genocide?

The term “polycracy”, as Walther Hofer points out, is of recent coinage. It designates social and political processes unlike those described by any of the classical theories of political organisation (Hofer 1986, 249; see also Arendt [1951] 1994, 461; also Schmitt 2000, 66) or system or type of rule.

Writing in the aftermath of war and genocide in the late 1940s, Hannah Arendt ventures this description: “We always suspected, but we now know that the [National Socialist] regime was never ‘monolithic’ but ‘consciously constructed around overlapping, duplicating, and parallel functions’ …” (Arendt [1951] 1994, xxxii–xxxiii; also 404 fn. 8).

What she pinpoints here had, in fact, been articulated by Carl Schmitt even before the Second World War in his prescient analyses of the Nazi dictatorship (1933) and by Ernst Fraenkel and Franz Neumann during the course of the War and in its immediate aftermath. The multi-levelled dynamic functioning of the Nazi regime became the subject of further investigation in the 1960s and 70s, first by Klaus Hildebrand, Karl Bracher and Peter Hüttenberger and later by Ian Kershaw. Even as they differed in the details of their analysis, all of these historians and political theorists either explicitly or implicitly returned to Johannes Popitz’s concept of “polycracy”, coined in the late 1920s to take account of the decline of the German state during the late Weimar period.

“Polycracy”—A conceptual–political history
Popitz held on to a substantive universal idea of the state against its devolution and dissolution into concrete orders and functions. In his positions in the Finance Ministry in the latter half of the 1920s, he was intent on clearing up Weimar’s “administrative confusions” (see Kennedy 2004, 147; also Schmitt 2000, 62 fn. 4) and on restoring the authority of a centralised state.

Carl Schmitt’s conversations with Johannes Popitz (the friendship with whom Schmitt only reluctantly admitted to) trace the decline of the state in the Weimar Republic with its proliferation of special interests, political parties and particularist movements. Popitz views this process as the replacement of “the state as the source of order and the locus of authoritative decisions … by the notion of ‘free competition’ and ‘the self-organisation of society’” (see Kennedy 2004, 33). This defines Popitz’s notion of polycracy. “Pressures from within the private sector and the party politics of the Reichstag had created,” he argued in 1927, “a ‘polycratic’ system that displaced parliamentary democratic will formation” (Kennedy 2004, 147). What these “diverse forms of economic organisations and public/private partnerships” had in common was the “fact that they retained a degree of independence from the state” while assuming responsibility for “important public functions” (Kennedy 2004, 142 fn. 3). Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

US Leaders Can Now Be Prosecuted For Illegal War

Noah Weisbord — Associate professor of law at Queen’s University

War is gathering around the world, and autocratic leaders are undermining the legal checks on their discretion to launch attacks abroad. With the rule of law under threat, the International Criminal Court recently defined and activated for prosecution a new crime called the “crime of aggression.” The crime of aggression — leadership responsibility for planning, preparing, initiating or waging illegal war — has begun to permeate international, regional and national legal systems around the world. But in an age of drones, cyberattacks, insurgents and autocrats, is it too little, too late?

Noah Weisbord — an associate professor of law at Queen’s University and the author of The Crime of Aggression: The Quest for Justice in an Age of Drones, Cyberattacks, Insurgents, and Autocrats — served on the International Criminal Court’s working group that drafted the crime of aggression.

In the exclusive Truthout interview that follows, Weisbord discusses the legacy of the Nuremberg trials and the ways in which Donald Trump may have already violated international law by engaging in crimes of aggression.

C.J. Polychroniou: The Nuremberg trials, held between 1945 and 1949, represent a milestone in the development of international law. Yet, while many serious war crimes have been committed since the end of World War II, we have not seen war crimes tribunals taking place under similar ideal circumstances as those held in the Bavarian city of Nuremberg. In that context, what has been the legacy of the Nuremberg trials?

Noah Weisbord: The Nuremberg legacy is really about subjecting individual leaders to the rule of law in international affairs. Individual criminal responsibility is a grave threat to authoritarian leaders, which is why they do all they can to weaken and delegitimize the International Criminal Court [ICC].

Nuremberg prosecutor Robert Jackson was handpicked from the United States Supreme Court to work with English, French and Soviet counterparts to design the Nuremberg Tribunal and serve as its lead prosecutor. Jackson intended Nuremberg to serve as a model for a permanent international criminal court with worldwide jurisdiction, including over U.S. leaders. But the Cold War set in. The U.S. and the Soviet Union couldn’t agree on the design of an international criminal court, nor a prosecutable definition of Nuremberg’s “supreme crime,” the crime against peace — i.e., planning, preparing, initiating or waging a war of aggression — which is called the crime of aggression today.

The superpowers vied to design international laws that would serve as weapons against each other, stymying each other’s military advantages. During the Cold War, Nuremberg prosecutor Ben Ferencz, a key character in my new book, kept the dream alive. Ferencz advocated for an international criminal court and a prosecutable crime of aggression. Ferencz was wrongly overlooked as naïve and idealistic during this period.

But the end of the Cold War saw the rebirth of the Nuremberg idea, which began to spread worldwide: in the Yugoslav Tribunal; Rwanda Tribunal; Special Court for Sierra Leone; Extraordinary Chambers in the Courts of Cambodia; Special Tribunal for Lebanon; Special Panels of the Dili District Court; War Crimes Chamber of the Court of Bosnia and Herzegovina; Special Jurisdiction for Peace in Colombia; the Canadian, German, Belgian and French criminal courts; and grassroots “gacaca” justice in Rwanda. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share
  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives