Tweerelatie en samenheid: overbodige taal

No comments yet

Een taal groeit. Sommige ontwikkelingen roepen de vraag op of zij een teken des tijd zijn.
Veel werkwoorden, bijvoorbeeld, kennen nu een voorvoegsel dat zij nog niet zo lang geleden niet nodig hadden: inschatten, afconcluderen, nachecken, inhuren.
Als er meer taal nodig is om hetzelfde uit te drukken, is er sprake van taalinflatie. Wie bijvoorbeeld in plaats van “in het algemeen” de voorkeur geeft aan “in zijn algemeenheid” of liever spreekt van “problematiek” dan van “probleem”, gebruikt meer taal dan nodig is om hetzelfde of, in voorkomende gevallen min of meer hetzelfde, onder woorden te brengen, draagt bij aan die taal-ontwaarding.
Een vraag die daarmee samenhangt, is: mag je de groei van de taal kritisch volgen, in goede banen leiden of zelfs limiteren, of dien je elke nieuwvorming hartelijk te begroeten? Iedere docent Nederlands kent de discussies met zijn leerlingen over de aanvaardbaarheid van formuleringen als ‘nooit geen ruzie’, omdat ‘haast iedereen dat tegenwoordig zegt’. Elke bewuste taalgebruiker heeft waarschijnlijk wel een grens waarachter fout Nederlands begint.

Tweerelatie
Zo’n grens lag bijvoorbeeld in een artikeltje in een Nijmeegse woonkrant, dat handelde over de tweerelatie. Dat is volgens het krantje “een eigentijdse naam voor wat eeuwenlang ‘concubinaat’ heeft geheten (..) een alternatief voor mensen die de onherroepelijkheid van een huwelijk niet willen of niet aandurven, maar ook voor mensen die niet kùnnen trouwen.’
(Niet kùnnen trouwen? Kinderen, priesters, mensen die al getrouwd zijn, bejaarden met een eigen kapitaaltje?)

Met de tweerelatie is een limiet gepasseerd: het is een onwoord bij uitstek. Waaruit blijkt bijvoorbeeld, dat het om ongehuwde partners gaat en niet, om maar een greep te doen, om een zakelijke relatie. (Beminden die zich door een notaris de voor- en nadelen van het Leids model laten uitleggen, zullen toch al vaak het gevoel krijgen dat ze een B.V. aan het oprichten zijn in plaats van een samenlevingscontract te ondertekenen.) En waarom juist twéérelatie? Als iets een kenmerk van een huwelijk is, dan wel het feit dat het per definitie twee mensen betreft. Elke andere verbintenis staat open voor een willekeurig aantal deelnemers.
Tweerelatie is een inhoudsloos begrip, dat niet aanduidt wat het bedoelt aan te duiden; het is een modieus woord, dat probeert in te spelen op de behoefte zich te onderscheiden van “die burgerlijke, getrouwde stelletjes”, terwijl het sterk te betwijfelen is of die behoefte bestaat. Het is een ongewenste uitbreiding van onze taal.
Het richt overigens wel de aandacht op de vraag of we een adequate naam kennen voor zo’n relatie. Tot niet zo lang geleden konden we het af met het werkwoord hokken, een woord waar een ondertoon van afkeuring in meeklonk en dat dus onbruikbaarder werd naarmate ‘in zonde leven’ sociaal meer aanvaard werd. Mijn buurvrouw in de Amsterdamse Jordaan noemde het: “se hebbe samenlefing”. En ongehuwd samenwonen of samenleven, dat is nu juist de term die – blijkbaar – vervangen moet worden.

Analoog aan de BOM-vrouw kan de naam BOS-partners overwogen worden: Bewust Ongehuwd Samenwonenden. Voor wie zijn fantasie gebruikt, liggen de mogelijkheden voor het intikken: vrijers, ongedwongenen of – aanval is de beste verdediging – vennoten.
Letterlijk alles is beter dan de tweerelatie. Het achtervoegsel -schap biedt partners de mogelijkheid dat aspect van hun relatie te benadrukken dat hen het meest bindt: vrijschap, eetschap, reis-, studeer- of mediteerschap.

Sprookjes
Hoe komt trouwens een nieuw woord in onze taal? Er valt een vergelijking te maken met sprookjes, namelijk in het onderscheid tussen volkssprookjes en cultuursprookjes. Die eerste groep bestaat uit verhalen die in de cultuur van een gemeenschap, een dorp, een streek bestaan. Ze worden van generatie op generatie overgedragen, anoniem want ofwel de maker is onbekend ofwel er is in de loop van al dat doorvertellen zó veel veranderd dat er geen sprake is van één maker. Ze worden op dorpspleinen verteld door rondtrekkende sprooksprekers en zijn zelden schriftelijk vastgelegd, tot iemand zich over het ‘Gesunkenes Kulturgut’ ontfermt.
Zo komen we dankzij de verzameldrift van Charles Perrault (1628-1700) aan de Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye (1697), bij ons bekend als de Sprookjes van Moeder de Gans, en dankzij het speurwerk van Jacob en Wilhelm Grimm aan de Kinder- und Hausmärchen (1812-1822), de Sprookjes van de Gebroeders Grimm.

De in 1985 verschenen bundel Alle Sprookjes van de Lage Landen, verzameld door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar, bevat, blijkens de tekst op het omslag, “500 volksverhalen. Het gaat om sagen, legenden en sprookjes die in de Lage Landen eeuwenlang mondeling zijn overgeleverd en pas later opgeschreven.”
Daar tegenover staan de vertellingen die welbewust als sprookjes geschreven zijn en van wie dus de auteur bekend is. De beroemdste van hen is waarschijnlijk de Deen Hans Christiaan Andersen. In het Nederlands zijn er veel sprookjes van de hand van Godfried Bomans, maar ook Jan Wolkers en Freek de Jonge horen tot de eigentijdse sprooksprekers.

Samenheid
Zoals er volkssprookjes en cultuursprookjes bestaan, zo zijn er ook woorden die zich, zonder dat hun herkomst duidelijk aan te wijzen is, een plaats in het taalgebruik veroveren, en woorden die voor officieel gebruik gecreëerd zijn.
Voorbeelden van de eerste groep zijn drijfsijssie (voor eend) en docudrama (door acteurs nagespeeld maar waar gebeurd verhaal), tostieijzer (voor zonnebank) en punkette (jong punkmeisje). Zulke woorden zijn allicht ooit door iemand bedacht, althans voor het eerst gebruikt, maar hebben langzamerhand een groter publiek bereikt – bijvoorbeeld doordat Carmiggelt ze in een van zijn stukjes vermeldde – en daarmee hun bestaansrecht bewezen.
Niemand heeft doeg of doei – of, erger nog, doedoei – zitten bedenken, maar het is uit het huidige Nederlands niet meer weg te denken.

De tweede groep omvat woorden die welbewust – maar niet altijd even weldoordacht – door iemand zijn neergepend. De belangrijkste leveranciers daarvan zijn de commercie (kakelvers, woonwarenhuis, Eterie), wetenschappelijke publicaties (woonomgevingsgevoeligheid) en politieke en ambtelijke stukken.
Vlak vooral die laatste bron niet uit. Daar wordt veel taal gemaakt, maar zelden echt bruikbare. Het toenmalige ministerie van WVC, bijvoorbeeld, bracht eens een ‘Medelanders- nota’ uit (medelanders, voor alle duidelijkheid, zijn niet-Nederlanders die, mede met de wel-Nederlanders, in ons land wonen). De schepper van dat woord vond wellicht dat hij, zeker voor een ambtenaar, een hele vondst gedaan had, maar brede ingang heeft het nooit gevonden, ook niet toen Teleac de cursus Medelanders-Nederlanders ging uitzenden.
En vervolgens drong hetzelfde ministerie – en misschien wel dezelfde ambtenaar – een tweede term in deze context aan ons op: samenheid. De eerste zinnen van de bijbehorende folder luiden: ‘Het woord samenheid bestaat niet echt. Toch zal iedereen aanvoelen wat ermee bedoeld wordt.’ Dat is een onbewezen stelling, die overigens niet meer of minder gewaagd is dan mijn stelling dat het woord samenheid nooit een plaats zal vinden in ons dagelijks spraakgebruik. En daar helpen geen dure reclamecampagnes en televisiespots aan.
Dat is het lot van woorden waar niemand om gevraagd heeft.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 20 + 16 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)


  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives