Utopia en omstreken: imaginaire gebieden

No comments yet

Behalve fictieve personen, zoals Anton Steenwijk en Josef K., David Copperfield en Nathan Sid, heeft de literatuur ook fictieve steden en landen opgeleverd. Lewis Carroll liet Alice haar avonturen beleven in Wonderland, Jonathan Swift stuurde Lemuel Gulliver in Gulliver’s Travels (1726) onder meer naar Lilliput, Brobdingnag, Lagado, Glubbdubrib en Houyhnhnmland.
J.R.R. Tolkien creëerde voor de In de ban van de ring-cyclus (1954-1955) zelfs een hele mythologie, inclusief landkaarten en taal, rond Middle-earth. Dat leverde welluidende namen op als Esgalduin, Nanduhirion, Angrenost en Nimrodel.

En zoals sommige fictieve personages, zoals de Jan en Erik in het werk van Wolkers, de Gerard in dat van Reve en de Maarten in dat van ‘t Hart, dicht in de buurt van het levende voorbeeld blijven, zo is in sommige van die fictieve gebieden zonder veel moeite de woonomgeving van de auteur te herkennen.

De Amerikaanse schrijver William Faulkner, geboren in de zuidelijke staat Mississippi, situeert een deel van zijn romans in het niet-bestaande Yoknapatawpha County, een streek in het noorden van Mississippi. En het Lahringen uit Vestdijks Anton Wachter-romans ligt wel erg dicht bij het Harlingen waar de schrijver geboren werd.

Maar een groot deel van die steden, streken en landen zijn speciaal voor het literaire werk bedacht en in het register van niet één atlas terug te vinden. Nou, drie dan: in de Amerikaanse Dictionary of Imaginary Places (1980), in Umberto Eco’s De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen (2013) en in de Atlas van imaginaire landen (2016) van Dominique Lanni.

The Shangri-Las

Het aardige is dat die bedachte plaatsen soms een eigen leven zijn gaan leiden. Een mooi voorbeeld daarvan is Shangri-La, de lusthof in de roman Lost horizon (1933) van de Engelse schrijver James Hilton. Shangri-La, dat vermoedelijk ergens in Tibet ligt, is synoniem geworden met ‘paradijselijk oord’ en liet in die betekenis veel sporen na in de popmuziek. In de jaren vijftig ontstond in Amerika de meisjesgroep The Shangri-Las, die, behalve om hun suikerspinkapsels en zuurstokkleurige strechtbroeken, bekend werden met o.a. Remember (walking in the sand) en I can never go home anymore. The Kinks hadden in 1969 een hit met Shangri-La, de Nederlandse Elvis Presley, Jack Jersey, zette het bijna onuitspreekbare Sri Lanka, My Shangri-La op de plaat en in 1988 vertegenwoordigde Gerard Joling ons land op het Eurovisie Songfestival met Ik wil terug naar Shangri-La.
En om in de popmuziek te blijven: Xanadu, dat in 1968 de kleurrijke Britse groep Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick & Titch inspireerde tot The legend of Xanadu en in 1980 een hit opleverde voor Olivia Newton-John, stamt uit het (onvoltooid gebleven) gedicht ‘Kubla Khan’ van de Engelse poëet Samuel Taylor Coleridge (1772-1834), waarvan de eerste regels luiden: In Xanadu did Kubla Khan a stately pleasure-dome decree. Het moet waarschijnlijk in China gezocht worden, niet ver van Shangri-La. En ook het enorme landhuis van Charles Foster Kane in de film Citizen Kane (1941) van Orson Welles heet Xanadu.

Een vervolg van geheel andere orde kreeg Thule. Dat is de naam die in de klassieke oudheid gegeven werd aan een eiland dat zes dagen zeilen ten noorden van Schotland heette te liggen en dat als het einde van de wereld beschouwd werd. Sommige schrijvers zagen IJsland er voor aan, andere Shetland of zelfs de kust van Noorwegen. Het werd vooral bekend in de uitdrukking Ultima Thule – ‘het einde van de wereld’ – en komt in die zin al voor bij de Romeinse schrijvers Virgilius en Seneca.
In navolging van chemische elementen als berkelium en ytterbium, die hun naam kregen van de plaats waar ze gevormd werden (respectievelijk Berkeley in Californië en Ytterby in Zweden), dankt thulium zijn naam aan Thule. Het moet het enige chemische element zijn dat naar een niet-bestaande plaats vernoemd is, al gebiedt de volledigheid te wijzen op het element thorium, genoemd naar een fictieve figuur, de Germaanse dondergod Thor.

Het bekendste literaire land is waarschijnlijk Utopia (1516), het droomeiland uit het gelijknamige werk van Thomas More waar de ideale maatschappij zetelt. De naam is opgebouwd uit twee Griekse woorden, ou (niet) en topos (plaats), en kan dus vertaald worden met ‘Nergensland’. Het is niet alleen het bekendste, ook het invloedrijkste. Utopia komt ook voor in andere literaire werken – in Rabelais’ Gargantua en Pantagruel (1532-1564), bijvoorbeeld, waarin de laatste van deze twee reuzen het eiland bezoekt – en heeft een heuse utopische stroming in de literatuur op gang gebracht, met alle namen van dien. Daaronder valt Shangri-La, alsook het Oceana uit James Harringtons The Commonwealth of Oceana (1656) en het Macaria (letterlijk: Zaligland) van de Duitser Caspar Stiblinus.

Maar er ontstond ook een stroming tegen al dat idealisme, en zo ontstond het begrip ‘distopia’.
Zo’n anti-utopia werd onder meer uitgewerkt door Samuel Butler, die zijn visie op de zorgenvrije gemeenschap geeft in Erewhon (1872), een anagram van nowhere. En ene E. Callenbach publiceerde in 1975 Ecotopia, waarin de overindustrialisatie van onze maatschappij wordt bekritiseerd (eco stamt van het Griekse oikos – ‘huis(gezin), familie’ – en komt tegenwoordig veel voor in samenstellingen die op het milieu betrekking hebben, zoals ecosysteem en ecotax).
Ook in de Nederlandse letteren zijn fictieve plaatsen geschapen. De Zwolse chirurgijn Hendrik Smeeks beschreef een imaginaire reis in Beschryvinge van het Magtig Koninkryk Krinke Kesmes (1708). Mooi zijn ook de twee namen in Simon Stijls toneelstuk De Torenbouw van het Vlek Brikkekiks in het landschap Batrachia (1787), een satire op de aanhouding van prinses Wilhelmina bij Goejanverwellesluis in dat jaar. Batrachia betekent ‘Kikkerland’ en in die context is Brikkekiks te interpreteren als kikkergekwaak.

De strijd tussen patriotten en orangisten speelde een rol in Reize door het Aapenland (1788), dat op naam staat van J.A. Schasz, M.D. Het is, net als bijvoorbeeld Gulliver’s Travels, een satirisch imaginair reisverhaal, een genre dat hem blijkbaar goed beviel, want hij schreef ook Reize door het Wonderland (1780) en Reize door het Land der Vrijwillige Slaaven (1790).
Belcampo geeft een beeld van de wereld in het jaar 12.000 in zijn verhaal Voorland (1935), maar de aardigste in het Nederlands komen van de dichter Jean Pierre Rawie. Die woont in Groningen, maar hij wil daar in de datering van zijn brieven nog wel eens op variëren. In het door Boudewijn Buch samengestelde promotieboekje Buch Boeket 1 begint een brief van Rawie aan zijn uitgever met ‘Gromsk II IX MCMLXXXV’. Later verstuurde hij ook wel brieven vanuit Groomsbury, waarin behalve Groningen ook Bloomsbury doorklinkt, de kunstenaarswijk in Londen waaraan de Bloomsbury-groep rond Virginia en Leonard Woolf en Lytton Strachey haar naam ontleent.

Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar Lake Wobegon, het bescheiden plaatsje – smalltown in het Amerikaans – in de Amerikaanse staat Minnesota waar Garrison Keillor zijn Lake Wobegon Days (1985) gesitueerd heeft. Niet alleen omdat ik het persoonlijk bezocht heb (wat bij mijn weten de enige keer geweest is, dat ik in een fictief gebied liep), maar ook omdat er zo’n mooie vertaling van bestaat. In het Wobegon-meer waarnaar het dorp is genoemd, is zonder veel moeite de uitdrukking wo(e)begone te herkennen: treurig, somber, naargeestig, getroffen, bezocht.
Omdat Lake Wobegon niet ver onder de grens met het tweetalige Canada ligt, heeft het ook een Franse naam. Onder verwijzing naar Lac Majeur staat het neerslachtige oord ook bekend als Lac Malheur.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Comments

Leave a Reply





What is 20 + 2 ?
Please leave these two fields as-is:
IMPORTANT! To be able to proceed, you need to solve the following simple math (so we know that you are a human) :-)


  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives