Vlaggen & vaandels, lappen stof met een bijzondere lading


De Ridderzaal, 1651. collectie Rijksmuseum

Het veroveren van een vlag, vaandel of standaard op de vijand is al een eeuwenoude oorlogshandeling. Zo hadden de Romeinen hun legioenstandaarden met in top de aquila, de samoerai droegen de mon oftewel familiewapen op hun vlag en de VOC had het bekende monogram verwerkt in de witte baan van de Nederlandse vlag. In Europa, Midden-Oosten en Azië hadden vlaggen gelijkwaardige functies en gebruiken, zowel in vestingen, als op schepen en slagvelden. Vaak waren ze voorzien van een wapen of symbool in felle kleuren. Eigenlijk was het niets anders dan een simpel communicatiemiddel waarmee men op afstand kon aangeven wie men was en wat men wilde. Vlaggen konden daarbij ook een grote symbolische waarde krijgen. Bijvoorbeeld als zij een wapen van een heerser mochten voeren of een symbool van een speciale eenheid. Vlaggen met een rijke historie werden gekoesterd en met groot respect behandeld. Deze werden doorgaans dan ook verdedigd tot de dood erop volgde. Het neerhalen van een vlag door de vijand betekende dat zij waren doorgedrongen tot in het hart van de verdediging en dat de strijd grotendeels gestreden was. Het buitmaken van een vlag op de vijand werd gezien als een daad van moed. Vele vlaggen werden na hun verovering vaak opgehangen als trofee. Zo hing de ridderzaal in het Binnenhof vol met veroverde vlaggen en vaandels.

Het verdedigen en beschermen van de vlag, waarmee een persoon of eenheid was verbonden, werd ook gezien als een daad van moed en trouw. Dat het geen oud en stoffig gebeuren was, bewijst luitenant-kolonel W.F. Hennink, hij werd benoemd tot Ridder in de Militaire Willems-Orde 4e klasse voor zijn daden in de meidagen van 1940. Een van deze daden was het behouden van de regimentsvlag.

Vanaf 1815 tot aan de tweede wereldoorlog werden 39 personen benoemd tot Ridder in de Militaire Willems-Orde voor verrichtingen waarbij een vaandel, standaard of vlag een rol speelde.
– 18 gevallen voor het plaatsen van een vaandel, standaard of vlag.
– 16 gevallen werd een vaandel, standaard of vlag veroverd van de vijand.
– 5 gevallen werd het eigen vaandel gered.

Het betreffen 19 officieren, 2 adelborsten en de overige zijn onderofficier, 13 van deze benoemingen behoren tot het onderdeel marine.

Vaandel van het Korps Marechaussee te voet van Atjeh en Onderhorigheden, voorzien van de Militaire Willems-Orde. Collectie Museum Bronbeek

Een ander bekend verhaal over het beschermen van een vlag of vaandel is het relaas van 1e luitenant van het korps marechaussee L.C.G.F. Onvlee. Vlak voor de Japanse inval in Nederlands-Indië was er een oorlogsbevel uitgevaardigd, waarin het inleveren van de vaandels en vlaggen was geregeld. Onvlee kon ternauwernood het vaandel van zijn korps uit handen van de snel oprukkende Japanse troepen houden. Door het vaandel in zijn hoofdkussen te naaien, overleefde deze samen met Onvlee de Japanse gevangenschap.

Het betreffende vaandel en de daaraan hangende Militaire Willems-Orde waren pas 12 jaar ervoor, 2 april 1930, door koningin Wilhelmina aan het korps geschonken. Het was in een periode waarin relatieve rust heerste in Atjeh. De periode dat het korps zelf vlaggen en vaandels buit maakte, behoorde inmiddels tot een grijs verleden.

Teungkoe di Tiro en de geschonken vlag door G.C.E. Van Daalen
Van de vele veroverde vlaggen is er een die mijn persoonlijke aandacht trekt. De vlag is ooit buitgemaakt tijdens de Atjehoorlog, een oorlogsvlag die verbonden is aan teungkoe di Tiro. De vlag maakte eerst deel uit van de collectie van het Koninklijk Bataviaasche Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in de wijk Weltevreden in Batavia, het hedendaagse Jakarta. In het gebouw is nu het Nationaal Museum van Indonesië gevestigd. Van Daalen verzamelde vele objecten in twee- of drievoud. Deze gehele collectie werd in zijn geheel overgedragen aan het Koninklijk Bataviaasche Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. De vlag maakt op dit moment deel uit van de collectie van het Nationaal Museum van Wereldculturen te Leiden. Volgens de registers, werd de vlag op 1 maart 1904 ingeschreven in de collectie van het Volkenkundig Museum te Leiden.

De vlag is gemaakt van rood en wit katoen, voorzien van 2 sabels in wit katoen. Op de vlag is een witte baan katoen aangebracht met een tekst in Arabisch schrift in rood katoen: ‘Inilah alamat alam teungkoe di Tiro’. De vertaling luidt: ‘Dit is het teken van de vlag van teungkoe di Tiro’. De vlag is een goede conditie en de rode kleur is niet gaan vervagen. Dit laatste is redelijk opmerkelijk, want de rode pigmenten zijn het eerste die verkleuren door de uv-stralen in het zonlicht. Dit kan duiden op en relatief korte periode tussen vervaardigen en het buit maken door de koloniale troepen. Aankoop van de vlag door Van Daalen of een van zijn manschappen lijkt zeer onwaarschijnlijk. Verder zijn er twee, bijna identieke, gaten te zien. Er is niet veel fantasie nodig om te suggereren dat het om kogelgaten gaat.

De vlag vertoont veel gelijkenissen met de rode rijksvlag van Atjeh. De dubbele sabel is aanwezig, echter deze zijn niet met elkaar verbonden zoals die op de rijksvlaggen.

De Arabische tekst op de vlag benoemt de naam van een belangrijke persoon di Tiro uit de Pedië streek in noord Atjeh, daarnaast de titel van deze persoon, teungkoe ofwel religieus leider.

De hierboven weergegeven stamboom van de ‘Di Tiro Teungkoes’, geeft een goed overzicht weer van de belangrijkste leden van de familie. Tevens wordt het trieste resultaat duidelijk van de contraguerrilla, die het korps marechaussee teweegbracht.

In het overzicht staan de namen op de oude Nederlandse wijze gespeld. Teungkoe Tjhèh Saman wordt tegenwoordig teungku Chik di Tiro genoemd, alias teungkoe di Tiro. Hij was een van de belangrijkste verzetsleiders uit het begin van de Atjeh-oorlog. Volgens de Atjehse overlevering is hij vergiftigd door Nederlandsgezinde Atjeher en stierf in 1891. Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon teungkoe Mat Amin. Hij sneuvelde in de nacht van 28 op 29 juni 1896 in Aneu Galong, samen met ruim 110 van zijn strijders. Dagen hiervoor trokken 3 colonnes, onder leiding van kolonel J.W. Stemfoort, erop uit om Rahat en Sibreh te tuchtigen en vesting Aneu Galong te overmeesteren. De eerste colonne stond onder leiding van luitenant-kolonel Van Heutsz, met kapitein G.C.E. Van Daalen als chef-staf. Het korps marechaussee bestond uit 12 brigades onder leiding van kapitein G.J.W.C.H. Graafland. Zij waren voornamelijk betrokken bij de inname van Aneu Galong. Volgens een brief van Van Daalen aan zijn vrouw, d.d. 5 juli 1896, was Van Daalen actief betrokken bij de overmeestering van Aneu Galong.

 

Voorbeelden rijksvlag, collectie Nationaal Museum van Wereldculturen

De vlag die door Van Daalen is geschonken aan het Bataviaasche Genootschap kan goed mogelijk zijn buitgemaakt bij de overmeestering van de vesting Aneu Galong. Dat zou dan betekenen dat de vlag werd gevoerd door teungkoe Mat Amin, de zoon van teungkoe Tjhèh Saman ofwel Teungkoe di Tiro. De tekst op de vlag: “Dit is het teken van de vlag van Teungkoe di Tiro”, moet niet letterlijk worden geinterpreteerd. Deze toeschrijving wordt ook op de vele zegels gevonden, die op officiële Atjehse brieven en documenten werden gebruikt. Het was zeker niet ongebruikelijk zegels, vlaggen en wapens van de voorouders in een volgende generatie te gebruiken. Het zou dus daadwerkelijk om de vlag kunnen gaan, die teungkoe Tjhèh Saman alias Teungkoe di Tiro vertegenwoordigt of is vervaardigd in de periode dat teungkoe Tjhèh Saman de scepter zwaaide. Ook Snouck Hurgronje schreef in deel I van zijn boek de Atjèhers, dat teungkoe di Tiro en teungkoe Tjhèh Saman dezelfde persoon waren. De bijnaam, of eigenlijk de officieuze titel ‘teungkoe di Tiro’, ging na overlijden van het hoofd van de familie niet automatisch over naar de eerst opvolgende in lijn van de familie. Daarnaast is het uitgesloten dat andere leden van de familie deze titel of bijnaam konden gebruiken, zonder dat hier overeenstemming over was bereikt. De vader van teungkoe Mat Amin, teungkoe di Tiro, voerde vanaf 1880 een heilige oorlog tegen de ongelovigen, zoals de Nederlandse kolonialen werden genoemd. Hij werd door de Nederlanders en Atjehers gezien als de belangrijkste van de Di Tiro’s. Zijn beweegredenen om te vechten en te sterven in de strijd werden door zijn zonen en kleinzonen overgenomen. Op 6 november 1973 werd teungkoe Tjhèh Saman oftewel teungku Chik di Tiro alias teungkoe di Tiro, bij presidentieel besluit postuum benoemd tot ‘Held van Indonesië’.

Lees meer: https://kleinnagelvoort.wordpress.com/

Bronnen
200 jaar Militaire Willems-Orde, Rogier Rijpkema, Jaap Cuperus
Moed, Beleid en Trouw, verzameling dagorders, 1939
Vaandel van het Korps Marechaussee van Atjeh, G.A. Geerts
De Atjèhers, C. Snouck Hurgronje
Inventarisboeken Atjehmuseum
Rijksmuseum Amsterdam, SK-C-1350
Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-1429-212
Nationaal Museum van Wereldculturen, TM-674-730
Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-163-45
Nationaal Museum van Wereldculturen, RV-3600-973
Atjeh, J. Kreemer
Marechaussee in Atjeh, M.H. Du Croo
Atjeh, H.C. Zentgraaff
Delpher, krantenarchief