High Amsterdam ~ Van RoXY tot regelgeving

Foto: Jan Carel Warffenius. RoXY 16 juli 1989

Foto: Jan Carel Warffenius. RoXY 16 juli 1989

De plotselinge doorbraak van house zette het Amsterdamse uitgaansleven in de zomer van 1988 volledig op z’n kop. House ontketende een onstuitbare dansrage die samen met ecstasy stormenderhand het uitgaansleven veroverde. De ‘houserevolutie’ symboliseerde het omkeerpunt tussen de politiek roerige jaren tachtig en het begin van een nieuw tijdperk waarin de stad weer economisch elan wilde gaan uitstralen. In dit hoofdstuk wordt in grote lijnen de geschiedenis van het housetijdperk in de periode 1988-1994 geschetst. Net als bij voorgaande dansrages (onder andere twist, rock-’n-roll en disco) verloopt de houserage, aldus Mutsaers (1998) in drie vergelijkbare stadia:

(1) een verkennende fase (1987-1989) waarin trendsetters en -volgers iets nieuws ontdekken en gaan cultiveren;
(2) house breekt door als mainstream (1990-1992) en wordt door ‘iedereen’ opgepikt; en
(3) consolidering, grootschaligheid en problematisering (afbraakfase) van house als allesoverheersende stijl na 1993.

In 1995 resulteren de door de media gerapporteerde (drugs)excessen, verloedering en een forse stijging van gezondheidsincidenten in wettelijk vastgelegde voorwaarden voor het organiseren van houseparty’s. De ontwikkeling van house in het Amsterdamse uitgaansleven loopt gedeeltelijk parallel aan de drie geschetste stadia.

Omdat we in de context van dit hoofdstuk niet alleen kijken naar het verloop van een dansrage, maar evenzeer naar de veranderende infrastructuur van het uitgaansleven, spreken we hier liever van:

(1) een undergroundfase, met een amalgaam van nieuwe spontane uitgaansculturen die voor een belangrijk deel in de illegaliteit plaatsvinden;
(2) een transitiefase – tussen underground en mainstreaming – waarin de eerste contouren van een gedifferentieerde housecultuur zich beginnen af te tekenen en ecstasy zich begint te verspreiden over de verschillende uitgaansmilieus; en ten slotte
(3) de mainstreaming en professionalisering van de housecultuur als beginpunt van een voortschrijdende schaalvergroting in de periode na 1995.

De overgangsfases tussen de periodes worden gekenmerkt door nieuwe ontwikkelingen en fenomenen zoals het ontstaan van een (nieuwe) kritische feestmassa met nieuwe feestlocaties, een grote media-aandacht, de snelle verspreiding van ecstasy naar andere groepen en de volwassenwording van de housecultuur, wat uiteindelijk zou uitmonden in de politieke en strafrechtelijke wens tot nieuwe regelgeving. We zullen in grote lijnen het verloop van de ‘houserevolutie’ schetsen aan de hand van journalistieke reportages en (anekdotische) literatuur (Adelaars, 1991; De Wit, 2008; Giele, 2003; Terphoven & Beemsterboer, 2004; Van Veen, 1994, 2004). Voorts zal gebruik worden gemaakt van de eerste sociaal-wetenschappelijke studie (Korf et al., 1991) naar de aard, verspreiding en risico’s van ecstasy op (il)legale housefeesten in Amsterdam, de studies van Fromberg (1991) naar het ‘fenomeen’ ecstasy en een muzieksociologische invalshoek van Mutsaers (1998) naar dansrages in Nederland.

Nulpunt 1987: de undergroundfase
De ontstaansgeschiedenis van de RoXY belichaamde de essentie van de Amsterdamse kunstscene in de jaren tachtig. Medeoprichter en autonoom kunstenaar Peter Giele was daarvan een typische exponent: een gangmaker bezield met een euforische energie en onder andere betrokken bij Galerie Aorta in het gekraakte NRC-Handelsbladgebouw, op een steenworp afstand van het Paleis op de Dam. Het maatschappelijk engagement van deze kunstscene leverde allerlei nieuwe artistieke initiatieven buiten het gevestigde kunstmilieu op die ook de aandacht van buitenstaanders wisten te trekken (Duivenoorden, 2000). Giele als rumoermaker en stadsnomade, die al struinend door de stad zijn ogen goed de kost gaf, belandde tijdens een van zijn zwerftochten in 1986 met een vriend bij toeval in kledingzaak Roxy in de Kalverstraat.[i] Nieuwsgierig openden de mannen een half openstaande deur achterin de winkel en stuitten op een grote duistere ruimte. “We hoorden duiven fladderen en roken een muffe lucht. Met een zaklantaarn van de eigenaar zijn we naar achter gegaan en ontdekten een oude bioscoop. De projector stond er nog. Over een paar treetjes zijn we naar beneden geklommen en in de oude bioscoop gaan zitten. We besloten dat dit de grootste snackbar van de wereld zou worden” (Giele, 2003:61).

Een snackbar werd het niet, want daar had Amsterdam er al genoeg van. Samen met enkele kompanen vatte hij het plan om een ‘club de salon’ te starten. Want daaraan ontbrak het in de stad die was verteerd door een jarenlange hardnekkige economische crisis en een permanente ‘strijd om de straat’ met de radicale kraakbeweging. De onverwachte ontdekking van een grote lege bioscoop – gelegen tussen Leidseplein en Rembrandtplein – leidde tot een stortvloed aan wilde plannen bij een groep creatieve smaakmakers met een achterban in het homo-, kraak- en feestmilieu. Het was een ongeorganiseerd samenraapsel van mediatypes, artistiekelingen en exponenten uit de underground- en feestscene van de voormalige Koer en Pepclub. Men was het unaniem met elkaar eens dat het uitgaansleven in Amsterdam nieuw leven moest worden ingeblazen met dj’s, shows, acts en feesten, die het midden hielden tussen gezelligheid en avant-gardisme. De RoXY moest een nieuw trefpunt worden, maar anders dan Paradiso, waar de grote zaal na elk concert binnen een mum van tijd werd leeg geveegd door norse portiers. Tegelijk wilden de oprichters ook voorkomen dat de nieuwe club na de opening in oktober 1987 meteen al een ‘gelikt’ en ‘poenerig’ imago zou krijgen. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Het nieuwe Amsterdamse uitgaansleven

Foto: Archief Speedfreax

Foto: Archief Speedfreax

Elke stad heeft wel iets unieks. Sommige steden ogen mondain en elegant, andere sjofel en grauw. Ondanks hun onderlinge verschillen hebben alle steden echter twee dingen gemeen: ze zijn een concentratiepunt van gebouwen, bedrijvigheid en cultuur, maar evenzeer van mensen, sferen en emoties. De Certau (1984) spreekt in dit verband van de ‘duale stad’. Aan de ene kant is er de ‘concept city’ van planners, projectontwikkelaars en statistici, aan de andere kant de ‘experimental city’ ofwel de ervaringsstad, waarin het vooral draait om de ‘urban experience’ van mensen van vlees en bloed (Hayward, 2004). Deze dualiteit was in het Amsterdam van de naoorlogse jaren zestig, zeventig en tachtig zelden in balans en werd in het publieke domein uitgevochten tussen opstandige jongeren en de lokale overheid (hoofdstuk 4). De sociaal geograaf Mamadouh (1992) heeft deze dualiteit geduid als de spanning tussen orde en planning enerzijds en wanorde en avontuur anderzijds. In de terminologie van de Amerikaanse schrijver Raban (1988) stond de functionele ‘hard city’ tegenover de romantische ‘soft city’.

Voor het begrijpen van de ontwikkelingen in het Amsterdamse uitgaansleven vanaf het midden van de jaren negentig is inzicht in de ‘harde stad’ onontbeerlijk – die beschouwen we in dit hoofdstuk primair als de context waarbinnen de ‘zachte stad’ zich manifesteert. Onze focus ligt bij de dynamiek van de ‘zachte stad’, met haar concentratie van smaakculturen, stedelijke ervaringen en de consumptie van (culturele) goederen en diensten. De stad als ‘urban labyrinth’ (Raban, 1988), podium voor een hybride ‘mix ’n match’ van leefstijlen (Redhead, 1997), de stad als ‘show’ (Calafat et al., 2004), waarbij experimenteel, carnavalesk en irrationeel gedrag de spiegel vormt van de economische orde (Shields, 1991).

De talrijke uitgaansgelegenheden in Amsterdam hebben een hoge attractieve waarde voor stedelingen, stappers en toeristen, maar leggen ook een grote druk op de lokale overheid. Economische belangen en beheersend stadsmanagement staan daarom niet zelden op gespannen voet met elkaar (Van Calster et al., 2008). Want niet alleen de stad en de gebouwen zijn groter geworden, hetzelfde geldt voor de menigtes. Metz (2002) signaleert een duizelingwekkende verveelvoudiging van evenementen in de jaren negentig. De Amsterdamse stadssocioloog Deben (2007) spreekt in dit verband over een ‘kolonisering’ van de stad door bezoekers, stappers, avonturiers en sensatiezoekers die de stad overspoelen.

Van werkstad naar pretstad
Na een tussentijdse daling is het aantal inwoners van Amsterdam sinds het eind van de jaren negentig weer gegroeid, naar tegenwoordig zo’n 750.000 inwoners (O+S, 2009). Amsterdam mag dan een flink maatje kleiner zijn dan Berlijn, Barcelona, Londen en New York, de stad heeft wel degelijk kosmopolitische trekken en oefent een sterke mondiale aantrekkingskracht uit. Misschien heeft de hoofdstad van Nederland de uitstraling van een werelddorp, maar ze is daarom niet minder trots op haar historie, pluriformiteit en eigenzinnigheid. Het marktdenken is de afgelopen decennia een fundamentele drijfveer en motor van nieuwe impulsen in steden (Hayward, 2004; Soja, 2000). Net als bij andere globale steden zijn technologische vernieuwing en economische schaalvergroting niet aan Amsterdam voorbij gegaan. De stad als podium voor en object van modernisering bij uitstek, waar innovatie zich vaak als eerste voltrekt (Boomkens, 1998). De economische kracht van Amsterdam schuilt volgens Castells (2000) voor een belangrijk deel in de infrastructuur van (tele)communicatie en technologiebedrijven, die met dienstverlening, entertainment en een bloeiende toeristenindustrie wordt gecomplementeerd. Naast de problematische uitwassen van de consumptiemaatschappij wijst Hayward (2004) op de bruisende sociale en culturele dynamiek in steden. Het Amsterdamse toeristenbureau heeft voor de beginjaren van het nieuwe millennium becijferd dat er 3,2 miljard euro zal worden gespendeerd aan vrije tijd, waarvan meer dan de helft in de binnenstad (Metz, 2002).

Amsterdam heeft zich van industrie- en werkstad in sneltreinvaart ontpopt tot bruisend uitgaanscentrum en ‘pretstad’ (Brunt, 1996). Soberheid en beheersing hebben door de stijgende welvaart plaatsgemaakt voor een cultuur waarin consumptie, expressie, vermaak en hedonisme centraal staan (vgl. Featherstone, 1991; Hayward, 2004; Maffesoli, 1997). De expansie van horecagelegenheden, terrassen, lounges, hippe kleding- en designwinkels en de gestage uitbreiding van stadsstranden zijn hier zichtbare voorbeelden van. In Cities in civilization wijst Hall (1998) op de innovatieve en creatieve verbeelding en verleidingskracht van geconcentreerde urbane face-to-face activiteiten in het publieke domein. Hoe groter immers de variatie, hoe spannender de stad, hoe interessanter het experiment en hoe intenser de ervaring.

De economische voorspoed in de jaren negentig heeft veel Amsterdammers geen windeieren gelegd. De koopkracht van werkende Amsterdammers ligt boven het landelijk gemiddelde. In het stadscentrum zijn de inkomens en de koopkracht hoger dan in veel andere stadsdelen (O+S, 2007). Het stadsbestuur is ervan doordrongen dat de stad wel vaart bij een florerende creatieve sector. Van alle banen binnen de creatieve industrie in Nederland is 15% in Amsterdam te vinden. Met 30.000 banen behoort de branche tot de middelgrote sectoren in de Amsterdamse economie, vergelijkbaar met horeca, vervoer en onderwijs (Hodes, 2005).

De discussie over creativiteit en steden wordt zeker al vanaf de jaren zestig gevoerd, maar de vernieuwing van de Amerikaanse econoom Florida (2004) is dat hij een relatie heeft gelegd tussen technologische innovaties, creativiteit en de afname van fysieke stedelijke beperkingen. Een brede creatieve klasse is een belangrijke impuls voor economische groei: creatief talent genereert geld. Net als andere wereldsteden drijft Amsterdam in toenemende mate op de creatieve industrie (entertainment, media, reclame, film). Het succes van deze sector wordt bepaald door de drie T’s: technologie, talent én tolerantie. De creatieve klasse wil vooral wonen en werken in een stad die open en tolerant omgaat met alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Jonge stedelingen gedijen goed in een stad die etnisch divers is en veel heterogene leefstijlen vertegenwoordigt (Musterd, 2004). Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

High Amsterdam ~ De drugsmarkt van de Amsterdamse uitgaanswereld

Archief LFO (Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen ~ Cocainebolletjes

Archief LFO (Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen ~ Cocainebolletjes

Drugs verschijnen in allerlei varianten op de Amsterdamse markt. Sommige worden slechts mondjesmaat of gedurende een korte periode gebruikt (zoals bepaalde varianten van ecstasy en diverse psychedelische drugs), andere worden wel genomen, maar niet of nauwelijks door het uitgaanspubliek (vooral heroïne en basecoke of crack). Weer andere middelen worden wel door uitgaanders gebruikt, maar zelden of nooit tijdens het uitgaan (bijvoorbeeld paddo’s).

Dit hoofdstuk vormt de opmaat tot een meer gedetailleerde beschrijving en analyse van de markten in latere hoofdstukken. De veelgebruikte legale middelen alcohol, tabak en cannabis laten we buiten beschouwing. De focus ligt op andere drugs die in de periode 1994-2008 gedurende kortere of langere tijd het Amsterdamse uitgaansleven hebben gekleurd, te weten een drietal stimulantia (ecstasy, cocaïne en amfetamine) en drie narcosemiddelen (lachgas, GHB en ketamine).

Amsterdamse drugsmarkt onderverdeeld in vier producttypen (branches), in volgorde van omvang
Cannabismarkt: hasj, marihuana en bewerkte producten als ‘spacecake’, cannabislollies en dergelijke; deze markt manifesteert zich op consumentenniveau primair in coffeeshops.
Stimulantiamarkt: ecstasy (MDMA) en ecstasyachtigen met voornamelijk een stimulerende werking, cocaïne en (meth)amfetamine.
Narcosemarkt: GHB, ketamine en lachgas.
Smartshopmarkt: voornamelijk natuurlijke, stimulerende en lustopwekkende middelen die vaak in bewerkte vorm aangeboden worden en (mild) psychedelische middelen (tot eind 2008 bovenal paddo’s).

Kleinere markten:
Trippers: LSD, DMT, mescaline, en ecstasyachtigen met voornamelijk een psychedelische werking.
Erectogenen: poppers, yohimbe, viagra(achtigen).
Exotica: stimulerend (onder andere cocablad en khat), sederend (opium) of hallucinerend (onder andere ibogaïne, ayahuasca, peyote en san pedro).

Bovenstaande indeling van de Amsterdamse drugsmarkt in producttypen sluit grosso modo aan bij de segmentering in het aanbod, althans bij de verkoop aan consumenten. Op het niveau van de detailhandel is er wel enige overlap, onder andere tussen de stimulantia- en de narcosemarkt, maar over het geheel genomen is er sprake van een scheiding in aanbod. Dit zegt overigens nog niets over de segmentering of juist de gecombineerde handel in de hogere echelons.

Indicatoren van een dynamische gebruikersmarkt
Omdat veruit de meeste drugs illegaal zijn, kunnen er – in tegenstelling tot alcohol en tabak – nooit precieze omzet- en productiecijfers worden geraadpleegd. We moeten ons daarom vooral richten op periodieke kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en relevante ad hoc studies. Samen indiceren ze de huidige marktcondities en veranderingen in vraag en aanbod op termijn. Voor een beschrijving van de eerdergenoemde drugs maken we gebruik van de volgende indicatoren.

• Vanuit bestrijdingsperspectief rapporteert de Nederlandse politie – waaronder de KLPD (Koninklijke Landelijke Politiediensten), de DNR (Dienst Nationale Recherche) en de USD (Unit Synthetische Drugs)[i]
– periodiek over geconfisqueerde partijen drugs, opgerolde productiecentra, aangehouden producenten, et cetera. De jaarverslagen van het UNODC tonen mondiaal en per land een overzicht van de drugsproblematiek. We kijken hier vooral naar de drugsconfiscaties van de Amsterdamse politie (Bijlage 4).

• Vanuit markteconomisch perspectief geven periodieke monitoring (zoals DIMS, DNR, Antenne, Trendwatch) en eenmalige studies inzicht in prijsontwikkelingen en de verkrijgbaarheid van middelen.

• Vanuit gezondheid sperspectief leveren landelijk DIMS (Drugs Informatie en Monitoring Systeem) en voor Amsterdam Antenne informatie over (trends in) de kwaliteit van de door consumenten aangeleverde monsters en in beslag genomen illegale middelen.

• Vanuit prevalentie perspectief komen we door middel van surveys onder de algemene bevolking (NPO), scholieren (Peilstation, Antenne) en uitgaanders (Antenne) meer te weten over (ontwikkelingen in) de omvang van middelengebruik (ooit, laatste jaar, laatste maand). Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Ecstasy: het succes van een ‘psychedelische amfetamine’

Foto: Floris Leeuwenberg

Foto: Floris Leeuwenberg

Ecstasy is de populaire benaming voor MDMA (3,4-methyleen-dioxy-meth-amfetamine). De chemische verbinding werd in 1912 voor het eerst gesynthetiseerd door de farmacologische firma Merck te Darmstadt en vervolgens in 1914 gepatenteerd, overigens niet als geneesmiddel. Daarna bleef het middel decennialang onopgemerkt (Holland, 2001). De molecuulstructuur van MDMA, een fenethylamine, toont chemische verwantschap met safrololie (voorkomend in sassafras en nootmuskaat), amfetamine en mescaline (Grob, 2000). MDMA werd in jaren vijftig van de vorige eeuw voor het eerst op dieren getest en in de jaren zeventig ook op mensen (Grob, 2000; Holland, 2001). Het Amerikaanse leger, in het kader van de Koude Oorlog doctrine op zoek naar het ultieme waarheidsserum, experimenteerde in het diepste geheim met tientallen psychoactieve middelen, waaronder MDA, de oudere broer van MDMA, op ‘vrijwilligers’ (Lee & Shlain, 1992; Siegel, 1986; Stevens, 1987). Nadat politieagenten in Chicago een ecstasymonster op straat hebben gekocht, verschijnt MDMA in 1972 voor het eerst in de politiestatistieken van de DEA, de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (Kirsch, 1986). Mede door de Amerikaanse chemicus Shulgin raakt MDMA in de jaren zeventig opnieuw in de belangstelling. In het vuistdikke boek Pihkal openbaart het echtpaar Shulgin & Shulgin (1991) een chemische groep van 178 fenethylamines. MDMA, dat ‘the penicillin for the soul’ wordt gedoopt, komt na jarenlang zelfonderzoek van tientallen varianten als favoriet uit de bus.[i]

Van therapeuticum tot dansdrug
Nadat de Verenigde Staten in 1968 het ook als therapeuticum gebruikte LSD strafbaar stelden, wordt in kringen van Amerikaanse therapeuten eerst MDA en vervolgens MDMA als een alternatief en probaat hulpmiddel gezien (Iversen, 2008).[ii] Er worden empatogene en entactogene kwaliteiten en effecten aan toegedicht als: angstreductie, openheid van emoties, emotionele verbondenheid, welbehagen, euforie, introspectie, zelfinzicht, et cetera. (Eisner, 1989; Greer & Tolbert, 1990; Holland, 2001; Nichols, 1986; Seymour et al., 1986; Shulgin, 1986). Ook na de strafbaarstelling in 1986, blijft MDMA in de VS clandestien voor psychotherapeutische doeleinden gebruikt worden (Holland, 2001; Stevens, 1997; Sumnall et al., 2006) bij de behandeling van onder andere posttraumatische stress, suïcidaliteit, fobieën, depressie, terminale ziekte en relatieproblemen (Adamson & Metzner, 1988; Greer & Tolbert, 1986; Grinspoon & Bakalar, 1986; Grob, 2000).[iii] Als een ware evangelist brengt de Brit Saunders (1993, 1995 en 1997) MDMA bij een Europees publiek onder de aandacht: “I truly believe that ecstasy has improved the quality of my life” (Saunders, 1995:4).

De mondiale verspreidingsfase neemt een aanvang in de jaren tachtig, wanneer MDMA – mede onder invloed van een innoverende distributeur – de pakkende reclamenaam ‘ecstasy’, kortweg XTC of X krijgt toebedeeld.[iv] De populariteit neemt allengs toe wanneer ecstasy ook het imago van ‘love drug’ krijgt. De Amerikaanse antropologen Agar & Reisinger (2004:254) verklaren het succes van ecstasy met de stelling dat het gaat om “a product for marketing rather than a disease that is transmitted”.[v] Ecstasy waaiert uit naar uiteenlopende milieus van new agers, travellers, gays, studenten, therapeuten, zakenmensen, dj’s, hippies, partytoeristen, et cetera (Agar & Reisinger, 2004; Beck & Rosenbaum, 1994; Collin & Godfrey, 1997; Watson & Beck, 1991) en het gebruik verspreidt zich als een olievlek vanuit de Verenigde Staten en India (Goa en Bhagwan-aanhangers) naar Ibiza en Groot-Brittannië (1987), Nederland en België (1988), waarna de rest van de wereld snel volgt.

Aangezien ecstasy zich tien jaar na het ‘verborgen’ therapeutisch gebruik over Amerikaanse steden begint te verspreiden, zijn de eerste sociaal-wetenschappelijke studies ook afkomstig van Amerikaanse wetenschappers. Beck et al. (1989) typeren ecstasy als een kameleonachtige drug, die ingang vindt bij verschillende groepen en in verschillende settings. Studenten waarderen de euforische werking en de psychoactieve ‘mildheid’. Bij yuppies, met hun overvolle werkagenda, past het middel perfect in een rationeel geregisseerde hedonistische leefstijl. New age aanhangers roemen ecstasy wegens de spirituele en contactvergrotende werking en homomannen exploreren het erotogene universum. De Dallas ‘rich kids’ ten slotte slikken ecstasy louter voor ‘fun’. Ecstasy maakt zowel bij mannen als vrouwen sensuele gevoelens los (Buffum & Moser, 1986). Hoewel de seksuele prestatie door het uitstel van orgasme vertraagd wordt, ervaren de meeste ecstasygebruikers onder invloed van de drug meer seksuele opwinding en voldoening (Zemishlany et al., 2001). Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Cocaïne: terug van nooit echt weggeweest

Foto: Floris Leeuwenberg

Foto: Floris Leeuwenberg

Pal naast de Chinese tempel op de Amsterdamse Zeedijk ontvangt Mariani-kenner Chass Vermeulen Windsant ons in zijn sfeervol Aziatisch gedecoreerde woning. Aanleiding voor ons bezoek is de recente opening van een coca-likeurwinkel in de Warmoesstraat, waar ook originele cocabladeren en parafernalia uit zijn privécollectie in vitrines zijn uitgestald. Verheugd deelt Vermeulen Windsant (2010) mee dat zijn studie naar het omvangrijke oeuvre van Angelo Mariani [1838-1914] eindelijk in boekvorm zal verschijnen. Als voorproefje krijgen we naast foto’s van Mariani een serie portretten met getuigschriften te zien van schrijvers, politici, kunstenaars, presidenten, pausen, architecten, bohemiens en adellijke lieden. Sommigen tevreden nippend aan een glaasje verkwikkende cocawijn uit de befaamde donkergroene fles waarvan enkele authentieke exemplaren op zijn salontafel staan uitgestald. Leeg. Op de fles staat in vette letters geëtst: Coca Mariani Paris. Vin Mariani, op de markt gebracht door de oorspronkelijk uit Corsica afkomstige Mariani, was ruim 125 jaar geleden wereldwijd een begrip, getuige de indrukwekkende collectie brieven, tekeningen en uitbundige dankbetuigingen die hij in de loop van zijn leven verzamelde.[i] Door zijn flessen cocawijn aan talloze hoogwaardigheidsbekleders te schenken bewees Mariani over een goede neus voor merchandising te beschikken. Bij het bekijken van een schilderij van Jules Grun uit 1911, waarop de in het Grand Palais verzamelde ‘fine de fleur’ van Parijs is afgebeeld, begint Chass te gniffelen. “Het was altijd feest als iedereen elkaar zag, maar het was pas écht feest als Angelo Mariani ook aanwezig was.”

Van wondermiddel tot zedenbederver
Een jaar voordat Mariani in 1863 een patent verwierf voor zijn cocawijn, slaagde het Duitse farmaceutische bedrijf Merck er als eerste in om ¼ pound (1 pound = 453 gram) cocaïne te produceren. Deze geringe hoeveelheid liep op tot ¾ pound in 1883, om te stijgen naar ruim 3 pound in 1884 en al 158 pound in 1886 (Karch, 2006). Tegen de achtergrond van de ontluikende wereldhandel en de opkomst van Europese en Amerikaanse farmaceutische bedrijven was een klimaat ontstaan dat wetenschappers stimuleerde met verve nieuwe territoria te ontsluiten waaronder het ontrafelen van de ‘geheimen’ van het cocablad. Al tijdenlang circuleerden er talrijke reisverslagen en verhalen van ontdekkingsreizigers, avonturiers en onderzoekers waarin gewag werd gemaakt van de opwekkende kwaliteiten van het cocablad, door ‘wilden’ gekauwd om de erbarmelijke omstandigheden van de mijnbouw in het Andesgebergte te doorstaan.

Veel verhalen en kronieken waren half verzonnen of overdreven mythologiserend. Andere, zoals het standaardwerk van Mortimer in 1901, bevatten daarentegen gedetailleerde en naar het zich liet aanzien betrouwbare informatie over de historie, cultuur en het gebruik van het blad van de heilige plant ‘mama coca’, die oorspronkelijk groeide in Peru en Bolivia en naar schatting al 5000 jaar geleden in ritueel verband door de Inca’s werd gebruikt (Mortimer, 2000). Omdat cocablad, zoals pas later bekend werd, door de maandenlange zeereizen bij aankomst telkens een groot deel van zijn potentie was verloren, gingen er tal van mislukte pogingen aan vooraf, alvorens de jonge Duitse chemicus Friedrich Gaedcke in 1855 het alkaloïde ‘cocaïne’ uit de bladeren van de Erythroxylon coca isoleerde. In 1859 slaagde de Duitse promovendus Albert Niemann er in het zuiveringsproces voor cocaïne te verbeteren (Davenport-Hines, 2001).

De bereiding en (therapeutische) toepassing van coca en cocaïne lopen sinds de ontdekking in het Westen decennialang gelijk op, totdat de eerste verboden – de Amerikaanse Harrison Narcotic Tax Act in 1914 en de Nederlandse Opiumwet in 1919 – van kracht werden. De transformatie van ‘Dr. Coca’ in ’Mr. Caine’ kan als historische metafoor worden gezien voor de grote maatschappelijke veranderingen die zich in Amerika en Europa rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw op allerlei gebied voltrokken; de opkomst van de reclame, de industriële expansie en de daarmee samenhangende migratiestromen van arbeiders. De sterke groei van steden, die leidde tot krachtige sociaal-economische en demografische veranderingen met de daaruit voortvloeiende nieuwe sociaal-maatschappelijke problemen, werd door de Chicago School geboekstaafd (hoofdstuk 2). In die turbulente tijdgeest vuurde de hunkering naar kennis wetenschappers aan om nieuwe krachtige middelen, zoals cocaïne, te ontwikkelen ter bestrijding en genezing van welvaartsziektes. Al snel veranderde de cocaplant van een botanisch studieobject in een medische curiositeit, waar wetenschappers én artsen grote potentie in zagen. De ontdekking en therapeutische toepassingen van cocaïne werden gezien als belangrijke medisch-wetenschappelijke bijdrages aan de volksgezondheid. In dertig jaar tijd zou cocaïne uitgroeien van een in het laboratorium gecreëerde medische ‘wonderdrug’ tot een belangrijke speler in de Amerikaanse drugscultuur. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share

High Amsterdam ~ Amfetamine: de radicalisering van energie

Nabben10-page-001

Foto Henny Boogert • Gabbers in Sporthallen zuid Amsterdam 1996

In 1887 publiceerde de Roemeense chemicus Edeleanu een artikel over een nieuw middel dat hij  op de Universiteit van Berlijn had gesynthetiseerd: amfetamine. Ruim veertig later werd de draad weer opgepakt door de jonge Britse chemicus Gorden Alles, in zijn speurtocht naar een op adrenaline lijkend medicijn tegen een verstopte verkoudheidsneus.[i] Wellicht niet geheel toevallig begint het succesverhaal van amfetamine uitgerekend in een periode dat het ‘duivelse’ cocaïne succesvol naar de achtergrond was gedrongen. In de loop van de jaren twintig van de 20e eeuw waren gebruikers en de artsen die cocaïne voorschreven dankzij de inspanningen van fanatieke bestrijders (wettelijk) gecriminaliseerd. De cocaïnemarkt zakte in en het middel zou tot aan 1970 nog maar een marginale rol spelen op de mondiale drugsmarkt.

In de periode van 1930-1970 heeft amfetamine (speed, pep), mede door de grillige samenloop van omstandigheden, een stempel gedrukt op de Amerikaanse en Europese samenleving. Zoals veel andere nieuwe medicijnen werd ook amfetamine (in verschillende varianten) enthousiast verwelkomd door de medische stand – en al snel ook door anderen, enerzijds als recreatief genotsmiddel en anderzijds als krijgsdrug in onder andere de Spaanse Burgeroorlog, de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Korea. Zo werd in de Tweede Wereldoorlog pervitine aan honderdduizenden Engelse en Duitse soldaten verstrekt om moeheid tegen te gaan en het uithoudingsvermogen te vergroten (Pieper, 1989). Hunter S. Thompsons (1966) adagium ‘Faster, faster, until the thrill of speed overcomes the fear of death’, spreekt in dat verband boekdelen.

Toen cocaïne begin jaren zeventig een comeback maakte, liep speed in Amerika en Europa aan het einde van zijn hoogtijdagen (1950-1970).[ii] In alle echelons van de moderne consumptiemaatschappij van na de Tweede Wereldoorlog werd amfetamine gebruikt: zowel in politieke kringen als in milieus van kunstenaars en muzikanten, onder studenten en arbeiders. In de grote Amerikaanse steden deden ‘Dr. Feelgoods’ goede zaken, door amfetaminehoudende pillen (‘black beauties’, ‘purple hearts’) met verve als remedie voor allerlei welvaartskwalen aan te prijzen (Inciardi & Cicero, 2009). Vanaf de jaren tachtig verdringen cocaïne en ecstasy in Nederland amfetamine op de recreatieve drugsmarkt langzaam naar de achtergrond. Hoewel amfetamine sindsdien in de schaduw van de andere twee grote stimulantia staat, blijkt de drug telkens weer nieuwe gebruikersgroepen aan te spreken.

Van antidepressivum tot speedspuiters
“Again and again promising new drug therapies slipped the bonds of medical discourse and control. They escaped into a larger realm of popular pleasure and mischief, prompting responses by national and international authorities”, zo betoogt David Courtwright (2001:69). Net als cocaïne, heroïne en morfine evolueert amfetamine van een geneesmiddel tot een drug. Op een junimiddag in 1929 injecteert de jonge wetenschapper Gordon Alles zichzelf met 50 milligram in zout opgeloste amfetamine. Na te zijn bevangen door een gevoel van welbevinden noteert hij de volgende dag in zijn logboek: “Rather sleepless night. Mind seemed to run from one subject to another” (in: Rasmussen, 2008:6). Na herhaalde toediening realiseert hij zich dat amfetamine behalve het openen van de luchtwegen ook euforisch werkt en een krachtig middel tegen uitputting en lusteloosheid is. Hij kon toen niet bevroeden dat juist de euforische en energieke psychoactieve effecten voor miljoenen (recreatieve) gebruikers in de daaropvolgende decennia belangrijke drijfveren zouden worden om amfetamine zowel bij de vrijetijdsbesteding als tijdens het werk te gebruiken.[iii] Wetenschappers ontdekten in de jaren dertig al dat opmerkelijk veel vrijwilligers onder invloed van amfetamine grote voldoening haalden uit arbeid en allerlei klussen zonder enige moeite en tegenzin wisten te klaren. Bovendien werd vaak een goed humeur en een prettig gevoel gerapporteerd. Precies de gemoedstoestand die Alles al eerder had beschreven.

De farmacologische innovatiedrift in de jaren dertig van de vorige eeuw weerspiegelde de nieuwe medische tijdgeest waarin de farmaceutische industrie met grote commerciële voortvarendheid lange tijd amfetaminehoudende producten als geneesmiddel op de mark bracht.[iv] Nog nooit eerder in de geschiedenis was een krachtige psychoactieve stimulant binnen zo’n kort tijdsbestek in zulke extreem grote hoeveelheden op de markt gebracht (Grinspoon & Hedblom, 1975). Amfetaminen waren uniek. De tientallen productvarianten gaven vertrouwen omdat ze met moderne technologische middelen in de laboratoria van grote gerenommeerde bedrijven geproduceerd werden en waren in Amerika en West-Europa lange tijd vrij of op doktersrecept verkrijgbaar. Over het op de markt brengen van benzedrine als nieuw baanbrekend medicijn waren bij het farmaceutische Amerikaanse bedrijf Smith, Kline & French aanvankelijk nog enige bedenkingen vanwege de ‘jumpy’ en ‘peppy’ bij-effecten. Kernachtig gezegd was amfetamine “a drug looking for a disease” (Rasmussen, 2008:27).

Die ziekte diende zich al snel aan. Want zoals vaker in de sociale geschiedenis van het drugsgebruik bleek ook in het geval van amfetamine de tijdgeest de proliferatie van het nieuwe middel aanzienlijk te versnellen. De Beurskrach in 1929 markeerde abrupt het einde van de ‘roaring twenties’. De economische crisis leidde onder andere tot een dramatische toename van het aantal depressies. Toen bleek dat amfetamine (ook) een probaat middel kon zijn voor de behandeling van depressies, zagen farmaceutische bedrijven hun kans schoon en werden de aanvankelijke bedenkingen over de energieke werking al snel bijgesteld. De moordende concurrentie in de speurtocht naar nieuwe wondermedicijnen belandde hierdoor in een nieuwe fase. Read more

image_pdfimage_print
Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives