Dat sei Springsteen

De vertaling van Also sprach Zarathustra naar het Fries van Eric Hoekstra lag al maanden te wachten.
Die vertaling verscheen overigens in 2000. Maar ik kocht het boek pas vorig jaar. Sommige dingen hebben nu eenmaal tijd nodig.
Gisteravond was het zover.

Het was lang geleden dat ik een Friestalig boek las.
Dat sei Zarathustra laat zien hoe mooi, raak, bloemrijk en suggestief het Fries kan zijn.

 

Te fier fleach ik de takomst yn; ôfgriis kaam my oer it mad.
En doe’t ik om my hinne seach, sjoch, doe wie de tiid myn iennichste tiidgenoat.
Doe fleach ik werom, op hûs oan, en hieltyd hastiger.
Sa kaam ik by jim, hjoeddeistigen, en yn it lân fan beskaving.
Foar it earst soe ik each foar jim ha, en nocht. Ja, mei langst yn it hert kaam ik del.
Mar wat barde my? Hoe bang ik ek wie, ik moast laitsje!
Nea seagen myn eagen sa’n bûntspikkelige grimel-grammel.

Natuurlijk riep het lezen ook herinneringen op aan de tijd dat Fries gewoon was voor me. Er was niks anders.
Waarom ik bij bovenstaand citaat aan Bruce Springsteen moest denken, is een vraag waarover ik niet na ga denken.

I had skin like leather and the diamond-hard look of a cobra
I was born blue and weathered but I burst just like a supernova
I could walk like Brando right into the sun, then dance just like a Casanova
With my blackjack and jacket and hair slicked sweet
Silver star studs on my duds, just like a Harley in heat
When I strut down the street, I could feel its heart beat
The sisters fell back and said, “Don’t that man look pretty”
The cripple on the corner cried out, “Nickels for your pity”
Then gasoline boys downtown sure talk gritty
It’s so hard to be a saint in the city

Nea seagen myn eagen sa’n bûntspikkelige grimel-grammel.


Friedrich Nietzsche – Dat sei Zarathustra. In boek foar alleman en foar gjinien. Oerset troch Eric Hoekstra.
Utjouwerij Bornmeer Ljouwert 2000. ISBN 90 5615 041 3

Bruce Springsteen – It’s Hard to Be a Saint in the City – 1973




Folderye en Franglais: modetrends in winkelnamen

Nostalgie als handelsmerk doet het vaak goed. De opoe-fiets, grootmoeders cake, uw grootouders kochten al hier: wat verder dan twee generaties terugwijst, paart de roep van degelijke materialen en ouderwets vakmanschap aan de populariteit van trekdrop en Art Deco-vazen.
De makkelijkste manier om een eeuwenoude voorgeschiedenis te suggereren, is het aanbrengen van één of twee ‘oud’ ogende letters in de naam van product of etablissement.
Dat wil wel eens tot verrassende combinaties leiden. Een hoofdstedelijk café roept met de naam ‘De Huyschkaemer’ de sfeer op van een knapperend haardvuur, versgezette koffie en moeder die een stevige maaltijdsoep bereidt.
Een bijkomstigheid is dat ‘Huyschkaemer’ nooit die spelling gehad heeft. (De taalkundige uitleg: woorden als mens en vis werden tot 1936, toen de spelling De Vries en Te Winkel werd ingevoerd, geschreven als mensch en visch. In vroeger eeuwen werden ze namelijk als mensk of visg uitgesproken. Die uitspraak sleet af, de schrijfwijze hield hardnekkig stand. Huis werd nooit als huisk of huisg uitgesproken en derhalve ook nooit als huisch gepeld. Vergelijk in het Duits Mensch en Fisch met Haus.)

Misschien heeft op de plaats van deze kroeg ooit een herberg of uitspanning gestaan en heeft de huidige eigenaar daarnaar willen verwijzen, maar hield zijn commercieel instinct geen gelijke tred met zijn taalkundige scholing.
Anders ligt het al, waar de uitbater zijn fantasie geheel de vrije loop laat. Dat moet het geval geweest zijn bij ‘De Smickelbar’, waarvan het pseudo-ouderwets gespelde eerste deel sterk contrasteert met de roze verlichting en luide jukeboxmuziek die het woord bar oproept.
Het beoogde effect is niet aan spelling gebonden. Het kan ook bereikt worden door de juiste (lees: onjuiste) woorden of begrippen te koppelen. Het schoolvoorbeeld is de advertentie in een Nederlands avondblad voor een ‘Middeleeuwse brunch’: brunch is de inmiddels ingeburgerde naam voor een uitgebreide ochtendmaaltijd die ontbijt en lunch overbodig maakt. Het is dan ook samengesteld uit de Engelse woorden breakfast en lunch.
Dit compromis voor langslapers en veeleters is, waarschijnlijk in Amerika, bedacht omstreeks de jaren 60 van de vorige eeuw. Maar ook de oorspronkelijke woorden zijn zo oud niet. Lunch, bijvoorbeeld, verschijnt pas in het Engels tegen 1700, ruim na de Middeleeuwen.

Nog zo’n constructie werd bedacht door een eerzaam handwerksman die de tijd rijp of zijn broodwinning achterhaald genoeg vond voor een verbale facelift. Waar bakkers tegenwoordig allemaal in een Broderie of Broodwinkel lijken te werken, of – beter nog – in een Backerie of Broodtwinckel, en steeds meer slagers Vleeschhouwerij op hun winkelruit laten aanbrengen, was het schoenlappen een van de laatste echte ambachten die eerlijk voor hun naam durfden uitkomen.
Sedert een paar jaar heeft ook die hoek een open oog voor modieus taalgebruik en sindsdien kan men voor nieuwe hakken en zolen ook terecht bij de Schoenlapperette.

Het voorlopig hoogtepunt wordt gevormd door het bedrijf dat in en om Alkmaar reclameblaadjes en huis-aan-huis-kranten verspreidt en dat op zijn bestelauto’s trots de vermelding “drukwerkverspreiders sinds 1799” voert. De naam van dat bedrijf is ‘Folderye’, waarbij ik de neiging nauwelijks kan onderdrukken dat in goed Middelnederlands uit te spreken als Folderië.
Zo het de bedoeling was die sfeer – Hadewijch, Mariken van Nieumeghen, heksenverbranding, de pest – naar boven te halen, overigens zonder dat duidelijk is wat dat voor rol speelt bij het bezorgen van het Weekblad voor West-Friesland en de Kruidvatfolder, dan ware het achtervoegsel -ye beter aan een ander woord gekoppeld.
Folder komt uit het Engels, van het werkwoord to fold, vouwen. Van oorsprong de naam voor gevouwen drukwerk, werd folder bij uitbreiding het woord voor kleine blaadjes, reclamedrukwerk en dergelijke. Het vond in die betekenis pas in de loop van de vorige eeuw ingang in het Nederlands. Lang na 1799.

Interessant is, dat de mode zelf ook modes kent, ook in winkelnamen. Een wandeling door de Amsterdamse Kalverstraat biedt een breed inzicht in de ontwikkelingen op dat gebied. De jongstetrend – in deze sector spreekt men bij de geringste verandering al van ‘trend’; duurt een trend langer dan een week, dan is het een ‘rage’ en als een rage langer aanhoudt dan een maand, heet het een aardverschuiving – lijkt het gebruik te zijn van twee talen voor één naam, onder de voorwaarde dat daarbij geen Nederlands zit.

Typerend voorbeeld is la Sweaterie, dat op subtiele wijze de faam van Lichtstad-Modestad en het vrije-blije van joggingpakken en zweetbandjes combineert. Viva en de Marie-Claire voor één geld.
Daartoe wordt een woord geleend van het Frans, dat het zelf weer uit het Engels gehaald heeft, ondanks de strenge richtlijnen van de Franse overheid tegen onnodig overnemen van Engelse en Amerikaanse termen. Dit Franglais heeft inmiddels oor- en oogstrelende begrippen opgeleverd als le five o’clock tea, le businessman, le far-west, la baby-sitter (een oppas is per definitie vrouwelijk in Frankrijk) en blijkbaar ook le sweater, te vinden in een Sweaterie.
Maar de Nederlandse modewereld is voor haar creativiteit niet uitsluitend aangewezen op de Champs-Elysées. De P.C. Hooftstraat, bijvoorbeeld, nog zo’n hoofdstedelijke winkelpromenade, kent de Pulloveria. Het commerciële genie achter deze vondst heeft met een minieme ingreep de pullover, mèt de plusfour en de hansop het degelijkste en dus onverkoopbaarste kledingstuk van deze tijd, weer aantrekkelijk gemaakt.
Het geheim zit ‘m in het achtervoegsel -ia, tot dan slechts gangbaar in de horeca (pizzeria, luncheria).
Het komt in oer-oorsprong uit Cuba, waar het woord cafetaria ‘winkel die koffie in het klein verkoopt’ betekende.
Door die twee lettertjes kreeg de saaie pullover een Latijns-Amerikaanse zwier – ‘Een tikkeltje te wild voor je, hombre?’ -, zonder dat het ten koste ging van de degelijkheid die spreekt uit namen als De Mantelspecialist en Het Twinsetparadijs.
Er is nog hoop voor de sokophouder.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637




Opstand in Parijs: de Commune van 1871

De kanonnen op de heuvel van Montmartre. Op deze plek staat nu de Sacré-Coeur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is maar de vraag of op 18 maart aanstaande de grote herdenking van de Commune van Parijs kan plaatsvinden. En dat terwijl juist dit jaar een bijzonder herdenkingsjaar isHet is precies anderhalve eeuw geleden dat een groot deel van de bevolking van Parijs in opstand kwam tegen het centrale Franse gezag.
Ieder jaar wordt de Commune op 18 maart en op 1 mei herdacht op de begraafplaats Père Lachaise in Parijs. De Commune duurde slechts twee maanden en tien dagen en werd door regeringstroepen bloedig neergeslagen.
Wat was dat ook al weer, de Commune van Parijs? Is er in het Parijs van vandaag de dag nog iets terug te vinden van deze historische periode uit de Franse geschiedenis?

Onvrede en hongersnood
Bij de bevolking van Parijs groeide tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 de al jaren sudderende ontevredenheid met het keizerlijke bewind van Napoléon III. Uit patriottische kringen klonk steeds vaker de roep om een terugkeer naar de Franse republiek. In het najaar van 1870 leed het Franse leger meerdere nederlagen en de Duitse legers slaagden er in Parijs te omsingelen. Nadat de keizer door de Duitsers was gevangen genomen en moest aftreden, vluchtte de Franse regering van Parijs naar Versailles. De burgerij in Parijs voelde zich daardoor verraden.
In september 1870 vonden onder invloed van revolutionair gezinde Parijzenaars demonstraties plaats die pleitten voor een vrij, onafhankelijk Parijs. De stad zou los van de Franse staat moeten komen te staan, en een Commune van Parijs moeten vormen, geregeerd door de stadsbewoners zelf. De arbeidende bevolking en de lagere middenklasse in de stad steunden de beweging. Door de Duitse belegering van de stad ontstond bovendien een toenemende hongersnood, waardoor de onvrede nog eens werd aangewakkerd.
Frankrijk capituleerde definitief op 27 januari 1871. De burgerlijke beweging in Parijs had liever gezien dat de strijd tegen de Duitsers was voortgezet in plaats van deze vernedering te moeten ondergaan. Men was het volstrekt oneens met de regelingen die de Franse regering na de capitulatie met Bismarck had getroffen, zoals het afstaan van de Elzas en Lotharingen.

Proclamatie van de Commune

Executies
In het ontstane machtsvacuüm na de capitulatie in de weken na 27 januari 1871 zagen revolutionaire groepen een mogelijkheid hun idealen dichterbij te brengen. Intussen was met instemming van de Duitsers de conservatief Adolphe Thiers, ooit premier van 1836 tot 1840, benoemd tot regeringsleider van de nieuwe Franse republiek.
Op 18 maart 1871 probeerden de troepen van Thiers met een militaire operatie in Parijs de tientallen opgestelde kanonnen op de heuvel van Montmartre te bemachtigen. Bijeengekomen leden van de Nationale Garde – lokale door de gemeente Parijs betaalde troepen – op Montmartre weigerden echter onder druk van de bevolking de kanonnen – eigendom van de gemeente Parijs – over te dragen aan de legereenheden van Thiers. De bevelhebbers van de troepen, de generaals Lecomte en Clément-Thomas werden in de nabijgelegen Rue du Chevalier-de-la-Barre door bewoners van Montmartre tegen een muur terechtgesteld.
Vanaf dat moment verkeerde Parijs in wezen in oorlog met de regering van de republiek. Parijs schreef nieuwe plaatselijke verkiezingen uit, waaruit de raad der Commune voort zou moeten komen: negentig afgevaardigden, uit alle arrondissementen. Op 27 maart 1871 werd de onafhankelijke Commune geproclameerd.

Communes en barricades
De Commune streefde naar een federatie van communes die de staat zou vervangen. Men wilde onder meer leger en dienstplicht afschaffen, een hervorming van het onderwijs, een absolute scheiding tussen kerk & staat en de erkenning van niet-gewettigde huwelijken. De afbetaling van schulden en achterstallige huren werd opgeschort en nachtwerk voor bakkers werd afgeschaft.
Koortsachtig werd in de weken erna geprobeerd deze progressieve ideeën in praktijk te brengen. Tegelijk moest de verdediging van de stad op peil worden gebracht, in verband met de te verwachten aanval van de republikeinse troepen. Op strategische kruispunten in de stad werden barricades gebouwd. De verdediging hiervan was in handen van leden van de Parijse Nationale Garde, waarbij zich duizenden arbeiders, ambachtslieden en vrouwen hadden aangesloten. Groepen die je als de ‘gegoede burgerij’ zou kunnen typeren, hielden zich veelal afzijdig.

Opmars en tegenstand
De Franse regering, die nog steeds in Versailles huisde, vond het eigenzinnige, naar onafhankelijkheid strevende Parijs niet te tolereren. Op 21 mei 1871 voerden de troepen van Thiers een grootschalige aanval op de stad uit. In een poging de opmars van de republikeinse troepen te stoppen bevolkten duizenden gewapende inwoners de barricades. Er werd felle tegenstand geboden tegen de regeringstroepen, maar hun opmars was niet te stuiten. Als onderdeel van de verdedigingslinie werden belangrijke strategische of symbolische gebouwen als het l’Hôtel de Ville, het paleis der Tuilerieën, het Louvre en het Palais-Royal door de communards in brand gestoken. Door de oprukkende troepen van Thiers werden in wat de ‘bloedige week’ is gaan heten naar schatting zo’n 25.000 mensen zonder pardon gefusilleerd.
In een brandend Parijs sneuvelden nog eens duizenden op en rond de barricades.

Gevechten op Père Lachaise
In die laatste dagen van de Commune was er geen overleg meer mogelijk over de te voeren strijd. De verdediging van de Commune concentreerde zich vooral in de oostelijk gelegen wijken. Nadat ook Belleville, het laatste bolwerk van de communards, was gevallen, trokken de laatste paar honderd communards zich terug op Père Lachaise, bij de muur die grenst aan de Villa Godin. Tussen de graven werd man tegen man gevochten. Op 28 mei 1871 gaven de laatste communards zich over. Tegen een muur van de begraafplaats werden zij vervolgens door de troepen van Thiers gefusilleerd. Niet helemaal duidelijk is om hoeveel mannen, vrouwen en kinderen het hier ging. Sommige bronnen maken melding van de dood van 140 communards, andere van enkele honderden. Op deze plek, bij de Mur des Fédérés, vinden ieder jaar de herdenkingen plaats.
Na de val van de Commune werden nog eens honderden doodvonnissen voltrokken. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen werden gedeporteerd naar strafkoloniën in Frans Guyana of Nieuw Caledonië. Vele duizenden anderen gingen de gevangenis is.

Gevechten op Père Lachaise

Proletariaat
Opmerkelijk is dat zowel de anarchistische als de communistische beweging meent de Commune ideologisch te kunnen claimen. Een ‘anarchistische beweging’ bestond ten tijde van de Commune nog niet. Weliswaar waren door Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865) en Michael Bakoenin (1814-1876) de theoretische grondslagen daarvoor gelegd, maar pas op het congres van de socialistische Eerste Internationale later in 1871 zou zich de scheiding tussen communisten en anarchisten voltrekken.
De opstand van de Commune had zeker anarchistische elementen in zich. Het was geen gestuurde rebellie, er was geen leiding van bovenaf en er ontstond een spontane organisatie op allerlei gebied. Het streven naar een federatie van communes die de staat zou moeten vervangen, heeft in de anarchistische theorievorming altijd voorop gestaan.
Karl Marx, die in Londen de gebeurtenissen met spanning volgde, zag de Commune als de eerste proletarische revolutie en als het model van de samenleving van de toekomst, zo schreef hij in zijn Der Bürgerkrieg in Frankreich. Maar een ‘dictatuur van het proletariaat’ was de Commune allerminst. Al helemaal niet was er sprake van een industrieel proletariaat wat volgens de marxistische theorie de revolutie zou moeten ontketenen. Parijs was geen industriestad met een industrieproletariaat. De aanhang van de Commune bestond voornamelijk uit de kleine burgerij en ambachtslieden.
Lenin nam de analyse van Marx later over. Dit verklaart waarom de communistische Oostbloklanden de Commune later hoog in hun vaandel zouden dragen en er propagandistisch volop gebruik van maakten.

Executies op Père Lachaise

Politieke figuren
De verschillende opvattingen over de Commune verklaren ook waarom op Père Lachaise, in de nabijheid van de Mur des Fédérés, zich graven bevinden van personen van divers politiek pluimage. Soms figuren die met de praktijk of ideeën van de Commune geassocieerd worden, soms ideologisch met socialistische, anarchistische of communistische bewegingen in het algemeen.
Zo zijn langs de Av. Circulaire in div. 97, vlakbij de Mur des Fédérés, een aantal opmerkelijke graven te vinden. We vinden de in bombastische stalinistische stijl vormgegeven graven van Maurice Thorez (1900 1964) en andere kopstukken van de Franse communistische partij. Daarnaast het graf van de schrijver Henri Barbusse (1873-1935), fervent aanhanger van de Sovjet-Unie en auteur van het realistische oorlogsdagboek Le Feu.
Even verderop het monument voor de gevallenen van de Internationale Brigades die sneuvelden tijdens de Spaanse Burgeroorlog.
Opvallend in de rij is een grafsteen van zwart graniet met de tekst: Adrien Lejeune, dernier communard, décédé a Novosibirsk U.R.S.S. 1942. Lejeune, geboren in 1847 in Bagnolet, een dorpje vlakbij Parijs, speelde geen prominente rol tijdens de Commune. Hij hielp met de verdediging van enkele barricades. Na zijn arrestatie zat hij enkele jaren gevangen. In 1926, inmiddels overtuigd communist, vertrok hij hoopvol naar de Sovjet-Unie. Onder Stalin werd hij echter verbannen naar een kamp bij Novosibirsk, maar hij kon zijn laatste jaren doorbrengen in een verzorgingshuis. In 1942 overleed hij daar. Hij was de laatste nog levende deelnemer aan de Commune. In 1971, bij de 100-jarige herdenking van de Commune, werden zijn stoffelijke resten door een Sovjetdelegatie in Parijs afgeleverd.

Mur des Fédérés

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Le temps des cerises
Dichtbij de Mur (div. 76) liggen de graven van Walery Wroblewski (1836-1908), Jean Baptiste Clement (1836-1903) en Benoit Malon (1841-1893). Wroblewski speelde een vooraanstaande rol in de Poolse opstand van 1863 en vertrok later naar Parijs. Tijdens de Commune had hij het bevel over troepen die de Champs-Elysées en de Butte-aux-Cailles verdedigden. Clément was afgevaardigde in de Commune en is de auteur van het beroemde lied Le temps des cerises, destijds op de barricades gezongen. Nu wordt het lied nog bij iedere herdenking gezongen. Malon was afgevaardigde van het 17e arrondissement in de raad van de Commune.
Enkele meters verder bevindt zich een familiegraf van de familie Marx waarin de stoffelijke resten van Paul Lafargue, auteur van Le droit â la paresse (Het recht op luiheid), en zijn vrouw Laura Marx bijgezet zijn. Lafargue hing oorspronkelijk libertaire denkbeelden aan, maar keerde zich later tegen het anarchisme. Beiden benamen zich in 1911 het leven.
In div. 95 bevindt zich het graf van Eugène Pottier, deelnemer aan de commune en schrijver van de Internationale; in dezelfde division ook het graf van politiek tekenaar André Gill, in 1871 lid van het uitvoerend comité van de federatie van kunstenaars, die de Commune ondersteunde.

Place Vendôme

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Place Vendôme
Maar ook elders in Parijs zijn nog plekken te vinden die een herinnering aan de Commune oproepen. Zoals de beroemde Sacré-Coeur, gebouwd op de heuvel waar in 1871 de kanonnen van de Parijse garde stonden opgesteld en waar de Commune haar oorsprong vindt. Door de basiliek juist op deze plek te bouwen zou, zo meenden de toenmalige autoriteiten en geestelijkheid, de herinnering aan de verderfelijke Commune voorgoed gewist worden. Vlak achter de Sacré-Coeur is de straat te vinden waar de bevolking op 18 maart 1871 de twee generaals executeerde. Een plaquette herinnert aan deze gebeurtenis.
De schilder Gustave Courbet, maker van het beroemde schilderij La origine du monde, suggereerde tijdens de Commune dat de napoleontische herdenkingszuil op de Place Vendôme waarschijnlijk veel brons zou bevatten, wat omgesmolten zou kunnen worden voor het fabriceren van wapens. Prompt werd het monument door communards omver getrokken.
Helaas, in plaats van massief brons, bleek de zuil echter hol te zijn. Courbet werd na de Commune bij verstek tot een hoge boete veroordeeld. Hij wist echter naar Zwitserland te ontkomen.
De door brand en kanonvuur verwoeste monumentale gebouwen in Parijs zijn allang hersteld.
Van de honderden barricades is vanzelfsprekend niets terug te vinden. Maar op basis van oude foto’s van de barricades zijn de locaties makkelijk terug te vinden.
Dat zelfs de rustgevende entourage van de Jardin du Luxembourg in die laatste ‘bloedige week’ het toneel is geweest van gruwelijke taferelen is moeilijk voor te stellen. In het lieflijk ogende park werden duizenden Parijzenaars – mannen, vrouwen en kinderen – geëxecuteerd.

Jardin du Luxembourg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Video’s:

Het lied Les temps de cerises is te beluisteren op Youtube:


Ook Yves Montand nam een versie van het lied op.

Een korte animatie van de geschiedenis van de Commune:

Over de Commune zijn duizenden boeken geschreven. Een recente Engelstalige publicatie met een uitstekend overzicht van de geschiedenis van de Commune is:
– John Merriman, Massacre. The Life and Death of the Paris Commune of 1981, Yale University Press, New Haven/London 2014




Tommy Wieringa – Gedachten over onze tijd

Tommy Wieringa. Ills.: Joseph Sassoon Semah

Tommy Wieringa (1967) schrijft wekelijks voor NRC Handelsblad over de actualiteit in een periode van grote veranderingen en onzekerheden; het sociale weefsel rafelt.
Het zijn artikelen over autoritaire populisten, het toenemende fascisme en nationalisme, nepnieuws, de vrijheid van denken, de gevolgen van de klimaatcrisis, het coronavirus dat het speelveld drastisch herschikt en de urgentie van cultuur. Maar hij schijft ook over zijn dochters en literaire ontmoetingen in het buitenland. Tommy Wieringa legt verbanden met het verleden en doet een bewogen, moreel appel op de lezers.

Er zijn artikelen over Europa, een continent dat van crisis naar crisis ‘hompelt’, en waar het fascisme langzamerhand een courante Europese stroming wordt, en Wieringa tot een vermoeide Europeaan maken. Hij beschrijft het verontrustende nepnieuwsbericht van de NOS over de jood George Soros ‘een invloedrijke bemoeial met tentakels ver in de wereldpolitiek’ dat zelfs door de journalisten niet als zodanig was herkend en gebruik maakt van fascistische taal. Je hoeft niet eens meer een hekel aan joden te hebben om antisemitische quatsch te produceren, aldus Wieringa.

Tommy Wieringa gaat in diverse artikelen in op het asielbeleid en vluchtelingen, zoals de wandeltocht vanuit herinneringscentrum Kamp Westerbork tijdens de Nacht van de Vluchtelingen die niet doorging  vanwege bedreiging door vluchtelingenhaters en de joodse gemeenschap. En ondertussen gaat de versobering van de asieladvocatuur gewoon door.
Over de vijfentwintighonderd verdwenen kinderen, een kwart van alle alleenstaande minderjarige asielzoekers, waar ze gebleven zijn weten we niet. ’Met onbekende bestemming vertrokken, staat er achter hun naam.’ Zijn ze doorgereisd naar familie elders in Europa, gevallen in de handen van mensenhandelaren? Verdwenen in de criminaliteit, prostitutie, of in het illegale arbeidscircuit? Maar het zijn onze kinderen niet, en daarmee niet onze zorg.

Diverse artikelen zijn gewijd aan Thierry Baudet en Wilders die niet direct oproepen tot geweld, ‘maar (ze) scheppen een sfeer waarin geweld tegen een zogenaamd inferieure minderheid wordt vergoelijkt, en de geesten worden rijp gemaakt voor uitdrijving.’ Kritische artikelen over Baudet als bewonderaar van zijn leermeester Roger Scruton, en van Vladimir Poetin, en ontkenner van de klimaatcrisis.
In de wetenschap zou Baudet worden weggehoond, maar in de politiek vormen halve waarheden en hele leugens zijn politieke kapitaal., aldus Wieringa.
De urgentie en rol van de cultuur komen ook aan bod. Onder andere naar aanleiding van het commentaar van Clarice Gargard op de tentoonstelling ‘Vrijheid’ in de Fundatie in Zwolle. Gargard constateert culturele toe-eigening, bijvoorbeeld in de foto’s van Viviane Sassen, omdat ze de zwarte mens gereduceerd ziet tot zijn huidskleur. Maar juist zijzelf reduceert de zwarte mens tot zijn huidskleur, aldus Wieringa, zo zorgt zijzelf voor munitie in de identiteitsoorlog die op dit moment wordt gevoerd. Wieringa: ‘De cultuur zelf is intussen van niemand. Wij zijn allen gebruikers, geen eigenaars. Iedereen speelt altijd en overal leentjebuur. Je kunt cultuur koesteren, vereren, misvormen, verwoesten of onherstelbaar verbeterd teruggeven, maar je eigendom is het niet.’

Hij wijst op de naïviteit van mensen, en het ontbreken van weinig historisch besef. Als voorbeeld verwijst Wieringa naar Daan Roosegaarde, die door het Nationaal Comité 4 en 5 mei was uitgenodigd een ontwerp te maken. Hij ontwierp ‘Levenslicht’ met lichtgevende steentjes, honderdvierduizend, een voor elk individu dat naar de concentratiekampen werd afgevoerd, zonder een enkele verwijzing te leggen naar het ‘Stolpersteine’ project van de Duitse kunstenaar Demnig. Daan Roosegaarde begeleidde zijn ontwerp met de woorden ‘Ze wisten niet wat ze te wachten stond, maar ze voorvoelden dat het weinig goeds was.’ En ‘In de wagon sijpelde licht naar binnen door een kier in de deur. Dat zagen ze als teken van hoop.’ Zo kwam Roosegaarde op het idee om iets met licht te doen. Dunne ideetjes, lolletjes voor de openbare ruimte, aldus Wieringa.
En diverse artikelen gaan over de desastreuze effecten van de klimaatcrisis, hier nog beperkt ‘tot het verdwijnen van vogels en insecten, ongekende droogte verzakkende huizen, maar elders zijn de effecten al desastreus met onophoudelijke natuurbranden, hittegolven, tornado’s, overstromingen en misoogsten.‘ Tommy Wieringa waarschuwt ons dat de klimaatcrisis zal leiden tot migratiestromen die in het Westen een destructief wantrouwen zullen veroorzaken in supranationale organisaties als de Europese Unie.

Vanzelfsprekend is er ook veel aandacht voor de corona crisis. De rol van Mark Rutte en het RIVM worden belicht, de anderhalve meter afstand, de virus-industrie, de invloed van het virus op onze toekomst, complotdenkers.
Het laatste artikel is gewijd aan de inauguratie van Joe Biden als 46ste president van de Verenigde Staten, die Tommy Wieringa onverwacht sterk raakte vanwege de herstelwerkzaamheden van democratie en rechtsstraat. Maar de toeslagenaffaire in Nederland laat zien dat je geen autocraat nodig hebt om democratische en rechtsstatelijke principes te ondermijnen.

Tommy Wieringa – Gedachten over onze tijd. Amsterdam, De Bezige Bij, 2021. ISBN 9789403123912

Tommy Wieringa is de auteur van onder meer Joe Speedboot, De dood van Murat Idrissi en De heilige Rita. Zijn werk is in meer dan twintig landen vertaald.




The Art Of Cooking – Aruk

There is nothing better than a fried crispy Aruk!

Well, this Aruk resembles the Iraqi herb and potato patties; however, this version is without the potato.
Whenever I think about something like comfort food, I am thinking about eating an Aruk or even a Latke!
Not only the taste but this is usually pretty easy to make – to become the highlight of the day!

Ingredients:
3 large onions
Fresh parsley
2 eggs
100-gram minced chicken meat or alternatively minced turkey meat
Kurkuma
Salt and pepper
Flour
Cooking oil

Making the Aruk:
Start with grinding 3 onions in the blender. Loosely chop up the fresh parsley and mix it together in the bowl with the onion paste – then add the minced meat, together with a large teaspoon of salt, pepper, and kurkuma.
Mix everything together, then add the 2 eggs and continue to mix.
Add some flour until the mixture turned into a thick paste and is not too watery -however, do not add too much flour.

In a skillet or a frying pan add a generous layer of cooking oil on medium heat, when the oil is hot add scoups of the Aruk paste and let it fry on one side until golden brown and then flip.
When both sides are golden brown and crispy remove them from the oil and place them on a paper towel.

Aruk tastes great as a side dish during a nice dinner or as a perfect snack during lunchtimes.
It is always a good time to have some Aruk! it tastes best hot with some freshly squeezed lemon on top.




Max Brod On Franz Kafka (English Subtitles)

This is an interview with Max Brod, Kafka’s longtime friend and literary executor.

After Kafka’s death, Brod refused to comply with Kafka’s instructions to burn most of his work, instead seeing many of Kafka’s texts to first publication.