Biertje


De eigenaresse zit op het terrasje van haar kleine café.
Op het tafeltje staat een glas bier. Halfvol. Ze rookt.
Het regent.
‘Daar zit je dan’, zegt ze.
‘Ja, toch mooi dat het terras weer mag’, zeg ik.
Haar glimlach heeft een slechte dag.
‘Er waren net twee mensen die iets wilde eten. Daar begin ik niet aan. Het is koffie of een drankje.’
Ik knik begrijpend.
‘Vroeg die ene of ze van het toilet gebruik mocht maken. Ik zei dan moet je eerst even gaan zitten. Anders krijg ik een boete.’
‘Hoe bedoel je?’, vraag ik.
‘Een klant mag alleen van het toilet gebruik maken als ie iets neemt.’
Ze schudt haar hoofd.
‘Heb er maar eentje getapt terwijl ze naar de wc ging. Voor het geval dat.’
Ze neemt een slok.
‘Zit ik hier in mijn eentje aan het bier.’

Bookmark and Share

Achtentachtig


‘Als je zo oud bent, heb je veel te vertellen. Alleen al over de oorlogsjaren. Met die vliegtuigen en het schieten. Ik was een actief meisje. Mijn moeder bleef maar baren. En mijn vader was altijd op pad. Ik moest helpen. Met alles. Had mijn moeder weer een kind. Deed ik de was en zorgde voor de kleintjes.
Ik leerde alles al doende. Niemand legde wat uit. Kon een baby niet poepen, sneed mijn vader een stukje van de zeep en stak dat in het achterwerk van die baby. Het hielp altijd.
Ja, ik kon goed leren, maar moest thuis te veel doen. Heb de middelbare school wel afgemaakt.
Zodra ik kon ben ik weggegaan. Werken en reizen. Heb veel gereisd. Kan ik ook veel over vertellen. Heb nog een paar jaar in Mozambique gewoond. Was een goede tijd. Mijn broer woont in Amerika. Hij is heel rijk. Dat kun je van mij niet zeggen. Heb altijd maar wat geleefd.
En ik had een neus voor verkeerde mannen. Werd altijd verliefd. Had ik ook met mijn psychiaters en therapeuten. Voor ik het wist viel ik voor ze. Behalve als ze kaal werden of waren. Ik woon tweehoog en als ik uit het raam hang, zie je heel veel van die kale kruinen. Verschrikkelijk. Al kunnen die mannen er niets aan doen natuurlijk. U heeft uw haar gelukkig nog, zie ik.
Dat is wel leuk aan deze tijd, vindt u niet? Het is zo rustig in de buurt. Je spreekt nog es iemand. Ik zie u vaker lopen, maar ja, het is altijd zo druk.
Vanochtend had ik voor het eerst sinds tijden geen zin om op te staan. Ben tot half tien blijven liggen. Dacht, je bent nu achtentachtig, dan mag het wel.
Ga elke dag een rondje lopen. Zie je nog es iemand. Want ik wil wel iedere dag even een praatje maken. Ik heb veel te vertellen.’

Bookmark and Share

Kroketten


Het is nog vroeg.
Verscholen in haar dikke jas zit ze in de portiek. Met al haar tassen als ruggesteun.
Iedere ochtend bestaat ons gesprek uit ‘Goedemorgen.’
Maar vandaag verrast ze me. Ze wijst op de gevel aan de overkant.
‘Kijk’, zegt ze.
Ik kijk naar het doek.
‘Toch nog goed nieuws’, meldt het spandoek.
Ze glimlacht.
‘Er komt een Febo’, zegt ze, ‘daar hebben ze lekkere kroketten.’
Ze kijkt me even aan.
‘Die nam ik vroeger altijd. Als we uitgingen.’

Bookmark and Share

Inge – Altijd in beweging. Elke stap een nieuw evenwicht.


Neergaan is niet altijd vallen
Je legt je benen zachtjes neer in een spagaat
Je armen eroverheen
Je hoofd eroverheen
Rust
In de lucht klinkt de muziek door
De aarde draait onder je door
Wiegt je
Na een paar maten draai je langzaam weer omhoog
Een pirouette
De armen reiken
Hoger en hoger
Je springt en bent los

 

Om te kunnen dansen moeten je voeten altijd wakker zijn, klaar staan voor de volgende pas. Ook als je stil staat. Balans betekent ook: altijd klaar zijn voor een volgende beweging.
Inge, een blonde vrouw met rustige heldere ogen, danst al sinds ze jong is. Haar eerste stapjes zette ze in Voorhout en door een verhuizing zette ze haar eerste danspassen in Enkhuizen. Toen ze ging studeren sprong ze naar Amsterdam, waar ze danste van Bos en Lommer naar de Baarsjes naar het Javaplein naar de Insulindeweg. En ook naar de Bootstraat op Wittenburg waar ze bij een hospita woonde. Toen ze er voor het eerst met de bus heen ging, dacht ze “Waar gáát deze bus naartoe??”

De Oostelijke Eilanden zijn eilanden en zo voelen ze ook echt, al liggen ze in Amsterdam Centrum. Ze vond het een heel fijne buurt, compact, midden in de stad én met een echt dorpsgevoel. Ze bracht het jongste kind van de hospita ook wel eens naar school, de buurtschool waar haar eigen zoon inmiddels ook heen gaat. Want na jaren, en meerdere andere woonplekken, woont ze nu alweer een aantal jaar op Wittenburg, op een steenworp afstand van haar oude hospita.

Toch was het niet een bewuste keuze om precies hier weer terecht te komen. Ze was in Amsterdam gaan studeren omdat dat toch wel the place to be was. Als tiener ging je winkelen in Amsterdam, als twintiger ging je studeren in Amsterdam. Maar studeren was geen vrijheid-blijheid voor Inge. Omstreeks de start van haar studie orthopedagogiek werd haar vader ernstig ziek en tegen het einde van haar studie overleed hij, veel te jong, op zijn vijftigste. Die jaren van zijn ziekte waren heel zwaar voor haar. Ze pendelde veel heen en weer tussen Amsterdam en Enkhuizen. En naar de balletschool in het naburige Grootebroek, want dat was haar redding: héél véél dansen.
Dan kon ze alles even opzij zetten. Terwijl ze in Amsterdam niet echt een sociaal leven opbouwde, vormde de groep mensen waarmee ze danste haar sociale leven, haar wortels. Het was een plek waar ze zich geborgen voelde en waar ze in de beweging tot rust kon komen.
Haar moeder begreep dat niet. ‘Die balletschool heb je toch al helemaal gezien? Moet je niet eens van ballet af? Je woont in Amsterdam. Maak je eens los.’ Ze wilde Inge juist altijd stimuleren om er op uit te trekken, de wereld te zien, onafhankelijk te zijn. En tegelijk vindt ze tegenwoordig de afstand Enkhuizen-Amsterdam juist erg groot, nu ze oma is. Inge voelt de afstand ook, maar voelt hem anders dan haar moeder. Een kilometer is altijd 1000 meter, maar voor de één is dat een hardlooprondje tijdens een verkoudheid, voor de ander is soms elke stap teveel.

Na haar studie begon ze te werken als gezinsvoogd en na een jaar kwamen er heel veel kilometers tot haar moeder in Enkhuizen bij toen ze voor een organisatie in Boston in de Verenigde Staten ging werken. In een uitwisselingsprogramma bracht ze over hoe in Europa met jeugdzorg wordt omgegaan. En via dat programma leerde ze een man kennen waar ze tot over haar oren verliefd op werd. Een Zwitser waarmee ze op avontuur ging door de VS, en waarmee het avontuur door ging toen Inge naar Nederland en hij naar Zwitserland terug ging. Weer pendelde Inge veel, tot hij besloot bij haar te komen wonen, op dat moment weer even in Enkhuizen.

Read more

Bookmark and Share

Leegte


‘Meneer!’
Ik heb hem al een tijdje niet gezien. Hij is wat magerder, maar ziet er frisser uit.
‘Meneer! Heeft u een sigaret? Of wat geld?’
Ik doe een paar stappen terug.
‘Nee’, zeg ik, ‘ik heb niks bij me.’
Hij loopt langzaam naar het bankje even verderop.
Blijkbaar heb ik een sentimentele bui. Ik voel nog een keer in de zakken van mijn colbert. Niks.
De telefoon gaat. Het gesprek duurt niet lang. Ondertussen hou ik hem in de gaten. Roerloos zit hij op het bankje. Hij heeft geen oog voor de voorbijgangers.
Op en of andere manier voel ik me schuldig.
Er bestaat vast een beter woord.
Ik kijk in mijn portemonnaie. Zie dat er toch een biljet van 20 euro inzit.
Ik aarzel.
Neem een besluit.
‘Hier’, zeg ik.
Hij kijkt me verrast aan.
‘Dank u wel. Mag ik u een hand geven?’
‘Nee’, zeg ik, ‘maar maak er een mooie dag van. Ik heb je trouwens een tijdje niet gezien.’
Hij knikt.
‘Was een paar weken weg. Wilde mijn moeder bezoeken.’
‘En? Was ze blij je weer te zien?’
Hij schudt zijn hoofd.
‘Ze woonde er niet meer. Het huis was leeg.’

Bookmark and Share

De Oostelijke Eilanden


Tweede Coehoornstraat in de Czaar Peterbuurt – Foto Neeria Oostra Malaver

In Sporthal Oostenburg is het een kakofonie van kinderstemmen. Het is vakantie en de sporthal is omgebouwd tot een groot activiteitenparadijs. Kleine kinderen, sommige nog in de luier, rennen tussen jonge tieners door. Moeders, veel moeders, maar ook vaders en opa’s en oma’s kijken naar hun kinderen of op hun telefoon.
Allerlei mensen door elkaar, allerlei kleuren door elkaar. Vanmiddag voelt dit als het kloppend hart van de wereld, gillend, rennend, lachend, tuimelend. En voor de kinderen is het dat ook.

In deze buurt, de Oostelijke Eilanden, tussen de wateren van het Marineterrein, de Dijksgracht en de Nieuwe Vaart, groeien deze kinderen op. Dit is hun leefwereld. Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg. En nu ook de Czaar Peterbuurt en meer recent ook het Funen.

Als onderdeel van de zogenaamde Vierde Uitleg, een grote uitbreiding van toenmalig Amsterdam, werden tussen 1650 en 1662 eerst Kattenburg, daarna Wittenburg en tot slot Oostenburg aangelegd. Hiermee kwam er extra plaats voor de scheepsbouw. Vanaf deze scheepswerven vertrokken ook schepen naar Oost-Indië en Amerika. Het werden werkeilanden, al woonden er toen ook al wel mensen, vooral arbeiders die op de scheepswerven werkten.
Al heel vroeg, in 1671, verrees de Oosterkerk die door de eeuwen heen een belangrijke buurtfunctie vervuld heeft en nog steeds belangrijk is als ontmoetingsplek in de buurt.

Het eerst gevormde eiland Kattenburg werd voor de helft toegewezen aan de Admiraliteit, met de Marinewerf en ‘s Lands Zeemagazijn, het tegenwoordige Scheepvaartmuseum, als grote markeringspunten. Op de andere helft konden particulieren een werf en woning vinden. Op het tussenliggende Wittenburg moesten ook kleinere particuliere werven komen. Deze kwamen in die turbulente decennia niet van de grond en ruim een eeuw later hadden zich er nog maar weinig particulieren gevestigd.
De VOC kreeg heel Oostenburg toegewezen. Hier kwamen werven en het kantoor en werden alle activiteiten van deze multinational gehuisvest. De meeste belangrijke gebouwen van de VOC zijn verdwenen. Pakhuis Oostenburg staat nog wel overeind. In 1795 werd de VOC failliet verklaard. Een dertigtal jaar later vestigde de Fabriek van Stoom- en Andere Werktuigen zich op Oostenburg en nam het eiland bijna net zo absoluut over als de VOC eerder. Dit bedrijf ging uiteindelijk in de 20e eeuw op in Stork dat daar tot 1998 is gebleven.

Het failliet van de VOC markeerde ook de overgang van de grootschalige scheepsbouw naar andere bedrijvigheid als gevolg van de Industriële Revolutie. Een deel van de Wittenburgervaart werd gedempt en daar verschenen grote industriële hallen, de Van Gendthallen.
Vanaf 1832 werden de eilanden ter bescherming van het IJ afgesloten door de Oosterdoksdijk, waarop in 1874 de spoorbaan naar het oosten werd aangelegd. Hierdoor werden er geen nieuwe straten aan vast geplakt waardoor de Oostelijke Eilanden eilanden gebleven.
In de 19e eeuw verdween langzaamaan de scheepsbouw van de eilanden en werden het meer en meer wooneilanden. Alleen op Oostenburg is het gemengd woon-werkkarakter nog terug te vinden. De Czaar Peterstraat en omgeving is vanaf de aanleg in de 19e eeuw woonbuurt geweest, voor de arbeiders en de zeevaarders.

Bijltjesdag
De bewoners van de eilanden werden vroeger Bijltjes genoemd, naar het belangrijkste werkinstrument in de scheepsbouw. Deze naam raakte wijd bekend vanwege de befaamde Bijltjesdag. Op 29 mei 1787 kwamen de zeer Oranjegezinde bewoners van de Oostelijke Eilanden in opstand tegen de Republikeinen die de macht hadden overgenomen in Amsterdam. De spanningen tussen Republikeinen en Prinsgezinden liepen al jaren op toen in mei 1787 in het centrum vernielingen werden aangericht tegen Republikeinse gebouwen. De Bijltjes van de Eilanden haalden de brug naar Kattenburg op en verschansten zich op de eilanden. Het lukte de republikeinen de brug weer neer te halen en ze ondernamen hierop een bloedige vergeldingsactie.

Een ander voorbeeld van opkomen voor zichzelf is het aardappeloproer in 1917. Door de Eerste Wereldoorlog was de bevoorrading van Nederland in de knel gekomen en in Amsterdamse volkswijken raakten de aardappelen op, volksvoedsel nummer 1. In de zomer van 1917 kwamen vrouwen in de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden in opstand en gingen de stad door op zoek naar aardappels. Zowel op het Haarlemmerplein als op het Kattenburgerplein vielen er doden toen het leger in een aantal dagen het aardappeloproer bedwong.

Read more

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives