Verborgen werelden ~ Theoretisch perspectief en begrippen

darklondonalleyIn dit hoofdstuk komen drie thema’s aan de orde. Voor onderzoek naar de samenhang tussen seksueel misbruik van jongens en jongensprostitutie is theoretisch het perspectief van de levensloop- en ontwikkelingscriminologie van belang. Binnen deze stroming in de criminologie is veel aandacht voor de risicofactoren voor deviant gedrag, in het bijzonder delinquentie, en voor de ontwikkeling van deviant gedrag van de kindertijd tot in de volwassen jaren (Donker et al., 2004). We zijn vooral geïnteresseerd in de vraag naar de relatie tussen seksueel misbruik en jongensprostitutie, hetgeen beschouwd kan worden als een vorm van deviant gedrag. In hoeverre baant slachtofferschap van seksueel misbruik de weg naar jongensprostitutie? In het verlengde hiervan dringt zich als haast vanzelfsprekend op welke andere factoren een rol spelen bij (de stap naar) jongensprostitutie. Meer in het bijzonder zijn we geïnteresseerd in de context waarbinnen jongensprostitutie plaatsvindt. Het tweede thema is een nadere uitwerking van de context en heeft betrekking op de rol van etniciteit als verklarende factor. Hierbij bespreken we het culturalistische en het constructivistische perspectief.

Ten slotte gaan we in op enkele voor ons onderzoek relevante kernbegrippen. Seksueel misbruik en jongensprostitutie zijn begrippen die elk voor zich heel verschillende ladingen kunnen dekken en derhalve dienen te worden gedefinieerd. Dat is ook nodig om te kunnen onderzoeken wat de relatie tussen seksueel misbruik en prostitutie is. Dit geldt temeer daar prostitutie, met name in het geval van minderjarigen, wel als een vorm van seksueel misbruik wordt beschouwd.

2.1 Van seksueel misbruik naar jongensprostitutie?
In zijn rapport benadrukt Kooistra (2006) het verband tussen seksueel misbruik en jongensprostitutie. Ook Van Horn et al. (2001) concluderen dat seksueel misbruik in diverse onderzoeken wordt beschouwd als een van de factoren die de kans op het belanden in de prostitutie vergroten. Maar zij noemen dak- en thuisloosheid en acute financiële nood als belangrijkste redenen om in de prostitutie te werken. Uit Scandinavisch onderzoek komt naar voren dat jongensprostitués (in dit geval jongens onder de 18 jaar) relatief vaak alcohol en drugsproblemen hebben en weggelopen zijn van huis, op relatief jonge leeftijd hun eerste seksuele contact hebben gehad met een persoon die vaak een stuk ouder is dan zijzelf, relatief vaak slachtoffer zijn van seksueel misbruik en vaak last hebben van psychische problemen (Pedersen & Hegna, 2003; Edwards et al., 2006; Svedin & Priebe, 2007). Het verband tussen jongensprostitutie en seksueel misbruik kan op verschillende manieren gelegd worden. Enerzijds wordt jongensprostitutie gezien als een vorm van seksueel misbruik (Van Gurp & Timman, 1998). Anderzijds kan de relatie tussen seksueel misbruik en prostitutie gelegd worden door seksueel misbruik te beschouwen als één van de factoren die de kans op prostitutie vergroten (Allen, 1980; Silbert & Pines, 1983; Pedersen & Hegna, 2003 ; Edwards et al., 2006; Svedin & Priebe, 2007).

Sommige wetenschappers beweren zelfs dat hier een causaal verband bestaat (o.a. Mc Mullen, 1987). Toch is deze stelling nog nooit volledig aangetoond en is zelfs meerdere malen door wetenschappers betwist. Nadon et al. (1998) hebben de achtergronden van adolescenten die in de prostitutie beland zijn, vergeleken met die van adolescenten die niet in de prostitutie beland zijn. In dit onderzoek komt geen direct verband tussen seksueel misbruik en prostitutie naar voren. Seng (1989) vergeleek kinderen die seksueel misbruikt waren met kinderen die zich prostitueerden en concludeert hetzelfde. Ook is er meerdere malen een indirect verband tussen seksueel misbruik en prostitutiegesignaleerd, waarbij dak- en/of thuisloosheid als interveniërende variabele wordt gedefinieerd (Seng 1989; Widom & Ames 1994; Cusick, 2002).
Seng (1989) noemt prostitutie gedrag het resultaat van het straatleven. De economische factor wordt hierbij als een van de grote drijfveren voor de prostitutie genoemd (Van Horn et al., 2001). Prostitutie wordt hier gezien als een oplossing voor een financieel probleem. Naast bovenstaande connecties tussen seksueel misbruik en prostitutie wordt in de wetenschappelijke literatuur nog een andere verbinding gelegd die beide begrippen bij elkaar trekt en het onderscheid tussen beide fenomenen minimaliseert. Jongens zijn volgens Van Horn et al. (2001) gevoelig voor aandacht en geld. Met name Marokkaanse jongens hangen vaak zonder toezicht rond op straat en zijn op zoek naar geld en aandacht. Dit maakt ze extra kwetsbaar om een slachtoffer te worden van seksueel misbruik én terecht te komen in de prostitutie (Van Gurp & Timman, 1998; Van Horn et al., 2001; Kooistra, 2006).

2.2 Jongensprostitutie en etniciteit
Van der Poel (1991) trof in haar onderzoek vooral autochtone jongensprostitués aan. In die periode waren er zeker ook jongensprostitués met een andere etnische achtergrond, zowel westerse allochtonen (toen vooral Duitsers) als niet-westerse allochtonen, waaronder Marokkanen. Toch was Amsterdam, de stad waar het onderzoek werd uitgevoerd, indertijd veel minder multi-etnisch dan nu. Het aantal Marokkaanse jongens in Nederland is behoorlijk toegenomen. Sinds het onderzoek van Van der Poel zagen we achtereenvolgens Tsjechen, Polen en Roemenen in de Amsterdamse jongensprostitutie (Korf et al., 1996). Ook zijn (culturele) verklaringen die toen golden voor bijvoorbeeld Marokkaanse jongens vrijwel zeker niet meer zomaar toepasbaar in het heden. In de jaren tachtig waren de meeste Marokkaanse jongens van de eerste generatie en zelf nog in Marokko geboren. Tegenwoordig is de overgrote meerderheid in Nederland geboren, soms zelfs al van de derde generatie.
Reeds in het jaar waarin Van der Poel haar proefschrift verdedigde, sneed Van Gemert (1991) het probleem aan dat verklaringen voor de eerste generatie migranten wellicht niet van toepassing zijn op latere generaties[iii]. Hij constateerde dat Marokkanen vertegenwoordigd waren in de jongensprostitutie. Het relatieve gemak waarmee Marokkaanse jongens (betaalde) seks met mannen hebben, verklaarde Van Gemert primair vanuit hun, cultureel bepaalde, socialisatie. “Seks met mannen, homoseksueel gedrag, komt daar veel voor. Daarom kan verondersteld worden dat zij met dit cultuurverschijnsel in hun geboorteland al kennis gemaakt hebben.” (p. 96) Het was echter de situatie in Nederland die prostitutie voor Marokkaanse jongens aantrekkelijk maakte, vooral in Amsterdam. “Zouden zij in hun land van herkomst moeizaam de mannenwereld binnen kunnen komen door de vervelende passieve rol te spelen, in de hoofdstad blijken volwassen mannen erg in hen geïnteresseerd en daar is voor hen vaak de veel prettigere actieve rol weggelegd. […] Dat hij er ook nog voor betaald wordt, maakt het nog interessanter.”(p. 97) De verklaring voor het feit dat sommige van deze jongens prostituanten vermoordden zag Van Gemert vooral in de aantasting van hun eer, namelijk wanneer zij gedwongen worden de passieve, vrouwelijke rol te spelen of wanneer hun viriliteit ter discussie staat.

Deze culturalistische verklaring doet tegenwoordig nogal gedateerd aan. Van Gemert gaf dit ook zelf al aan door Marokkaanse jongensprostitutie een tijdsgebonden fenomeen te noemen. In de jaren tachtig ging het voornamelijk om jongens van de eerste generatie. “Bij een tweede generatie die hier geboren is, zal van een dergelijke achtergrond veel minder of in het geheel geen sprake zijn.” Maar hij sloot voor de toekomst niet uit dat “een fors aantal Noord-Afrikaanse illegalen gemakkelijk in het marginale reservoir terecht blijkt te komen waaruit ook de jongensprostitutie put.”(p. 103)

Tegenover culturalistische benaderingen staat een constructivistisch perspectief, waarbij cultuur niet als een vaststaand gegeven wordt aangenomen, maar waarbij culturele aspecten zelf onder de loep genomen worden (zie: Bovenkerk et al., 2003). De constructivistische benadering behelst niet dat culturele factoren niet van invloed kunnen zijn, maar stelt de vanzelfsprekendheid ter discussie en noopt tot nader onderzoek. Anders gezegd: indien Marokkaanse jongens inderdaad oververtegenwoordigd zouden blijken onder slachtoffers van seksueel misbruik en in de jongensprostitutie, dan resteert nog steeds de vraag wat dit te maken heeft met de Marokkaanse cultuur (vergelijk: Kleijer-Kool, 2006).
Volgens Loeber & Farrington (2004) verschillen risicofactoren voor delinquent gedrag – enkele zeer kleine variaties daargelaten – niet wezenlijk tussen etnische groepen. Er is wel verschil in prevalentie van risicofactoren tussen zwarte en witte Amerikanen, maar de achterliggende mechanismen verschillen niet. Aparte theorieën over delinquentie bij verschillende etnische groepen zijn volgens hen dan ook niet nodig. Los van de vraag of deze – op Angelsaksisch, vooral Amerikaans onderzoek gebaseerde – conclusie eveneens geldt voor jongensprostitutie, doet zich het probleem voor in hoeverre de bovengenoemde bewering ook opgaat voor groepen met een geheel andere etnische achtergronden voor een land met een andere (raciale) geschiedenis.
Het onderzoek van Van Horn et al. (2001) bevestigt eerdere bevindingen dat factoren die de kans op seksueel misbruik vergroten voor allochtone jongens dezelfde zijn als voor autochtone jongens. Ook met betrekking tot de aard van het misbruik waren de gevonden verschillen tussen autochtone en allochtone jongens niet of nauwelijks significant.

2.3 Kernbegrippen
Seksueel misbruik en jongensprostitutie zijn begrippen die elk voor zich verschillende ladingen kunnen dekken. In surveys onder jongeren worden beide begrippen vaak vermeden en wordt gevraagd naar concrete (maar soms heel algemene) gedragingen, c.q. ervaringen. Juridisch gelden seksueel misbruik van en het hebben van seks tegen vergoeding met minderjarigen personen jonger dan 18 jaar) allebei als zedenmisdrijven. Leuw et al. (2003) stellen dat in het juridische begrip zedendelict minstens drie geheel verschillende vormen van maatschappelijk problematisch gedrag te onderscheiden zijn:
* In de letterlijke zin des woords schenden van de (seksuele) fatsoensnormen (ongepast tonen van naakt of van seksuele handelingen)
* Schending van de plicht tot bescherming van jeugdigen en schending van het verbod op consensuele seksuele interacties die off limit zijn (met jeugdige prostituees en afhankelijken)
* Seksuele geweldsdelinquentie

Van seksueel misbruik is volgens Van Gurp & Timman (1998) sprake wanneer:
[…] er seksuele handelingen met kinderen en jongeren word en gepleegd die zij moeten toestaan of dulden zonder dat zij het gevoel hebben zich eraan te kunnen onttrekken. De pleger van dergelijk misbruik heeft een machtsoverwicht over het slachtoffer en kan seksuele handelingen afdwingen door dreiging met en daadwerkelijk gebruik van geweld, chantage of beloningen. Het kan dan gaan om feitelijke seksuele activiteiten, maar ook om het seksualiseren van de omgeving, aanrakingen, taalgebruik of seksueel beladen blikken.” (p. 7)

Deze definitie kenmerkt seksueel misbruik door de macht van de ‘pleger’ en de onderdanigheid en het gebrek aan autonomie van het ‘slachtoffer’. Dit staat op gespannen voet met de conclusie van Van Horn et al. (2001), dat jongensprostitutie lang niet altijd als gedwongen ervaren wordt omdat tegemoet gekomen wordt aan de emotionele of financiële behoeften van de jongens. Het zou daarom ook ‘ruilseks’ genoemd kunnen worden (De Graaf et al., 2007).

Het Wetboek van Strafrecht stelt personen die seks hebben met kinderen onder 16 jaar strafbaar.[iv] Daarnaast is het verboden om tegen vergoeding seks te hebben met 16 tot 18 jarigen.[v] Klanten van minderjarige prostitués zouden zich daarmee feitelijk schuldig maken aan seksueel misbruik. Anderen noemen het een vorm van seksuele kindermishandeling (Transact, 2005). Voor deze keuzes valt zeker wat te zeggen, maar het zou de helderheid van ons onderzoek niet ten goede komen wanneer we minderjarige jongensprostitutie niet als afzonderlijk begrip zouden hanteren. Transact (2005) geeft de volgende definitie:
Prostitutie is een interactievorm met de opzet om sociaal-seksueel contact uit te wisselen voor geld of andersoortige vergoeding. Jeugdprostitutie is het al dan niet gedwongen verlenen van
seksuele diensten door minderjarige meisjes of jongens tegen enige vorm van vergoeding.” (p.1)

Aan deze definitie kleeft de vraag wat dient te worden verstaan onder ‘andersoortige vergoeding’. Kan die ook immaterieel zijn, bijvoorbeeld het geven van aandacht? Kan volstaan worden met cadeautjes (b.v. in de vorm van een dvd of een game) of een slaapplek (voor weglopers of thuisloze/dakloze jongeren)? Voor ons eigen veldonderzoek onder jongensprostitués is als richtlijn genomen dat er (ook) sprake is van geldelijke of andere materiële vergoeding.
Onder jongensprostitutie wordt verstaan: betaalde seks tussen personen van het mannelijke geslacht. In de literatuur en in het publieke en politieke debat worden met jongensprostitutie vaak zowel minderjarige als meerderjarige prostitués bedoeld. In het veldonderzoek hebben we ons gericht op minderjarige jongens, plus jongens tussen 18 en 21 jaar die reeds als minderjarige seks met mannen tegen een materiële vergoeding hebben gehad.

Noten
iii. Hij had onderzoek gedaan naar de rol van Marokkaanse jongens bij homomoorden. In de tweede helft van de jaren zeventig en in de jaren tachtig was ongeveer een derde van de daders van Amsterdamse homomoorden van Noord-Afrikaanse afkomst. Van Gemert maakte een selectie van dossiers. Hoewel het om kleine aantallen ging, concludeerde Van Gemert dat Noord-Afrikanen (met name Marokkanen) hun daad vaak met meerdere daders plegen. Alle Marokkaanse (en ook de paar Turkse) daders waren niet in Nederland geboren en hadden hun jeugd in het land van herkomst doorgebracht.
iv. Hij die met iemand […] beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelde tot het plegen of dulden van zodanige handelingen buiten echt met een derde verleidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie. (Art. 247)
v. Hij die ontucht pleegt met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. (Art. 248b)

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.




Verborgen werelden ~ Slachtofferschap van seksueel misbruik buiten de familie

darklondonalleyIn dit hoofdstuk richten we ons op de aard en omvang van seksueel misbruik van minderjarige jongens. Daarbij beperken we ons tot seksueel misbruik buiten de familiesfeer. Voor een omvangschatting zijn kwantitatieve gegevens nodig. Zoals in de introductie beschreven (hoofdstuk 1), zijn in de literatuur cijfers over seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiekring schaars. Beschikbare cijfers hebben betrekking op verschillende doelgroepen en de gehanteerde definities en onderzoeksmethoden lopen uiteen. Onderzoeken variëren van meta-analyse van literatuur (Lampe, 2002), scholierensurveys naar kindermishandeling (Lamers-Winkelman et al., 2006) en ongewenste seksuele ervaring en (Diepenmaat et al., 2006), dossierstudie van seksuele geweldszaken (Daalder & Essers, 2003) en behandelde zedendelinquenten (Bijleveld & Hendriks, 2007), tot analyse van meldingen van kindermishandeling (Van IJzendoorn et al., 2007) en politie- en hulpverleningsgegevens (Van Horn et al., 2001). Bovendien maken veel van deze studies geen onderscheid tussen jongens en meisjes en/of tussen misbruik binnen en buiten de familie.
Voor een valide omvangschatting zijn uniforme landelijke gegevens noodzakelijk. Deze moeten specifiek betrekking hebben op jongens, minderjarigen en misbruik buiten de familie. Om verschillende etnische groepen te vergelijken kunnen de aantallen ook niet te klein zijn. Mogelijke bronnen zijn de hulpverlening en de politie.

3.1 Hulpverlening
De geestelijke gezondheidszorg behandelt jaarlijks meer dan honderdduizend jongeren (GGZ, 2006).[vi] Hulpverleningsinstanties lijken daarmee een goede bron van landelijke cijfers. Eerdere ervaringen met een inventarisatie van probleemjongeren binnen de jeugdhulpverlening (Nabben et al., 2007) hebben echter geleerd dat de hulpverlening zeer versnipperd is: alleen al in Amsterdam hielden meer dan twintig instanties zich bezig met deze doelgroep. Bovendien zijn registratiegegevens van hulpverleningsinstanties doorgaans niet kant-en-klaar beschikbaar. Veel informatie ligt vast in papieren dossiers of in “open velden” in het registratiesysteem en cijfers rollen zelden met een druk op de knop uit de computer. Gegevens die de hulpverlening zelf rapporteert in bijvoorbeeld jaarverslagen zijn meestal niet gespecificeerd naar geslacht, leeftijd en specifieke problematiek. Zelfs al was het mogelijk om de benodigde gegevens te verzamelen bij álle hulpverleningsinstanties in het land, dan zouden de cijfers ook niet zomaar bij elkaar opgeteld kunnen worden, omdat doorverwijzing binnen de hulpverlening niet ongewoon is.

Toch kunnen we niet negeren dat het juist signalen uit de hulpverlening waren die aanleiding gaven tot dit onderzoek (Van Horn et al., 2001). Daarom is in de regio’s Amsterdam-Amstelland en Twente wel getracht cijfers van seksueel misbruik van minderjarige jongens te achterhalen bij de hulpverlening. Met 22 organisaties en instellingen[vii] die zich bezighouden met, of mogelijke vindplaatsen zijn van, slachtoffers van seksueel misbruik is contact opgenomen met de vraag hoeveel minderjarige jongens binnen hun klantenbestand van 2007 buiten de familiesfeer seksueel misbruikt (zouden kunnen) zijn. Dergelijke gegevens bleken echter überhaupt niet te worden geregistreerd, of het registratiesysteem liet niet toe dergelijke specificaties te maken. De ggz-instellingen hanteren bijvoorbeeld een registratie waarbij de problematiek wordt vastgesteld op basis van een DSM diagnose.[viii].
De diagnose waaronder seksueel misbruik wordt geclassificeerd (V61.21), omvat echter ook lichamelijke mishandeling en verwaarlozing en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen misbruik binnen en buiten de familiesfeer. Bij geen van de andere organisaties die we benaderden, wordt seksueel misbruik van jongens (structureel) geregistreerd. Er zijn dus geen ‘harde’ hulpverleningscijfers, maar ook ‘zachte’ cijfers kan de hulpverlening niet leveren. Hulpverleners melden geen zicht te hebben op seksueel misbruik bij hun cliënten en áls er al vermoedens zijn, dan kunnen of durven zij die niet uit te drukken in schattingen.
De zoektocht naar aanvullende cijfers binnen de hulpverlening heeft wel belangrijke informatie opgeleverd – namelijk dat de hulpverlening weinig zicht heeft op seksueel misbruik van minderjarige jongens – maar geen kwantificeerbare gegevens op basis waarvan we een omvangschatting kunnen maken, of die gebruikt kunnen worden als aanvulling op de politiecijfers.

3.2 Politie
In alle 25 politieregio’s worden meldingen en aangiftes van delicten, inclusief persoonskenmerken van betrokkenen, centraal vastgelegd in vergelijkbare registratiesystemen. De politieregistratie vormt daarmee een belangrijke landelijke bron van uniforme gegevens over seksueel misbruik. In het bedrijfsprocessen systeem van de politie (BPS, Genesys, Xpol,) worden aangiftes, meldingen en mutaties[ix] geregistreerd onder bepaalde incidentcodes. Betrokkenen worden geregistreerd onder bepaalde relatiecodes (slachtoffer, verdachte, getuige, etc.). Gevallen van seksueel misbruik buiten de familie zouden in BPS in principe onder de incidentcode Ontucht minderjarige (336) terug te vinden moeten zijn; Xpol hanteert de code Sexueel misbruik kinderen, geen incest (F527). Daarbinnen kan dan gezocht worden naar jongens met de relatiecode slachtoffer, die ten tijde van het incident minderjarig waren (dit laatste is mogelijk door de registratie van zowel pleegdatum als geboortedatum).
Deze ogenschijnlijk simpele selectieprocedure zal echter een onderschatting van het aantal misbruikzaken tot gevolg hebben. Het is namelijk vaak in eerste instantie onduidelijk wat zich precies heeft voorgedaan, waardoor seksueel misbruik mogelijk onder een andere incidentcode, bijvoorbeeld verkrachting of aanranding, in de registratie terechtkomt. Ook de rol van de betrokken personen is niet altijd direct duidelijk, waardoor ook het slachtoffer mogelijk onder een andere code, bijvoorbeeld aangever, melder of het neutrale betrokkene, wordt geregistreerd. Selectie van alleen díe zaken die onder de genoemde incidentcodes en met een minderjarige jongen als slachtoffer zijn geregistreerd, levert daarmee een te klein aantal op. Aan de andere kant kunnen natuurlijk ook niet zomaar álle seksuele delicten met minderjarige jongens in álle rollen worden geselecteerd. Dat zou een forse overschatting betekenen.

Omdat alleen op basis van de registratiecodes dus geen seksueel misbruik van minderjarige jongens kan worden onderscheiden, zijn in de politieregio’s Amsterdam-Amstelland en Twente de dossiers bestudeerd van álle zedenzaken uit 2007, met minderjarige jongens in álle rollen. Op basis van de dossiers is vastgesteld hoeveel van deze zedenzaken gevallen van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer betrof. De dossierstudie leverde tevens informatie over de aard en omstandigheden van het seksueel misbruik. De resultaten van de dossierstudie zijn vervolgens gebruikt als “sleutel” om op basis van landelijke politiecijfers een omvangschatting te maken. De landelijke politiecijfers zijn verzameld bij alle 25 politieregio’s in Nederland. Hier zijn geanonimiseerde gegevens van álle zedenzaken met minderjarige jongens in álle rollen uit de jaren 2003 tot en met 2007 opgevraagd.

Belangrijke beperking van de politiecijfers is dat deze sterk afhankelijk zijn van melding- en aangiftebereidheid. Niet iedereen meldt elk delict bij de politie en niet alle meldingen resulteren in een officiële aangifte. Er zijn bovendien aanwijzingen dat de aangiftebereidheid van bepaalde delicten (en zedendelicten horen daar zeker bij) samenhangt met factoren als geslacht en etniciteit (Wittebrood, 2004/2006). We kunnen op basis van de politiecijfers dus alleen een schatting maken van het aantal geregistreerde gevallen van seksueel misbruik van minderjarige jongens. Een andere beperking van de politiegegevens betreft de registratie van etniciteit. De politie registreert nationaliteit en geboorteland van de persoon zelf. Volgens de officiële definitie van het CBS wordt etniciteit echter bepaald door de ouders.[x]
In de politieregistratie kunnen hooguit eerste generatie allochtonen worden onderscheiden. Allochtonen van de tweede generatie, die zelf in Nederland zijn geboren, kunnen niet worden herkend. In dit onderzoek kan dat leiden tot een fikse onderschatting van het aandeel allochtonen: 85% van de minderjarige allochtone jongens in Nederland is namelijk van de tweede generatie.[xi] Met behulp van de politiedossiers in Amsterdam-Amstelland en Twente is getracht ook hiervoor te corrigeren.

Dossierstudie
In de politieregio’s Amsterdam-Amstelland en Twente zijn politiedossiers bestudeerd van in totaal 331 zaken. Dit waren alle in deze politieregio’s bekende zedenzaken uit het jaar 2007, waarbij een jongen betrokken was die ten tijde van het gebeuren minderjarig was. In 152 van deze zaken (46%) is aangifte gedaan; in de overige gevallen was er slechts sprake van een melding of mutatie. Amsterdam-Amstelland gebruikt het Xpol registratiesysteem; Twente hanteert BPS. De incidentcodes en bijbehorende delictsomschrijvingen binnen deze systemen wijken iets af, maar ontlopen elkaar niet veel.

Op basis van de rol die de minderjarige jongen(s) speelde(n) volgens de registratie, zijn deze zaken in 4 categorieën te verdelen:
1. Er is een minderjarige jongen als slachtoffer (of benadeelde) geregistreerd.
2. Er is géén minderjarige jongen als slachtoffer, maar wel een minderjarige jongen als aangever (of melder) geregistreerd.
3. Er is géén minderjarige jongen slachtoffer/aangever, maar wel een minderjarige jongen als getuige (of betrokkene) geregistreerd.
4. Er is géén minderjarige jongen slachtoffer/aangever/getuige, maar wel een minderjarige jongen als verdachte geregistreerd.

Tabel 3.1a Amsterdamse zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2007 Tabel 3.1b Twentse zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2007

Tabel 3.1a Amsterdamse zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2007
Tabel 3.1b Twentse zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2007

Zaken waarin volgens de registratie een minderjarige jongen het slachtoffer was, vormen de minderheid in zowel Amsterdam-Amstelland als Twente. In de meeste gevallen was een minderjarige jongen geregistreerd als getuige. In Twente was er slechts één zaak met een minderjarige jongen als aangever. Waarschijnlijk komt dit doordat het BPS systeem een code voor aangever/benadeelde kent (AAB), terwijl in Xpol aangever en benadeelde afzonderlijk ingevoerd moeten worden. Daarom is besloten de categorieën slachtoffer en aangever samen te voegen. In ongeveer één op de zes bestudeerde zaken waren de geregistreerde verdachten minderjarige jongens; de overige betrokkenen in die zaken waren meerderjarig en/of vrouw. De categorieën Kinderpornografie, Kinderprostitutie, Pornografie en Mensenhandel komen in beide regio’s relatief weinig of helemaal niet voor. Deze zaken worden opgeteld bij de categorie Overige zedenzaken.

Tabel 3.2 Bestudeerde zedenzaken waar een minderjarige jongen bij betrokken was, Amsterdam-Amstelland en Twente 2007

Tabel 3.2 Bestudeerde zedenzaken waar een minderjarige jongen bij betrokken was, Amsterdam-Amstelland en Twente 2007

Op basis van dossierstudie is bepaald in hoeveel van deze 331 zedenzaken sprake was van seksueel misbruik van een minderjarige jongen buiten de familiesfeer. Daarnaast zijn gegevens verzameld omtrent de aard van het misbruik, de relatie van de verdachte ten opzichte van het slachtoffer en de etniciteit van de betrokkenen. Deze informatie komt verderop in dit hoofdstuk aan bod. De dossierstudie leverde in beide regio’s zeer vergelijkbare resultaten op. In het grootste deel van de bestudeerde zaken (181/331 = 55%) was geen sprake van seksueel misbruik van een minderjarige jongen. In de meeste van deze gevallen was de minderjarige jongen zelf verdacht van een zedendelict, was de jongen getuige toen bijvoorbeeld een meisje in een winkelcentrum lastiggevallen werd, of waren er vermoedens van seksueel misbruik van zijn zus(je).[xii]

Zeven dossiers (2%) bevatten geen bruikbare informatie of waren besloten[xiii]; deze laten we buiten beschouwing. In 17 zaken (5%) was er loos alarm; bij nader onderzoek bleek er niets aan de hand, althans geen seksueel misbruik te hebben plaatsgevonden. Bijvoorbeeld wanneer de vreemde mannen in het bos deel nemers van een vossenjacht blijken te zijn. In 46 zaken (14%) waren er mensen die zich zorgen maakten of waren de intenties van bepaalde personen op z’n minst verdacht, maar was er (nog) niets gebeurd dat aanleiding gaf tot verder onderzoek of actie. Denk hierbij aan de “kinderlokkers” die in het park, vanuit de auto of via internet seksueel getinte opmerkingen maken. We hebben dergelijke zaken geclassificeerd als risicozaken.

In de overige gevallen was wél sprake van seksueel misbruik van een minderjarige jongen: 16 zaken van misbruik binnen de familie (5%) en 64 zaken van misbruik daarbuiten (19%). Deze laatste zaken zijn de focus van dit onderzoek.

Tabel 3.2 Bestudeerde zedenzaken waar een minderjarige jongen bij betrokken was, Amsterdam-Amstelland en Twente 2007

Tabel 3.3 Zaken waarbij sprake was van seksueel misbruik van een minderjarige jongen buiten de familiesfeer, Amsterdam-Amstelland en Twente 2007

De incidentcode Ontucht minderjarige is dus in slechts 28% (18/64) van de misbruikzaken uit de dossierstudie gehanteerd. In vier op de tien misbruikzaken (26/64) was in de registratie de minderjarige jongen niet als slachtoffer/aangever, maar als getuige geregistreerd. Anderzijds waren er ook zaken met de betreffende incidentcodes en waarbij wel een minderjarige jongen als slachtoffer/aangever was geregistreerd, maar waarbij géén sprake bleek van seksueel misbruik. Vrijwel alle 64 misbruikzaken vonden plaats in het jaar 2007; twee speelden in 2006 en één in 2002. In ongeveer de helft van de gevallen (33 maal) is aangifte gedaan. Afgezien van de zaak uit 2002, werd steeds binnen een jaar na het incident (vaak enkele dagen later) aangifte gedaan. Acht op de tien incidenten gebeurden in de woonplaats van het slachtoffer. De resultaten van de dossierstudie in Amsterdam-Amstelland en Twente vormen de “sleutel” waarmee een omvangschatting van geregistreerd seksueel misbruik op basis van landelijke politiegegevens wordt gemaakt.

Landelijke politiecijfers
Bij alle 25 politieregio’s is via de landelijke infodesk verzocht om geanonimiseerde registratiecijfers van alle zedenzaken in de periode 2003-2007 waarbij een minderjarige jongen betrokken was. In de bestaande datasystemen bleek een dergelijke selectie niet zondermeer mogelijk; daarvoor moesten speciale queries ontwikkeld worden. Bovendien was niet altijd duidelijk welke persoon of afdeling binnen de regio de technische mogelijkheden had deze selectie uit te voeren. Ondanks soms fikse vertraging in de dataverzameling is het gelukt politiecijfers met landelijke dekking te verkrijgen. De databestanden zijn geschoond, gekoppeld en bewerkt. In totaal beslaan de verzamelde gegevens meer dan 17.000 zedenzaken met minderjarige jongens.

Tabel 3.4 Aantal geregistreerde zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2003-2007

Tabel 3.4 Aantal geregistreerde zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2003-2007

Er zijn grote verschillen in het aantal zaken tussen de verschillende politieregio’s. De regio Gooi en Vechtstreek registreerde bijvoorbeeld 180 zedenzaken met een minderjarige jongen in vijf jaar tijd, terwijl buurregio Utrecht er met 1.603 bijna negen keer zo veel registreerde. Wanneer de aantallen worden afgezet naar het aantal mannelijke inwoners onder de twintig jaar in de regio, zijn de verschillen een stuk kleiner, maar nog steeds aanwezig. Meerdere factoren kunnen hierin meespelen. Er kan een grote zaak zijn opgelost of netwerk zijn opgerold, waar meerdere aangiftes uit voortgekomen zijn. Een grote of opvallende zaak die de media haalt zorgt er ook voor dat de aandacht onder de bevolking toeneemt, waardoor zaken eerder gemeld worden. Zedenteams kunnen verschillen in omvang, ervaring en beschikbare middelen. Daarnaast is er regionaal verschil in mentaliteit. Amsterdammers zullen naar alle waarschijnlijkheid minder gauw aangifte doen van openbare schennis dan inwoners van gemeenten in de bijbelgordel. Het gebruikte registratiesysteem (BPS, Genesys of Xpol) lijkt níet van invloed op de aantallen. Wat de precieze redenen zijn voor het relatief grote aantal in Gelderland Midden blijft onbekend; net als de redenen voor het relatief kleine aantal in Limburg Noord. De verzamelde gegevens zijn gecategoriseerd volgens hetzelfde systeem als bij de dossierstudie; naar incidentsoort en geregistreerde rol van de minderjarige jongen. De overzichten per regio zijn te vinden in de bijlage. In onderstaande tabel zijn de totalen weergegeven.

Tabel 3.5 Landelijke zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2003- 2007

Tabel 3.5 Landelijke zedenzaken waarbij een minderjarige jongen betrokken was, 2003-2007

Wanneer we de in Amsterdam-Amstelland en Twente gevonden percentages (Tabel 3.3) hier overheen leggen, komen we uit op een schatting van 3.400 geregistreerde zaken van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer in vijf jaar.[xv] Het aantal slachtoffers van seksueel misbruik is groter dan het aantal zaken. In de 64 misbruikzaken uit de dossierstudie zijn 75 minderjarige jongens slachtoffer geworden (zie verderop). Er zijn dus naar schatting 1,2 slachtoffers per zaak. Jaarlijks komen daarmee in Nederland naar schatting 680 geregistreerde zaken van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer met circa 800 geregistreerde slachtoffers voor. Dit laatste komt neer op 0.04% van de minderjarige jongens in Nederland.[xvi]

Als we ook de risicozaken (“kinderlokkers” en zaken waarbij mensen zich zorgen maken) meetellen (percentages niet getoond), dan komen daar per jaar ruim 450 zaken en 550 slachtoffers bij en zal het totaal naar schatting 1.150 geregistreerde zaken met 1.350 geregistreerde slachtoffers per jaar bedragen (0.07% van de minderjarige jongens).

Tabel 3.6 Geschat aantal landelijke geregistreerde zaken waarbij sprake was van seksueel misbruik van een minderjarige jongen buiten de familiesfeer, 2003-2007

Tabel 3.6 Geschat aantal landelijke geregistreerde zaken waarbij sprake was van seksueel misbruik van een minderjarige jongen buiten de familiesfeer, 2003-2007

Deze schattingen liggen fors lager dan de 4.700 gevallen per jaar die Van IJzendoorn et al. (2007) op basis van meldingen van (vermoedelijke) kindermishandeling beraamde. Hierbij werd echter geen onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes, noch tussen misbruik binnen en buiten de familie. Dezelfde beperkingen gelden voor de prevalentie van 4% seksueel misbruik die Lamers-Winkelman et al. (2006) vonden in hun scholierenstudie. Lampe (2002) geeft wel afzonderlijke schattingen voor jongens (1-15%) en meisjes (6-36%).

Beide laatste studies zijn echter gebaseerd op zelfrapportage. Dergelijke studies leiden steevast tot hogere schattingen dan onderzoek op basis van registratiegegevens (zie: Van IJzendoorn et al., 2007). Graag zouden we onze schattingen voorzien van een betrouwbaarheidsmarge of op een andere wijze valideren met behulp van bijvoorbeeld hulpverleningscijfers. Immers, hoewel we landelijke gegevens hebben geanalyseerd, is de schatting gebaseerd op dossierstudie en 2 van de 25 politieregio’s. Helaas zijn geen gegevens beschikbaar op basis waarvan we dat zouden kunnen doen. Omdat we gebruik hebben gemaakt van bij de politie geregistreerde gegevens, kunnen we er wel van uitgaan dat de genoemde aantallen fungeren als absolute ondergrens van de schatting voor de omvang van seksueel misbruik van minderjarige jongens.

3.3 Vormen van seksueel misbruik
Op basis van de dossiers van de 64 misbruikzaken in Amsterdam-Amstelland en Twente is meer te zeggen over slachtoffers, daders en de aard van het misbruik.

Slachtoffers

Grafiek 3.7 Leeftijd van slachtoffers van seksueel misbruik buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

Grafiek 3.7 Leeftijd van slachtoffers van seksueel misbruik buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

De 64 misbruikzaken hebben betrekking op 75 minderjarige mannelijke slachtoffers. In twee zaken was het slachtoffer niet geregistreerd; in 53 zaken ging het om één slachtoffer; en in 9 zaken waren er meerdere minderjarige jongens slachtoffer. Gemiddeld waren de slachtoffers 9 jaar oud toen het misbruik plaatsvond. Alle leeftijden komen voor: peuters, kleuters, schoolkinderen en pubers. Het aantal 4-jarigen is wel opvallend groot.

Herhaald slachtofferschap is binnen de 64 zaken niet aangetroffen, dat wil zeggen dat geen van de slachtoffers bij meerdere zaken in datzelfde jaar werden aangetroffen. Ook landelijk lijkt dat niet vaak voor te komen. De 4.272 landelijke zaken uit 2003-2007, waarbij een minderjarige jongen als slachtoffer/aangever was geregistreerd – waarvan ca. 46% géén misbruikzaken betreft (zie Tabel 3.3) – hadden betrekking op 4.530 unieke minderjarige jongens, waarvan er 184 bij meerdere misbruikzaken als slachtoffer waren geregistreerd. Geen van deze zaken speelde overigens in hetzelfde jaar.

Verdachten
In 19 van de 64 misbruikzaken (30%) is geen verdachte geregistreerd. De overige zaken bevatten gegevens van 42 mannelijke en 3 vrouwelijke verdachten, variërend in leeftijd van 4 tot en met 80 jaar. Van de niet geregistreerde verdachten is wel een signalement geregistreerd. Voor zover te achterhalen ging het om 12 volwassen mannen, 6 minderjarige jongens en 1 minderjarig meisje. De helft van de verdachten (51%) was dus zelf minderjarig ten tijde van het misdrijf.

Tabel 3.8 Leeftijd van verdachten van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

Tabel 3.8 Leeftijd van verdachten van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

Minderjarige daders van seksuele delicten zijn niet geheel ongewoon. Landelijk is ongeveer één op de vijf veroordeelde daders van seksuele misdrijven minderjarig.[xvii] Zowel Van Wijk (2005) als Hendriks (2006) deden voor dissertatie al uitgebreid onderzoek naar jeugdige zedendelinquenten. Wanneer het gaat om seksueel misbruik van minderjarigen, heerst er echter een stereotiep beeld van de dader als ‘oudere pedoseksueel in de bosjes’. Het begrip pedoseksualiteit wordt algemeen gehanteerd wanneer de dader minimaal vijf jaar ouder is dan het slachtoffer. Voor zover uit de politiedossiers af te leiden valt, was dat bij alle volwassen verdachten het geval. Bij de minderjarige verdachten zou de term pedoseksueel bij 13 van de 33 van toepassing zijn. Dit zijn voornamelijk tieners (9-15 jaar) die seksuele handelingen zouden hebben verricht bij peuters en kleuters. Hendriks (2006) hanteert voor deze groep de term “kindmisbruikers”.

De politiedossiers leveren, naast basisgegevens over slachtoffer en verdachte, ook waardevolle informatie over de relatie tussen beide. In ruim driekwart van de 64 misbruikzaken was de verdachte afkomstig uit de dagelijkse omgeving van het slachtoffer. Veelal zijn het buurt- of klasgenoten. Daarnaast zijn er ook indirecte familiebanden (neven, halfbroers, de vriend van een pleegbroer) of relaties met vrienden (bijvoorbeeld vader van een vriendje), internetcontacten, verdachten die een verzorgende taak hebben en “kindervrienden”. Deze laatste categorie betreft mannen bij wie jongeren veelvuldig over de vloer komen en /of waar zij naartoe gaan met hun problemen. Deze categorie komt ook naar voren in het onderzoek naar pedoseksuele delinquentie van Leuw et al. (2004). De in het onderzoek beschreven dader die een aantrekkelijke omgeving voor slachtoffers creëert (“jongensparadijs”), komt sterk over een met het beeld dat uit de politiedossiers naar voren komt.

Tabel 3.9 Relatie tot slachtoffers van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

Tabel 3.9 Relatie tot slachtoffers van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

De eerdergenoemde ‘oudere pedoseksueel in de bosjes’ komt, althans in de politieregistratie, dus nauwelijks voor. De verdachte is lang niet altijd een oudere man en uit de bosjes komt hij zelden. Bij vrouwelijke slachtoffers van seksuele delicten is inmiddels algemeen bekend dat de dader vaak uit de omgeving komt. Bij minderjarige mannelijke slachtoffers lijkt dat ook het geval te zijn.

Herhaald daderschap komt, net als herhaald slachtofferschap, in de bestudeerde zaken niet voor. Weliswaar komt één verdachte twee maal voor, maar het betreft dan twee aangiftes van afzonderlijke slachtoffers van hetzelfde incident. Bij de 4.272 landelijke zaken uit 2003-2007, waarbij een minderjarige jongen als slachtoffer/aangever was geregistreerd, waren 2.25 1 verdachten betrokken. Hiervan waren er 213 geregistreerd bij meerdere zaken, tot maar liefst 15 maal. Ook hier kan het natuurlijk gaan om meerdere aangiftes van eenzelfde incident.

Aard van het misbruik
De meest vergaande handelingen in de misbruikzaken waren meestal “hands-on”, maar uiteenlopend in ernst. In 28% van de gevallen zette de verdachte de slachtoffers aan tot seksuele handelingen, bood hij zijn geslachtsdeel aan (maar raakte het slachtoffer dit niet aan) of masturbeerde hij voor het slachtoffer (“live” of via de webcam). Betasten van geslacht, achterwerk of andere lichaamsdelen, al dan niet naakt, kwam eveneens bij 28% voor. Manuele of orale seksuele handelingen (aftrekken en pijpen) werden zowel door slachtoffer als verdachte gedaan. Bij anale penetratie (soms met een voorwerp) was het slachtoffer altijd de passieve partij.

Tabel 3.10 Meest vergaande handelingen in zaken van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

Tabel 3.10 Meest vergaande handelingen in zaken van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer in Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

3.3 Etniciteit
De politie registreert nationaliteit en geboorteland van personen. Volgens de officiële definitie wordt etniciteit echter bepaald aan de hand van het geboorteland van de ouders. In enkele gevallen waren ook de ouders van de slachtoffers in de misbruikzaken terug te vinden in de registratie, of kon informatie over de ouders uit het dossier worden gedestilleerd. Van de meeste slachtoffers is getracht via de GBA gegevens het geboorteland van de ouders te achterhalen.[xviii]

Van de 73 geregistreerde slachtoffers van de misbruikzaken is, voor zover na te gaan, ongeveer een kwart allochtoon. Op dit punt is er een groot verschil tussen Amsterdam-Amstelland (48% allochtoon) en Twente (15% allochtoon). Dit loopt natuurlijk parallel met de bevolkingssamenstelling in beide regio’s. In tabel 3.11 is de etniciteit van de slachtoffers afgezet tegen de etniciteit van jongens van 0-19 jaar in de algemene bevolking van de politieregio.[xix]

Tabel 3.11 Etniciteit van slachtoffers van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer, Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

Tabel 3.11 Etniciteit van slachtoffers van seksueel misbruik van minderjarige jongens buiten de familiesfeer, Amsterdam-Amstelland en Twente, 2007

In Amsterdam lijken – naast de autochtoon Nederlandse jongens – Surinaamse en overig niet-westerse (Afrikaanse) minderjarige jongens oververtegenwoordigd bij geregistreerd seksueel misbruik buiten de familiesfeer. Turkse en Marokkaanse jongens zijn daarentegen ondervertegenwoordigd. In Twente komt de etnische verdeling van de slachtoffer van seksueel misbruik buiten de familiesfeer dicht in de buurt van die van de algemene bevolking. Autochtone Nederlandse jongens en westerse allochtonen (voornamelijk Duitsers) lijken in Twente licht oververtegenwoordigd.

Over- of ondervertegenwoordiging van bepaalde etnische groepen in de politieregistratie kan – naast een verhoogde kwetsbaarheid of andere risicofactoren – het gevolg zijn van etnisch-specifieke verschillen in aangiftebereidheid. Het is echter onduidelijk in hoeverre dat bij deze specifieke delicten een rol heeft gespeeld. En zo ja, bij welke etnische groepen. Bovendien zijn de gegevens niet alleen gebaseerd op aangiftes, maar ook op meldingen en mutaties.
De landelijke politiecijfers laten, door het ontbreken van in formatie over het geboorteland van de ouders, een analyse van etniciteit niet toe. Tweede generatie allochtonen met een Nederlands paspoort zijn niet als zodanig te herkennen in de politieregistratie. Daardoor zal in de politieregistraties het aandeel autochtoon Nederlandse slachtoffers flink overschat worden.

3.4 Conclusies
Op twee manieren is gezocht naar cijfers over seksueel misbruik van minderjarige jongens: bij hulpverleningsinstellingen en bij de politie. Hulpverleners melden geen zicht te hebben op seksueel misbruik bij hun cliënten en áls er al vermoedens zijn, dan kunnen of durven zij die niet uit te drukken in schattingen. Derhalve zijn er geen ‘harde’ hulpverleningscijfers over seksueel misbruik van minderjarige jongens in Nederland en ook ‘zachte’ cijfers kan de hulpverlening niet leveren.
Politiegegevens bieden soelaas, zij het dat een belangrijke beperking van politiecijfers is dat deze sterk afhankelijk zijn van meldingen aangiftebereidheid. We kunnen op basis van de politiecijfers dus alleen een schatting maken van het aantal geregistreerde gevallen van seksueel misbruik van minderjarige jongens. We gaan ervan uit dat we daarmee de ondergrens van een omvangschatting aangeven. Op basis van dossier-analyse in Amsterdam en Twente uit het jaar 2007 en vervolgens een bewerking van registratiegegevens van alle politieregio’s van alle zedenzaken in de periode 2003-2007 waarbij een minderjarige jongen betrokken was, komen we uit op een landelijke schatting van jaarlijks 800 geregistreerde minderjarige mannelijke slachtoffers van seksueel misbruik buiten de familie. Deze schatting (0.0 4% van de minderjarige jongens in Nederland) ligt lager dan in eerder onderzoek. Die cijfers golden echter voor zowel jongens als meisjes en/of voor zowel misbruik binnen als buiten de familie. Lagere schattingen waren dus te verwachten. Zeker ook gezien de gehanteerde onderzoeksmethode: onderzoek op basis van registratiegegevens levert altijd lagere schattingen dan zelfrapportagestudies.
Uit de politiedossiers blijkt het seksueel misbruik te variëren in ernst, van betasten van het lichaam met de kleren aan tot en met anale penetratie. Opvallend was het flinke aantal minderjarigen onder de daders. Daarvan is een deel te betitelen als ‘kindmisbruiker’ (tenminste vijf jaar ouder dan het slachtoffer). Daarnaast zijn er ook oudere, zelfs bejaarde pedoseksuele daders. Meestal is de dader afkomstig uit de dagelijkse omgeving van het slachtoffer. De stereotiepe ‘oudere pedoseksuele roofdier in de bosjes’ komt, althans in de politieregistratie, nauwelijks voor.

Noten
vi. In 2006 boden ggz-instellingen hulp aan in totaal 772.000 cliënten, waarvan 14% jonger dan 18 jaar.
vii. Adhesie, Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, Alifa Jongerenwerk Enschede, AMC de Meren, Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, Bureau Jeugdzorg Overijssel, Centrum voor Jeugdbeleid-Jeugdhulpverlening Noord-Oost Twente, De Bascule, De Waag, GGD Twente, GGZ Buitenamstel, HVO Querido, Jarabee Jeugdzorg Twente, Kindertelefoon, Leger des Heils, Mediant, Mentrum, Raad van de Kinderbescherming, Scala Jongerenwerk Hengelo, Steunpunt Seksueel Geweld Amsterdam, Stichting Streetcornerwork, William Schrikker Groep.
viii. Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders is een internationaal classificatiesysteem van psychiatrische stoornissen.
ix. Aangiftes worden gedaan door of namens het slachtoffers van een delict; meldingen komen van burgers of professionals; mutaties zijn notities van agenten zelf.
x. Personen worden geclassificeerd als allochtoon wanneer ten minste één van de ouders in het buitenland is geboren. Eerste generatie allochtonen (zelf ook in het buitenland geboren) worden ingedeeld naar het geboorteland van de persoon zelf. Tweede generatie allochtonen (zelf in Nederland geboren) worden ingedeeld naar het geboorteland van diens buitenlandse ouder. Wanneer beide ouders in het buitenland zijn geboren, geldt het geboorteland van de moeder.
xi. CBS Statline.
xii. Bij vermoedens van seksueel misbruik binnen de familie worden meestal alle broertjes en zusjes geregistreerd.
xiii. Een speciale autorisatie was benodigd om toegang te krijgen tot deze dossiers.
xiv. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal minderjarige jongens per politieregio. Het aantal jongens is alleen beschikbaar in 5-jaars leeftijdscategorieën per gemeente (0-4, 5-9, 10-14, 15-19). Deze cijfers zijn via CBS Statline opgevraagd en handmatig per politieregio opgeteld. Op 1 januari 2007 telde Nederland 2.024.153 jongens van 0-19 jaar.
xv. Een oplettende lezer zal wellicht opmerken dat het geschatte totaal meer is dan 19% van 17.335 (= 3294). Het verschil wordt vooral veroorzaakt door afrondingen. Daarnaast wijken de verhoudingen tussen de verschillende categorieën landelijk iets af van de regio’s Amsterdam-Amstelland en Twente. In deze regio’s vormt de categorie Ontucht minderjarige bijvoorbeeld 59/331 = 18% van het totaal; landelijk is dat 3.432/17.335 = 20%. Omdat de ontuchtzaken relatief vaak meetellen voor de schatting, komt het totaal iets hoger uit.
xvi. Op 1 januari 2008 telde Nederland 1.814.067 jongens onder de 18 jaar (CBS Statline)
xvii. In 2007 zijn 405 van de 2.110 sancties voor verkrachting, feitelijke aanranding der eerbaarheid en overige zedenzaken opgelegd aan minderjarige verdachten (CBS Statline).
xviii. Bij 18 slachtoffers is dat niet gelukt. Van hen zijn er 17 op basis van nationaliteit, geboorteland en achternaam tot de autochtoon Nederlanders gerekend. Ook het andere slachtoffer was in Nederland geboren en had een Nederlands paspoort, maar zijn naam leek te wijzen op een allochtone herkomst. Hij is tot de overig westerse allochtonen gerekend.
xix. Het aantal jongens per etnische groep in 5-jaars leeftijdscategorieën (0-4, 5-9, 10-14, 15-19) per gemeente is via CBS Statline opgevraagd en handmatig per politieregio opgeteld

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.




Verborgen werelden ~ Jonge jongens in de prostitutie: veldonderzoek

darklondonalleyMannelijke prostitués vind je niet achter de ramen. Weliswaar wordt er op internet geadverteerd met jongensprostitutie en zijn er jongensbordelen en escortbureaus die betaalde seks met jongens aanbieden, maar deze jongens zijn niet eenvoudig toegankelijk voor onderzoek. Dat geldt in versterkte mate voor jonge jongensprostitués. In dit hoofdstuk beschrijven we de stapsgewijze aanpak van het veldwerk. Het veldonderzoek is gedaan in twee regio’s: Amsterdam en Twente, om een beeld te krijgen van zowel de grootstedelijke Randstad als een meer landelijk gebied. Extra aandacht wordt hierbij besteed aan de zoektocht naar Marokkaanse jongensprostitués.

4.1 Veldonderzoek in grote lijnen
Jongensprostitués vormen bij uitstek een ‘verborgen populatie’. Voor het veldonderzoek is in essentie de methodologie toegepast die we eerder hanteerden bij dergelijke populaties (Korf, 1995), in het bijzonder Oost-Europese jongensprostitués (Korf et al., 1996) en verborgen prostitutie in Amsterdam (Korf et al., 2005). De eerste fase bestond uit het in kaart brengen, respectievelijk actualiseren van mogelijke vindplaatsen van de doelgroep (initial mapping) door middel van interviews met sleutelpersonen. In het verlengde hiervan werd, in de tweede fase, met veldwerk (ethnographic mapping) nagegaan in hoeverre het om daadwerkelijke vindplaatsen ging.
Doel hiervan was om beter zicht krijgen op de doelgroep en hun klanten. Observaties (in parken en op andere ontmoetingsplekken, in en rond homo-uitgaansgelegenheden) en informele gesprekken (met o.a. hulpverleners, straathoekwerkers, politiemensen, horecapersoneel, webmasters, doelgroep en hun klanten) waren gericht op het ontdekken, c.q. concretiseren van oppikplekken, afwerkplekken en de mores in de wereld van jongensprostitutie. Een belangrijk aandachtspunt hierbij was de etnische samenstelling van de doelgroep. Op basis van de opgedane kennis en ervaringen werd het veldwerkplan geconcretiseerd (fase drie). De verkregen informatie werd vertaald in een concreet plan voor gerichte observaties en contactlegging en interviews met de doelgroep en relevante sleutelpersonen (topic lijsten). Zonodig werd tussentijds de onderzoeksstrategie aangepast om ‘witte plekken’ in te vullen om zodoende een zo volledig mogelijk beeld te kunnen krijgen van het fenomeen prostitutie door minderjarige jongens. Tijdens het finale veldwerk (fase vier) werden observaties gedaan op werk- en ontmoetingsplekken van jongensprostitués (zoals bordelen, homobars, op straat en in parken).
Deze observaties waren vooral bedoeld om systematisch informatie over aantallen jongensprostitués (inclusief etniciteit) te verzamelen ten behoeve van schattingen van aantallen jongensprostitués (zie hoofdstuk 5). Naast informele gesprekken werden meer uitgebreide interviews gehouden met relevante sleutelpersonen, in dit geval personen die uit hoofde van hun beroep of als klant van jongensprostitués veel weten van aard en/of omvang van jongensprostitutie door minderjarigen. Hiertoe behoren: horecapersoneel, eigenaren en medewerkers van escortbureaus, beheerders van websites, exploitanten van seksclubs, hulpverleners, politie, et cetera. Maar het allerbelangrijkste waren semigestructureerde interviews met jongensprostitués.

Bij het veldwerk in het algemeen en bij de interviews in het bijzonder vereiste het feit dat we specifiek op zoek waren naar minderjarige jongensprostitués extra zorgvuldigheid. We zouden immers te maken kunnen krijgen met minderjarige jongens die door een profiterende derde zijn aangezet tot prostitutie, met andere woorden: minderjarige slachtoffers van mensenhandel. Aangifte of melding bij politie of hulpverlening hiervan zou echter het onderzoek ernstig kunnen frustreren, zo niet onmogelijk maken. Daarom is vooraf de afspraak gemaakt dat de onderzoekers tussentijds zouden rapporteren aan de opdrachtgever over wat zij tegenkwamen tijdens het veldwerk zodat in overleg tussen de onderzoekers, het WODC en het ministerie van Justitie zou kunnen worden besproken of en zo ja welke actie zou moeten volgen. Daarnaast hadden de onderzoekers tijdens het veldwerk informatie over relevant e hulpverleningsmogelijkheden op zak, waarnaar zij slachtoffers konden verwijzen. Bij ernstige misstanden (zoals mensenroof, dwangsituaties, verkrachting of uitbuiting) zou passende actie ondernomen worden.

Het veldwerk werd afwisselend gedaan door een man, een vrouw of een gemengd koppel; en in wisselende etnische samenstelling, al dan niet tezamen met iemand die goed bekend was met een bepaalde (etnische) groep of een locatie. Vrouwelijke veldwerkers hadden de ene keer het voordeel dat zij meteen opvielen tussen een overwegend mannelijk publiek en hierdoor gemakkelijker in contact kwamen met bezoekers, terwijl zij de andere keer met de nek werden aangekeken of zelfs niet naar binnen mochten. Mannelijke veldwerkers konden eerder onopvallend te werk gaan, maar kregen soms te maken met ongewenste avances, vooral van prostituanten, maar soms ook van jongens. Een ander probleem was dat sommige klanten vreesden dat zij verklikt zouden worden. Zo was een klant, die overigens bij insiders bekend staat als ‘sugar daddy’, er niet van gecharmeerd dat zijn ‘eigen jongen’ buiten zijn medeweten zou worden geïnterviewd. Deze prostituant was bang dat de onderzoeker zich naar anderen zou verspreken, te meer daar de moeder niet mocht weten dat hij betaalde seks had met haar zoon.

4.2 Veldwerk Amsterdam
Het zwaartepunt van het veldwerk in Amsterdam lag in de eerste maanden van 2008 vooral in de binnenstad. Vervolgens zijn we ook op zoek gegaan naar jongensprostitués in andere delen van de stad, met name in parken en op andere openbare ‘cruise plekken’. Deze zoektocht werd voortgezet tot oktober 2008. Parallel hieraan werd vanaf de zomer opnieuw veldwerk verricht in de binnenstad. De keuze van de locaties was in beperkte mate gebaseerd op in formatie van de hulpverlening en/of de politie (zij wisten uiteindelijk weinig concrete plekken te noemen, althans locaties waar ook jonge prostitués komen), wat vaker op instigatie van prostituanten en – bovenal – op grond van eigen veldverkenning. Er zijn ruim honderd veldwerkrondes verricht. Meestal gebeurde dit tussen 21.30 – 04.00 uur ’s nachts, maar ook later of juist overdag. Het veldwerk nam per ronde zo’n drie tot vijf uur in beslag. Op sommige rondes werden meerdere locaties achter elkaar bezocht, andere keren vertoefden we langer op één locatie. Op sommige locaties is meer veldwerk verricht dan op andere. Dit had onder andere te maken met het type locatie als ook met de prostitutiebedrijvigheid.
Er is veldwerk verricht op een twintigtal locaties. Grofweg kan hierbij een onderscheid gemaakt worden tussen het publieke domein – zoals de straat, parken en het Centraal Station – en het semi-publieke domein waartoe bordelen/escortclubs, bars, clubs en sauna’s gerekend kunnen worden. In het semi-publieke dome in bevinden zich locaties waar de nadruk ligt op prostitutieactiviteiten (primair). Maar er zijn ook semi-publieke locaties waar prostitutieactiviteiten een minder prominente of slechts een marginale rol spelen (secundair); er hangt af en toe een jongen of een prostituant rond, zonder dat de indruk ontstaat dat zij actief op zoek zijn.

4.2.1 Semi-publieke domein
Binnen het semi-publieke domein is veldwerk gedaan in
(A) twee bordelen/escortclubs (primaire prostitutieactiviteiten);
(B) een ‘oppikbar’ (primair);
(C) vier homobars en homokroegen (secundair);
(D) drie clubs/discotheken (secundair);
(E) een homosauna (secundair) en
(F) ‘underground’ tenten (primair).

(A) Bordelen/escortclubs
Bordelen/escortclubs zijn niet gemakkelijk toegankelijk voor personen die er niet werken of er als klant naar binnen willen. In een bordeel krijgen we onze entree door mee te gaan met een man die er regelmatig als klant komt. Na de eerste kennismaking kunnen we ook ‘zonder begeleiding’ naar binnen. Omdat er op doordeweekse dagen relatief weinig activiteit is, zijn er meestal niet meer dan drie of vier jongens in het bordeel. Er zijn vier kamers waar de jongen zich met hun klanten terug kunnen trekken. Buiten het weekend ogen de aanwezige jongens ontspannen, soms lichtelijk verveeld. Ze hoeven zich niet uit te sloven en weten dat ze die avond ook weer redelijk vroeg, rond een uur of twaalf ’s nachts, naar huis gaan. De locatie fungeert tevens als een soort huiskamer voor de jongens. Ze hangen er een beetje rond, kletsen wat met elkaar en roken soms een joint. De sfeer in het bordeel is doordeweeks relaxt en los. In het weekend is het ‘bisnis time’ en maakt de gemoedelijke sfeer plaats voor een meer zakelijke en op geld beluste drang om klanten te scoren. Vooral op zaterdagavond is het drukker; dan werken er meestal zeven tot acht jongens. Er werken hoofdzakelijk homoseksuele en tevens de meer ‘professionele’ jongens. Ze zijn allemaal meerderjarig, van 18 jaar tot in de dertig (in meerderheid boven de 21 jaar). Veel klanten zijn toerist en ook bij de jongens is er een behoorlijke doorstroom; in de loop van de maanden dat we hier komen zien we jongens komen en gaan. Naast enkele autochtone jongens zijn er relatief veel westerse allochtonen (vaak, maar niet uitsluitend uit Midden- en Oost-Europa) en ook enkele Latino’s. Sommige jongens zijn vrij nieuw in de scene, andere jongens zijn meer ervaren en reizen langs Europese steden, van de ene naar de andere seksclub.

De tweede locatie heeft zowel een bordeel- als escortfunctie. We werden tijdens het veldwerk bij één van de eigenaren geïntroduceerd en hij nodigde ons uit om langs te komen. Het blijkt een appartement te zijn, zoals zovele in de stad, waarvan aan de buitenkant niet te zien is dat het om een ‘privé-huis’ gaat. Ook de inrichting lijkt veel meer op een luxe woning dan op een bordeel. Huiselijk en met smaak ingericht. Een riante zithoek, groot model flatscreen, hightech audio-installatie en een nieuw model spelcomputer tonen aan dat je je hier niet hoeft te vervelen. Verder is een ruim eetgedeelte, er hangt kunst aan de muur, grote planten staan in strakke potten en er zijn goedgevulde boekenkasten. De slaapkamers blijven voor ons verborgen. Klanten worden wel eens in de woning ontvangen, maar dit gebeurt eerder incidenteel dan structureel; escort vormt de kern van het bedrijf. Volgens de eigenaar zijn de jongens allemaal meerderjarig, maar de klant die ons bij hem introduceerde is daar niet helemaal zeker van. De voor dit bedrijf werkzame jongens staan met een profiel en foto’s op een speciale internetsite. Naast een inleidend verhaaltje worden kenmerken als leeftijd, etniciteit, taal, lichaamslengte, gewicht, penislengte en soort seks beschreven. Klanten kunnen via deze site de jongen kiezen met wie zij een ‘date’ willen. Wanneer deze jongen beschikbaar is (de meesten werken parttime), dan regelt het bedrijf het vervoer en de betaling. De jongens krijgen per klant een vooraf afgesproken bedrag betaald. Een eventuele fooi is voor de jongen.

(B) Oppikbar
Deze locatie is minder exclusief gericht op prostitutie, maar de sfeer wordt er wel sterk door bepaald. Je kunt er niet gemakkelijk ongemerkt naar binnen. Tijdens onze bezoeken varieert de clientèle telkens tussen tien en dertig bezoekers, voornamelijk prostituanten en prostitués. Daarnaast komen hier ‘verdwaalde stappers’, travestieten en homostellen. Over het algemeen wordt er onderling meer oog- dan praatcontact gezocht. De meeste prostituanten zijn oudere, blanke mannen – vaak vaste bezoekers, maar ook wel toeristen. Een enkele keer zit er een jongere ‘yup’ tussen. Ook hier is het vooral druk op zaterdagavond. Meestal gaan een of twee jongens mee met een klant, om na een tijdje weer terug te keren, of ze gaan met een klant naar diens woning of hotel, hoewel ook het toilet soms wel als afwerkplek wordt gebruikt.

We zijn regelmatig getuige van onderhandelingen tussen jongens en klanten. Zoals een Engelse klant die onderhandelt met drie jongens. De Engelsman is overdreven aanwezig, geeft alle drie een drankje en het gesprek verloopt moeizaam over wie, wie zou gaan ‘fucken’. Hij loopt uiteindelijk weg met een van de jongens en samen komen ze na drie kwartier weer terug.” (veldnotitie)

De vaste clientèle weet wie waar gaat zitten: achter in de bar is het domein van de jongens, voorin zitten de (potentiële) klanten. Vrijwel alle jongens zijn ouder dan 21 jaar (ook al geven zij zich soms voor jonger uit). Er komen jongens met verschillende etnische achtergrond, waaronder een klein groepje Noord-Afrikaanse/Marokkaanse jongens, dat zich overigens slechts zelden laat zien. De in aantal veruit grootste en ook meest dominant aanwezige groep bestaat uit Roemeense jongensprostitués. In hun gebrekkige Engels (hoewel ze het seksjargon prima beheersen) haasten ze zich te zeggen dat ze toerist zijn en maar voor een weekje in Amsterdam. Toch komen we tijdens de gehele veldwerkperiode een deel van deze Roemeense jongens ook op andere semi-publieke locaties tegen. Hun uitgaansroute lijkt een vaste volgorde te hebben. Ze beginnen hier, gaan daarna naar D1 om achter de gokkast te kruipen of een dansje te wagen – liever met het vrouwelijke deel van het onderzoeksteam dan met de oudere (blanke) mannen die het likkebaardend op ze voorzien hebben. Vaak eindigen de Oost-Europese jongens in D2.

De bezoekers van deze oppikbar, en eigenlijk vooral de jongens die er níet komen, maken duidelijk dat het jonge jongensprostitutiewereldje in verschillende territoria kan worden ingedeeld. De Roemeense jongens zul je bijvoorbeeld niet aantreffen in de wat hippere tenten waar vaak entree moet worden betaald. Tevens is er sprake van hiërarchie en de Oost-Europeanen staan duidelijk niet bovenaan, zo blijkt uit de woorden van één van de respondenten die zichzelf ziet als een wat stijlvollere escort (first class versus economy class) en denigrerend praat over de jongens die in deze oppikbar komen. Zelf zal hij hier nooit een voet binnen zetten. “Dat is niet mijn domein, maar van de Oost-Europese jongens. Ik heb daar niks te zoeken.” Op de vraag of het dan ook gevaarlijk voor hem zou zijn, reageert hij ontwijkend. Wel zegt een aantal respondenten die het onderzoeksteam oppikte in de wat hippere uitgaansgelegenheden dat ze hier voor geen goud binnenkomen omdat ze het niet vertrouwen en bang zijn voor klappen.

(C) Homobars en homokroegen
Deze vier locaties behoren tot hetzelfde segment van de homohoreca, maar verschillen met name van elkaar vanwege de clientèle. Twee van deze locaties hebben ook een kleine dansvloer. Op alle vier locaties is in meer of minder mate sprake van secundaire prostitutieactiviteiten.
De eerste locatie (C1) is een klein, rustig en onopvallend homocafé in de Amsterdamse binnenstad. We komen er voor het eerst terecht na een internetcontact met een jonge barman. Het is soort stamcafé van overwegend oudere homoseksuele mannen. Sommigen hebben wel eens betaalde seks met jongens, maar die pikken ze doorgaans elders op (bijvoorbeeld in D1). Geen enkele keer constateren we hier zichtbare jongensprostitutie.
In de tweede bar/kroeg (C2) komen vooral homo’s en travestieten en transgenders, maar ook mannen die zich nadrukkelijk als hetero presenteren, ook al vertrekt af en toe een van hen spoorslags met een jongen of een ‘travohoer’. De clientèle bestaat uit relatief veel mannen van boven de veertig, zowel autochtoon als allochtoon. Maar er komen ook vrouwen. Sommige jongens en klanten brengen hun tijd ook door in de eerdergenoemde oppikbar (B) en/of een van de clubs/discotheken (D1). Op de wc hangt een poster van een escortjongen. Voorheen kwamen hier ook vrij veel Roemeense jongens, maar er wordt nu een stringenter deurbeleid gevoerd waardoor zij niet meer naar binnen mogen; ze worden geweigerd wegens zakkenrollen. Volgens het barpersoneel en klanten is deze bar geen plek meer waar jongens komen voor betaalde seks. Inderdaad, we zien ze zelden – en al helemaal geen minderjarigen. Maar de persistente bewering dat er helemaal geen prostitutiecontacten meer worden gelegd, is te mooi om waar te zijn.

Een oudere man loopt naar een getinte jongen toe. Het weinige haar dat hij heeft is grijs, hij draagt een colbertje en heeft een boek in zijn jaszak. Hij staart de jongen op het podium ongegeneerd aan, hij wenkt hem en ze praten wat. De jongen laat blijken dat hij nog even wil blijven en danst verder, richting de man, druk draaiend met zijn heupen op Braziliaanse muziek. De man kijkt hem lachend aan en is geobsedeerd door de jongen. Na een nummer of twee verdwijnen ze samen uit de kroeg. De jongen komt na een half uur weer terug. Ik vraag hem wat hij met die man gedaan heeft. Hij zegt dat hij niets gedaan heeft, natuurlijk heeft hij dat in het verleden wel gedaan, seks voor geld, maar nu niet meer. ‘De man wilde wel hoor, hij bood me geld en liet op een gegeven moment zijn broek zakken en zijn stijve pik zien, maar ik heb gezegd dat ik dat niet doe’. ” (veldnotitie)

Bar C3 wordt door een overwegend jong publiek van rond de 25 jaar bezocht, zowel van het mannelijke als vrouwelijke geslacht. Het is een trekpleister voor allochtonen, vooral van Noord-Afrikaanse, Turkse en Arabische origine. Dat publiek trekt ook wel (oudere) autochtone homo’s aan. Later op de avond zijn er meer bezoekers op de dansvloer. Er wordt geflirt en we ontmoeten er jongens die ervaring hebben met betaalde seks, maar geen van hen is beneden de 21 jaar.

A. komt binnen met een Turkse jongen. Ze blijven even, lopen weer weg en even later komt A. weer terug. In de tussentijd vertelt S., met wie ik op stap ben, dat A. een rijke vriend heeft, een suikeroom. Hij krijgt alles wat hij wil van deze man. S. heeft op zijn beurt weer diverse scharrels. Even later, na terugkeer van A., komt het gesprek op seks in parken. Beide jongens vertellen dat ze dat wel eens hebben gedaan. S. stoot A. aan ‘hé, ze wil van je weten hoe dat gaat met cruisen in parken’. S.: ‘Ja, je loopt daar gewoon naar toe en je kijkt een beetje rond en kijkt of je iemand ziet die je aanspreekt en dan ja, dan doe je het’.” (veldnotitie)

De eigenaar van deze tent ontkent dat er nu nog jongens komen die op zoek zijn naar potentiële klanten. Streng zegt hij ze de deur te wijzen als hij daar tekenen van zou opvangen. Enige irritatie klinkt in zijn stem en hij baalt duidelijk van de slechte naam die hij probeert te zuiveren. Want – eerlijk is eerlijk – dat was vroeger wel anders. En met ‘vroeger’ bedoelt hij zo’n drie jaar geleden, toen de bar net opende. De uitgaansgelegenheid had toen soms meer weg van een opvangplek voor jongens die uit huis getrapt waren of zelf de benen hadden genomen omdat ze niet geaccepteerd werden om hun seksuele geaardheid. Van hen weet hij dat ze seks hadden tegen betaling ‘om te overleven.’ Of dat ze – al dan niet in deze bar – oude(re) mannen tegen kwamen die hen begrepen en hen een veilige haven boden. Dit betekende in de praktijk seks in ruil voor onderdak en een warme maaltijd. Maar dat was vaak tijdelijk, want er komt altijd een moment dat er een andere – jongere – jongen in het vizier van die sugar daddy komt. Daarom probeerde en probeert de eigenaar hulpverlening te regelen voor deze jongens. Dit is dus een bar plus vangnet. Althans, dat is de intentie.
Het publiek van dit trendy homocafé (C4) lijkt het verst af te staan van de jongensprostitutiewereld. Het personeel is hipper gekleed en de bezoekers zijn veel modebewuster dan in de andere locaties. Er komen voornamelijk mannelijke en vrouwelijke stelletjes en groepjes en soms een heterostel of homo’s die met een vriendin wat komen drinken. Er komt een etnisch heel gemengd publiek, dat een stuk jonger is dan in de oppikbar (B) en bardancing D1. Toch kunnen de bezoekers én overigens ook het barpersoneel bijna allemaal wel iemand tippen die seks heeft in ruil voor geld of goederen. En in sommige gevallen wijst de vinger naar zichzelf. Overigens blijkt bij doorvragen dat slechts een enkeling voor zijn achttiende is begonnen. Het kinky deel van het publiek is ook te vinden in D3. Hoewel de meesten zeggen dat ze deze tent te ordinair vinden vanwege de porno. De jongens die via deze locatie zijn benaderd voor een interview, hebben seks voor geld om hun luxe lifestyle te kunnen betalen. Het gaat niet zozeer om prostitutie uit noodzaak of overleving.

(D) Clubs en discotheken
Deze drie locaties hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat er gedanst kan worden, sommige hebben slechts een kleine dansvloer, andere hebben primair de functie van dansgelegenheid. De ene locatie wordt overwegend bezocht door homo’s, de andere trekt een overwegend heteroseksueel publiek. Op alle drie locaties is in meer of minder mate sprake van secundaire prostitutieactiviteiten.[xx]

Het interieur van de kleine bardancing D1 is een mix van kitsch en Latijns-Amerikaans. Er wordt gedanst en geschuurd op Caribische muziek, waaronder salsa en merengue, en disco. Soms klinken er Balkan deuntjes. Er zijn tijdens de veldwerkbezoeken meestal tussen de 15 en 35 personen aanwezig, vooral jongens en mannen, waaronder jongensprostitués en klanten, maar ook gemengde stellen en lesbische vrouwen. Sommige klanten, vooral die achter de gokkasten, worden ook op andere locaties, zoals de oppikbar (B), gesignaleerd. Aan een wand hangt een fotogalerij van (half)naakte jongens. De belangrijkste groepen jongensprostitués die hier residentie houden, zijn Caribisch/Latino (vooral Surinaams en Antilliaans) of Roemeens. Tussen beide groepen is weinig onderling contact. De barman heeft een hoop gedoe gehad met Roemeense jongens en er onlangs een paar uit moeten vegen in verband met drugshandel en cocaïnegebruik. De groep Roemenen (in totaal zo’n tien jongens, tevens bezoekers van oppikbar B) is prominent en dominant aanwezig. Er zwermen vaak oude(re) blanke mannen omheen die dan even een half uurtje met ze verdwijnen. De groep Surinaamse en Antilliaanse jongens is iets kleiner. Sporadisch komen er ook enkele Marokkaanse en Aziatische jongens. In meerderheid zijn de jongensprostitués die hier komen boven de 21 jaar. Meestal vertrekt een klant na korte of langere tijd met een jongen, maar soms gaan ze ook samen naar het toilet.

Bij hun binnenkomst worden twee klanten bijna besprongen. De blonde jongens, die normaal boven staan, komen meteen naar beneden.” (veldnotitie)

M. is weer compleet de weg kwijt en duidelijk op klantenjacht, Wanneer ik met hem aan het praten ben over zijn afkickprogramma, tikt een man hem op zijn schouder. Binnen 30 seconden is M. met hem aan het dansen en na een paar minuten verdwijnen ze naar buiten. “ (veldnotitie)

Discotheek D2 trekt een gemengd publiek. We treffen er het type oudere mannen die we ook zien in de oppikbar (B) en bezoekers van bar C2 en bardancing D1. Het is echter ook een disco waar toeristen komen en jongens en mannen op zoek zijn naar vrouwen. De straatjongens (Marokkaans, Surinaams, Turks, en autochtoon Nederlands) zijn stoer gekleed en vertonen machogedrag – ook naar vrouwen toe. D2 is vooral een plek waar jongens komen na afloop van hun barbezoek en dient tevens als springplank voor afterparty’s. De ‘bisnisjongens’ verschijnen meestal pas later in de nacht op het toneel.

Het is een verwarrend contrast: stoere jongens en travestieten, veel oudere Marokkaanse mannen, een aantal meiden, wat Marokkaanse oudere jongens en Surinamers. Vanavond zijn er ook twee glad geklede Marokkaanse jongens van begin twintig. Een met geëpileerde wenkbrauwen. Ze flirten met dames, maar zijn niet afkerig van de heren.” (veldnotitie)

Opvallend is dat er jongens na sluitingstijd buiten blijven wachten. Rondvragen op straat en aan de bar over de praktijken van de bezoekers levert een beeld op als waren er wel degelijk jongens die op zoek zouden zijn naar klanten. Maar niemand kan ze aanwijzen. En ook zijn de homo’s onzichtbaar.

Discotheek D3 heeft onder andere een darkroom en op vaste avonden mannelijke strippers. Verder is er altijd op grote schermen gay porno te zien. De gemiddelde leeftijd wisselt per avond, maar ligt in het weekend hoger dan doordeweeks. Hier zien we vrij vaak jongens die drinken op kosten van een oudere bezoeker en later samen vertrekken. Een bijnaam voor deze locatie is ‘afhaalchinees’. Dit zou slaan op de Aziatische jongens die hier rondhangen op zoek naar klanten. Zij zijn echter allemaal ouder dan 21. Op de dansvloer wordt openlijk gewezen naar jongens die seks hebben voor geld.

(E) Homosauna
Officieel is het in homosauna E1 verboden om seks tegen betaling te hebben en hangen er niet mis te verstane bordjes met die boodschap. Toch gaan er hardnekkige geruchten dat deze locatie tevens zou fungeren als afwerkplek. Insiders melden dit – onder vermelding dat dit absoluut niet naar buiten mag komen uit hun mond opgetekend, maar ook een aantal geïnterviewde jongens geeft aan hier aan klanten te komen of hun diensten te verlenen. Zo kwam Rachid (21 jaar) nog nastomend ruim een uur te laat op de afgesproken plek voor het interview omdat hij nog een klant had die hij in de sauna had ontmoet.

(F) Underground
De beide (legale, maar verholen) undergroundlocaties horen zeker niet tot het mainstream gay uitgaanscircuit. Ze hebben een meer besloten karakter wat onder andere te merken is doordat vrouwen onomwonden geweerd worden. Darkrooms vervullen hier een centrale functie. En hoewel locatie F1 door sleutelfiguren en sommige van de geïnterviewde jongensprostitués wordt genoemd als plek waar seks tegen betaling plaatsvindt, zeggen de jongens er zelf niet te komen. Alleen de eerdergenoemde Rachid komt hier wel eens. De gelegenheid is aardedonker, het cafédeel is bestemd voor een drankje en praatje, maar het echte werk gebeurt in de kelder. Hier is een darkroom die drie keer zo groot is als het bovengrondse deel. Aan de bar hangen kokers met condooms en glijmiddel. Het publiek is etnisch gevarieerd en van nieuwkomers in de scene tot oudere mannen. Ook komen hier veel toeristen. Het personeel zegt dat het wel eens gebeurt dat jongens zich, met name in die darkroom, aanbieden voor geld. Maar als zij daar lucht van krijgen, zeggen ze hen buiten de zaak te zetten.

F2 is een bar die vooral ‘leernichten’ trekt. Ook deze plek heeft een gesloten deurbeleid en een darkroom in de kelder. De portier zegt weinig minderjarige prostitués te kennen, maar geeft tegelijkertijd aan het erg lastig te vinden om de leeftijd te schatten. Hij ziet wel jongens vanaf 17-18 jaar binnen waarvan sommigen uit een bordeel afkomstig zijn. Maar zodra hij in de smiezen krijgt dat er klanten geronseld worden, zet hij ze eruit. De meeste klanten komen immers om te dansen, te drinken en vrije seks te zoeken.

4.2.2 Publieke domein
In het kader van het veldonderzoek hebben we regelmatig een ronde gemaakt door de straten met homo-uitgaansgelegenheden, op en rond stations en in parken.

Centraal Station
Jarenlang was het Centraal Station een bekende ontmoetings- en oppikplek voor jongensprostitutie, maar daar is al geruime tijd weinig of niets meer van te merken. Dat heeft zeker te maken met het feit dat op het CS veel controles plaats vinden, zowel door beveiligingspersoneel als door de politie. Het beveiligingspersoneel wordt naar eigen zeggen nooit ‘gebrieft’ over jongensprostitutie. De spoorwegpolitie bevestigt dat jongensprostitués hier een zeldzaamheid zijn. Tijdens onze veldwerkrondes stuiten we geen enkele keer op dergelijke jongens.

Parken
In sommige Amsterdamse parken wordt aantoonbaar gecruist. Precies zoals we tijdens het veldwerk horen; in oppikbar B is dit algemeen bekend bij jongens en klanten. Zelf zien we er ook regelmatig jongens, maar het is lastig contact met hen te leggen, want cruisen geschiedt vooral in een sfeer van zwijgzaamheid – en overigens vooral tussen volwassenen en in de overgrote meerderheid van de gevallen zonder vergoeding!

“’s Avonds laat weer een rondje gemaakt in het park, langs de plek waar ik eerder condooms en dergelijke zag liggen. Op een bankje gaan zitten. Veel ‘verdachte’ mannen gezien maar geen echte jonge personen. Man op een fiets die rondjes fietste. Drie mannen die voor het cruisen kwamen, één bleef over, mensen die honden uitlaten. Het is lastig om contact te leggen omdat de cruisewereld in het park juist wordt gekenmerkt door ‘het gewoon doen’ in plaats van praten.” (veldnotitie)

Na drie keer langs komen fietsen maak ik oogcontact met een man. Hij staat onmiddellijk stil en vraagt of ik zin heb. Ik geef aan daar geen behoefte aan te hebben en probeer een gesprek aan te knopen. De man reageert terughoudend en laat alleen los dat hij een regelmatige bezoeker is. Op mijn vraag of hij ook echte jonge jongens tegenkomt, zegt hij dat dit een zeldzaamheid is.” (veldnotitie)

Eén van de jongste geïnterviewde jongens heeft op een Amsterdamse cruiseplek wel eens seks tegen betaling gehad. Hij is nog niet uit de kast en geeft aan dat dit voor hem een manier was om uit te vinden of het echt iets voor hem was. Bovendien had hij – doordat er geld tegenover stond – niet het gevoel iets homoseksueels te doen. Het is dan meer een bijzondere categorie bijbaan.

De Straat
Algemeen bekend als homodomein met een grote verscheidenheid aan kroegen, clubs en zelfs gay minded coffeeshops, herkenbaar aan de regenboogvlag, is de Regulierdwarsstraat die door insiders ook wel ‘Dé Straat’ wordt genoemd. Hier is het van woensdag tot en met zondagavond altijd (wisselend) druk, helemaal sinds de invoering van het rookverbod en vooral op avonden dat er bij één van de tenten goedkope cocktails geserveerd worden. De sfeer is meestal vrolijk, maar kan soms snel omslaan als er groepjes jongens van het Leidseplein richting Rembrandtplein door De Straat trekken. Er zit wel eens een lolbroek tussen die meent iets te moeten zeggen over homo’s of over de mannen uitgedost als vrouw. Het komt dan ook wel eens voor dat er een opstootje ontstaat en binnen drie seconden iemand in de boeien wordt geslagen. Na sluitingstijd van de clubs is de stoep én de friettent een plek om op de valreep – zo tegen het ochtendgloren – nog wat te scoren.

4.3 Veldwerk Twente
In Twente werd in grote lijnen dezelfde en even intensieve strategie gevolgd als in Amsterdam. Daarom gaan we minder uitgebreid in op het veldwerk in Twente, want dat zou vaak een herhaling van zetten zijn. Een niet minder belangrijke reden is: herkenbaarheid. Amsterdam heeft in vergelijking met Twente een veel uitgebreider (homo-) uitgaansleven en veel meer verschillende locaties waar jongensprostitués aangetroffen kunnen worden.
Net als in de hoofdstad is ook in Twente, met Enschede als brandpunt, in de periode maart tot en met september 2008 veel tijd besteed aan veldonderzoek binnen de doelgroep en aanverwante netwerken. Voorafgaand aan en later parallel met het interviewen van jongens uit de doelgroep zijn informele gesprekken en interviews gehouden met sleutelpersonen binnen de politie en de hulpverlening. Van deze professionals kregen we meer informatie dan van hun collega’s in Amsterdam, hetgeen te maken heeft met een kleiner en dientengevolge een stuk overzichtelijker homocircuit, plus met incidenten en moordzaken die zich de afgelopen jaren in het Twentse ‘schandknapen-milieu’ hebben voorgedaan.
De eerste zaak betreft een moord op een vrouw; hierbij waren enkele jongens en vermoedelijk ook een jongensprostitué betrokken. De Twentse politie legde in een andere moordzaak, in het Volkspark, eveneens een link met jongens die actief zijn in het homomilieu. In een andere geruchtmakende zaak viel een moord te betreuren op een schoolconciërge die op school na sluitingstijd heimelijk jongens ontving. Ook was er een ontuchtzaak met minderjarige jongens. Daarnaast hebben agenten van verschillende wijkbureaus weet van bepaalde personen die veelvuldig in de jongensprostitutie worden gesignaleerd.
Uit de verhalen van politiefunctionarissen (o.a. prostitutieteam, recherche, politiebureaus in wijken en de binnenstad) en hulpverleners blijkt dat de grens tussen vriendschap, afpersing, schenkingen en (vermeende) jongensprostitutie lang niet altijd even duidelijk te trekken is. Daarbij komt dat de politie en de hulpverlening niet veel (actuele) ingangen heeft bij de jongensprostitutie scene omdat zij lang niet altijd medewerking krijgen en soms worden beschuldigd van homohaat.
Ook is er veldwerk verricht en zijn er gesprekken gevoerd met insiders uit het uitgaansleven, de homohoreca in het bijzonder. De Twentse homoscene is vooral geconcentreerd in Enschede. De stad heeft tevens een magneetfunctie voor bezoekers uit omliggende regio’s, inclusief Duitsland. De homoscene is redelijk klein en wie zich te nichterig of opvallend vrouwelijk gedraagt tijdens het uitgaan loopt de kans om te worden uitgescholden. Desondanks is het opmerkelijk dat er veel homoseksuele horecaondernemers zijn die een stempel weten te drukken op de gehele horeca.

Stappen in Enschede
Het homo-uitgaansleven in Enschede wordt op zaterdagavond druk bezocht. Studenten en (jonge) stappers verspreiden zich over de verschillende cafés en clubs. Het publiek komt veel uit de eigen regio, maar ook uit Duitsland en zelfs de Randstad. Sommige locaties zijn populairder bij groepjes jongens en beduidend oudere mannen die om elkaar heen staan te draaien. Er wordt geflirt en versierd. Net zoals in andere grotere steden zijn er voor bepaalde groepen stappers ook sauna- en darkroomfaciliteiten. (veldnotitie)
De sleutelpersonen uit het homo-uitgaansleven weten te vertellen over ‘one night standers’ en ‘breezersletjes’ en zijn ook op de hoogte van jongensprostitutie, pooierschap, ‘sugar daddies’ en ‘gold diggers’, die gretig gebruik proberen te maken van de pecunia van prostituanten. Sommige van deze sleutelpersonen zijn ook zeer behulpzaam geweest bij onze zoektocht naar jongens uit de doelgroep, dan wel klanten die ons in contact brachten met jongensprostitués.

Een ambtenaar van de gemeente Enschede vertelt dat er veel seksinrichtingen in het verleden op last van de gemeente zijn gesloten. Er mogen wel nieuwe bij, maar door nieuwe wetgeving en regels zijn potentieel geïnteresseerde ondernemers huiverig geworden om te worden beticht van prostitutie. Een deel van het circuit zou ondergronds gegaan zijn. Tijdens het veldonderzoek zijn ook regelmatig enkele ‘cruiseplekken’ bezocht waar voornamelijk oudere mannen tussen de 40-60 jaar, seksueel contact zoeken in het publiek domein. De cruisecultuur blijkt op grond van het veldwerk en informatie van de politie vrij marginaal. Voor zover we er jongens aantreffen die tot de doelgroep zouden kunnen behoren, blijken zij meestal boven de 21 jaar.

Cruisen in het park
Het is een zomerse middag in het park. We lopen tussen de oude en jonge bezoekers door naar een zone waar gecruisd zou worden. Het valt ons meteen op dat er in dit deel van het park meer mannen rondhangen. Ze zitten op de bank, lopen rondjes of staan te ijsberen. We raken in gesprek met een vrouw die haar hond uitlaat. Ze is goed op de hoogte van de cruisecultuur in het park. Haar onlangs overleden buurman heeft haar veel verteld over de mogelijkheden die het park biedt voor mannen die hier op wisselende tijden op zoek zijn naar seks. Ze wijst naar de bosjes waar de afwerkplekken zijn. Ook de parkeerplaats buiten het park dient als oppik- en afwerkplek. De mannen die we zien zijn tussen de dertig en zestig jaar. Het merendeel is blank, maar er staan ook allochtone mannen op de uitkijk. We spreken iemand aan die ons tijdens het gesprek in de gaten hield. Wanneer we over ons onderzoek beginnen, vraagt hij meteen of we geen zin in seks hebben. Van pijpen is hij niet vies “en buitenseks kan erg spannend zijn.” Als we aangeven daar niet van gediend te zijn, draait de man bij. Hij woont in de buurt en gaat bijna dagelijks naar het park om te kijken “of er wat is.” Het cruiseritueel gaat volgens de man haast vanzelf: “Je gaat zitten op een bankje of loopt wat rond en kijkt of er ook andere mannen zijn. Soms maak je een gesprekje of loopt direct achter elkaar de bosjes in. Het is vaak snelle seks: aftrekken, pijpen en soms neuken. Er wordt meestal niet voor betaald. Alleen jongens vragen wel eens geld.” De man is goed op de hoogte van de par scene die vooral uit oudere mannen bestaat, waarvan sommigen zijn getrouwd. “Helaas loopt er maar een enkele keer een lekker jong ding rond, want dat is het leukste”, zegt de man verlekkerd. Op zaterdagavond maak je nog de meeste kans als ze na een avond stappen ‘bloedgeil’ het park in lopen en zin hebben in seks. (veldnotitie)
Al met al levert de veldverkenning in Twente het beeld op van een klein segment van mannen en (jonge) jongens die voor geld of in ruil voor allerhande (luxe) goederen seks hebben met elkaar. Sommige van deze mannen en jongens staan bekend als notoire prostituanten, respectievelijk ‘echte’ jongensprostitués. Anderen vallen minder op of houden zich liever wat afzijdig van de Twentse scene. Maar er wordt ook onderling tussen klanten en (ex)jongensprostitués geroddeld over anderen. In vergelijking met Amsterdam is het binnen het Twentse nog niet zo eenvoudig om als prostituant of als jongensprostitué geheel anoniem te blijven. De verhalen van sleutelpersonen zijn soms erg persoonlijk, zo niet pijnlijk voor de personen in kwestie. Maar er worden ook vrolijke verhalen verteld over het Twentse homoleven en de jongensprostitutie.

4.4 De rol van internet
Alle sleutelpersonen – en later ook de jongens uit de doelgroep – zeggen dat er in afgelopen jaren een enorme verschuiving heeft plaats gevonden van de klassieke straat- en bordeelprostitutie naar het virtuele internet. De beide uitersten van jongensprostitutie zijn goed vertegenwoordigd op internet, namelijk de professionele zelfstandigen en de zeer amateuristische jongens die zich voor weinig geld eens in de zoveel tijd oraal laten bevredigen. De fysieke contacten zelf worden vooral gelegd bij de klanten thuis. Ook het park is hiervoor een gunstige en anonieme afwerkplek. Zoals in latere hoofdstukken zal blijken, zijn jongens die hun klanten via internet werven ook goed vertegenwoordigd in de interviews die we hielden met de doelgroep. Tegelijkertijd moeten we constateren dat internet niet zo’n geschikte bron is om met de doelgroep in contact te komen voor dit onderzoek. Slechts enkele jongens hebben we via internet tot een interview kunnen bewegen. Daarbij komt dat internet een sterk vertekend, en ook onjuist, beeld geeft van de jongens die schuil gaan achter de advertenties en profielen op internet. Niet alleen kloppen hun leeftijden vaak niet (hetgeen overigens ook geldt voor wat klanten denken die de jongens ontmoeten in bordelen of in het uitgaansleven), maar vaak gaat achter verschillende namen en profielen ook een en dezelfde jongen schuil.

De eerste foto’s en teksten zijn knullig, maar hoe langer je het doet hoe beter je weet hoe je klanten kunt krijgen. De naam van een homopage moet pakkend zijn. Piet Zwart kun je beter niet doen; Jim Hunk of Dutch sports guy is beter. De naam moet een seksuele lading hebben. De regel is: nooit met je prijs zakken want klanten betalen niet voor de seks maar voor de illusie. Je moet juist te koop lopen met je kwaliteiten! Belangrijk in dit vak is dat jij ‘in control’ bent, dus ook geen drugs (met de klant) gebruikt. Seks speelt een centrale rol maar sommige klanten hebben bepaalde wensen zoals een rollenspel waarin je de klant als hoer moet benaderen. Jongens die niet van een rollenspel houden hebben wel eens moeite om hem omhoog te houden. Er zijn ook klanten die soms tegen de zin van een jongen willen dat hij klaarkomt. Het liefst bepalen prostitués zelf de sfeer waardoor er ook ruimte is om te pleasen, spanningsopbouw en aandacht voor de klant. Eerlijkheid duurt het langst en klantenbinding is belangrijk in dit vak. Een cd-tje meegeven met muziek die je op had staan toen de klant er was doet soms wonderen. Ook is het belangrijk om de taal en regels van het vak te leren. Ik heb niks met de ‘échte hoerenmentaliteit’ van jongens die zogenaamd on top of the world willen leven. Meestal zijn ze te vroeg begonnen, gewend aan veel geld en hebben ze verschillende suikeroompjes versleten.’ (Interview met escortjongen, 25 jaar)

4.5 Op zoek naar Marokkaanse jongensprostitués
Tijdens het veldwerk hebben we specifiek gezocht naar Marokkaanse jongens.[xxi] Zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken, hebben we slechts mondjesmaat jongensprostitués van Marokkaanse afkomst kunnen interviewen. Hoe komt het dat we zo weinig van zulke jongens hebben gesproken, terwijl er beweerd wordt dat zij oververtegenwoordigd zouden zijn in de jongensprostitutie? De eerste verklaring zou kunnen zijn dat deze jongens nog moeilijker te vinden zijn dan jongensprostitués in het algemeen. Inderdaad ligt er onder Marokkanen – en meer algemeen: onder moslims – een bovengemiddeld sterk taboe op homoseksualiteit (Buijs et al., 2009).

Het Suikerfeest dat georganiseerd is door een club die zich richt op Arabische homo’s komt laat op gang en de sfeer is aan het begin te snijden, ondanks het welkomstdrankje (champagne, respectievelijk muntthee) en de aardbeien die in chocoladesaus gedoopt kunnen worden. De pers is uitgenodigd en dat wordt door het gros duidelijk niet gewaardeerd. Er zijn ook enkele mensen waarmee we al een vertrouwensband hebben opgebouwd en die zeggen dat ze met vrienden zijn die seks hebben voor geld. Maar in de praktijk durft niemand hen voor te stellen. De één zegt eerlijk dat hij bang is dat die jongen dan boos op hem wordt, de ander vertoont ontwijkend gedrag. De paar vrouwen díe er zijn, zijn Arabische en Turkse dames die als een soort dekmantel lijken te dienen. Dan komen er twee jongens binnen die ik ken uit D2 en die daar altijd ultiem hetero gedrag vertonen (willen dansen en sjansen). Ik krijg haast medelijden met ze, want ze trekken nog net niet wit weg als ze mij zien. Om ze niet nóg meer in verlegenheid te brengen, knik ik naar ze, maar laat ze verder met rust. Ik zie de één later een akkefietje hebben met de bewaker. Hij is duidelijk opgefokt. En op een gegeven moment staat hij buiten in de regen, het lijkt alsof hij te veel gedronken of gebruikt heeft. Hij wordt getroost en op z’n mond gezoend door de jongen met wie hij binnenkwam. Vlak voor ik wegga, klop ik hem op z’n schouder en zeg: “Hoop dat je een leuke avond hebt gehad? Ik zie je wel weer in D2 (hij was daar elke keer als ik er was). Dan gaan we weer dansen”. Hij kijkt erg opgelucht.’ (veldnotitie)

Dit sterkere taboe op homoseksualiteit zou een ‘culturele erfenis’ kunnen zijn vanuit het land van herkomst en dan is er sprake van een culturalistische verklaring. Echter het simpele feit dat dit taboe zowel in het land van herkomst als in Nederland bestaat, vormt hiervoor onvoldoende bewijs. Vanuit constructivistisch perspectief is het niet alleen de vraag of het taboe een kwestie is van vast blijven houden aan onveranderlijke normen en waarden uit het land van herkomst, dan wel het resultaat van een dynamisch proces in Nederland.[xxii] Nog crucialer is het antwoord op de vraag welke betekenis dit taboe (in Nederland) heeft voor homoseksualiteit en jongensprostitutie.
Hoe het ook zij, het bovengemiddeld sterke taboe op homoseksualiteit onder Marokkaanse Nederlanders weerhoudt sommige Marokkaanse mannen er kennelijk niet altijd van om (betaalde) seks met jongens of mannen te hebben. We komen namelijk wel degelijk Marokkaanse mannen tegen in homo-uitgaansgelegenheden en bovendien hebben verschillende geïnterviewde jongensprostitués wel eens betaalde seks met Marokkanen. En een portier van een underground locatie vertelt dat Marokkaanse jongens seks hebben voor geld omdat ze gokproblemen hebben óf om hun dure spullen te betalen, zoals een scooter. Deze jongens ontkennen overigens doorgaans homoseksueel te zijn, iets wat we zelf in gesprekken met Marokkaanse jongensprostitués van boven de 21 jaar ook regelmatig te horen krijgen.
Er zijn dus wel Marokkaanse jongens beneden de 21 jaar die tegen vergoeding seks met mannen hebben, maar mogelijk zijn zij moeilijker te vinden dan autochtone of andere allochtone leeftijdsgenoten in de jongensprostitutie. Er zijn echter ook goede argumenten die ervoor pleiten dat het beeld van de oververtegenwoordiging van Marokkaanse jongens in deze prostitutiesector onjuist is.

Ten eerste zijn er jonge Marokkaanse jongens die seks hebben met oudere jongens en mannen, zonder dat zij daarvoor een vergoeding vragen of krijgen. Een man die regelmatig betaalde seks met jongens heeft en ook een actieve cruiser is vertelt hierover:
In het park bij het cruisen gaat het niet zozeer om geld verdienen. Vaker niet, dan wel. Het gebeurt dat Marokkaanse jongens van elf, twaalf langs je fietsen en zeggen: ‘wil je seks?’ Die nieuwsgierigheid is er wel, maar bij die jonge jongens is het toch vooral een kwestie van baldadigheid. Ik heb wel eens meegemaakt dat een Marokkaanse jongen van rond de 17, 18 dat aanbood. Als je wel seks hebt, doen ze het meestal gratis.

Ten tweede oefenen Marokkaanse jongens op een deel van de klanten extra aantrekkingskracht uit. Daarbij gaat het om hun ‘exotische’ uiterlijk, al dan niet in combinatie met een stoere, mannelijke uitstraling.

“Vooral Marokkaanse jongens zijn gesteld op uiterlijk vertoon, dure kleding en dito schoenen. Ze zijn heel populair onder klanten. Dat komt vooral door hun agressieve houding, dat vinden bepaalde mannen spannend, ‘edgy’. Ook al worden ze belogen en bedrogen. Dat spel geeft hen een extra kick. Zo spreken de jongens weliswaar een prijs af, maar zullen ze altijd proberen minder te doen voor meer geld. Of ze schroeven de prijs verder op…” (portier van een Amsterdamse homoclub, voorheen werkzaam bij een jongensbordeel)

Vanwege deze specifieke aantrekkelijkheid zijn er jongensprostitués, waaronder enkele van de geïnterviewde jongens, die zich uitgeven voor Marokkaans, ook al is dat niet hun etnische afkomst. Ook op internet profileren niet-Marokkaanse jongensprostitués zich als Marokkaans. Klanten denken dus vaker dat zij betaalde seks hebben met een Marokkaanse jongen dan in werkelijkheid het geval is.

Het derde argument heeft te maken met leeftijd. Klanten weten vaak niet (precies) hoe oud de jongens zijn met wie zij betaalde seks hebben – en de jongens maken daar handig gebruik van. Dat is geen specifiek Marokkaans fenomeen, maar wel opvallend is dat we in de zoektocht naar Marokkaanse jongensprostitués relatief vaak stuiten op jongens van boven de 21 jaar.

Ik spreek weer met een Marokkaanse jongen die in een bordeel werkt, maar ook op andere manieren zijn klanten werft. Hij ziet er jong uit en daar maakt hij ook gretig gebruik van. Klanten hebben geen enkel idee van zijn ware leeftijd. Gaandeweg kom ik erachter dat hij al 30 jaar is.” (veldnotitie)

De vierde reden waarom Marokkaanse jongensprostitués moeilijk te vinden zijn in de jongensprostitutie, is gelegen in het feit dat de verhalen die de ronde doen de daadwerkelijke situatie sterk uitvergroten. Naast de genoemde foutieve perceptie (jongens-prostitués die zich ten onrechte uitgeven voor Marokkaan en ‘echte’ Marokkaanse prostitués die ouder dan 21 jaar zijn) gaat het hierbij om een geruchtencircuit dat niet door feiten ondersteund wordt. Twee aspecten spelen hierbij een rol: enerzijds geruchten over Marokkaanse jongens die zich zouden prostitueren, of geruchten over plekken waar Marokkaanse jongensprostitués actief zouden zijn, en anderzijds het feit dat Marokkaanse jongens en mannen als klant actief zijn in de jongensprostitutie. In de geruchtensfeer blijven verouderde verhalen de ronde doen over jongens – soms inmiddels mannen – die voorheen werkzaam waren in de prostitutie (of het nog steeds doen, maar boven de 21 jaar zijn). En er zijn veel van-horen-zeggen verhalen die uit verschillende hoeken komen, waardoor de indruk ontstaat dat ze wel waar moeten zijn. Maar doorvragen levert vooral oude verhalen op – een 28-jarige Marokkaanse prostitué spreekt zelfs van ‘gouden tijdperk’ en bedoelt hiermee eind jaren negentig, beginjaren 21e eeuw – én veel uitvluchten, maar vrijwel nooit iets concreets, ook niet bij personen die zich graag als ‘kenner’ uitgeven – en er soms zelfs om bekend staan dat zij veel van Marokkaanse jongensprostitutie zouden weten.

Een vaste cruiser vertelt dat het een jaar of vijf geleden veel drukker was met Marokkaanse jongens in het park. Die vroegen vijftig euro. Nu zie je ze veel minder. Hij heeft er geen
verklaring voor.” (veldnotitie)

Ik ben samen op een feest met een Marokkaanse man die zegt veel van Marokkaanse
jongensprostitutie te weten. Hij benadrukt dat hij niemand valselijk wil beschuldigen. Later op de avond, bij het passeren van wat jongens, zegt hij: ‘Ik heb er al twintig geteld van wie ik weet dat ze het doen.’ Als ik vraag hoe hij dat dan weet en of hij ze kent, zegt hij: ‘Dat weet ik gewoon’. Hij zegt dat hij me wil helpen, maar dat ik het op de Marokkaanse manier moet aanpakken. En dat betekent: niet meteen ter zake komen, maar eerst een paar keer afspreken en hun vertrouwen winnen. Op de vraag waar ze dan rondhangen of uitgaan weet de man geen antwoord. Ik krijg het sterke vermoeden dat hij vooral als een kenner wil overkomen, maar dat hij zijn kennis baseert op vermoedens. Twee dagen later belt hij om te vragen of ik ook meisjes onder de 21 wil interviewen. Weer een paar dagen later zegt hij dat hij de dag ervoor via een vriend een jongen uit Palestina heeft ontmoet. Die vertelde dat hij hiv besmet is geraakt door zijn ‘werk’. Mijn contactpersoon zegt dat hij gaat proberen ons met elkaar in contact te brengen. Daarna neemt hij de telefoon niet meer op. Ik krijg het idee dat hij zijn verhalen niet waar kan maken.” (veldnotitie)

Binnen de geruchtensfeer passen ook de verhalen over Marokkaanse jongens die weliswaar suggereren in te zijn voor betaalde seks en ook meegaan met mannen en hen, al dan niet onder bedreiging, geld aftroggelen, zonder dat het tot seksuele handelingen komt (de pseudo’s die Van der Poel in haar onderzoek uit 1991 ook al beschreef).

Verschillende jongensprostitués vertellen over Marokkaanse jongens en mannen die als klant gebruikmaken van jongensprostitués. Alberto (18 jaar) had, zoals hij het zelf noemt, een Marokkaanse ‘loverboy’ die hem uitleende aan Marokkaanse vrienden. En Hafid (18 jaar) werd goed betaald voor seks door een Marokkaanse jongen, die goed in de slappe was zit.

Via vrienden kende ik hem. Hij is 23 jaar, mooie jongen met mooie groene ogen. Half Marokkaans, half Nederlands. Ik heb z’n nummer gestolen en toen ging ik hem bellen en met hem flirten. Dat duurde een weekje en toen kwam hij me thuis met z’n auto ophalen. Ik zei: ‘ik kan niet’. En toen zei ik: ‘ik wil alleen als je een jacuzzi suite voor mij en m’n vrienden regelt.’ Dus dat deed hij toen. Hij kwam me toen ’s avonds ophalen en toen hadden we seks. We hebben gezoend, elkaar afgetrokken en hij heeft mij geneukt. Later zei hij: ‘Als je achttien was, zou ik je je rijbewijs geven.’ Hij heeft veel geld, waarom niet? Hij mag me best wat geven.”

Het blijft niet bij dergelijke verhalen, want in het veldwerk hebben we ook zelf meermaals kunnen constateren dat Marokkaanse mannen als klant gebruikmaken van jongensprostitués.

4.6 Samenvatting en vervolg
In dit hoofdstuk is uitgebreid ingegaan op hoe het veldonderzoek naar jonge jongens in de prostitutie is uitgevoerd. In Amsterdam en Twente zijn observaties verricht op mogelijke vindplaatsen van jonge jongensprostitués. Dat gebeurde in en rond jongensbordelen, (homo)uitgaansgelegenheden, op straat, in parken, etc. Ook werden informele gesprekken gevoerd met hulpverleners, politiemensen, horecapersoneel, prostituanten en jongensprostitués. Tevens werd nagegaan wat de rol is van internet. Gedurende het veldonderzoek werd steeds meer specifieke aandacht besteed aan het vinden van jongensprostitués van Marokkaanse komaf – en aan de vraag waarom zulke jongens zo moeilijk te vinden waren. Het belangrijkste doel van het uitgebreide, verkennende veldonderzoek was om in contact te komen met het uiteindelijke doel: interviews met minderjarige jongensprostitués, althans jongens van maximaal 21 jaar oud die al voor hun 18e jaar zijn begonnen met seks met mannen tegen vergoeding. In het volgende hoofdstuk schetsen we aan de hand van enkele algemene kenmerken een eerste beeld van de geïnterviewde jongensprostitués. In latere hoofdstukken worden verschillende aspecten van hun achtergrond, ervaringen, levensloop en leefstijl thematisch uitgediept.

Noten
xx. We hebben ons beperkt tot de clubs en discotheken waar ook jongens tot en met 21 jaar komen.
xxi. Na afloop van de geplande veldwerkperiode is nog enkele weken uitsluitend gezocht naar Marokkaanse jongens.
xxii. Vergelijk: De Jong (2007) met betrekking tot opvattingen over en houding ten opzicht van homoseksualiteit onder Marokkaanse straatjongens, en Kleijer-Kool (2002) voor de ‘ontkennende verdachte’.

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.




Verborgen werelden ~ Omvang en profiel

darklondonalleyDe gangbare schatting is dat er in Nederland zo’n 3.000 jongens werkzaam zijn in de jongensprostitutie, misschien wel meer. Hiervan zou de helft, misschien zelfs meer, minderjarig zijn. En er zouden relatief veel Marokkaanse jongens werkzaam zijn in de jongensprostitutie. Dat is althans het beeld dat naar voren komt uit de literatuur (zie hoofdstuk 1). Komt dit beeld overeen met de werkelijkheid, en vooral: is wat jaren geleden wellicht wel klopte nog steeds waar? Laten we meteen maar duidelijk zijn: ook wij kunnen geen precieze cijfers over de omvang van jongensprostitutie in Nederland leveren, al was het alleen maar omdat we ons onderzoek beperkt hebben tot twee regio’s. Bovendien hebben we ons – in tegenstelling tot het voorbereidende veldwerk (hoofdstuk 4) – in de interviews met jongensprostitués uitsluitend gericht op jongens die al voor hun 18e jaar begonnen met prostitutie en die nu niet ouder zijn dan 21 jaar. Jongens van boven de 21 jaar en jongere jongens die na hun 17e hun eerste seks tegen vergoeding hadden vielen buiten de boot. Wat we wel kunnen proberen, is nagaan of we voor de beide onderzochte regio’s een cijfermatig beeld kunnen krijgen van jongensprostitutie, met name van het aandeel jonge jongens dat hierin actief is. In dit hoofdstuk beschrijven we eerst wat deze poging heeft opgeleverd. In het tweede deel schetsen we een profiel van de geïnterviewde jongensprostitués. Dat gebeurt aan de hand van enkele algemene kenmerken, zoals leeftijd, etniciteit, opleiding, opvoeding en woonsituatie. In latere hoofdstukken gaan we in op andere aspecten van hun achtergrond, ervaringen en dagelijks leven.

5.1 Schattingen
Er zijn maar weinig hulpverleners die vaker dan incidenteel te maken krijgen met jongensprostitués. De enkele instellingen of hulpverleners die zich specifiek op deze jongens richten, zien nauwelijks of geen echte jonge jongens, laat staan minderjarigen. Het is dan ook geen verrassing dat niemand in de hulpverlening zich durft te wagen aan een schatting van het aantal jongensprostitués in hun regio. Voor zover zij in hun werk al met deze doelgroep te maken hebben – bijvoorbeeld in een SOA-kliniek – vinden ze dat hun beeld te verbrokkeld of onvolledig is om uitspraken over aantallen te doen. Dat geldt evenzeer voor de leeftijdsopbouw binnen de jongensprostitutie en voor de etnische achtergrond van de jongens. Bij de politie stuiten we op hetzelfde probleem: niemand richt zich specifiek op jongensprostitutie; de beschikbare informatie is vooral het resultaat van rechercheonderzoeken naar aanleiding van geweldsincidenten en derhalve eenzijdig en onvolledig.
Dan is er nog de branche. Wat kunnen bijvoorbeeld eigenaren van bordelen en escortclubs vertellen over het aantal jongens die seks tegen vergoeding hebben? Zij weten natuurlijk wel hoeveel jongens bij henzelf werken, hoe oud zij zijn en wat hun etnische achtergrond is. Bovenal zien zij een forse doorstroom in hun bestand: jongens doen het tijdelijk, wisselen van werkplek of vertrekken weer naar het buitenland. Dat is overigens een belangrijk gegeven: op jaarbasis is het aantal jongens dat in Nederlandse bordelen of bij Nederlandse escortbureaus werkt veel groter dan gemiddeld per maand. Een voorzichtige schatting op basis van observaties, in combinatie met informatie van eigenaren/personeel en de doelgroep, is dat in Amsterdam en Twente samen op maandbasis 100-200 jongens in bordelen annex escortclubs werken. De meerderheid is boven de 21 jaar – ook al geven de jongens zich vaak jonger uit dan zij zijn. Let wel: deze schatting wijkt af van het beeld dat ontstaat op basis van advertenties en profielen op websites, simpelweg omdat die lang niet altijd de werkelijkheid weerspiegelen, zowel wat betreft het profiel van de jongens (ze zijn ouder of hebben een andere etniciteit dan wordt aangegeven) als de aantallen (dezelfde jongen kan meerdere profielen hebben op het internet, informatie is verouderd).

Waar de seksbranche weinig zicht op heeft, zijn de jongens die zelf via internet hun klanten werven. In de praktijk is er zelfs enige overlap met hun ‘eigen’ jongens, want het is bepaald geen uitzondering dat een jongen die in een bordeel werkt of bij een escortbureau staat ingeschreven, ook een eigen website heeft of zelf op internet naar potentiële klanten surft. Tot op zekere hoogte hebben horecamedewerkers/-eigenaren wel weet van jongens die via internet of in het uitgaansleven klanten werven, al was het maar omdat zij van hun eigen vaste bezoekers weten wie er vaak met zulke jongens de deur uit gaat, of andersom: welke jongens regelmatig met een bepaald type bezoeker aanpappen. In deze horeca zien ze incidenteel ook minderjarige jongens die seks tegen vergoeding hebben. Sommige medewerkers/eigenaren durven wel aantallen te noemen, maar die hebben vooral betrekking op hun eigen etablissement of buurt. Niemand kan een enigszins onderbouwde schatting geven van het totale aantal jongensprostitués in hun regio, niet van het aantal dat daar in de horeca klanten werft, laat staan van hoeveel jongens er via andere wegen met klanten in contact komen.

Tabel 5.1 Vrienden en bekenden in de jongensprostitutie, naar leeftijd van de andere jongens

Tabel 5.1 Vrienden en bekenden in de jongensprostitutie, naar leeftijd van de andere jongens

Zouden de jongensprostitués die we geïnterviewd hebben misschien soelaas kunnen bieden. Deze jongens is gevraagd hoeveel van hun vrienden en kennissen doen aan seks tegen vergoeding. Ook is hen gevraagd een schatting te geven van het totale aantal jongensprostitués in hun stad/regio. Eén respondent wilde deze vragen niet beantwoorden. De gegevens hebben dus betrekking op 43 vragenlijsten, bij elkaar geen groot aantal, dus voorzichtigheid is sowieso geboden.
Bij de respondenten die vrienden in de jongensprostitutie hebben, varieert het aantal vrienden van 1 tot en met 10 (gemiddeld 4). Wanneer de respondenten (ook) kennissen in de jongensprostitutie hebben, dan noemen ze daarvan veel grotere aantallen (gemiddeld 12), maar je kunt je bij sommige antwoorden (10, 20, 50…) afvragen hoe valide ze zijn. De vrienden en kennissen van de respondenten kunnen we bovendien niet zomaar bij elkaar optellen om de omvang van jongensprostitutie te schatten. Ze kennen namelijk vaak dezelfde jongens.
Mogelijk wel interessant is de verhouding tussen de drie leeftijdscategorieën die aan de respondenten werden voorgelegd. Gemiddeld zeggen zij – degenen meegerekend die niemand wisten te noemen – 2.7 minderjarige jongensprostitués te kennen, 5.3 jongens van 18 t/m 21 en 5.7 jongens van boven de 21 jaar (vrienden en kennissen tezamen). Op basis van de informatie van de respondenten is de verhouding dus ongeveer 1:2:2. De verhouding minderjarig/meerderjarig is volgens de respondenten 1:4.
Schattingen die de respondenten geven van het totaal aantal jongensprostitués in de stad/regio lopen uiteen van enkele tientallen tot enkele honderden. Overigens wil een flink aantal respondenten (17, 39%) zich helemaal niet wagen aan een schatting. De rest schat gemiddeld dat er 131 minderjarige jongensprostitués in Amsterdam zijn; het aantal meerderjarige jongensprostitués schatten ze op gemiddeld 151 (18-21 jaar) en 182 (> 21 jaar). Voor Twente liggen de schattingen logischerwijs lager: respectievelijk 28, 49 en 80. Let wel: deze cijfers zijn gebaseerd op een klein aantal vragenlijsten per regio! Bovendien lopen de schattingen van de jongens sterk uiteen. We moeten er dus maar niet al teveel waarde aan hechten.

Wat uit de genoemde aantallen wel systematisch naar voren komt, is dat minderjarigen binnen de jongensprostitutie in de minderheid zijn – en dus zeker niet de helft vormen zoals soms beweerd wordt (zie hoofdstuk 1). Dit geldt temeer daar het beeld dat de geïnterviewde jongens van de leeftijdsopbouw schetsen waarschijnlijk vertekend is in de richting van een overschatting van het aandeel minderjarigen. Niet alleen wordt hun beeld mogelijk gekleurd doordat zij minder zicht hebben op de oudere jongens in de prostitutie; het gevolg hiervan zou zijn dat het aandeel oudere jongens onderschat en tegelijkertijd het percentage minderjarige jongens overschat wordt. Bovenal is het maar de vraag hoe valide hun kennis is van de leeftijd van andere jongensprostitués. Jezelf jonger presenteren dan je feitelijk bent, is vaak een belangrijke succesfactor bij betaalde seks. Leeftijd fungeert als het ware als je ‘beroepsgeheim’ en alleen je allerbeste vrienden mogen weten hoe oud je echt bent. Doordat jongens zich jonger voordoen dan zij zijn, lijkt het aandeel minderjarigen in de jongensprostitutie groter dan het in werkelijkheid is.

Al met al moeten we dus concluderen dat er geen betrouwbare schattingen te maken zijn van het aantal jongens in de prostitutie en ook niet van de leeftijdsverdeling.

5.2 Geïnterviewde jongensprostitués
Op zeer uiteenlopende locaties zijn observaties gedaan en met tal van personen werden gesprekken gevoerd, maar de uiteindelijke focus lag op interviews met jongens-prostitués zelf, meer specifiek: minderjarige jongens die seks tegen vergoeding hebben en jongens tussen 18 en 21 jaar die daar reeds voor hun 18e jaar mee begonnen waren. Vaak bleken de jongens waar we mee in contact kwamen vanwege hun leeftijd niet tot de doelgroep te behoren. Terwijl bijvoorbeeld hun klanten dachten dat zij jonger waren, bleken de jongens ouder dan 21 jaar te zijn. Daarom hebben we alle (potentiële) respondenten niet alleen naar hun leeftijd gevraagd, maar ook steeds naar hun geboortedatum. Regelmatig bleken jongens dan al ouder te zijn dan zij in eerste instantie hadden opgegeven. Als extra maatregel werd de leeftijd zonodig gecheckt aan de hand van hun ID-kaart of paspoort.

De ware leeftijd
Het is vaker voorgekomen dat klanten denken dat de jongens jonger zijn. Deels is het wishful thinking van klanten. Ook kunnen klanten in een donkere disco niet goed de leeftijd van de jongens inschatten of is het leeftijdsverschil zo groot dat een paar jaar meer of minder moeilijk is te zien. Ook de jongens laten het in het midden of ze liegen glashard over hun leeftijd. Ranny bijvoorbeeld is geen 15 of 16 zoals K. beweert, maar 19 jaar. Ranny staat in de gay scene bekend voor seks met oudere mannen. Hij laat zijn leeftijd in het midden omdat hij dan interessanter blijft voor klanten die hem jonger schatten. En als we S. willen interviewen, blijkt dat hij 25 jaar is, terwijl hij in de scene bekend staat als een 20 jarige. Dat levert hem namelijk meer klanten op.

Een ander cruciaal punt bij de selectie van jongens voor een interview was: wanneer is een jongen prostitué? Soms blijkt dat geen enkel probleem op te leveren. Bij jongens die we in een bordeel ontmoeten en daar werken is het bijvoorbeeld wel duidelijk. Andere keren ligt het gevoelig en soms moeten we door hardnekkige ontkenning heen breken.

Wel of geen prostitué?
Rudie (20 jaar) is openhartig tijdens het interview. Zijn relaties, het voor geld doen etc. Rudie geniet volop van zijn reputatie als mooie jongen. Hij heeft per week meerdere dates met oudere mannen die alles voor hem betalen en hem onderhouden. Hij heeft verschillende ‘suiker-oompjes’ en ook neemt hij contant geld aan voor seks met mannen.

Saïd (18 jaar) is een typisch voorbeeld van een jongen die blijft ontkennen dat hij iets met prostitutie van doen heeft. Dit terwijl verschillende mannen, ook klanten en ex-klanten van hem, zeggen dat hij zich hoereert en dat ze hem zien rondlopen met andere klanten. Ook doen geruchten de ronde dat Saïd zich soms voor een week verhuurt aan een man. Het begin van het interview verloopt moeizaam. Wel praat hij openlijk over de homoscene. Na verloop van tijd wordt Saïd wat spraakzamer en geeft hij toe dat hij wel eens seks heeft voor een slaapplek. Betaalde seks is voor hem taboe. Als hij zin in seks heeft dan heeft hij seks, daar wordt niet voor betaald. Dat krijg je gewoon! Later vertelt Saïd alsnog dat hij wel seks heeft na een avondje stappen. Dat een andere man dure drankjes en rekeningen over de honderd euro betaalt, vindt hij volstrekt normaal.

Uiteindelijk zijn 44 jongens geïnterviewd die wel (qua leeftijd: aantoonbaar) tot de doelgroep behoorden, gelijkelijk verdeeld over Amsterdam en Twente. In de bijlage staat een volledig overzicht van alle respondenten met enkele basiskenmerken. De namen van de jongens in de bijlage en in de tekst zijn pseudoniemen.
De leeftijd van de geïnterviewde jongens ten tijde van het interview varieert van 15 tot en met 21 jaar; zeven jongens zijn minderjarig (een van 15, twee van 16 en vier van 17 jaar). De gemiddelde leeftijd is 19.0 jaar.

De etniciteit van de jongens is niet gebaseerd op hoe de jongens zichzelf zien (subjectieve etniciteit) of waar zij zich voor uitgeven, maar conform de in Nederland gangbare ‘CBS-methode’ bepaald aan de hand van het geboorteland van hun ouders.[xxiii] Op basis van deze ‘objectieve etniciteit’ zijn ze verdeeld over drie vrijwel even grote groepen: autochtoon (15); westers allochtoon (14, waarvan acht uit Midden- en Oost-Europa en de anderen uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Italië en Indonesië); en niet-westers allochtoon (15, waarvan drie Marokkaans, twee Turks, drie Surinaams, één Antilliaans, drie Latijns-Amerikaans en drie uit het Midden-Oosten). Omdat we extra nadruk hebben gelegd op het vinden van niet-westers allochtonen, in het bijzonder Marokkaanse jongens, zijn met name autochtoon Nederlandse jongensprostitués waarschijnlijk ondervertegenwoordigd bij de geïnterviewden.

Een forse minderheid van de jongens heeft (tot nu toe) na het basisonderwijs geen enkel schooldiploma behaald (17; 39%). Van negen jongens is het hoogst behaalde diploma van het vmbo (21%), iets meer hebben een havo/vwo-diploma (14; 32%) en vier zijn geslaagd voor het mbo-examen. De meeste jongens volgen een opleiding en/of hebben een (bij)baan. Krap de helft volgt nog een opleiding (20; 45%), van spijbelschool en praktijkopleiding tot en met hbo. Ruim de helft van de jongens heeft een betaalde baan of bijbaan (26; 59%) – werk als prostitué in een bordeel niet meegerekend. De werkende jongens hebben hun (bij)baan relatief vaak in de horeca (11 jongens), maar bijvoorbeeld ook op kantoor, in de verpleging, een kapperszaak, kledingwinkel of een fabriek.

Boris is 19 jaar. Vanaf zijn zesde jaar woonde hij in een pleeggezin. Op zijn 15e stopte hij met school, waardoor hij geen enkel diploma heeft. Sindsdien trekt hij van stad naar stad door Europa en leeft hij voornamelijk van betaalde seks. Hoewel ook Ronaldo (18 jaar) in het buitenland naar de lagere school ging en pas daarna naar Nederland kwam, heeft hij hier zonder vertraging zijn havodiploma behaald. Hij zit nu op het hbo en heeft een bijbaantje bij een bank. Af en toe heeft hij seks tegen vergoeding.

De helft van de jongens is door beide ouders opgevoed (22; 50%). De andere jongens groeiden op in een eenoudergezin (12; 27%), vrijwel altijd bij hun moeder; bij andere familieleden (7; 16%); of in een pleeggezin (3; 7%).

De sociaaleconomische achtergrond van de jongens loopt sterk uiteen. Van de een werkt(e) vader in een fabriek, de ander komt uit een succesvol ondernemersgezin. Van vier jongens is vader overleden en van een van deze vier ook de moeder. Naast deze vier hebben twaalf jongens nooit contact met hun vader. Slechts twee jongens hebben dagelijks contact met hun vader. Hier tegenover staat maar één jongen die nooit contact heeft met zijn moeder, terwijl een op de drie haar dagelijks ziet of spreekt (14; 32%).
Overigens hangt de frequentie van het contact wel samen met waar de ouder(s) wonen. Logischerwijs hebben de jongens die tegenwoordig bij één of beide ouders wonen (19; 43%) er ook het vaakst contact mee. Als spiegelbeeld hiervan hebben de jongens waarvan de ouders niet in Nederland wonen – en dat geldt vooral voor de jongens uit Midden en Oost-Europa – weinig of geen contact met hun vader en/of moeder. De meeste jongens die niet meer bij hun ouder(s) wonen, vertrokken toen zij 16 jaar of ouder waren; drie deden dat op 14- of 15-jarige leeftijd en gingen naar een internaat of tehuis en twee jongens verlieten al op jonge leeftijd het ouderlijk huis, toen zij respectievelijk vier en zes jaar waren, en kwamen terecht in een pleeggezin of bij oma.

Benny (17 jaar) is opgegroeid in een ondernemersgezin. Op 16-jarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en huurde met een maatje een etage. “Mijn ouders zijn allebei altijd aan het werk. Ik wilde alles zelf bepalen en veel plezier maken.” Sinds kort woont hij weer bij zijn ouders. Niet dat hij zonder geld zat, want zijn ouders verwennen hem materieel en nu hij weer thuis woont heeft hij toch genoeg vrijheid om te gaan en staan waar hij wil.

Johnny (19 jaar) daarentegen werd op vierjarige leeftijd uit huis geplaatst. Eerst ging hij naar een pleeggezin, later kwam hij in een leefgroep. Tussendoor woonde hij weer kort bij zijn moeder, maar dat was geen succes. “Mijn moeder kan niet voor me zorgen.” Daarna verbleef hij weer in een leefgroep. Tegenwoordig heeft hij weer bijna dagelijks contact met haar. Zijn vader is al heel lang uit beeld. Sinds kort woont Johnny zelfstandig.

Minder dan de helft van de jongens woont nog of weer bij beide ouders (7; 16%) of bij hun moeder (12; 27%). Sommige jongens wonen zelfstandig of met hun partner (7, 16%). De meeste anderen wonen op kamers, delen een etage of appartement, of wonen in bij vrienden of familieleden. Enkele jongens hebben onderdak in een (illegaal) bordeel, bij een klant (sugar daddy), een goedkoop hotel, of wonen ‘overal en nergens’.

Paolo (15 jaar) woont nog bij beide ouders; zijn vader werkt in de bouw en zijn moeder is schoonmaakster. Ook Wout (20 jaar) is door beide ouders opgevoed, maar hij werd op 15-jarige leeftijd in een internaat geplaatst. Daarna woonde hij kort op zichzelf. Sindsdien woont hij in bij klanten (sugar daddies), ten tijde van het interview ruim twee maanden bij dezelfde man. Stephen (19 jaar) is sinds een half jaar in Nederland. Toen hij 14 jaar was, vertrok zijn moeder en liet haar zoon achter in de woning; vader was al veel eerder weggegaan. Hij woonde een tijdje met zijn broer en een oom. In Nederland heeft hij ingewoond bij een personeelslid van de club waar hij werkt. Nu trekt hij van het ene naar het andere adres; soms is dat een goedkoop hotelletje, de andere keer bij een ‘collega’, of iemand die hij in het uitgaansleven heeft ontmoet.

5.3 Conclusie
Het is niet mogelijk om een valide schatting te maken van het aantal jongensprostitués in Nederland, ook niet binnen regio’s. Duidelijk is wel dat de bewering dat de helft of meer van de jongensprostitués minderjarig zou zijn geen stand kan houden. Aannemelijk is zelfs dat de meerderheid 21 jaar of ouder is.
Uit de interviews met 44 geïnterviewde jongensprostitués – in de leeftijd 15-21 jaar en allemaal voor hun 18e jaar begonnen met seks tegen vergoeding – blijkt een grote variatie in achtergrondkenmerken. Een forse minderheid heeft na het basisonderwijs geen enkel schooldiploma behaald en gaat ook niet meer naar school, maar er zijn ook jongens die nu een hbo-opleiding volgen. Variatie is er ook in sociaaleconomische achtergrond, opvoeding, woon- en werksituatie en etniciteit. Ondanks de extra inspanningen om jonge Marokkaanse jongensprostitués te vinden (zie hoofdstuk 4), zijn maar weinig van zulke jongens aangetroffen. De veronderstelling dat Marokkaanse jongens oververtegenwoordigd zouden zijn in de jongensprostitutie kunnen we dus niet bevestigen, in elk geval niet voor de leeftijd tot en met 21 jaar.

Noot
xxiii. Zie hoofdstuk 3 voor een toelichting.

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.




Verborgen werelden ~ Eerste sekservaringen en seksuele oriëntatie

darklondonalleyNaarmate zij ouder worden, neemt de ervaring van jongeren met seks snel toe, zo blijkt uit onderzoek “Seks onder je 25e” van de Rutgers Nisso Groep (De Graaf et al., 2005). Dat geldt zowel voor jongens als voor meisjes. Zo heeft bijna de helft van de 12-jarige jongens ervaring met tongzoenen; op hun 18e is dat al ruim 90% en op hun 21e nog iets hoger. En terwijl maar een paar procent van de jongens van twaalf jaar al wel eens geslachtsgemeenschap heeft gehad, ligt dat voor jongens van 18 jaar al op 70% en bij 21-jarigen op bijna 90%. Anale seks komt veel minder vaak voor, maar ook hierbij groeit de ervaring op weg naar volwassenwording: van helemaal niet bij jongens van 12 jaar, via 11% bij 18-jarigen naar 23% bij 21-jarigen.

Hoe zit dit bij de geïnterviewde jongens? Met welke vormen van seks hebben zij ervaring en op welke leeftijd zijn ze ermee begonnen? Was dat met iemand van hetzelfde of het andere geslacht en hoe oud was die ander? En wat is de seksuele oriëntatie van de jongens: voelen zij zich hetero-, bi- of homoseksueel?

6.1 Eerste seks
De geïnterviewde jongens hebben ervaring met een scala aan seksuele gedragingen, van tongzoenen, via manuele seks tot aan geslachtgemeenschap en anale seks. Het lijkt erop dat zij er gemiddeld wat eerder mee beginnen dan hun leeftijdsgenoten (figuur 6.1).[xxiv] Driekwart van de geïnterviewde jongens (34 van de 44) heeft ooit anale seks gehad. Dat is veel vaker dan jongens van vergelijkbare leeftijd in “Seks onder je 25e“. Het percentage ligt ook iets hoger dan bij de nog iets oudere homo- en biseksuele jongens in dat onderzoek.[xxv] Let wel: deze eerste ervaringen waren soms tegen vergoeding (hoofdstuk 7) en/of niet altijd vrijwillig (hoofdstuk 11). Ook vonden ze niet altijd plaats in Nederland, want een deel van de jongens verblijft hier nog niet zo lang.

Figuur 6.1 Eerste seksuele ervaringen

Figuur 6.1 Eerste seksuele ervaringen

De meeste geïnterviewde jongens hadden hun eerste sekservaringen met meisjes, vaak met een meisje dat zij van school of uit de buurt kenden. Veelal was de persoon met wie de jongens voor het eerst echt zoenden – hun eerste ‘verkering’ – ook degene met wie zij voelden en streelden, naakt vrijden, etc.

Toen ik 13 jaar was had ik een vriendinnetje van 15 jaar dat bij mij in de buurt woonde. Daar vrijde ik voor het eerst mee. Het begon met voelen en strelen. Later ook tongzoenen, naakt vrijen en masturberen. De rest kwam een paar jaar later. Op mijn 16e deed ik voor het eerst aan orale seks. Dat was met een man van 25 waarmee ik op internet in contact was gekomen. Met hem had ik ook mijn eerste anale seks.” (Jacek, 18 jaar)

Over het geheel genomen was de persoon waarmee de jongens hun eerste sekservaring hadden enkele jaren ouder dan zijzelf. Dit leeftijdsverschil is, met gemiddeld ruim vijf jaar, het grootst bij anale seks. Nu is het zo dat het leeftijdsverschil wordt vertekend doordat een deel van de jongens hun eerste seks hadden met iemand die beduidend ouder was dan zijzelf. Een extreem voorbeeld is een jongen die op 17-jarige leeftijd in een gay sauna zijn eerste anale seks had, met een man die twee keer zo oud was als hijzelf.

Ik val op mannen die ouder zijn dan ik. Mijn eerste seks had ik met een man van 30 jaar. Ik was 16 en via internet hadden we afgesproken in het bos. We voelden en streelden, tongzoenden, masturbeerden samen en we pijpten elkaar. Enkele maanden later nam een neef me mee naar Amsterdam om me de gay sauna te laten zien. Daar vrijde ik voor het eerst naakt met een man van boven de 25, zijn precieze leeftijd weet ik niet. In de gay sauna voelde ik me veilig, want je was er anoniem. Op m’n 17e had ik daar voor het eerst anale seks. Die man was ongeveer 35 jaar.” (Ismaël, 19 jaar)

Tabel 6.2 Eerste seksuele ervaringen

Tabel 6.2 Eerste seksuele ervaringen

Zoals gezegd hadden de meeste jongens hun eerste sekservaring met een meisje. Vaak betrof dit tongzoenen. En dit kon doorgaan tot en met geslachtgemeenschap. Opvallend is echter dat vrij veel van de jongens die zeggen wel eens geslachtsgemeenschap te hebben gehad, daarmee in feite anale seks bedoelen. Van de jongens die geslachtsgemeenschap rapporteren zegt zelfs een kleine meerderheid dat de eerste keer met een jongen of man was.

Ook al was de eerste seks vaak met een meisje, er zijn ook respondenten die vanaf het begin alleen seks met seksegenoten hadden. Zo had Rudie (20 jaar) op 14-jarige leeftijd voor het eerst seks met zijn eerste vriendje. Met dat 15-jarige vriendje bracht hij binnen enkele maanden het hele arsenaal in praktijk, van tongzoenen tot en met anale seks.

6.2 Seksuele oriëntatie
Homoseksualiteit is nog steeds een gevoelig thema, zeker bij jongeren. Uit “Seks onder je 25e” blijkt dat een ruime minderheid (39%) van de jongens het niet goed vinden als twee jongens met elkaar vrijen; een kleine meerderheid vindt het zelfs vies (55%). Het is dan ook niet verwonderlijk dat jongeren die op de eigen sekse vallen er vaak moeite mee hebben om dit van zichzelf te erkennen en naar anderen toe te geven. Ongetwijfeld speelt hier ook mee dat je dit aan het begin van de puberteit nog niet zo zeker weet. In het genoemde onderzoek stijgt het aandeel jongens dat zegt ook of uitsluitend op jongens te vallen van niemand onder de 12-14 jarige jongens naar ruim 4% onder de jongens tussen 21 en 24 jaar. Tegelijkertijd daalt het percentage jongens dat het (nog) niet weet van iets meer dan 3% naar minder dan 1%.

Hoe zit dit bij de geïnterviewde jongens? Een kleine meerderheid beschouwt zichzelf als homo (26; 59%), een derde als biseksueel (13; 30%) en enkelen zien zichzelf als heteroseksueel (5; 11%). Sommige van de homojongens voldoen aan het klassieke, stereotiepe beeld van de feminiene nicht, anderen lopen juist te pronken met hun gespierde, mannelijke sportschoollijf. Eén van de zich biseksueel noemende jongens (Kishan, 16 jaar) kiest voor deze optie omdat hij later wel kinderen wil hebben. En Necdet (20 jaar) zegt weliswaar niet op mannen te vallen, maar vindt het ‘wel leuk’ om naar pornofilms te kijken waarin jongens/mannen seks met elkaar hebben. Daarentegen beschouwt een andere jongen zich in het interview, als hij moet kiezen, wel als homo, ook al twijfelt hij nog.

Diep van binnen voel ik mij homo. Maar helemaal zeker ben ik er nog niet van. Ik ga veel uit in homotenten, heb seks met jongens en ook met mannen die mij gratis drankjes geven of voor cash. Maar ik laat me ook betalen voor seks met oudere vrouwen.” (Benny, 17 jaar)

Het zichzelf biseksueel noemen is bij (een deel van) de geïnterviewde jongens mogelijk een fase op weg naar acceptatie van zichzelf als homoseksueel (vergelijk: De Graaf et al., 2005). Zowel de biseksuele als de homoseksuele jongens hebben bijna allemaal ervaring met anale seks met een jongen of man.[xxvi] Het valt echter op dat degenen die zichzelf biseksueel noemen meestal geen vaste relatie hebben, terwijl bijna de helft van de jongens die zichzelf homoseksueel noemen wel een relatie heeft – en zonder uitzondering met een mannelijke partner.[xxvii]

6.3 Conclusie
De geïnterviewde jongens doen over het algemeen aan het begin van de puberteit hun eerste ervaringen met seks op. Meestal hebben zij hun eerste seks met een meisje, hoewel er ook respondenten zijn die uitsluitend gelijkgeslachtelijke seks hebben gehad. De gemiddelde leeftijd ten tijde van de eerste seks lijkt wat lager te liggen dan bij hun leeftijdsgenoten, maar dit wordt mede verklaard doordat sommige jongens al vroeg onvrijwillig seks hebben met een volwassene (zie hoofdstuk 11). Daarnaast hebben de respondenten veel vaker wel eens anale seks gehad – en ook wat vaker in vergelijking met homo- en biseksuele jongens van hun leeftijd. Verder valt op dat zij over het geheel genomen hun eerste seksuele ervaringen opdoen met personen die enkele jaren ouder zijn dan zijzelf; ook dit wordt deels verklaard doordat sommige jongens hun eerste ervaringen opdoen in onvrijwillige seks met volwassenen. Hoewel een kleine meerderheid zichzelf als homoseksueel betitelt, zijn er ook respondenten die zeggen dat zij biseksueel of heteroseksueel zijn. Mogelijk ontkent een deel van hen hun werkelijke seksuele geaardheid.

Noten
xxiv. Ter vergelijking nemen we de cijfers over jongens van 19 jaar: de gemiddelde leeftijd van de geïnterviewde jongensprostitués.
xxv. Daar betreft het 70% van de 19-24 jarige homo- of bi-jongens in de leeftijd 19-24 jaar. (Er zijn geen separate gegevens over de 19-jarige jongens in deze groep).
xxvi. Van de 26 homoseksuele jongens hebben er 23 wel eens anale seks gehad met een jongen/man; bij de biseksuele jongens zijn dat er 10 van de 13; en bij de heteroseksuele jongens 1 van de 5.
xxvii. Van de 26 homoseksuele jongens hebben er 11 een – mannelijke – partner. Van de 13 biseksuele jongens heeft er één een relatie met een mannelijke en één met een vrouwelijke partner. Van de vijf heteroseksuele jongens hebben er vier een relatie met een – vrouwelijke – partner.

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.




Verborgen werelden ~ Entree in de jongensprostitutie

darklondonalleyEr zijn jongens die al vroeg voor het eerst betaalde seks hebben, terwijl anderen er pas als volwassene mee beginnen. Jongens die op 18-jarige leeftijd of later hun eerste seks tegen vergoeding hadden vielen echter buiten de doelgroep van ons onderzoek. We kwamen ze wel tegen, ze verschaften soms zinvolle informatie en sommigen brachten ons ook in contact met jongens die wel voor hun 18e begonnen waren. Op welke leeftijd hadden de geïnterviewde jongens uit de doelgroep voor het eerst seks tegen vergoeding? En gingen ze er meteen mee door of zat er juist een flinke periode tussen de eerste en de tweede keer? Wat voor seks hadden ze toen en met wie? Deden zij het voor het geld of tegen andere vergoedingen?

7.1 Eerste en tweede keer seks tegen vergoeding
De leeftijd waarop de geïnterviewde jongens voor het eerst seks tegen vergoeding hadden, varieert van 9 tot en met 17 jaar. De helft was toen 17 jaar – de maximale leeftijd om binnen de doelgroep te vallen. De rest was jonger. Vier jongens hadden hun eerste seks tegen vergoeding voor of aan het begin van hun puberteit (9-12 jaar), één was toen 14 jaar, zeven waren 15 jaar en tien waren 16 jaar.

Jürgen (21 jaar) was pas 9 jaar toen hij voor het eerst seks tegen vergoeding had, met een 34-jarige pedoseksuele man. “Dat was met een sportleraar. Ik kreeg vanaf mijn 7e jaar les van hem. In het begin gebeurde er niets. Ik was zeven toen ik voor het eerst bij hem over de vloer kwam. Ik was heel goed in … [sport], zag hem als mijn beste maatje en ik won veel wedstrijden. Als ik vaker wilde komen, moest ik dingen doen, zei hij toen ik 9 was. Ik kreeg gratis privéles, bleef bij hem slapen, ging met hem op vakantie en kreeg ook geld. Ik was zijn oogappeltje en hij zei dat hij me niets wilde aandoen, hij wilde geen anale seks. Later hoorde ik dat andere jongens ook bij hem thuis kwamen. We waren allemaal naïef.

Soms volgde snel de tweede keer, maar het kon ook wel een jaar of langer duren voordat zij opnieuw seks tegen vergoeding hadden. De jongens hadden een gemiddelde leeftijd van (afgerond) 16 jaar bij de eerste keer en 17 jaar bij de tweede keer, met een tussenperiode van gemiddeld zo’n driekwart jaar.

Ewald (21 jaar) had voor het eerst seks tegen vergoeding toen hij 17 jaar was en het duurde bijna drie jaar voor hij het voor de tweede keer deed. “Op een schuimparty ontmoette ik een vriend van een vriend van mij. Hij was een jaar of 18. Hij betaalde al mijn drankjes, ik mocht bij hem slapen en daar hadden we seks. Pas toen ik 20 was deed ik dat voor de tweede keer. Ik ging uit en werd versierd door een man van rond de 30 jaar. Ook weer gratis drankjes en in ruil daarvoor ging ik met hem mee naar huis en hadden we seks. Sindsdien doe ik dat vaker. Ik stop er pas mee als ik een relatie heb.”

7.2 Contactlegging: hoe, waar en met wie
Bij ongeveer een op de drie jongens kwam de eerste seks tegen vergoeding tot stand met iemand die zij ontmoetten tijdens het uitgaan (13; 30%). Bij bijna evenveel jongens was het met iemand die zij via internet, chatten of msn hadden leren kennen (12; 27%).

Ismaël (19 jaar) legde zijn eerste contacten in het uitgaansleven. Op zijn 17e jaar begon hij met seks in ruil voor een slaapplek. “Dan was ik uit geweest en probeerde ik iemand te leren kennen, desnoods een lelijk iemand, zodat ik maar ergens kon slapen. Later ging ik geld vragen.”

“De eerste keer was ik 16 jaar. Het was met een Nederlandse man, homo van 57 jaar, die vroeger getrouwd is geweest. Ik had hem in een strandtent leren kennen. Hij heeft me de kneepjes van het vak geleerd, op een doortrapte en geraffineerde manier. Ik was naïef. Ik dacht eerst dat het iemand was die me wilde helpen. Ik heb natuurlijk zelf de keuze gehad en gedaan, maar achteraf kan ik zeggen dat hem tegenkomen het begin van een hoofdstuk ellende was met een hoofdletter E. Toen hij op me uitgekeken was, heeft ‘ie me het huis uitgezet. De klootzak. Hij plaatste advertenties, en zo kwam hij weer aan nieuwe jongens. Later sprak ik jonge jongens die ook met hem in zee waren gegaan.” (Robbert, 20 jaar)

“Ik was 17. Op een homosite kwam ik in contact met een man van 32 jaar en die wilde mij heel graag pijpen. Hij moedigde mij aan, ik vond het wel spannend en ik werd er voor betaald.” (Farid, 18 jaar)

Vervolgens komen mannen uit hun (sociale) omgeving, zoals een buurman, kennis/vriend of sportleraar of via vrienden (6; 14%). Bij vier jongens was het iemand die zij hadden leren kennen in de prostitutiesector (seksclub, escort, bordeel; steeds illegale locaties en/of in het buitenland). Ten slotte zijn er enkele jongens die hun eerste betaalde seks hadden met iemand die zij ontmoetten in het pornocircuit, met een pooier of ‘fotograaf’, via een videotheek, op straat of in een park.

“Ik was 15 jaar en stond in het park, bij … [cruiseplek]. Ik ging ’s kijken, uit nieuwsgierigheid. Ik hoorde van vrienden dat ze daar… ik wou een beetje kijken hoe het was in die wereld. Toen was er een man van 25, 26 jaar die tegen me begon te praten. Ik hoefde alleen aan zijn pik te zitten en toen kwam hij al klaar… Dat heb je vaak, van die dingen.” (Rowdy, 17 jaar)

Bij degenen met wie de jongens hun eerste seks tegen vergoeding hadden, was er een enorme spreiding in leeftijd. Soms was het iemand die slechts een paar jaar ouder was dan zijzelf, maar bij enkele andere jongens waren het mannen van in de vijftig of zelfs zestig. Daartussenin was er de hele range van twintigers, dertigers en veertigers. Twee van de (indertijd hele jonge) jongens hadden seks met leeftijdsgenoten en daar werden dan video-opnames van gemaakt.

David (21 jaar) leerde op 17-jarige leeftijd een goede vriend van zijn ex kennen in het uitgaansleven. “Het kwam van beide kanten. Hij was 19 jaar en betaalde al mijn drankjes, en voor seks mocht ik bij hem blijven slapen en gingen we op zijn kosten uit eten.”

De eerste keer vond ik het heel eng. Ik was 17 jaar en hij was een oude, blanke man van bijna vijftig. Ik woonde toen net in Amsterdam. Ik kreeg geen stijve en dan moet je goed kunnen praten. Ik zei dat hij de eerste was enzo. Ik heb hem gepijpt en afgetrokken en toen ben ik gegaan. Hij had een heel vies huis. Maar het was mijn eigen keuze en ik kreeg er 200 euro voor. De tweede keer was twee dagen later en die man zag er wel oké uit, het was een Amerikaanse toerist. Ik heb hem gepijpt en geneukt. Hij heeft mij afgetrokken.” (Jerrell, 20 jaar)

Vanaf zijn tiende jaar kwam Bruno (18 jaar) regelmatig over de vloer bij een man uit de buurt. Daar kwamen ook andere jongens van zijn leeftijd.

De buurman maakte video’s van ons. Dan moesten we elkaar aflikken en sommige jongens hadden ook anale seks met elkaar. Hij trok mij ook wel eens af.  Soms kwamen andere mannen kijken als we seks hadden. Wij vonden het heel stoer en mijn ouders vonden het ook oké. Later is die man gearresteerd en toen was het afgelopen. Eigenlijk wel jammer, want hij heeft ons veel geld gegeven.

Tabel 7.1 Soort vergoeding bij eerste keer

Tabel 7.1 Soort vergoeding bij eerste keer

7.3 Welke vergoeding
Twee op de drie geïnterviewde jongens kregen de eerste keer geld, al dan niet in combinatie met gratis eten en/of drinken en soms ook drugs.

Antonio (19 jaar) had zijn eerste betaalde seks hij toen hij 17 jaar was. “Het was met een oudere man van ongeveer 35 jaar. Een scharrel die ik in het uitgaansleven had leren kennen. Hij nam het initiatief en in ruil voor cocaïne hadden we seks. We zoenden, masturbeerden en pijpten.”

De helft kreeg (ook) gratis te drinken. Vaak was de eerste keer in ruil voor eten/drinken en een slaapplek, overigens niet persé omdat de jongen geen thuis had. Maar er zijn ook jongens die werden ‘opgevangen’ door een man en daar dan bleven slapen tegen kost en inwoning, in ruil voor seks.

Op mijn 17e kwam ik via internet in contact met een man van 36. Ik ging naar zijn huis en ik pijpte hem. Het initiatief kwam van mij, ik had geld nodig, want ik was net weggegaan bij mijn ouders. De tweede keer was met een andere man en daar mocht ik gelukkig ook blijven slapen” (Saïd, 18 jaar).

Waar de ene jongen zich gemakkelijk in liet palmen en blij was een dak boven zijn hoofd te hebben, ontdekten anderen de eerste keer snel hoe gewild zij kunnen zijn vanwege hun leeftijd en dat zij daar goed geld mee kunnen verdienen.

7.4 Conclusie
De entree in de jongensprostitutie verschilt per persoon. Het enige dat de jongens in dit onderzoek overeenkomstig hebben, is dat zij allemaal voor hun 18e zijn begonnen met seks tegen vergoeding
(selectiecriterium). Een enkeling begon al op zeer jonge leeftijd (9-12 jaar), maar over het algemeen hadden de respondenten rond hun 16e hun eerste betaalde seks. Tussen de eerste en de tweede keer lag gemiddeld ongeveer driekwart jaar. Ongeveer de helft van de jongens kende de eerste ‘klant’ van het uitgaan of via internet. De leeftijd van de mannen liep sterk uiteen: van leeftijdsgenoten tot zestigers. Vaak kregen de jongens eten en drinken of een slaapplek in ruil voor de seks; twee-derde kreeg (ook) geld.

LITERATUUR
Allen D.M. (1980) Young Male Prostitutes: A Psychosocial Study. Archives of Sexual Behavior 9(5): 399-426.
Bijleveld C. & Hendriks J. (2007) Gezin en seksueel misbruik. Overdracht van daderschap en slachtofferschap van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Criminologie 49(2):123-136.
Bovenkerk F, Komen M. & Yeşilgöz Y. (eds.) (2003) Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Buijs L., Hekma G. & Duyvendak J.W. (2009) Als ze maar van me afblijven. Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Cusick L. (2002) Youth Prostitution: A Literature Review. Child Abuse Review 11(4): 230-251.
Daalder A. & Essers A. (2003) Seksuele delicten in Nederland. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):354-368.
Diepenmaat A.C.M., Wal M.F. van der, Cuijpers P. & Hirasing R.A. (2006) Etnische verschillen in ongewenste ervaringen bij Nederlandse adolescenten. TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 83 (3): 51.
Donker A., Kleemans E., Laan P. van der & Nieuwbeerta, P. (2004) Ontwikkelings- en levensloop-criminologie in vogelvlucht. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):322-329.
Edwards J.M., Iritani B.J. & Hallfors D.D. (2006) Prevalence and correlates of exchanging sex for drugs or money among adolescents in the United States. Sexually transmitted infections 82(5): 354-358.
Gelder P. van (1998) Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk. Jongens in de prostitutie: een verschijnsel in meervoud. Amsterdam: Thela Thesis.
Gemert F. van (1991) Noord-Afrikaanse en Turkse homomoordenaars. Justitiële Verkenningen 17(1): 87-106).
GGZ (2006) Cliënten in de ggz 2006. Amersfoort: GGZ Nederland.
Graaf H. de, Meijer S., Poelman J. & Vanwesenbeeck I. (2005) Seks onder je 25e. Utrecht: Rutgers Nisso Groep / Soa Aids Nederland.
Graaf H. de, Höing M., Zaagsma M. & Vanwesenbeeck I. (2007) Tienerseks: vormen van instrumentele seks onder tieners. Utrecht: Rutgers Nisso groep, WODC.
Gurp L. van & Timman S. (eds.) (1998) Kinderporno en kinderprostitutie in Nederland, de stand van zaken. Utrecht: Child Right Worldwide en TransAct.
Hendriks J. (2006) Jeugdige zedendelinquenten: een studie naar subtypen en recidive. Utrecht: Forum Educatief.
Horn J.E. van, Bullens R.A.R., Doreleijers T.A.H. & Jäger M. (2001) Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens, een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora en Vrije Universiteit.
IJzendoorn M.H. van, Prinzie P., Euser E.M., Groeneveld M.G., Brilleslijper-Kater S.N., Noort-van der Linden A.M.T. van, Bakermans-Kranenburg M.J., Juffer F., Mesman J., Klein Velder-man M. & San Martin Beuk M. (2007) Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden, Leiden Attachment Research Program, WODC.
Jong D. J. de (2007) Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 159H (Motie van het lid Arib c.s.).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 163 (Verslag van een algemeen overleg).
Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel, 1053 (vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden).
Kleijer-Kool L. (2006) Marokkaanse ontkennende verdachten in het kinderstrafproces. Proces (3): 97-105.
Kooistra O. (2006) Jongens huilen niet, seksueel geweld tegen allochtone jongens. Amsterdam: Amsterdams Centrum Buitenlanders.
Korf D.J. (1995) Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers.
Korf D.J., Nabben T. & Schreuders M. (1996) Roemeense trekvogels: nieuwkomers in de jongensprostitutie. Amsterdam: Thela-Thesis.
Korf D.J., Deben L., Diemel S., Rensen P. & Riper H. (1999). Een sleutel voor de toekomst. Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Korf D.J., Ginkel P. van & Wouters M. (2004). Je ziet het ze niet aan. Zwerfjongeren in Flevoland. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Korf D.J., Vliet E. van, Knotter J. & Wouters, M. (2005) Tippelen na de zone. Straatprostitutie en verborgen prostitutie in Amsterdam. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lamers-Winkelman F., Slot N.W., Bijl B. & Vijlbrief A.C. (2006) Scholieren Over Mishandeling, resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam: Vrije Universiteit en PI Research.
Lampe A. (2002) The prevalence of childhood sexual abuse, physical abuse and emotional neglect in Europe. Zeitschrift fur psychosomatische medizin und psychotherapie 48: 370-380.
Leuw E., Bijleveld C. & Daalder A. (2003) Seksuele delinquenten. Tijdschrift voor Criminologie 45(4):330-337.
Leuw E, Bijl E.V. & Daalder A. (2004) Pedoseksuele delinquentie. Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en strafrechtelijke interventies. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Loeber R. & Farrington D.P. (2004) Verschillende oorzaken van delinquentie tussen etnische en nationale groepen. Tijdschrift voor Criminologie 46(4):330-346.
McMullen R. (1987) Youth prostitution: a balance of power. Journal of Adolescence 10: 35–43.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2005) Antenne 2004. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nabben T., Benschop A. & Korf D.J. (2007) Antenne 2006. Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Nadon S.M, Koverola C. & Schludermann E.H. (1998) Antecedents to Prostitution, Childhood Victimization. Journal of Interpersonal Violence 13(2): 206-221.
Pedersen W. & Hegna K. (2003) Children and adolescents who sell sex: a community study. Social Science & Medicine 56(1): 135-147.
Poel S. van der (1991) In de Bisnis: professionele jongensprostitutie in Amsterdam. Arnhem: Gouda Quint.
Qrius (2005) Jongeren 2005. Het speelveld verandert. Amsterdam: Qrius.
Repetur L., Meinster N., De Kinderen M. & Schakenraad M. (eds.) (2005) Naar een effectieve en samenhangende aanpak van jeugdprostitutie. Utrecht: Transact, Informatiepunt Jeugdprostitutie.
Seng M.J (1989) Child Sexual Abuse and Adolescent Prostitution: A Comparative Analysis. Adolescence 24(95): 665-675.
Silbert M.H. & Pines A.M. (1983) Early Sexual Exploitation as an Influence in Prostitution. Social Work 28(4): 285-289.
Svedin C.G. & Priebe G. (2007) Selling sex in a population-based study of high school seniors in Sweden: Demographic and psychosocial correlates. Archives of sexual behaviour 36(1): 21-32.
Transact (2005) Factsheet jongensprostitutie: feiten en cijfers. Utrecht: TransAct
Weijnen F. (2006) De schaduw bedreigd, een explorerend onderzoek naar de effecten van toezicht op mannelijke prostitués in Amsterdam. Enschede: Universiteit van Twente.
Widom C.S & Ames M.A. (1994) Criminal Consequences of Childhood Sexual Victimization. Child Abu-se and Neglect 18: 303-318.
Wijk A.Ph. van (2005) Juvenile sex offenders and non-sex offenders: a comparative study. Wageningen: Ponsen & Looien.
Wittebrood K. (2004) Van delictmelding tot officiële aangifte: sprake van sociale ongelijkheid? Tijdschrift voor Criminologie 46(1): 56-71.
Wittebrood K. (2006) Slachtoffers van criminaliteit: feiten en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.