John O’Mill en de macaronische traditie


Er is een tijd geweest, lang vóór de Ryam- en de Beyoncé-agenda de klassen vrolijk kleurden, dat de agenda voor het nieuwe schooljaar door de school zelf werd verstrekt. Andere modellen waren uit den boze. Het waren dan ook saaie, grijzige notitieboekjes, zonder opsmuk.

De enige frivoliteit die de ontwerpers zich veroorloofden, waren korte, lichtvoetige versjes, gewoonlijk rechtsonder op de zaterdag. Populair waren bijvoorbeeld C. Buddingh’, Daan Zonderland en Kees Stip; volwassenen kunnen dankzij die saaie agenda’s vaak nog klassieke regels uit het hoofd reciteren als

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan

van Buddingh’, of

Er zijn hier heel wat maden bij
die made zijn in Germanij

van Kees Stip, in de gedaante van Trijntje Fop.

Favoriet waren de rijmpjes van John O’Mill, het pseudoniem van de Brabantse docent Engels Jan van der Meulen (1915-2005). Ze waren grappig, eenvoudig te onthouden en dus altijd makkelijk te citeren. Een voorbeeld:

Rot young
A terrible infant, called Peter
sprinkled his bed with a gheter.
His father got woost,
took hold of a cnoost
and gave him a pack on his meter.

Of

Drents adrift
A hot headed Drent in Ter Apel
who always ran too hard from staple
forsplintered his plate
when the waitress was late
and gave her a lell with the laple.

Ze verschenen, behalve in die sombere agenda’s, in kleine boekjes met olijke titels als Lyrical Laria of Rollicky Rhymes, Bonny Ballads, an O’Mill medley of Verse & Worse, Curious Couplets, in Waals en Koeterwaals of – de mooiste – Popsy Poems. Pre-Popsylated Poetry. Rispe Rijmen in Dutch and double Dutch.
(Korte taalles: double Dutch is Engels voor “onzin uitkramen”. Risp komt niet voor in het Nederlands en lijkt vooral door de dichter gekozen vanwege de mooie alliteratie met “rijmen”.

Pre-Popsylated wordt in een inleiding door de dichter zelf als volgt toegelicht: “All the verse in this bundle has been carefully and critically pre-popsylated by the author himself, so that any resemblance to art or poetry is purely accidental”. Het zal geen verbazing wekken, dat popsylated niet in de Engelse woordenschat voorkomt. Met wat goede wil kan nog gedacht worden aan een woordspeling met preposterous, volgens het woordenboek te vertalen met “ongerijmd”.)

Read more

Bookmark and Share

Minouche Shafik – Samen – Een nieuw sociaal contract voor de 21e eeuw


Minouche Shafik – Ills.: Joseph Sassoon Semah

‘Wij hebben een nieuw sociaal contract nodig dat beter in elkaar zit, dat zekerheid en kansen biedt voor iedereen. Een sociaal contract dat minder gaat over ‘mij’ en meer over ‘wij’, dat onze onderlinge afhankelijkheid onderkent en daar tot ons wederzijds profijt gebruik van maakt.’

Het huidige sociale contract staat onder druk. Het is het moment om tot een eerlijker sociaal contract te komen, het lijkt alsof we het huidige neoliberalisme in bepaalde mate achter ons willen laten, aldus Minouche Shafik. Ons sociaal contract is bezweken onder de druk van technologische en demografische veranderingen. Ze hebben onze wereld ingrijpend getransformeerd, met gevolgen voor inkomensverschillen, gendergelijkheid, onderwijs, gezondheidszorg en werk. We leven steeds vaker in een je-staat-er-alleen voor samenleving, hetgeen niet alleen onrechtvaardig is, maar ook veel minder efficiënt en productief dan wanneer de risico’s worden gespreid over de hele samenleving.

Minouche Shafik neemt ons mee door de stadia van het leven- opvoeden van kinderen, volgen van onderwijs, ziek worden, oud worden- en maakt duidelijk hoe we onze samenleving in elk stadium en op elk niveau kunnen herordenen.
Ze pleit voor zekerheid voor iedereen middels een gegarandeerd minimuminkomen, recht op onderwijs, basisgezondheidszorg en bescherming tegen armoede tijdens de ouderdom.
Ze pleit voor een maximaal investeren in capaciteiten zodat de productiviteit wordt verhoogd, onder andere met hulp van digitale techniek in bijvoorbeeld de gezondheidszorg.
Er is ook veel ongebruikt talent van opgeleide vrouwen, minderheden en kinderen uit arme gezinnen. En ze pleit voor een eerlijke en efficiënte spreiding van risico’s. In het toekomstige sociaal contract zal toenemende flexibiliteit in arbeidskrachten gecombineerd moeten worden met meer zekerheid. Jonge mensen moeten worden erkend in een sociaal contract tussen de generaties, zij die nu leven moeten iets doen aan de erfenis van milieuschade (we hebben een veel te grote aanslag op het milieu gepleegd) en staatsschulden.
Iedereen moet zo lang mogelijk een bijdrage leveren aan de samenleving en burgers zullen ook meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun gezondheid.

Ze stelt zichzelf de vraag hoe we nieuw sociaal contract moeten financieren in een richting die haalbaar is. Betekent een nieuw sociaal contract een enorme toename van de overheidsuitgaven en een sterke verhoging van de belastingen om een gesubsidieerde kinderopvang, voorschoolse educatie en permanente scholing, toegankelijke gezondheidszorg en een staatspensioen mogelijk te maken? Shafik ziet een deel van deze uitgaven als investering, die in de toekomst hogere belastinginkomsten zullen genereren, maar ook het milieu zullen verbeteren. Dat biedt de mogelijkheid kapitaal te lenen. Een aantal posten keren echter steeds terug, zoals pensioenen en een deel van de gezondheidszorg. Deze kosten moeten daarom worden gefinancierd uit belastingheffing, tenminste in de hoogontwikkelde landen.
Om de klimaatverandering af te remmen moeten we Co2-belasting heffen.

Een nieuw sociaal contract vraagt ook een andere rol van overheid en bedrijfsleven. Het bedrijfsleven zou zich moeten richten op meer winnaars door te investeren in onderwijs en vaardigheden, door achtergebleven regio’s te voorzien van een betere infrastructuur en door innovatie en productiviteit te bevorderen. De overheid zal verantwoordelijk moeten zijn voor een minimaal stelsel van voorzieningen, die iedereen beschermen tegen grote tegenslagen en die worden betaald uit de belastingen, aldus Shafik. De belastingdruk moet verschuiven zodat een gelijker speelveld ontstaat tussen kapitaal en arbeid. Er moet worden opgetreden tegen het ontwijken van vennootschapsbelasting.

De ontwikkeling van het sociaal contract is in de meeste landen afhankelijk van de structuur van het politieke bestel, de effectiviteit van de controlerende mechanismen, de opkomst van politieke coalities en de kansen die voortkomen uit crises, zoals nu de coronacrisis, waarbij vooral de meest kwetsbaren lijden onder de pandemie en het heeft laten zien wat de zwakke plekken zijn van de gezondheidszorg en ouderenzorg. Landen met een presidentieel en meerderheidsstelsel en autoritaire regimes kennen meestal een kleiner overheidsapparaat en een minder genereus sociaal contract. Er zijn minder prikkels om rekening te houden met minderheden. Landen met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en die inclusiever zijn bieden de beste kansen voor een goed functionerend sociaal contract.

De coalitie voor een nieuw sociaal contract is in potentie groot en divers. Jonge mensen zijn gemobiliseerd door middel van acties voor een beter milieu en de mogelijkheden van een levenslang onderwijstegoed, als compensatie voor wat ze zijn kwijtgeraakt. Mensen zonder vast contract zullen vaker om zekerheid, opleidingen en omscholingsmogelijkheden gaan vragen. Het belang van een toegankelijke gezondheidszorg, het aanmoedigen van preventiemaatregelen zijn aangetoond in de pandemie.

In Samen draagt Minouche Shafik de bouwstenen aan voor een nieuw sociaal contract, waarin meer onze onderlinge afhankelijkheden wordt onderkend, meer in mensen wordt geïnvesteerd, maar ook meer van individuen wordt verwacht.

Minouche Shafik – Samen. Een nieuw sociaal contract voor de 21 e eeuw. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2021. ISBN: 9789046826799

Minouche Shafik is directeur van de London School of Econimics and Political Science. Ze was vicepresident van de Wereldbank en bekleedde hoge posities bij het IMF en de Bank of England.

Zie ook:

Professor Amartya Sen, Lamont University Professor and Professor of Economics and Philosophy, Harvard, deliver a Distinguished Public Lecture on 18 January 2017 in the Sheldonian Theatre: Democracy and Social Decisions
www.ophi.org.uk

Bookmark and Share

Bonnot in beeld – De Autobandieten in fictie


De geschiedenis van de Autobandieten, de groep gewelddadige anarchisten die in 1911 en 1912 Parijs en daarmee Frankrijk in paniek bracht – zie het korte historische overzicht op Rozenberg Quarterly – zorgde voor tientallen studies naar de sensationele gebeurtenissen tijdens de Belle Époque.

Blijkbaar spraken de gebeurtenissen enorm tot de verbeelding want ook in de populaire cultuur is decennia later de erfenis van de Autobandieten terug te vinden.

Het was een middelmatige hit, maar ook een middelmatig nummer: de single La Bande à Bonnot van de Franse chansonnier Joe Dassin, verschenen in het kielzog van de speelfilm La Bande à Bonnot, uitgebracht in 1968. Blijkbaar maakten de Autobandieten toen nog steeds de tongen los, in ieder geval van het ridicule dameskoortje in het nummer van Dassin, die trouwens zelf ook met een misplaatst soort vrolijkheid de daden van de anarchisten bezingt.

De versie die het Franse rockduo Orange Macadam in 2008 (!) van hetzelfde nummer maakte, ligt aanzienlijk beter in het gehoor.

Speelfilm
De speelfilm La Bande à Bonnot uit 1968, geregisseerd door Phillie Fourastié, verdient geen Oscar, zelfs geen vijf sterren, maar acceptabel is de film toch wel. Acteur Bruno Cremèr is te zien als Jules Bonnot (later speelde Cremèr Maigret in de gelijknamige tv-serie uit de jaren negentig), de rol van Raymond Callemin wordt, heel verrassend, gespeeld door Jacques Brel, zijn tweede filmrol ooit. Brel schreef ook de muziek voor de film. Actrice Annie Girardot speelt een van de vrouwen in de groep rond de Autobandieten. Of de film ooit in Nederland is vertoond is niet meer te achterhalen. Wel in België, waar het volledig uitgeschreven filmscenario met dialogen, verscheen in een luxueuze boekenreeks getiteld Filmclub, waarin scenario’s van films werden gepubliceerd: Alexandre le Roi, De bende van Bonnot (uitg. Walter Beckers, Kalmthout-Antwerpen, z.j. waarschijnlijk 1968).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De film geeft een overtuigend sfeerbeeld van het illegalistische milieu van anarchistische activisten rond 1911. Op kleding en haardracht van de acteurs is nog wel iets af te dingen: een tikkeltje te veel jaren-zestig, alsof aansluiting gevonden moest worden met de revolutionaire sfeer in Parijs in de meidagen van 1968.
De acties van de Autobandieten – voor zover te beoordelen – zijn waarheidsgetrouw in beeld gebracht, al is niet gefilmd op de exacte, nog bestaande locaties van de gebeurtenissen.
Bovendien toont de film nogal wat anachronismen. Zo zijn er vuurwapens en bewegwijzering te zien die in 1911 nog niet bestonden en een lied dat door de bandieten wordt gezongen werd pas in 1936 gecomponeerd.

Bioscoopscène
Een gemiste kans is een scène in een bioscoop, waar Bonnot en zijn vrienden een Amerikaanse gangsterfilm bekijken, The Gangsters and the Girl. Weliswaar is deze gebaseerd op de belevenissen van de Autobandieten, maar de film dateert uit 1914. Toen waren de meeste leden van de bende al lang om het leven gekomen of geëxecuteerd.
Authentieker zou zijn geweest wanneer de regisseur de bendeleden in de bioscoop naar een contemporaine film over henzelf had laten kijken. Dat had gekund met de korte speelfilm L’Auto grise uit april 1912, gebaseerd op de overvallen van de Autobandieten. Deze film biedt een nauwkeurige reconstructie van de gebeurtenissen. In mei 1912 maakte regisseur Victorin Jasset een tweede film over hetzelfde onderwerp, Hors la loi. Beide films voegde hij later samen tot Les Bandits en automobile. Jasset gebruikte weliswaar niet de daadwerkelijke locaties voor zijn film, maar benadert wel de werkelijkheid. Zo werd de garage waar Bonnot werd belegerd exact nagebouwd. Op Youtube is de film in zijn geheel te zien.

Romans
Het boek La Bande à Bonnot (1968) van de Franse auteur Bernard Thomas is een gefictionaliseerde versie van de geschiedenis van de Autobandieten. De roman is niet in het Nederlands vertaald, wel in het Duits: Anarchisten, Ein Bericht (1970). Thomas verzon natuurlijk de dialogen, maar de historische lijn houdt hij correct aan. De roman In Ogni Caso Nessum Rimorso (1994) van de Italiaanse schrijver Pino Cacucci, in het Engels vertaald als Without a Glimmer of Remorse (Read and Noir Books, 2006), volgt op vergelijkbare wijze de historie, maar leest een stuk minder makkelijk.
Aan deze twee romans ging lang daarvoor een eerste geromantiseerde versie van het verhaal van de Autobandieten vooraf. De Nederlandse anarchistische propagandist Anton Constandse publiceerde in 1935 De Autobandieten, nog steeds het enige in Nederland gepubliceerde boek over de groep. Het verscheen bij de BOO te Zandvoort, de Bibliotheek voor Ontspanning en Ontwikkeling van anarchistisch uitgever Gerhard Rijnders. De BOO gaf sociale romans uit, populair wetenschappelijke titels en anarchistische teksten.
Dat Constandse voor de romanvorm koos, lag in het verlengde van de opzet van de BOO: goedkope, leesbare boeken voor iedereen. Een roman was voor veel lezers toegankelijker dan een biografie, een beschrijving van arbeidsomstandigheden of en verhandeling over sociale strijd.
Constandse weet de sfeer in het Franse anarchistische milieu goed te schetsen, iets waar zeker degelijk studiewerk aan ten grondslag moet liggen. Ondanks de daden van de Autobandieten, weet hij enige sympathie op te wekken voor een aantal leden van de groep, zoals voor de jonge Carouy, die vogeltjes kocht op de vogelmarkt, om ze vervolgens los te laten. Hij beschrijft glashelder het tragische element in de geschiedenis: in beginsel waren het goeie jongens en met hun ideeën was in oorsprong niets mis, maar overmoed en onbezonnenheid droegen bij tot hun gewelddadige ondergang.[1]

Strips
Een waarheidsgetrouwe weergave van het anarchistische wereldje ontbreekt in de strip La Bande a Bonnot van de Spaanse makers Clavé en Godard, in het Duits verschenen als Viel Blut für teures Geld (Karin Kramer Verlag 1990). De strip is een mooi filmisch verslag van de affaire, het leest als het storyboard voor een film. Auto’s, gebouwen en straatscènes zijn tot in detail perfect getekend, maar de personages blijven afstandelijke, kartonnen figuren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat geldt ook voor het stripverhaal Geen god, geen meester. Een avontuur van de Tijgerbrigades van Harald Kivits (2006). Deze bewerking van een aflevering van de Franse televisieserie Les Brigades du Tigre, is gebaseerd op een door de Franse premier Georges Clemenceau (1841-1929) – bijgenaamd Le Tigre – ingestelde politie-eenheid die recht en orde moest herstellen in het Frankrijk van begin vorige eeuw. In werkelijkheid heeft de Tijgerbrigade van Clemenceau nooit tegenover de Autobandieten gestaan.

Chansons
Het koortje bij Joe Dassin mag dan lekker doorzingen, in de chansons die de Franse kunstenaar, schrijver, trompettist en jazzcriticus Boris Vian (1920-1959) over de Autobandieten schreef, gaat het er een stuk filosofischer en socialer aan toe. Vian zong de chansons op de elpee La Bande à Bonnot niet zelf, maar de nummers werden op muziek gezet door Louis Bessières en verschenen in 1975 op elpee, in een prachtige uitklaphoes met illustraties uit de strip van Clavé en Godard. Voor Vian zijn de Autobandieten niet een stel nietsontziende criminelen, maar hij plaatst hun geschiedenis juist in een sociale context. Zijn boodschap is duidelijk: de maatschappij is de oorzaak van hun acties. Het nummer L’enfant de Bonnot illustreert dat.

Boris Vian: De jeugd van Bonnot

In zijn doodsstrijd beleeft een man zijn verleden,
in de heldere ogen van zijn hond die naast hem sterft,

In 1881, hij was toen vijf jaar, kende hij verdriet om de dood van zijn moeder,
en zijn vader sloeg hem zonder reden keer op keer,
zijn afkeer tegen onrechtvaardigheid werd alleen maar groter,

Zonder de minste tederheid,
zonder de geringste tederheid,
groeide hij op als onkruid dat gewied wordt tussen de stenen,

Zo ging hij door zijn kindertijd,
en vermoedde al dat om zich te verdedigen, zijn blote handen
niet voldoende waren,

Geen enkele onderwijzer begreep hem,
zelfs niet een beetje,
probeerden niet de oorzaken te kennen
waarom hij zo’n ongelukkige indruk maakte,
Men zei al tegen hem: ‘Je moet niet teveel praten…’
‘Het is niet goed dat je hardop zegt wat je denkt,’

De eerste knokpartij,
de buurman die hem verlinkt,
de smerige fabriek en het afgestompende werk,
De tijd van woede,
Toen soldaten schoten op een menigte die betoogde
op een eerste mei,

Wat voorafgaat is niet genoeg om hem te excuseren,
maar men vindt toch een verklaring voor zijn wandaden,
dat in een onrechtvaardige maatschappij,
waarin de vrijheid wegkwijnt,
De maatschappij heeft de criminelen die zij verdient.

– Vertaling chanson: Dick Gevers

Noot:
[1] In 2010 werd het boek van Anton Constandse opnieuw uitgegeven, met een nieuwe, heldere inleiding waarin Dick Gevers de Autobandieten in hun historische en sociale context plaatst: Anton Constandse, De Autobandieten, Kelderuitgeverij/De Vooruitgang 2010, ISBN 9789079395040.

Bookmark and Share

De Autobandieten


Op 21 december 1911 vond in Parijs de eerste bankoverval in de geschiedenis plaats waarbij gebruik gemaakt werd van een auto. De daders waren vier mannen die deel uitmaakten van een groep anarchisten die door middel van overvallen de bourgeoisie in haar hart wilde treffen. In 1911 en 1912 zaaide de bende paniek in Parijs en omstreken met een serie spectaculaire en gewelddadige overvallen waarbij ze gebruik maakte van auto’s. In een tijd dat de ongewapende Franse politie zich nog per fiets verplaatste, was dat op z’n minst baanbrekend te noemen. De geschiedenis van deze Autobandieten, oftewel de Bende van Bonnot zoals de groep genoemd werd, is meerdere malen beschreven.[1] Hierin wordt echter weinig aandacht geschonken aan de autotypes die door deze Autobandieten voor hun acties werden gebruikt. Maar voor de leden van de groep was juist het weloverwogen uitzoeken van een bepaald automerk en type een essentieel onderdeel van hun wijze van opereren.

Rue Ordener, Parijs ca. 1911. Bonnot draaide van de Rue Ordener (links), rechts de Rue du Cloys in

Overval
De Rue Ordener in Parijs is een brede, nogal saaie middenstandsstraat in het 18e Arrondissement, in het noorden van Montmartre. Op nummer 148, op de hoek van het zijstraatje Cité Nollez, is nu de kapsalon Air Coiffure gevestigd. In 1911 bevond zich hier een filiaal van de bank Société Générale. Op 21 december 1911 om 08.45 uur merkt een slager vanaf de overkant op dat een luxe auto met vier inzittenden, al geruime tijd met draaiende motor geparkeerd staat ter hoogte van nummer 142. Op het moment dat bij de bank geldloper Ernest Caby arriveert met zijn geldtas, zet de auto zich langzaam in beweging langs de stoeprand. Uit de auto springen twee mannen die de geldloper van dichtbij koelbloedig in de borst schieten, zijn tas grijpen en weer in de auto duiken. De chauffeur geeft gas, maakt met de auto een korte halve cirkel naar links en draait met piepende remmen de scherpe bocht met de Rue des Cloys in.[2] In volle vaart neemt hij vervolgens de eerste bocht naar rechts, de Rue Montcalm in, weet een bus en een taxi te ontwijken, en draait dan weer scherp naar rechts, de Rue Vauvenargues in. Vanuit de auto schieten de overvallers op enkele moedige omstanders die te voet de achtervolging hebben ingezet. Vijf minuten later snelt de auto Parijs uit door de Porte de Clichy.
Zelfs voor iemand zonder ervaring als automobilist, zoals schrijver dezes, is duidelijk dat voor het nemen van de bocht naar de Rue des Cloys, de nodige stuurmanskunst vereist moet zijn geweest. In ruim honderd jaar is aan de situatie ter plekke nauwelijks iets veranderd. Ook nu nog zou een automobilist bij het nemen van deze bocht beticht worden van onverantwoordelijk rijgedrag.

Het filiaal van de Société General in de Rue Ordener

Illegalisme
De chauffeur van de auto was Jules Bonnot, een uit Lyon afkomstige mecanicien en chauffeur, naar wie de groep daders later door pers en publiek werd vernoemd. Eigenlijk ten onrechte want Bonnot had zich pas kort voor de overval bij de groep aangesloten.[3] De groep had geen leider, hoewel de jonge activist Octave Garnier duidelijk overwicht had op de anderen. Garnier en de uit Brussel afkomstige Raymond Callemin losten de schoten op de geldloper. Wie de vierde man in de auto was, is altijd onduidelijk gebleven.
Garnier en Callemin, en ook medestander en latere medeovervaller André Soudy waren afkomstig uit kringen rond het tijdschrift l’anarchie en woonden in een anarchistische, veganistische leefgemeenschap in Romainville, een landelijk gelegen dorpje ten noordoosten van Parijs.[4] De uit zo’n zes kernleden en een twintigtal helpers bestaande groep meende dat de strijd tegen het kapitalistische systeem en tegen de uitbuiting van arbeiders, het beste gevoerd kon worden door het plegen van individuele en gemeenschappelijke, indien nodig gewelddadige, verzetsdaden tegen de heersende maatschappelijke orde. Dit illegalisme,
waarbij inbraken en overvallen gepleegd werden met als doel het ondermijnen van de maatschappelijke orde, zorgde ook voor financiële armslag voor de anarchistische beweging.
Directe, onverbloemde aanvallen op banken en vermogende burgers maakten deel uit van de werkwijze. In brede anarchistische kring werd dit anarchisme van de daad destijds veelal veroordeeld. De Autobandieten was een geïsoleerde groep outlaws die zichzelf bewust buiten de wet had geplaatst. Vanwege het feit dat hun acties niet alleen de bourgeoisie troffen, maar er ook onschuldige slachtoffers bij vielen, had de groep al gauw veel sympathie verloren.
Voor zowel de sensatiepers als de serieuze kranten was de groep maandenlang voorpaginanieuws.
Het gebruik van een auto moet de daders niet alleen de verzekering hebben gegeven dat zij na een actie snel konden vluchten, maar vooral moeilijk op te sporen waren. De mannen lieten de auto die avond achter op het strand in de buurt van Dieppe en namen de trein terug naar Parijs. Dat zij de allereerste bankoverval in de geschiedenis pleegden waarbij gebruik gemaakt werd van een auto, zal hen echter niet bezig hebben gehouden.[5]

In de Rue Ordener werd een Delaunay-Belleville HB4 uit 1911 gebruikt

Chique auto
Voor de overval was de keuze van Garnier en chauffeur/mecanicien Bonnot gevallen op een Delaunay-Belleville HB4, bouwjaar 1911. Garnier wilde de beste auto van dat moment hebben, het zou de aanval van de groep op het systeem immers nog meer onderstrepen, betoogde hij. Enig speurwerk leidde hen naar een exemplaar in Boulogne-sur-Seine – kenteken 783-X-3, motornummer 2679V, eigendom van M. Normand, 12 Rue de Chalet, Boulogne. Op 14 december 1911 werd de wagen door Bonnot, Garnier en Callemin uit de garage van de eigenaar ontvreemd.
Delaunay-Belleville was een kleine autofabriek in St. Denis bij Parijs en maakte auto’s met een chique, aristocratische uitstraling, die als exclusief voor de rijkere klasse te boek stonden.
Tsaar Nicolaas II, de Griekse koning George en koning Alphonso XIII van Spanje waren bezitters van een model uit 1906. Van het model HB4 werden in 1911 en 1912 slechts honderd vervaardigd. De carrosserie was uitgevoerd in zogenaamde Roi des Belges-stijl met een overdekte achterbank. De bestuurdersplaats was niet overdekt. Met de krachtige vier cilinder, 23 PK motor kon een topsnelheid van 70 km/u behaald worden. Voor de bestuurder was de auto soepel hanteerbaar. Kenners vergeleken de sierlijke beweegbaarheid en solide wegligging van de HB4 met die van een Rolls Royce Silver Ghost.

Jules Bonnot

Octave Garnier

Raymond Callemin

Dollemansrit
Twee maanden later, op 27 februari 1912, stalen Garnier, Bonnot en Callemin opnieuw een wagen van hetzelfde merk, nu een Labourdette Delaunay-Belleville Double Phaeton, bouwjaar 1908. Daarmee op weg naar een inbraak verloren ze echter veel tijd. Besloten werd halverwege om te keren en de auto door Parijs naar een voorlopige schuilplaats te loodsen. In de haast en wellicht enigszins overmoedig joeg Bonnot de auto op topsnelheid dwars door het centrum van Parijs. En passant reed hij een marktkraampje omver in de Rue de Rivoli, maar hij matigde zijn snelheid niet.

 

Voor het Gare St. Lazare kon hij net de bus van St. Germain naar Montmartre ontwijken.
Voetgangers zochten een goed heenkomen toen de auto het trottoir opschoot en tot stilstand kwam. Een verkeersagent die de onbesuisde automobilist wilde bekeuren sprong op de treeplank, juist toen Bonnot weer gas gaf. Voor het station, op de Place du Havre, werd de agent door Garnier met drie schoten uit een Browning van de treeplank afgeschoten. Hij overleed later in het ziekenhuis. Via de Rue Royale en de Place de la Concorde werd de dollemansrit vervolgd waarna de auto via de Porte Maillot de stad verliet. Twee dagen later werd de auto gebruikt bij een nachtelijke inbraak bij een gefortuneerde advocaat in Pontoise. Na gedane arbeid werd de wagen vervolgens in een achterafstraatje in St. Ouen door Garnier in brand gestoken.

Read more

Bookmark and Share

Alias Bob Dylan – Heimwee naar de verbeelding


Het moet 1964 geweest zijn toen de mythe ontstond dat de jonge Robert Zimmerman, afkomstig uit Hibbing, Minnesota, als een soort eerbetoon aan de Ierse dichter Dylan Thomas, zijn naam had veranderd in Bob Dylan. Tot ver in de jaren zeventig dook het verhaal in allerlei artikelen en beschouwingen over Dylan op. In 1965 had Dylan al tegen een journalist van The Chicago Daily News gezegd: ‘I took the name Dylan because I have an uncle named Dillion. I changed the spelling but only because it looked better. I’ve read some of Dylan Thomas’s stuff, and it’s not the same as mine’.
Robert Shelton, journalist bij The New York Times, begon in 1966 aan een biografie over Dylan (No Direction Home. Het boek zou pas in 1986 verschijnen). Verschillende malen liet Dylan aan Shelton weten: ‘Straigthen out in your book that I did not take my name from Dylan Thomas’.
Dylan was Shelton sowieso dankbaar, want in september 1961 had Shelton in de New York Times de eerste – lovende – recensie over een optreden van Dylan geschreven. Dylan was op dat moment slechts bekend bij een kleine kring van bezoekers van folkcafé’s in Greenwich Village. De recensie bracht hem onder de aandacht van Columbia Records en van producer John Hammond en bezorgde hem een platencontract.

Interview
Inmiddels weten we dat veel van wat Dylan in interviews verklaarde met een flinke korrel zout genomen moet worden. Met biografische gegevens is hij altijd uiterst karig geweest en verschillende verhalen die hij over zijn jeugd en puberjaren vertelde, bleken achteraf geheel verzonnen. Legendarisch is een van zijn eerste radio-interviews. Nog voor de release van zijn eerste plaat interviewde presentatrice Cynthia Gooding hem in maart 1962 een uur lang voor WBAI-FM Radio, New York. Onduidelijk is of het programma ooit is uitgezonden maar het is gelukkig wel bewaard gebleven. [1] Zo vertelt hij Gooding dat hij op jeugdige leeftijd wegliep van huis en enkele jaren met een circus door de Verenigde Staten was getrokken. In New Orleans zou hij op 12-jarige leeftijd kennis gemaakt hebben met oude bluesmuzikanten die hem het mondharmonicaspelen hadden geleerd. Niets van waar: het bleken gefingeerde biografische verhalen. Soortgelijke ‘herinneringen’ zou hij in zijn beginjaren nog wel vaker verkondigen.

Artiestennaam
Maar als de naam Dylan geen betrekking had op Dylan Thomas, op wie dan wel? Dylan vertelde vrienden dat de naam gebaseerd was op Dillon, de achternaam van zijn moeder. Maar dat was niet waar zo bleek later, de moeder van Robert Zimmerman heette Beatrice Stone.
Over de oom Dillion heeft Dylan nooit meer gesproken.
In zijn highschool-jaren trad Robert Zimmerman zo nu en dan op schoolfeesten en county fairs op samen met jeugdvriend John Bucklen, overigens niet altijd tot genoegen van het publiek.
Voor iemand die het ver wilde schoppen in de muziek, en dat wilde de jonge Robert, was Zimmerman wellicht geen goeie artiestennaam. In 1958 zei hij tegen Bucklen: ‘I know what I’m going to call myself. I’ve got this great name – Bob Dillon.’
Misschien is de achtergrond van de naam Dylan dan ook veel minder prozaïsch dan vaak gesuggereerd. Robert Zimmerman was in zijn jeugd een grote fan van de westerntelevisieserie Gunsmoke, waarin de  rechtvaardige Marshal Matt Dillon (acteur James Arness) in het westernstadje Dodge City de orde weet te handhaven. Mogelijk is de Dillon/Dylan-naamgeving niet meer dan de jeugddroom een held te willen zijn, of op zijn minst zich te willen onderscheiden van de rest.

Westernseries
Hibbing, een plaatsje met zo’n tienduizend inwoners was tot bloei gekomen dankzij de omringende ijzerertsmijnen, maar in de jaren vijftig was de bloeitijd van het stadje al lang voorbij. Voor de opgroeiende jeugd was er niet veel te beleven. Er was een bioscoop, meer vermaak was er niet. In 1952 kon het gezin Zimmerman zich als eerste in Hibbing een televisie veroorloven. De jonge Bob bracht met zijn vrienden urenlang voor het toestel door.
Hij keek naar musicals en variety shows, maar zijn voorkeur ging uit naar westernseries als Wyatt Earrp, Kit Carson, Davey Crockett, maar vooral de serie Gunsmoke was zijn favoriet.

Vertraagd geweld
Van de serie Gunsmoke werden tussen 1955 en 1975 635 afleveringen gemaakt. Met kijkersogen van nu, ruim zestig jaar later, oogt de serie als uitermate braaf. In de volgens een vast stramien opgebouwde afleveringen werden de problemen in het keurige, burgerlijke plaatsje Dodge City op een beschaafde manier door Marshal Dillon opgelost. Daarbij vielen natuurlijk wel schoten en doden vielen er ook, maar zichtbaar bloed vloeide er nooit.
Voor veel acteurs en regisseurs was de serie het startpunt van hun carrière. Bijvoorbeeld voor Dennis Weaver, die in de jaren zeventig de succesvolle serie McCloud maakte, en voor regisseur Sam Peckinpah. Peckinpah had al naam gemaakt als scenarioschrijver van tientallen afleveringen van de populaire westernserie Broken Arrow, maar voor Gunsmoke mocht hij het als regisseur proberen. Tussen 1955 en 1958 regisseerde hij elf afleveringen. Daarnaast maakte hij afleveringen van de westernseries The Rifleman en The Westerner. In de jaren zestig regisseerde hij de westerns Wichita, Major Dundee en Villa Rides. Bekendheid kreeg Peckinpah in 1969 als regisseur van de snoeiharde western The Wild Bunch, waarin hij alle film- en westernwetten overtrad door geweld vooral zo bloedig mogelijk in beeld te brengen, het liefst vertraagd vertoond en vanuit verschillende camerastandpunten gefilmd. In de jaren zeventig zou vertraagd geweld Peckinpahs handelsmerk blijken te zijn. Hij maakte onder meer films als Straw Dogs, The Getaway, Bring me the Head of Alfredo Garcia en Cross of Iron. In 1973 maakte hij zijn laatste western, Pat Garret and Billy the Kid, met in de hoofdrollen James Coburn en Kris Kristofferson.
Dylan, bevriend met Kristofferson, toonde interesse in een rol in de film en kreeg via de producer het script toegespeeld. Hij ging naar een voorstelling van The Wild Bunch en raakte zozeer enthousiast over de stijl van Peckinpah dat hij meteen erna de song Billy the Kid schreef. [2] Peckinpah was onder de indruk van het nummer en draaide het vrijwel continu.
Dylan mocht de soundtrack voor de film schrijven en kreeg zowaar een rolletje toebedeeld, als Alias, een hulpje van Billy the Kid.

Pseudoniemen
Alias. Hoe toepasselijk kan een naam zijn, want in de loop der jaren bediende Dylan zich van vele pseudoniemen. Hij noemde zich Elston Gunn toen hij in 1959 drie dagen lang deel uitmaakte van de begeleidingsgroep van vroege rocker Bobby Vee, totdat hij uit de band werd gezet omdat hij teveel aandacht van het publiek opeiste. Als Tedham Porterhouse speelde hij in 1964 harmonica op de elpee Ramblin’ Jack van Ramblin’ Jack Elliot. In datzelfde jaar speelde hij als Blind Boy Grunt enkele songs op een plaat van het folktijdschrift Broadside.
Op de elpee The Blues Project. A Compendium of the Very Best on the Urban Blues Scene uit 1965, met o.a. Geoff Mudaur, Dave van Ronk en Eric von Schmidt, speelt hij piano als Bob Landy.[3] ‘To musicians, his piano playing is almost legend’, staat vermeld in de hoestekst. In 1972 verscheen hij als Robert Milkwood Thomas (!) op de plaat Somebody Else’s Troubles van Steve Goodman. Als Lucky Wilbury maakte hij deel uit van The Traveling Wilburys, de groep met George Harrison, Jeff Lynne, Roy Orbison en Tom Petty (1988), op hun tweede plaat heette hij Boo Wilbury (1990). Onder de naam Sergei Petrov schreef hij mee aan het scenario voor de film Masked and Anonymous (2003), waarin Dylan de rocklegende Jack Fate speelt. De afgelopen decennia produceerde hij zijn eigen platen onder de naam Jack Frost.

Speelfilms
Bob Dylan is een filmliefhebber, dat is bekend. In 1956, na het zien van de film Giant met James Dean, wilde hij niets liever dan de nieuwe James Dean worden. Zijn rebellie uitte hij dan wel niet als filmster maar als folk- en rockartiest, zijn liefde voor film en met name voor western is in zijn songs terug te vinden.
Michael Gray, auteur van de indrukwekkende studie Song & Dance Man III. The Art of Bob Dylan (2000), was de eerste die merkte dat sommige passages in Dylansongs een opvallende overeenkomst vertoonden met dialogen of zinsneden uit speelfilms. Nauwgezette studie bracht aan het licht dat Dylan uit maar liefst 61 speelfilms citaten in songs heeft gebruikt, of verwijst naar filmtitels.[4] Negen daarvan zijn westerns, negentien titels – waarvan zes films met Humphrey Bogart – stammen uit de jaren veertig en vijftig, de periode van de film noir, bijvoorbeeld Casablana, To Have and Have Not, Shoot the Piano Player en Rear Window.

Enkele voorbeelden:

The Big Sleep (1946)
Bogart: ‘What’s wrong with you?’
Bacall: ‘Nothing you can’t fix’

Dylan in Seeing the Real You at Last:
‘At one time there was nothing wrong with me,
That you could not fix’

The Oklahoma Kid (1939)
Cagney: ‘You want to talk with me’
Bogart: ‘Go ahead and talk’

Dylan in Tight Connection on my Heart:
‘You want to talk to me
Go ahead and talk’

The Lusty Men (1952)
Mitchum: ‘Broken bottles, broken bones, everything is broken’

Dylan in Everything is Broken:
‘Broken bottles, broken plates,
Broken switches, broken gates

Everything is broken’

In Bronco Billy (1980), een film over een rodeocowboy (eigenlijk een moderne western) zegt Clint Eastwood: ‘I’m looking for a woman who can ride like Annie Oakley and shoot like Belle Starr’.[5] In de song Seeing the Real You at Last (1985) zingt Dylan:

‘When I met you baby

You didn’t show no visible scars.
You could ride like Annie Oakley
You could shoot like Belle Starr’

Het zou zo een citaat uit een film met Humphrey Bogart kunnen zijn.

 

Amerika
Meer nog dan Dylans soundtrack voor Pat Garrett and Billy the Kid ademt zijn achtste elpee John Wesley Harding de sfeer van een westernfilm uit. Titel en titelsong verwijzen niet alleen naar outlaw en gunfighter John Wesley Hardin (1853-1895), een song als The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest roept beelden op van een westernstadje waar oplichters, mysterieuze godsdienstpredikers en zwervende outlaws de dienst uitmaken. Beelden zoals we die wel kennen uit klassieke westernfilms. Op de plaat heerst een geheimzinnige, soms onheilspellende sfeer, waarbij een Bijbels noodlot ieder moment lijkt te kunnen toeslaan. (De plaat bevat zo’n zestig verwijzingen naar de Bijbel, maar dat is een ander verhaal.)

Big Pink – Woodstock

De elpee dateert uit dezelfde periode (1968) waarin de beroemde Basement Tapes werden opgenomen. Dylan en The Band namen ruim honderd songs op in de kelder van het huis Big Pink in Woodstock. De in 1975 uitgebrachte plaat The Basement Tapes was hiervan slechts een magere selectie. De in 2014 uitgebrachte box The Basement Tapes Raw, The Bootleg Series Vol. 11 bood bijna alle opgenomen songs. De opnames lijken die van John Wesley Harding in een breder kader te plaatsen. Oude folk- en bluessongs en nieuwe songs van Dylan schetsen het beeld van een verdwenen Amerika, een negentiende eeuws gebied bevolkt door outlaws, hobo’s, landarbeiders, slaven en immigranten. Ballades uit de Appalachian Mountains, countrysongs, murderballads, kinderliedjes en gospelsongs vertellen de geschiedenis van dat verdwenen Amerika. The Basement Tapes weerspiegelen dat verleden en maken de luisteraar deelgenoot van die geschiedenis, alsof het filmbeelden zijn van een nog te maken epos over een mythisch, vrijwel vergeten land. Een land dat misschien alleen in de verbeelding bestaat. In die verbeelding kan Marshall Matt Dillon de orde handhaven.

Noten
[1] Het interview met Dylan is te beluisteren op https://www.youtube.com/watch?v=483m8ADfG48
[2] Bob Dylan: Billy the Kid (audio) https://www.youtube.com/watch?v=ZEi83f_CEqM
[3] Geoff Mudaur, Downtown Blues, on piano Bob Landy (audio) https://www.youtube.com/watch?v=BCSsCK86ldc
[4] Movie quotes in Bob Dylan songs http://www.geocities.ws/linwood/cinema/Dylan-Film/
[5] Annie Oakley (1860-1926), legendarische Amerikaanse scherpschutster. Belle Starr (1848- 1889), outlaw, maakte deel uit van de bende van Jesse en Frank James.

De oudste bewegende beelden van Dylan (ca.1961)

Bookmark and Share

Bloed, zweet en tranen of: Churchill, Cash en Hazes


Eén keer trek je de conclusie
Vriendschap is een illusie
Vriendschap is een droom
Een pakketje schroot met een dun laagje chroom

’t Is moeilijk bescheiden te blijven
Wanneer je zo goed bent als ik
Zo stoer, zo charmant en zo aardig
Dat zie je in één ogenblik

En ik ben blij dat ik je niet vergeten ben
Dat ik nog zo veel kleine dingen van je ken
Omdat ik steeds ben blijven dromen
dat het toch zo ver zou komen
Ben ik blij dat ik je niet vergeten ben

Met bloed, zweet en tranen
Zei ik, rot hier nu maar op
Met bloed, zweet en tranen
Zei ik vrienden, dag vrienden, de koek is op

Wat is er bevrijdender – althans, vanuit therapeutisch oogpunt bezien – dan voluit meeblèren met een vol Ahoy of Goffert? Of een bomvolle Johan Cruyff Arena, sinds de Ajax-aanhang zich de André Hazes-hit Bloed, zweet en tranen heeft toegeëigend?

Dat begrip – bloed, zweet en tranen – wordt buiten onze landsgrenzen – en wellicht ook daarbinnen – waarschijnlijk op de eerste plaats geassocieerd met Blood, Sweat & Tears of, zoals het vaker werd weergegeven, BS&T, de New Yorkse jazzrockband die tussen maart 1969 en oktober 1970 megahits had met You’ve made me so very happy, Spinning wheel, And when I die en Hi-De-Ho.

De oorsprong voor de naam van de band wordt gewoonlijk toegeschreven aan de speech die Winston Churchill hield in het Lagerhuis op 13 mei 1940, bij het begin van zijn eerste periode als minister-president.
Voluit klinkt de passage als volgt: “I would say to the House, as I said to those who have joined this Government: I have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat.”

Churchill mag dan wel in 1953 de Nobelprijs voor literatuur gewonnen hebben – een belangrijk deel van zijn werkzame leven verdiende hij meer met schrijven en als veelgevraagd spreker dan als politicus – , voor de woorden die hij wereldberoemd zou maken, moest hij toch putten uit de Engelse letteren.

De poëet en avonturier Lord Byron (1788-1824) schreef in zijn meer dan 100 pagina’s tellende gedicht The Age of Bronze, dat in 1823 verscheen

Year after year they voted cent per cent,
Blood, sweat, and tear-wrung millions – why? for rent!

En nog verder terug in de Britse literatuurgeschiedenis vindt men de dominee-dichter John Donne (1572-1631), die in zijn gedicht An Anatomy of the World (1611) schrijft:

That ’tis in vain to dew, or mollifie it with thy tears, or sweat, or blood
(to dew = bevochtigen, to mollify = verzachten).

De enumeratie ‘bloed, zweet en tranen’ moet, in welke volgorde dan ook, dus al heel lang niet alleen bestaan hebben, maar ook als literaire eenheid gebruikt zijn.

Het is intussen maar zeer de vraag of die beroemde woorden van Churchill BS&T geïnspireerd hebben bij de keuze van een naam. Om te beginnen worden ze niet exact geciteerd. Sterker nog, uit de oorspronkelijke tekst is een vierde woord – toil, gezwoeg – weggelaten en staan sweat en tears in de omgekeerde volgorde.
Ten tweede heeft Al Kooper, een van de oprichters van BS&T, zich uitgelaten over de herkomst van hun naam. In zijn autobiografie met de weinig van aangename herinneringen getuigende titel Backstage Passes and Backstabbing Bastards (1998), herinnert hij zich: ‘One particular night, Jimi Hendrix, B. B. King, myself, and an unidentified drummer and bass player were going at it all night at the Cafe Au Go Go. At daybreak, when we finished playing, they put the house lights on and somebody observed: ‘Christ! Look at the organ! There’s blood all over the keyboard!’ Sure enough, I had cut my hand playing, and in the state of bliss induced by my compatriot’s sound had not felt a thing. What a great album cover, I thought. No. What a great name for a band.’

Geen uitleg die meteen overtuigt, al was het maar omdat al dat bloed wel verklaard wordt maar de herkomst van de tranen en het zweet onbekend blijft. Dan geloven wij eerder, dat de naam van de band geïnspireerd is door de country-zanger Johnny Cash, die immers in 1963 een album uitbracht met de titel Blood, sweat and tears. (Dat laat natuurlijk de vraag onverlet waar Cash het vandaan heeft.)

Blood, toil, tears and sweat is trouwens niet het enige spoor dat Churchill in de popmuziek heeft achtergelaten. Om overigens volstrekt onduidelijke redenen koos een Amerikaanse band als naam The Beginning of the End. Hun enig bekende wapenfeit is het album Funky Nassau (1971), interessanter is de bron van hun naam.

Uit weer een andere toespraak van Churchill, in november 1942, ging dit citaat een eigen leven leiden: “This is not the end. It is not even the beginning of the end. But it is, perhaps, the end of the beginning.”
Het was een verwijzing naar de aanval van Field Marshal Bernard Montgomery – koosnaam Monty – op de Duitse troepen onder aanvoering van generaal-veldmaarschalk Erwin Rommel – bijnaam de Woestijnvos – in Noord-Afrika.

Het was al met al dan ook niet te vermijden, dat blood, sweat and tears enkele minder creatieve geesten zou verleiden tot speels bedoelde titels van hun memoires. Zo herleefde Steve Katz, mede-oprichter van BS&T, zijn wildste jaren in het boek Blood, sweat, and My Rock ‘n’ Roll years (2015).
Nog makkelijker maakten de drie makers van een boek over Rocker33, een van de spraakmakendste nachtclubs in Duitsland, zich van de titel af. Zij kwamen eendrachtelijk op Love, sweat and tears (2020).
Succes verzekerd!

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives