Félix Fénéon, kunstcriticus en anarchist


Félix Fénéon

Dat de Franse dichter Laurent Tailhade behalve zijn avondmaaltijd een oog moest missen, was een meer dan sneu gevolg van de bomaanslag die kunstkenner en –criticus Félix Fénéon op 4 april 1894 pleegde op het restaurant van Hôtel Foyot aan de Rue de Tournon in Parijs.
Het was vooral sneu omdat Tailhade Fénéon persoonlijk kende en ook diens anarchistische opvattingen deelde. Zijn verwondingen weerhielden Tailhade er echter niet van in de jaren daarna in zijn werk het anarchisme volop uit te dragen.

Vallotton – Félix Fénéon

Ministerie
Félix Fénéon (1861-1944) groeide op in de Bourgogne maar vertrok al snel naar Parijs. Op zijn twintigste kreeg hij een baan als klerk op het Ministerie van Oorlog. Hij zou er dertien jaar blijven werken. Daarnaast redigeerde hij voor uitgeverijen werk van Arthur Rimbaud en Lautréamont. Met zijn dandyachtige voorkomen – puntbaard, wandelstok, zwarte cape – was hij in kunstkringen een opvallende verschijning. Wekelijks bezocht hij de populaire kunstsalon van Stéphane Mallarmé. Naast zijn baan op het ministerie werd hij kunstcriticus bij het tijdschrift La Libre Revue. Ook schreef hij gezaghebbende artikelen over kunst en literatuur voor bladen als La Vogue en La Revue wagnérienne. Hij was de ontdekker van de schilder Georges Seurat en was bevriend met de schilder Paul Signac, die hem op een schilderij vereeuwigde. Ook de kunstenaars Toulouse-Lautrec en Félix Valleton maakte portretten van Fénéon. Hij was een onvermoeibaar promotor van het werk Seurat en Signac, die beiden gezien worden als de wegbereiders van het pointillisme. Voor deze stijl en andere daaraan gelieerde kunststromingen bedacht Fénéon de term neonimpressionisme.

Émile Henry

Anarchisten
Fénéon kreeg eveneens contacten in anarchistische kringen en hij ging schrijven voor het toonaangevende anarchistische tijdschrift L’En-Dehors van de anarchist Zo d’Axa en voor Revue anarchiste. Toen Zo d’Axa zijn toevlucht zocht in Londen nam Fénéon de redactie van L’En-Dehors over. Aan het tijdschrift werd onder meer meegewerkt door Octave Mirbeau. Jean Grave, Sébastien Faure, Bernard Lazare, Tristan Bernard en de Belgische anarchist Émile Verhaeren. Hij raakte bevriend met de Nederlandse anarchist Alexander Cohen en met ‘anarchist van de daad’ Émile Henry, die later de beruchte bomaanslag op het Café Terminus zou plegen. Soms logeerde Henry bij Fénéon of bij Cohen thuis. Al eerder had Fénéon Henry al eens aan een jurk geholpen, om in vermomming de politie te kunnen ontlopen.

Aanslagen
De uit Leeuwarden afkomstige Cohen (1864-1961) was na een redacteurschap bij Recht voor Allen van Domela Nieuwenhuis overhaast naar Parijs verhuisd. In Nederland werd hij gezocht wegens majesteitsschennis. Tijdens een rijtour van Koning Willem III had hij geroepen: ‘Leve Domela Nieuwenhuis! Leve het socialisme! Weg met Gorilla!’.

Alexander Cohen

In Parijs ging hij schrijven voor de anarchistische bladen L’En-Dehors en Le Père peinard en werd hij correspondent voor Recht voor Allen. In de Franse hoofdstad werden Fénéon en Émile Henry zijn beste vrienden.

Henry wilde in 1892 de eisen van stakende mijnarbeiders bij de Carmoux mijnmaatschappij kracht bijzetten en plaatste een bom bij het kantoor van de maatschappij in Parijs. De bom werd echter ontdekt en meegenomen naar een politiebureau in de Rue des Bons-enfants. Daar ontplofte de bom alsnog waarbij vijf politiemannen om het leven kwamen.

Zijn volgende aanslag was een wraakneming voor de executie van de anarchist Auguste Vailllant, ter dood veroordeeld wegens het plegen van een bomaanslag op de Chambre des Députés, de Kamer der Afgevaardigen. Op 12 februari 1894 plaatste Henry een bom onder een tafeltje in het drukbezochte Café Terminus bij het Gare St. Lazare. Eén persoon kwam om het leven en twintig mensen raakten gewond. Henry werd gearresteerd en in mei 1894 terechtgesteld.

Restaurant
Fénéon, die vond dat zijn eigen schriftelijke bijdragen aan het verkondigen van de anarchistische boodschap niet voldoende effect hadden, nam zich voor de vertegenwoordigers van de bourgeoisie in het hart te treffen. Op 4 april 1894 verstopte hij een bom in een bloempot en toog ermee naar de zetel van de Franse senaat, gevestigd in het paleis in de Jardin du Luxembourg. Daar bleek hij echter niet in de buurt van het bewaakte gebouw te kunnen komen, waarop hij besloot de bom te plaatsen bij het tegenover gelegen Hôtel Foyot, een door veel parlementariërs bezochte eetgelegenheid. Hij plaatste de bloempot in de vensterbank van het restaurant, stak de lont aan en wandelde rustig naar de Place de l’Odéon, waar hij op de bus richting Clichy sprong. Door de ontploffing sneuvelden ramen en stortten kroonluchters van het plafond omlaag. Alleen de dichter Tailharde raakte gewond, het kostte hem een oog.

Hòtel Foyot na de aanslag

Huiszoeking
Vanwege zijn anarchistische activiteiten werd Fénéon al enige tijd door de politie in de gaten gehouden. Een dag na de aanslag doorzocht de politie zijn woning maar kon daar geen verdachte aanwijzingen ontdekken. De huiszoeking moest wel op een misverstand berusten, concludeerde de politie-inspecteur en bood excuses aan. Op het politiebureau ondertekende Fénéon een verklaring waarin hij ontkende aanhanger van het anarchisme te zijn, en vertrok naar zijn kantoor op het Ministerie van Oorlog. Daar bewaarde hij in een la van zijn bureau een fles kwikzilver en enige ontstekers – hem door Henry in bruikleen gegeven – die echter door de politie werden ontdekt. Dit en zijn anarchistische activiteiten waren voldoende om hem te arresteren. Met de aanslag op het Hôtel Foyot is hij echter nooit meer in verband gebracht.

Proces
De Franse regering was de aanslagen beu en vaardige een serie strenge wetten uit waarbij iedere anarchistische activiteit strafbaar werd gesteld. Dertig vooraanstaande anarchisten werd ‘organisatie van criminele activiteiten’ ten laste gelegd, onder wie Sébastien Faure, Jean Grave, Paul Reclus, Félix Fénéon en Alexander Cohen. Voor de Franse staat draaide dit ‘Procès des trente’ echter uit op een mislukking. Slechts acht beklaagden werden veroordeeld, vier van hen bij verstek, onder wie Reclus en Alexander Cohen. De laatste had inmiddels de wijk naar Londen genomen. Pas in 1899 zou hij naar Parijs terugkeren.
Tijdens het proces wist Fénéon op vaak humoristische wijze aanklachten tegen hem te pareren. Bij een beschuldiging van een ‘nauw contact’ met de Duitse anarchist Kampfmeyer, antwoordde hij: ‘Ik spreek geen Duits en Kampfmeyer spreekt geen Frans. Hoe nauw moet dat contact dan geweest zijn?’ En toen hij beticht werd een vooraanstaande anarchist te hebben gesproken ‘achter een gaslantaarn’, was zijn antwoord: ‘Neem me niet kwalijk, Monsieur le Préfect, maar wat is de achterkant van een gaslantaarn?’ Fénéon werd vrijgesproken maar zijn baan op het ministerie moest hij wel opgeven.

Drie regels
Als redacteur kon hij aan de slag bij het vooraanstaande kunsttijdschrift La Revue Blanche. Ook daarin vestigde hij voortdurend de aandacht op het werk van Seurat en Signac en in 1900 organiseerde hij de eerste overzichtstentoonstelling van schilderijen van Seurat. In het tijdschrift publiceerde hij ook werk van Marcel Proust, Appolinaire, Paul Claudel en vertaalde hij Jane Austen en brieven van Edgar Allen Poe.

In 1906 ging hij voor de krant Le Matin de dagelijkse pagina faits divers samenstellen: berichten uit stad en provincie, die –zo was de opdracht – in de krant niet langer dan drie regels mochten zijn. Nieuwtjes over inbraken, ongelukken, crimes passionnel, moorden, branden en ander leed, werden door Fénéon geminimaliseerd tot gevatte beschrijvingen van het gebeurde, vaak met een kwinkslag of woordspeling, soms met kort commentaar. Hij puzzelde met woorden, zoals een dichter of liedjesschrijver. Ieder bericht vormt een verhaal op zich en roept vragen op over het hoe en waarom. Intrigerende, vermakelijke of hilarische, tragische of ontroerende berichten die in veel gevallen de aanzet tot een roman zouden kunnen zijn. De berichten zijn te vergelijken met de collages die Picasso en Braque jaren later uit gescheurde kranten samenstelden, maar doen ook denken aan de collages van Kurt Schwitters en aan de wijze waarop William Burroughs in de jaren vijftig kranten verknipte en omsmeed tot een roman. Dankzij het knipwerk van Fénéons vriendin zijn twaalfhonderd stukjes bewaard gebleven en in 2009 in boekvorm verschenen. Fénéon schreef de stukjes om in zijn onderhoud te voorzien, maar wellicht vond hij ook voldoening bij het in kaart brengen van het verval in de Franse samenleving. De lezer kon zelf zijn conclusie trekken.

In Rouen heeft M. Colombe zich gisteren met één kogel gedood. In maart had zijn vrouw hem er drie in het lijf geschoten en de echtscheiding was op handen.

Met haar tachtig jaren werd Mme Saout uit Lambézellec stilaan bang dat de dood haar zou overslaan. Toen haar dochter even de deur uit was, knoopte zij zich op.

In Falaise verwelkomde oud-burgemeester M. Ozanne de deurwaarder Vieillot met geweerschoten om zich, na één treffer, het leven te benemen.

Jacquot, eerste bediende bij een kruidenier in Les Maillys, heeft zich en zijn vrouw om het leven gebracht. Hij was ziek, zij niet.

Zittend in de vensterbank van het open raam, reeg G. Laniel, negen, uit Meaux haar laarsjes dicht. Bijna. Tot zij achterover op de keien smakte.

(uit: Félix Fénéon, Het nieuws in drie regels, Antwerpen 2009)

Geruchten
Jarenlang deden nog geruchten de ronde dat de aanslag bij Hôtel Foyot het werk van Fénéon was geweest. Fénéon zelf heeft er nooit in het openbaar over gesproken en besteedde er geen aandacht aan. Slechts eenmaal bevestigde hij dat hij de dader was, in een gesprek met Kaya Batut, de vrouw van Alexander Cohen.

Noot
1. Vorig jaar werd in het Moma in New York een grote tentoonstelling aan Fénéon gewijd, waarop onder meer werk van Seurat en Signac te zien was.

Literatuur
Alexander Cohen, In opstand, Amsterdam 1932
John Merriman, The Dynamite Club, New Haven/London 2009
Félix Fénéon, Het nieuws in drie regels, Antwerpen 2009
Joan Ungersma Halperin, Félix Fénéon, Aesthete & Anarchist in Fin-de-Siècle Paris, New Haven/London 1988

Bookmark and Share

Wat is lang? Een onderzoek naar lange filmtitels


Ach, wat is lang? Dat is relatief.
Night of the day of the dawn of the son of the bride of the return of the revenge of the terror of the attack of the evil, mutant, crawling, alien, flesh-eating, hellbound, subhumanoid , zombiefied living dead part 2: in shocking 2-D (2011), bijvoorbeeld, wordt met zijn 40 woorden in vakkringen beschouwd als langste filmtitel.
Het is een parodie op The night of the living dead (1968), de titel van de film waarmee George A. Romero zijn regiedebuut maakte met een budget van slechts $ 150.000,-, een film die nog altijd een van de best gewaardeerde griezelfilms is.

De grap is dat in die ellenlange titel de namen van tal van andere films zijn verwerkt. Om te beginnen die van Romero, maar voorts ook bijvoorbeeld The revenge of the dead (1960), The bride of the monster (1955) of The attack of the killer-tomatoes (1980). Om een idee te geven. En er wordt ook nog een lijst met cliché-monsters bij geleverd, van mutant tot flesh-eating aan toe.
Als uitgangspunt voor hun selectie beperkten de vakkringen zich tot speelfilms – dus geen documentair of educatief werk – van Engelstalige – lees: Amerikaanse – makelij. Niet dat in het Frans – Chacun son cinéma ou Ce petit coup au coeur quand la lumière s’éteint et que le film commence (2007, 18 woorden) -, Duits – Die Antigone des Sophokles nach der Hölderlinschen Übertragung für die Bühne bearbeitet von Brecht 1948 (Suhrkamp Verlag) (1992, 17 woorden) -, Spaans – Mil nubes de paz cercan el cielo, amor, jamás acabarás de ser amor (2003, 13 wooorden) – of Italiaans – Film d’amore e d’anarchia, ovvero ‘stamattina alle 10 in via dei Fiori nella nota casa di tolleranza… (1973, 17 woorden) – geen lange titels bestaan, maar Amerika ziet zichzelf graag als het centrum van de cinematografische industrie en dat is, eerlijk gezegd, niet eens helemaal ten onrechte.

Pseudo-humor
Mocht u niettemin de indruk hebben dat overdreven lange titels zich bij uitstek lenen voor slechte horror – Oh Snap! I’m trapped in the house with a crazy lunatic serial killer! (2008, 13 woorden) – of voor de pseudo-humor van films op het bedenkelijke niveau van I could never have sex with any man who has so little regard for my husband (1973, 16 woorden), dan wordt het tegendeel bewezen door de verfilming van The Persecution and Assassination of Jean-Paul Marat as Performed by the Inmates of the Asylum at Charenton Under the Direction of the Marquis de Sade (1967, 25 woorden). Die is gebaseerd op Marat/Sade, het van oorsprong Duitse toneelstuk van Peter Weiss, zoals gespeeld door de Royal Shakespeare Company. Het geheel draait om een toneelstuk – de moord op de Franse filosoof Marat – in de versie van de bewoners van het krankzinnigeninstituut Asile de Charenton in Noord-Frankrijk onder de regie van Marquis de Sade, die daar zelf lang heeft verbleven en er ook zou sterven.

Kort
De vraag naar de langste titel brengt automatisch ook de zoektocht naar de kortste mee. Om die eer strijden drie films, een Amerikaanse en twee Europese. Q (1982) heette oorspronkelijk The winged serpent, De gevleugelde slang, en dat zou al genoeg moeten zeggen. Een prehistorisch Azteeks afgodsbeeld komt tot leven in zijn nest bovenop een New Yorkse wolkenkrabber en zaait dood en verderf onder de betere kringen in Manhattan.
M (1931) van regisseur Fritz Lang is, in contrastrijk zwart-wit gefilmd, een klassiek voorbeeld van Duits expressionisme. Maar M (de afkorting voor Mörder) is vooral nog steeds de moeite waard om de angstaanjagende rol van Peter Lorre als kindermoordenaar.
Er werd in 1951 door Joseph Losey een remake van gemaakt, maar dat bleek een slap aftreksel. Het was ook de inspiratie voor Shadows and fog (1992), een van de betere Woody Allen films.

De tweede niet-Amerikaanse productie is Z (1969), het portret van Griekenland onder het kolonelsregime waarvoor regisseur Constantin Costa-Gavras de Oscar voor beste buitenlandse film werd toegekend. De film heette aanvankelijk The anatomy of a political murder, Z – Grieks voor “Hij leeft” – is het protestsymbool voor het slachtoffer van die moord.

Wim en Pim
Wie onder Nederlandse films naar lange titels wil zoeken, heeft een indrukwekkende geschiedenis tot zijn beschikking. Opmerkelijke voorbeelden van ver vóór het digitale tijdperk zijn De mesaventure van een Fransch heertje zonder pantalon aan het strand te Zandvoort (1905, 13 woorden) en Het gestolen kind, door de trouwe Nero teruggevonden (1905, 8 woorden).
Maar echt op zoek naar lange Nederlandse filmtitels komt men al snel terecht bij het subsidieverslindende duo Wim Verstappen en Pim de la Parra, in de filmwereld bekend als “Wim en Pim”. Zij schonken ons films met namen als De minder gelukkige terugkeer van Joszef Katús naar het land van Rembrandt (1966, 12 woorden).
De intrigerendste is Mijn nachten met Susan, Olga, Julie, Piet en Sandra (1975, 9 woorden), die in de voorpubliciteit werd gepresenteerd als een “sex-psycho, suspense mystery thriller”, maar die in de praktijk, dat wil zeggen in de woorden van Ab van Ieperen in het NRC, werd getypeerd als “het werk van een niet onbegaafde filmamateur die op een landerige namiddag een ideetje heeft gekregen en dat onmiddellijk ten uitvoer heeft gebracht, zonder zich af te vragen of het eigenlijk wel zo’n goed idee was.”
Dat Pim de la Parra het ook alleen af kon, bewees hij met Paul Chevrolet en de Ultieme Hallucinatie (1985, 6 woorden). In Hollands Hollywood, dat een overzicht biedt van “Alle Nederlandse speelfilms van de afgelopen zestig jaar” (Amsterdam, 1995), doet Henk van Gelder een poging de chaos te schetsen te midden waarvan de film moest ontstaan.
Het is “het verhaaltje van een succesvolle, maar gescheiden thrillerschrijver, die doende is zijn relatie tot vrouwen te onderzoeken – of zoiets, want De la Parra was er de man niet naar om een strakke, glasheldere plot te ontwerpen.
Met de voornaamste acteurs werd een week gerepeteerd, waarbij iedereen naar hartenlust dialogen kon improviseren binnen de opzet. Karin Loomans noteerde die dialogen dan en stelde iets samen dat op een uitgewerkt draaiboek leek. Maar ook tijdens de opnamen was improvisatie nog mogelijk.”
Na de première is nooit meer iets van de film gehoord.

Bookmark and Share

De rode loper naar Peking


‘Harde acties, die kunnen verschillen van het opsluiten van een directeur van een bedrijf, het bezetten van een fabriek, om het kapitalistische systeem in desorganisatie te brengen. Dat zou ook kunnen door sabotage bij belangrijke bedrijfsafdelingen, denk aan Philips.’ – Willem Oskam, televisie-interview

Nieuwezijds Voorburgwal, jaren negentig
De Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, begin jaren negentig. Achter de kassa van Modern Antikwariaat Van Gennep staat een norse man met het postuur van de Dokwerker.
Zijn enige politieke activiteit is nog het afrekenen van verramsjte boektitels over China, de Sovjet-Unie en van marxistische denkers als Antonio Gramsci en Alexandra Kollontai. Ooit was hij letterlijk en figuurlijk als voorzitter het boegbeeld van de Rode Jeugd, de revolutionaire jongerenorganisatie die in de tweede helft van de jaren zestig en begin jaren zeventig aan de stoelpoten van de gevestigde orde in Nederland knaagde. Willem Oskam heet hij, bijgenaamd Rooie Willem, of Dikke Willem. Zijn politieke activiteiten heeft hij achter zich gelaten en ingeruild voor een fervent supporterschap voor Ajax.

Nieuwezijds Voorburgwal, 14 juni 1966
Amsterdam, de Nieuwezijds Voorburgwal, 14 juni 1966. Een dag eerder is in Amsterdam het Bouwvakkersoproer uitgebroken. Bouwvakker Weggelaar sterft tijdens een demonstratie.
Getroffen door een steen, gegooid uit eigen gelederen, zo meldt De Telegraaf. Vanwege deze – onjuiste – berichtgeving proberen woedende bouwvakkers de volgende dag met emmers zand het gebouw van de krant binnen te dringen. Het zand moet in de persen, het drukken van de krant moet gestopt worden. Een vrachtauto en rollen krantenpapier worden in brand gestoken. Op dat moment rijdt Willem Oskam in het busje van zijn baas over de Nieuwezijds.
Hij parkeert het busje langs de kant en dringt te midden van bouwvakkers het gebouw binnen. Telegraafmedewerkers proberen de bouwvakkers tegen te houden. Ver komen de mannen niet, de persen zijn onbereikbaar. Wanneer Oskam later die dag het busje aflevert bij zijn baas, krijgt hij te horen dat hij de volgende dag niet meer terug hoeft te komen.

Willem Oskam

Havenarbeider
Willem Oskam (1943-2000) was de zoon van een havenarbeider uit een communistisch nest. Zijn vader was lid van de communistisch georiënteerde Eenheids Vakcentrale. Thuis werd trouw De Waarheid gelezen. Zijn jeugd offerde hij naar eigen zeggen op aan zijn ideaal: het communisme.
Oskam vertelde later dat hij tijdens zijn fanatieke, revolutionaire jaren iets weg had van een Jehova’s Getuige. Ook tijdens zijn meest fanatieke jaren woonde hij bij zijn ouders op zolder en voor ‘lonende relaties met het andere geslacht’ had hij simpelweg geen tijd. Hij werkte in Amsterdam als havenarbeider, als chauffeur en later op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Hij was actief in de CPN en maakte propaganda voor het communisme. Hij zorgde dat hij politiek geschoold werd door de werken van Lenin, Stalin en Mao Zedong te lezen en bouwde zo een indrukwekkende kennis over het marxistisch- leninistisch gedachtegoed op.

Spruitjeslucht
Tot diep in de jaren vijftig was Nederland een betrekkelijk ouderwets land. Men bleef over het algemeen trouw aan de tradities en gewoonten die al voor de Tweede Wereldoorlog hadden gegolden. Hoge geboortecijfers en frequent kerkbezoek werden in stand gehouden door de gevestigde katholieke en protestantse zuilen. De lonen waren relatief laag, arbeidsonrust was er nauwelijks en van emancipatie hadden nog weinigen gehoord. Weinig vrouwen werkten buitenshuis. De vaderlandse politiek leek zich tijdens de wederopbouw grotendeels volgens het vooroorlogse stramien te herstellen. In de jaren zestig echter ontstonden maatschappelijke en politieke bewegingen die zich wilden ontdoen van de benauwende spruitjeslucht en het maatschappelijke patroon van de jaren vijftig. Hoewel betere onderwijskansen, zorg en ouderdomsvoorzieningen voor iedereen een zorgeloze toekomst beloofden, bleken vooral jongeren zich niet altijd meer te kunnen vinden in de voorgespiegelde toekomst met een huis, gezin, werk, auto en televisie. Het vooruitzicht een leven te leven net als je ouders, met ingebakken omgangsvormen – een eentonig en gezapig bestaan – leek velen toch niet zo aanlokkelijk.

Verzet
Halverwege de jaren vijftig bood de rock-‘n-roll zulke jongeren een uitlaatklep. Door te genieten van andere muziek dan waar je ouders naar luisterden, ontstond de mogelijkheid je af te zetten tegen de leefwijze en opvattingen van ouders en andere opvoeders. Een andere haardracht en andere kleren onderstreepten dat gevoel. In de jaren zestig werkte de popmuziek als een soort slinger om het aanwakkerende verzet tegen de opvattingen van ouders, leraren, gezagsdragers, dominees en priesters, te verwoorden.
Mede onder invloed van de Koude Oorlogsdreiging en de oorlog in Vietnam ontstond in de jaren zestig onder jongeren het streven naar een andere inrichting van de samenleving. Het was vooral de beweging Provo die uiting wist te geven aan het groeiende besef dat de samenleving fundamenteel anders ingericht moest worden.

Read more

Bookmark and Share

John O’Mill en de macaronische traditie


Er is een tijd geweest, lang vóór de Ryam- en de Beyoncé-agenda de klassen vrolijk kleurden, dat de agenda voor het nieuwe schooljaar door de school zelf werd verstrekt. Andere modellen waren uit den boze. Het waren dan ook saaie, grijzige notitieboekjes, zonder opsmuk.

De enige frivoliteit die de ontwerpers zich veroorloofden, waren korte, lichtvoetige versjes, gewoonlijk rechtsonder op de zaterdag. Populair waren bijvoorbeeld C. Buddingh’, Daan Zonderland en Kees Stip; volwassenen kunnen dankzij die saaie agenda’s vaak nog klassieke regels uit het hoofd reciteren als

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan

van Buddingh’, of

Er zijn hier heel wat maden bij
die made zijn in Germanij

van Kees Stip, in de gedaante van Trijntje Fop.

Favoriet waren de rijmpjes van John O’Mill, het pseudoniem van de Brabantse docent Engels Jan van der Meulen (1915-2005). Ze waren grappig, eenvoudig te onthouden en dus altijd makkelijk te citeren. Een voorbeeld:

Rot young
A terrible infant, called Peter
sprinkled his bed with a gheter.
His father got woost,
took hold of a cnoost
and gave him a pack on his meter.

Of

Drents adrift
A hot headed Drent in Ter Apel
who always ran too hard from staple
forsplintered his plate
when the waitress was late
and gave her a lell with the laple.

Ze verschenen, behalve in die sombere agenda’s, in kleine boekjes met olijke titels als Lyrical Laria of Rollicky Rhymes, Bonny Ballads, an O’Mill medley of Verse & Worse, Curious Couplets, in Waals en Koeterwaals of – de mooiste – Popsy Poems. Pre-Popsylated Poetry. Rispe Rijmen in Dutch and double Dutch.
(Korte taalles: double Dutch is Engels voor “onzin uitkramen”. Risp komt niet voor in het Nederlands en lijkt vooral door de dichter gekozen vanwege de mooie alliteratie met “rijmen”.

Pre-Popsylated wordt in een inleiding door de dichter zelf als volgt toegelicht: “All the verse in this bundle has been carefully and critically pre-popsylated by the author himself, so that any resemblance to art or poetry is purely accidental”. Het zal geen verbazing wekken, dat popsylated niet in de Engelse woordenschat voorkomt. Met wat goede wil kan nog gedacht worden aan een woordspeling met preposterous, volgens het woordenboek te vertalen met “ongerijmd”.)

Read more

Bookmark and Share

Minouche Shafik – Samen – Een nieuw sociaal contract voor de 21e eeuw


Minouche Shafik – Ills.: Joseph Sassoon Semah

‘Wij hebben een nieuw sociaal contract nodig dat beter in elkaar zit, dat zekerheid en kansen biedt voor iedereen. Een sociaal contract dat minder gaat over ‘mij’ en meer over ‘wij’, dat onze onderlinge afhankelijkheid onderkent en daar tot ons wederzijds profijt gebruik van maakt.’

Het huidige sociale contract staat onder druk. Het is het moment om tot een eerlijker sociaal contract te komen, het lijkt alsof we het huidige neoliberalisme in bepaalde mate achter ons willen laten, aldus Minouche Shafik. Ons sociaal contract is bezweken onder de druk van technologische en demografische veranderingen. Ze hebben onze wereld ingrijpend getransformeerd, met gevolgen voor inkomensverschillen, gendergelijkheid, onderwijs, gezondheidszorg en werk. We leven steeds vaker in een je-staat-er-alleen voor samenleving, hetgeen niet alleen onrechtvaardig is, maar ook veel minder efficiënt en productief dan wanneer de risico’s worden gespreid over de hele samenleving.

Minouche Shafik neemt ons mee door de stadia van het leven- opvoeden van kinderen, volgen van onderwijs, ziek worden, oud worden- en maakt duidelijk hoe we onze samenleving in elk stadium en op elk niveau kunnen herordenen.
Ze pleit voor zekerheid voor iedereen middels een gegarandeerd minimuminkomen, recht op onderwijs, basisgezondheidszorg en bescherming tegen armoede tijdens de ouderdom.
Ze pleit voor een maximaal investeren in capaciteiten zodat de productiviteit wordt verhoogd, onder andere met hulp van digitale techniek in bijvoorbeeld de gezondheidszorg.
Er is ook veel ongebruikt talent van opgeleide vrouwen, minderheden en kinderen uit arme gezinnen. En ze pleit voor een eerlijke en efficiënte spreiding van risico’s. In het toekomstige sociaal contract zal toenemende flexibiliteit in arbeidskrachten gecombineerd moeten worden met meer zekerheid. Jonge mensen moeten worden erkend in een sociaal contract tussen de generaties, zij die nu leven moeten iets doen aan de erfenis van milieuschade (we hebben een veel te grote aanslag op het milieu gepleegd) en staatsschulden.
Iedereen moet zo lang mogelijk een bijdrage leveren aan de samenleving en burgers zullen ook meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun gezondheid.

Ze stelt zichzelf de vraag hoe we nieuw sociaal contract moeten financieren in een richting die haalbaar is. Betekent een nieuw sociaal contract een enorme toename van de overheidsuitgaven en een sterke verhoging van de belastingen om een gesubsidieerde kinderopvang, voorschoolse educatie en permanente scholing, toegankelijke gezondheidszorg en een staatspensioen mogelijk te maken? Shafik ziet een deel van deze uitgaven als investering, die in de toekomst hogere belastinginkomsten zullen genereren, maar ook het milieu zullen verbeteren. Dat biedt de mogelijkheid kapitaal te lenen. Een aantal posten keren echter steeds terug, zoals pensioenen en een deel van de gezondheidszorg. Deze kosten moeten daarom worden gefinancierd uit belastingheffing, tenminste in de hoogontwikkelde landen.
Om de klimaatverandering af te remmen moeten we Co2-belasting heffen.

Een nieuw sociaal contract vraagt ook een andere rol van overheid en bedrijfsleven. Het bedrijfsleven zou zich moeten richten op meer winnaars door te investeren in onderwijs en vaardigheden, door achtergebleven regio’s te voorzien van een betere infrastructuur en door innovatie en productiviteit te bevorderen. De overheid zal verantwoordelijk moeten zijn voor een minimaal stelsel van voorzieningen, die iedereen beschermen tegen grote tegenslagen en die worden betaald uit de belastingen, aldus Shafik. De belastingdruk moet verschuiven zodat een gelijker speelveld ontstaat tussen kapitaal en arbeid. Er moet worden opgetreden tegen het ontwijken van vennootschapsbelasting.

De ontwikkeling van het sociaal contract is in de meeste landen afhankelijk van de structuur van het politieke bestel, de effectiviteit van de controlerende mechanismen, de opkomst van politieke coalities en de kansen die voortkomen uit crises, zoals nu de coronacrisis, waarbij vooral de meest kwetsbaren lijden onder de pandemie en het heeft laten zien wat de zwakke plekken zijn van de gezondheidszorg en ouderenzorg. Landen met een presidentieel en meerderheidsstelsel en autoritaire regimes kennen meestal een kleiner overheidsapparaat en een minder genereus sociaal contract. Er zijn minder prikkels om rekening te houden met minderheden. Landen met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en die inclusiever zijn bieden de beste kansen voor een goed functionerend sociaal contract.

De coalitie voor een nieuw sociaal contract is in potentie groot en divers. Jonge mensen zijn gemobiliseerd door middel van acties voor een beter milieu en de mogelijkheden van een levenslang onderwijstegoed, als compensatie voor wat ze zijn kwijtgeraakt. Mensen zonder vast contract zullen vaker om zekerheid, opleidingen en omscholingsmogelijkheden gaan vragen. Het belang van een toegankelijke gezondheidszorg, het aanmoedigen van preventiemaatregelen zijn aangetoond in de pandemie.

In Samen draagt Minouche Shafik de bouwstenen aan voor een nieuw sociaal contract, waarin meer onze onderlinge afhankelijkheden wordt onderkend, meer in mensen wordt geïnvesteerd, maar ook meer van individuen wordt verwacht.

Minouche Shafik – Samen. Een nieuw sociaal contract voor de 21 e eeuw. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2021. ISBN: 9789046826799

Minouche Shafik is directeur van de London School of Econimics and Political Science. Ze was vicepresident van de Wereldbank en bekleedde hoge posities bij het IMF en de Bank of England.

Zie ook:

Professor Amartya Sen, Lamont University Professor and Professor of Economics and Philosophy, Harvard, deliver a Distinguished Public Lecture on 18 January 2017 in the Sheldonian Theatre: Democracy and Social Decisions
www.ophi.org.uk

Bookmark and Share

Bonnot in beeld – De Autobandieten in fictie


De geschiedenis van de Autobandieten, de groep gewelddadige anarchisten die in 1911 en 1912 Parijs en daarmee Frankrijk in paniek bracht – zie het korte historische overzicht op Rozenberg Quarterly – zorgde voor tientallen studies naar de sensationele gebeurtenissen tijdens de Belle Époque.

Blijkbaar spraken de gebeurtenissen enorm tot de verbeelding want ook in de populaire cultuur is decennia later de erfenis van de Autobandieten terug te vinden.

Het was een middelmatige hit, maar ook een middelmatig nummer: de single La Bande à Bonnot van de Franse chansonnier Joe Dassin, verschenen in het kielzog van de speelfilm La Bande à Bonnot, uitgebracht in 1968. Blijkbaar maakten de Autobandieten toen nog steeds de tongen los, in ieder geval van het ridicule dameskoortje in het nummer van Dassin, die trouwens zelf ook met een misplaatst soort vrolijkheid de daden van de anarchisten bezingt.

De versie die het Franse rockduo Orange Macadam in 2008 (!) van hetzelfde nummer maakte, ligt aanzienlijk beter in het gehoor.

Speelfilm
De speelfilm La Bande à Bonnot uit 1968, geregisseerd door Phillie Fourastié, verdient geen Oscar, zelfs geen vijf sterren, maar acceptabel is de film toch wel. Acteur Bruno Cremèr is te zien als Jules Bonnot (later speelde Cremèr Maigret in de gelijknamige tv-serie uit de jaren negentig), de rol van Raymond Callemin wordt, heel verrassend, gespeeld door Jacques Brel, zijn tweede filmrol ooit. Brel schreef ook de muziek voor de film. Actrice Annie Girardot speelt een van de vrouwen in de groep rond de Autobandieten. Of de film ooit in Nederland is vertoond is niet meer te achterhalen. Wel in België, waar het volledig uitgeschreven filmscenario met dialogen, verscheen in een luxueuze boekenreeks getiteld Filmclub, waarin scenario’s van films werden gepubliceerd: Alexandre le Roi, De bende van Bonnot (uitg. Walter Beckers, Kalmthout-Antwerpen, z.j. waarschijnlijk 1968).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De film geeft een overtuigend sfeerbeeld van het illegalistische milieu van anarchistische activisten rond 1911. Op kleding en haardracht van de acteurs is nog wel iets af te dingen: een tikkeltje te veel jaren-zestig, alsof aansluiting gevonden moest worden met de revolutionaire sfeer in Parijs in de meidagen van 1968.
De acties van de Autobandieten – voor zover te beoordelen – zijn waarheidsgetrouw in beeld gebracht, al is niet gefilmd op de exacte, nog bestaande locaties van de gebeurtenissen.
Bovendien toont de film nogal wat anachronismen. Zo zijn er vuurwapens en bewegwijzering te zien die in 1911 nog niet bestonden en een lied dat door de bandieten wordt gezongen werd pas in 1936 gecomponeerd.

Bioscoopscène
Een gemiste kans is een scène in een bioscoop, waar Bonnot en zijn vrienden een Amerikaanse gangsterfilm bekijken, The Gangsters and the Girl. Weliswaar is deze gebaseerd op de belevenissen van de Autobandieten, maar de film dateert uit 1914. Toen waren de meeste leden van de bende al lang om het leven gekomen of geëxecuteerd.
Authentieker zou zijn geweest wanneer de regisseur de bendeleden in de bioscoop naar een contemporaine film over henzelf had laten kijken. Dat had gekund met de korte speelfilm L’Auto grise uit april 1912, gebaseerd op de overvallen van de Autobandieten. Deze film biedt een nauwkeurige reconstructie van de gebeurtenissen. In mei 1912 maakte regisseur Victorin Jasset een tweede film over hetzelfde onderwerp, Hors la loi. Beide films voegde hij later samen tot Les Bandits en automobile. Jasset gebruikte weliswaar niet de daadwerkelijke locaties voor zijn film, maar benadert wel de werkelijkheid. Zo werd de garage waar Bonnot werd belegerd exact nagebouwd. Op Youtube is de film in zijn geheel te zien.

Romans
Het boek La Bande à Bonnot (1968) van de Franse auteur Bernard Thomas is een gefictionaliseerde versie van de geschiedenis van de Autobandieten. De roman is niet in het Nederlands vertaald, wel in het Duits: Anarchisten, Ein Bericht (1970). Thomas verzon natuurlijk de dialogen, maar de historische lijn houdt hij correct aan. De roman In Ogni Caso Nessum Rimorso (1994) van de Italiaanse schrijver Pino Cacucci, in het Engels vertaald als Without a Glimmer of Remorse (Read and Noir Books, 2006), volgt op vergelijkbare wijze de historie, maar leest een stuk minder makkelijk.
Aan deze twee romans ging lang daarvoor een eerste geromantiseerde versie van het verhaal van de Autobandieten vooraf. De Nederlandse anarchistische propagandist Anton Constandse publiceerde in 1935 De Autobandieten, nog steeds het enige in Nederland gepubliceerde boek over de groep. Het verscheen bij de BOO te Zandvoort, de Bibliotheek voor Ontspanning en Ontwikkeling van anarchistisch uitgever Gerhard Rijnders. De BOO gaf sociale romans uit, populair wetenschappelijke titels en anarchistische teksten.
Dat Constandse voor de romanvorm koos, lag in het verlengde van de opzet van de BOO: goedkope, leesbare boeken voor iedereen. Een roman was voor veel lezers toegankelijker dan een biografie, een beschrijving van arbeidsomstandigheden of en verhandeling over sociale strijd.
Constandse weet de sfeer in het Franse anarchistische milieu goed te schetsen, iets waar zeker degelijk studiewerk aan ten grondslag moet liggen. Ondanks de daden van de Autobandieten, weet hij enige sympathie op te wekken voor een aantal leden van de groep, zoals voor de jonge Carouy, die vogeltjes kocht op de vogelmarkt, om ze vervolgens los te laten. Hij beschrijft glashelder het tragische element in de geschiedenis: in beginsel waren het goeie jongens en met hun ideeën was in oorsprong niets mis, maar overmoed en onbezonnenheid droegen bij tot hun gewelddadige ondergang.[1]

Strips
Een waarheidsgetrouwe weergave van het anarchistische wereldje ontbreekt in de strip La Bande a Bonnot van de Spaanse makers Clavé en Godard, in het Duits verschenen als Viel Blut für teures Geld (Karin Kramer Verlag 1990). De strip is een mooi filmisch verslag van de affaire, het leest als het storyboard voor een film. Auto’s, gebouwen en straatscènes zijn tot in detail perfect getekend, maar de personages blijven afstandelijke, kartonnen figuren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat geldt ook voor het stripverhaal Geen god, geen meester. Een avontuur van de Tijgerbrigades van Harald Kivits (2006). Deze bewerking van een aflevering van de Franse televisieserie Les Brigades du Tigre, is gebaseerd op een door de Franse premier Georges Clemenceau (1841-1929) – bijgenaamd Le Tigre – ingestelde politie-eenheid die recht en orde moest herstellen in het Frankrijk van begin vorige eeuw. In werkelijkheid heeft de Tijgerbrigade van Clemenceau nooit tegenover de Autobandieten gestaan.

Chansons
Het koortje bij Joe Dassin mag dan lekker doorzingen, in de chansons die de Franse kunstenaar, schrijver, trompettist en jazzcriticus Boris Vian (1920-1959) over de Autobandieten schreef, gaat het er een stuk filosofischer en socialer aan toe. Vian zong de chansons op de elpee La Bande à Bonnot niet zelf, maar de nummers werden op muziek gezet door Louis Bessières en verschenen in 1975 op elpee, in een prachtige uitklaphoes met illustraties uit de strip van Clavé en Godard. Voor Vian zijn de Autobandieten niet een stel nietsontziende criminelen, maar hij plaatst hun geschiedenis juist in een sociale context. Zijn boodschap is duidelijk: de maatschappij is de oorzaak van hun acties. Het nummer L’enfant de Bonnot illustreert dat.

Boris Vian: De jeugd van Bonnot

In zijn doodsstrijd beleeft een man zijn verleden,
in de heldere ogen van zijn hond die naast hem sterft,

In 1881, hij was toen vijf jaar, kende hij verdriet om de dood van zijn moeder,
en zijn vader sloeg hem zonder reden keer op keer,
zijn afkeer tegen onrechtvaardigheid werd alleen maar groter,

Zonder de minste tederheid,
zonder de geringste tederheid,
groeide hij op als onkruid dat gewied wordt tussen de stenen,

Zo ging hij door zijn kindertijd,
en vermoedde al dat om zich te verdedigen, zijn blote handen
niet voldoende waren,

Geen enkele onderwijzer begreep hem,
zelfs niet een beetje,
probeerden niet de oorzaken te kennen
waarom hij zo’n ongelukkige indruk maakte,
Men zei al tegen hem: ‘Je moet niet teveel praten…’
‘Het is niet goed dat je hardop zegt wat je denkt,’

De eerste knokpartij,
de buurman die hem verlinkt,
de smerige fabriek en het afgestompende werk,
De tijd van woede,
Toen soldaten schoten op een menigte die betoogde
op een eerste mei,

Wat voorafgaat is niet genoeg om hem te excuseren,
maar men vindt toch een verklaring voor zijn wandaden,
dat in een onrechtvaardige maatschappij,
waarin de vrijheid wegkwijnt,
De maatschappij heeft de criminelen die zij verdient.

– Vertaling chanson: Dick Gevers

Noot:
[1] In 2010 werd het boek van Anton Constandse opnieuw uitgegeven, met een nieuwe, heldere inleiding waarin Dick Gevers de Autobandieten in hun historische en sociale context plaatst: Anton Constandse, De Autobandieten, Kelderuitgeverij/De Vooruitgang 2010, ISBN 9789079395040.

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives