Besame Mucho – Een saxofonist verstript

De muziek van de film Ascenseur pour l’échafaud uit 1958 – regie Louis Malle – is bekender dan de film zelf. Miles Davis maakte de soundtrack, die niet alleen bij jazzliefhebbers bekend is. Vaak is de muziek te horen als achtergrond bij documentaires of televisiereportages. Het onmiskenbare trompetspel van Davis wordt afgewisseld met melancholische saxofoonklanken. Er ontstaat een serie lang uitgesponnen saxofoon- en trompetsolo’s met een simpel, telkens terugkerend thema, zonder echte melodie, wat zich eindeloos lijkt te herhalen.
Filmkijkers herinneren zich vooral deze muziek bij de scènes waarin een wanhopige Jeanne Moreau, op hakjes, verdwaasd over de beregende kinderhoofdjes van straten in Parijs beweegt. Het zijn ook de enige beelden uit de film die blijven hangen. Zonder de muziek van Miles Davis zou de film waarschijnlijk al lang in de vergetelheid zou zijn geraakt.

Film noir
Ascenseur pour l’échafaud is de eerste lange speelfilm van regisseur Louis Malle (1932-1995). Het is een in zwart/wit gedraaide film noir die bij vlagen hitchcock-achtig aandoet.
Een vrouw – Jeanne Moreau in de rol die haar doorbraak zou betekenen – en haar minnaar zijn van plan haar echtgenoot te vermoorden. Het plan dreigt te mislukken wanneer de minnaar opgesloten raakt in een lift in een verder verlaten kantoorgebouw en zo zijn afspraak met de vrouw misloopt. Wanhopig dwaalt ze ’s nachts door een uitgaanswijk van Parijs, in café’s en nachtclubs op zoek naar haar minnaar.

Nouvelle Vague
Hoewel Ascenseur pour l’échafaud niet door alle filmhistorici gerekend wordt tot de Nouvelle Vague, de Franse filmstroming die brak met de traditionele wijze van filmen, geldt de film wel als voorloper ervan. Zeker is dat de film een belangrijke inspiratiebron was voor regisseurs als François Truffaut en Jean-Luc Godard, toonaangevende vertegenwoordigers van de Nouvelle Vague.
Eind jaren vijftig en in het begin van de jaren zestig weken Truffaut en Godard, maar ook regisseurs als Claude Chabrol, Eric Rohmer en Agnès Varda, met hun werkwijze fundamenteel af van de tot dan toe heersende filmtradities. Hun aanpak was niet gebaseerd op van te voren geprogrammeerde scènes en dichtgetimmerde scenario’s, maar ging uit van experiment en improvisatie tijdens de opnames, in camerawerk, chronologie en editing, net als de soundtrack.

Jean Seberg en Jean-Paul Belmondo

Straatscènes
Als een van de eersten nam Louis Malle – later de regisseur van onder meer Zazie dans le Metro (1960), Pretty Baby (1978) en My Dinner with André (1981) – de camera mee de straat op. Niet om vanuit een vast standpunt te filmen, maar juist om op straat met personages mee te kunnen bewegen. Om Jeanne Moreau lopend door straten te kunnen filmen, werd de camera op een kinderwagen gemonteerd zodat ze overal gevolgd kon worden. François Truffaut filmde later op soortgelijke wijze straatscènes in Parijs voor zijn debuutfilm Le Quatre Cents Coup (1959). Truffaut liet de camera op een 2CV zonder dak monteren om de jonge Antoine Doinel te kunnen volgen op zijn zwerftochten door Parijs.

Schatplichtig aan Ascenseur pour l’échafaud is ook de beroemde straatscène in Godards A Bout de Souffle (1959), waarin Jean Seberg de Herald Tribune verkoopt op de Avenue des Champs- Élysées en door Jean-Paul Belmondo wordt aangesproken. Door – op de openingsscène na – de hele film op locatie te draaien in plaats van in een studio, doorbrak Godard fundamenteel de bestaande filmtraditie en baande hij de weg voor een nieuwe manier van film maken.

Jeanne Moreau en Miles Davis

Jazz in Parijs
In november 1957 was Miles Davis voor enkele optredens geboekt in de Club Saint-Germain in Parijs, een bekende jazzclub in de Rue Saint-Benoît. Franse jazzmusici als Barney Wilen, Stéphane Grapelli, René Urtreger en Boris Vian traden er frequent op, maar ook voor Amerikaanse jazzmuzikanten als Art Blakey, Kenny Dorham, Bud Powell en Kenny Clarke was het een geliefde plek. Parijs was een stad waar Amerikaanse musici graag verbleven.
Trompettist Chet Baker nam in Parijs een aantal van zijn beste platen op (op cd als Chet in Paris vol. 1-4).
In de jaren vijftig werd Parijs de stad ‘waar het gebeurde’. Europa herstelde zich van de Tweede Wereldoorlog, en Parijs was de stad waar de voorhoede van een nieuwe toekomst zich leek te kunnen manifesteren. Nieuwe stromingen in kunst, mode, cultuur en filosofie kondigden zich aan. Hoogwaardige journalistiek – de International Herald Tribune vindt zijn oorsprong in Parijs – en literaire tijdschriften als The Paris Review en Les Temps Modernes (onder redactie van Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir) bepaalden mede het sociaal-culturele klimaat.

Drugs
Zwarte musici hadden er nauwelijks last van racistische vooroordelen en discriminatie zoals ze dat in de Verenigde Staten meemaakten. Bovendien heerste er een gunstiger klimaat ten opzichte van drugsgebruik. Heroïne was een veel gebruikte drug onder musici. In Parijs was het niet al te problematisch om in die behoefte te kunnen voorzien. Bovendien was het Franse rechtssysteem aanzienlijk minder streng ten opzichte van het gebruik van harddrugs in vergelijking met de Verenigde Staten, waar de criminalisering en segregatie hand in hand gingen.

Juliette Greco en Miles Davis

Saint-Germain
Het was niet het eerste bezoek van Miles Davis aan Parijs. Al in 1949 had hij in Parijse clubs gespeeld. De Amerikaanse bebop was in Parijs ongekend populair, met name in de jazzcafé’s in Saint-Germain-des-Près. In Parijs werd Davis verliefd op chanteuse en actrice Juliette Gréco, die in bohemienachtige, existentialistische kringen rondom Jean-Paul Sartre verkeerde. In 1957 hernieuwde hij in Parijs zijn relatie met Gréco. Inmiddels was hij wereldberoemd, na het uitbrengen van de legendarische serie platen Cookin’-, Relaxin’-, Workin’- and Steamin’ with The Miles Davis Quintet.
Jean-Paul Rappeneau, jazzfan en assistent van Malle, kwam met de suggestie Davis te vragen voor de filmmuziek. Voor Louis Malle een uitgelezen kans zijn film publicitair een stuk aantrekkelijker te maken.

Improvisatie
De opnames vonden plaats op 4 en 5 december 1957 in de Le Poste Parisien Studio in Parijs, 116bis Avenue Champs-Élysées. Behalve Miles Davis, bestond de band uit de Amerikaan Kenny Clarke op drums, en de Franse musici Barney Wilen op tenorsax, René Urtreger op piano en Pierre Michelot, bass. Davis gaf de andere bandleden slechts wat globale aanwijzingen over de harmoniestructuur en volgorde van akkoorden. Terwijl scènes uit de film in de studio op een doek werden geprojecteerd, improviseerden de bandleden op de beelden.
Het samenspel met de bandleden en de ingetogen, trage soundtrack inspireerden Davis vervolgens tot het maken van de plaat Milestones (1958) en van Kind of Blue (1959), volgens velen de beste jazzplaat ooit gemaakt.
In Europa werd de soundtrack door Fontana uitgebracht op een ten-inch elpee. De eind jaren tachtig verschenen cd bevat ook de alternate takes.

Barney Wilen

Filmmuziek
Voor saxofonist Barney Wilen (1937-1996) geldt Ascenseur pour l’échafaud als de start van zijn carrière. Direct werd hij gevraagd de filmmuziek voor een tweetal Franse films te componeren: Un témoin dans le ville (1958) en Jazz sur scène (1958), waaraan Kenny Clarke meewerkte. Ook maakte hij de muziek bij Les Liaisons Dangereuses (1959) van regisseur Roger Vadim, met medewerking van Thelonius Monk. Ook trad hij op het Newport Jazz Festival op.
In de jaren zestig experimenteerde hij met free jazz en ging zich oriënteren op niet-westerse muziek. In 1968 bracht hij de plaat Dear Prof. Leary uit, een eerbetoon aan lsd-profeet Timothy Leary. In de jaren zeventig en tachtig maakte hij muzikale uitstapjes naar de rock en punk en bracht hij lange tijd in Afrika door, waar hij speelde en toerde met Afrikaanse musici.
Uit het Franse clubcircuit was hij verdwenen. Zo nu en dan maakte hij nog een plaat en produceerde hij muziek van anderen.

Stripverhaal
Wilen moet stomverbaasd zijn geweest toen hij in 1987 in een Franse kiosk exemplaren aantrof van het striptijdschrift (A Suivre), met daarin het stripverhaal Barney et la note bleue.
Overduidelijk hadden scenarist Phillipe Paringaux en tekenaar Jacques Loustal zich voor de strip laten inspireren door het leven van Barney Wilen. Het verhaal: een jonge tenorsaxofonist genaamd Barney, die een opmerkelijke gelijkenis vertoont met Barney Wilen, speelt in de jaren vijftig met jazzmusici als Art Blakey en Kenny Clark, raakt verslaafd aan heroïne en beleeft meerdere tragische affaires met vrouwen. Hij moet in zijn onderhoud voorzien door te spelen in tweederangs jazzorkestjes, die een weinig indrukwekkend repertoire van uitgemolken jazzstandards spelen. Tegen wil en dank wordt het nummer Besame Mucho zijn handelsmerk. Het trieste bestaan van Barney speelt zich af in troosteloze casino’s, verlaten Franse badplaatsen en derderangs clubs, om vervolgens iedere dag op een haveloze hotelkamer een spuit met heroïne in zijn arm te kunnen zetten. Vergeten door jazzliefhebbers en zonder vrienden sterft hij in alle eenzaamheid.

Barney Wilen bekijkt de tentoonstelling met tekeningen uit La Note Bleue

Comeback
Waarheidsgetrouw was het verhaal zeker niet, want Barney Wilen was springlevend, en ook Wilens levensloop had zich duidelijk anders voltrokken. Juist vanwege deze verschillen meende Wilen bij de makers van de strip verhaal te moeten halen. Er volgden pittige gesprekken tussen Wilen, Paringaux en Loustal. Het verhaal – inmiddels als stripalbum gepubliceerd – was wel degelijk bedoeld als eerbetoon aan Wilen, zo was de verklaring van de makers, maar hun research was niet al te nauwkeurig geweest. Onterecht hadden ze gemeend dat Barney reeds was overleden.
Er kwam een compromis, die zowel voor Wilen als de makers publicitair een gouden vondst bleek te zijn. Wilen nam een nieuwe cd op getiteld La Note Bleue, met nieuwe nummers en enkele standards, inclusief Besame Mucho. De nummers kregen de titels van de hoofdstukken in het stripalbum, Loustal maakte het hoesontwerp. Wilen maakte met de cd een comeback, Loustal kreeg een tentoonstelling met zijn werk en zou later furore maken als striptekenaar en illustrator. Het stripalbum moest meerdere malen worden herdrukt.
In 1987 kreeg de cd de prijs voor het beste Franse jazzalbum van dat jaar. In de herfst van datzelfde jaar speelde Wilen avond aan avond in de Parijse jazzclub Le Petit Opportun nummers van de cd. Dankzij de strip voor een opvallend jong publiek. Vaste prik iedere avond is een enthousiast gespeelde versie van Besame Mucho.

Soundtrack Ascenseur pour l’échafaud

Barney Wilen, Bud Powell, Kenny Clark e.a, Club Saint-German, 6 November 1959

Barney Wilen Quartet, Antibes Jazz Festival, Juli 1961




Félix Fénéon, kunstcriticus en anarchist

Félix Fénéon

Dat de Franse dichter Laurent Tailhade behalve zijn avondmaaltijd een oog moest missen, was een meer dan sneu gevolg van de bomaanslag die kunstkenner en –criticus Félix Fénéon op 4 april 1894 pleegde op het restaurant van Hôtel Foyot aan de Rue de Tournon in Parijs.
Het was vooral sneu omdat Tailhade Fénéon persoonlijk kende en ook diens anarchistische opvattingen deelde. Zijn verwondingen weerhielden Tailhade er echter niet van in de jaren daarna in zijn werk het anarchisme volop uit te dragen.

Vallotton – Félix Fénéon

Ministerie
Félix Fénéon (1861-1944) groeide op in de Bourgogne maar vertrok al snel naar Parijs. Op zijn twintigste kreeg hij een baan als klerk op het Ministerie van Oorlog. Hij zou er dertien jaar blijven werken. Daarnaast redigeerde hij voor uitgeverijen werk van Arthur Rimbaud en Lautréamont. Met zijn dandyachtige voorkomen – puntbaard, wandelstok, zwarte cape – was hij in kunstkringen een opvallende verschijning. Wekelijks bezocht hij de populaire kunstsalon van Stéphane Mallarmé. Naast zijn baan op het ministerie werd hij kunstcriticus bij het tijdschrift La Libre Revue. Ook schreef hij gezaghebbende artikelen over kunst en literatuur voor bladen als La Vogue en La Revue wagnérienne. Hij was de ontdekker van de schilder Georges Seurat en was bevriend met de schilder Paul Signac, die hem op een schilderij vereeuwigde. Ook de kunstenaars Toulouse-Lautrec en Félix Valleton maakte portretten van Fénéon. Hij was een onvermoeibaar promotor van het werk Seurat en Signac, die beiden gezien worden als de wegbereiders van het pointillisme. Voor deze stijl en andere daaraan gelieerde kunststromingen bedacht Fénéon de term neonimpressionisme.

Émile Henry

Anarchisten
Fénéon kreeg eveneens contacten in anarchistische kringen en hij ging schrijven voor het toonaangevende anarchistische tijdschrift L’En-Dehors van de anarchist Zo d’Axa en voor Revue anarchiste. Toen Zo d’Axa zijn toevlucht zocht in Londen nam Fénéon de redactie van L’En-Dehors over. Aan het tijdschrift werd onder meer meegewerkt door Octave Mirbeau. Jean Grave, Sébastien Faure, Bernard Lazare, Tristan Bernard en de Belgische anarchist Émile Verhaeren. Hij raakte bevriend met de Nederlandse anarchist Alexander Cohen en met ‘anarchist van de daad’ Émile Henry, die later de beruchte bomaanslag op het Café Terminus zou plegen. Soms logeerde Henry bij Fénéon of bij Cohen thuis. Al eerder had Fénéon Henry al eens aan een jurk geholpen, om in vermomming de politie te kunnen ontlopen.

Aanslagen
De uit Leeuwarden afkomstige Cohen (1864-1961) was na een redacteurschap bij Recht voor Allen van Domela Nieuwenhuis overhaast naar Parijs verhuisd. In Nederland werd hij gezocht wegens majesteitsschennis. Tijdens een rijtour van Koning Willem III had hij geroepen: ‘Leve Domela Nieuwenhuis! Leve het socialisme! Weg met Gorilla!’.

Alexander Cohen

In Parijs ging hij schrijven voor de anarchistische bladen L’En-Dehors en Le Père peinard en werd hij correspondent voor Recht voor Allen. In de Franse hoofdstad werden Fénéon en Émile Henry zijn beste vrienden.

Henry wilde in 1892 de eisen van stakende mijnarbeiders bij de Carmoux mijnmaatschappij kracht bijzetten en plaatste een bom bij het kantoor van de maatschappij in Parijs. De bom werd echter ontdekt en meegenomen naar een politiebureau in de Rue des Bons-enfants. Daar ontplofte de bom alsnog waarbij vijf politiemannen om het leven kwamen.

Zijn volgende aanslag was een wraakneming voor de executie van de anarchist Auguste Vailllant, ter dood veroordeeld wegens het plegen van een bomaanslag op de Chambre des Députés, de Kamer der Afgevaardigen. Op 12 februari 1894 plaatste Henry een bom onder een tafeltje in het drukbezochte Café Terminus bij het Gare St. Lazare. Eén persoon kwam om het leven en twintig mensen raakten gewond. Henry werd gearresteerd en in mei 1894 terechtgesteld.

Restaurant
Fénéon, die vond dat zijn eigen schriftelijke bijdragen aan het verkondigen van de anarchistische boodschap niet voldoende effect hadden, nam zich voor de vertegenwoordigers van de bourgeoisie in het hart te treffen. Op 4 april 1894 verstopte hij een bom in een bloempot en toog ermee naar de zetel van de Franse senaat, gevestigd in het paleis in de Jardin du Luxembourg. Daar bleek hij echter niet in de buurt van het bewaakte gebouw te kunnen komen, waarop hij besloot de bom te plaatsen bij het tegenover gelegen Hôtel Foyot, een door veel parlementariërs bezochte eetgelegenheid. Hij plaatste de bloempot in de vensterbank van het restaurant, stak de lont aan en wandelde rustig naar de Place de l’Odéon, waar hij op de bus richting Clichy sprong. Door de ontploffing sneuvelden ramen en stortten kroonluchters van het plafond omlaag. Alleen de dichter Tailharde raakte gewond, het kostte hem een oog.

Hòtel Foyot na de aanslag

Huiszoeking
Vanwege zijn anarchistische activiteiten werd Fénéon al enige tijd door de politie in de gaten gehouden. Een dag na de aanslag doorzocht de politie zijn woning maar kon daar geen verdachte aanwijzingen ontdekken. De huiszoeking moest wel op een misverstand berusten, concludeerde de politie-inspecteur en bood excuses aan. Op het politiebureau ondertekende Fénéon een verklaring waarin hij ontkende aanhanger van het anarchisme te zijn, en vertrok naar zijn kantoor op het Ministerie van Oorlog. Daar bewaarde hij in een la van zijn bureau een fles kwikzilver en enige ontstekers – hem door Henry in bruikleen gegeven – die echter door de politie werden ontdekt. Dit en zijn anarchistische activiteiten waren voldoende om hem te arresteren. Met de aanslag op het Hôtel Foyot is hij echter nooit meer in verband gebracht.

Proces
De Franse regering was de aanslagen beu en vaardige een serie strenge wetten uit waarbij iedere anarchistische activiteit strafbaar werd gesteld. Dertig vooraanstaande anarchisten werd ‘organisatie van criminele activiteiten’ ten laste gelegd, onder wie Sébastien Faure, Jean Grave, Paul Reclus, Félix Fénéon en Alexander Cohen. Voor de Franse staat draaide dit ‘Procès des trente’ echter uit op een mislukking. Slechts acht beklaagden werden veroordeeld, vier van hen bij verstek, onder wie Reclus en Alexander Cohen. De laatste had inmiddels de wijk naar Londen genomen. Pas in 1899 zou hij naar Parijs terugkeren.
Tijdens het proces wist Fénéon op vaak humoristische wijze aanklachten tegen hem te pareren. Bij een beschuldiging van een ‘nauw contact’ met de Duitse anarchist Kampfmeyer, antwoordde hij: ‘Ik spreek geen Duits en Kampfmeyer spreekt geen Frans. Hoe nauw moet dat contact dan geweest zijn?’ En toen hij beticht werd een vooraanstaande anarchist te hebben gesproken ‘achter een gaslantaarn’, was zijn antwoord: ‘Neem me niet kwalijk, Monsieur le Préfect, maar wat is de achterkant van een gaslantaarn?’ Fénéon werd vrijgesproken maar zijn baan op het ministerie moest hij wel opgeven.

Drie regels
Als redacteur kon hij aan de slag bij het vooraanstaande kunsttijdschrift La Revue Blanche. Ook daarin vestigde hij voortdurend de aandacht op het werk van Seurat en Signac en in 1900 organiseerde hij de eerste overzichtstentoonstelling van schilderijen van Seurat. In het tijdschrift publiceerde hij ook werk van Marcel Proust, Appolinaire, Paul Claudel en vertaalde hij Jane Austen en brieven van Edgar Allen Poe.

In 1906 ging hij voor de krant Le Matin de dagelijkse pagina faits divers samenstellen: berichten uit stad en provincie, die –zo was de opdracht – in de krant niet langer dan drie regels mochten zijn. Nieuwtjes over inbraken, ongelukken, crimes passionnel, moorden, branden en ander leed, werden door Fénéon geminimaliseerd tot gevatte beschrijvingen van het gebeurde, vaak met een kwinkslag of woordspeling, soms met kort commentaar. Hij puzzelde met woorden, zoals een dichter of liedjesschrijver. Ieder bericht vormt een verhaal op zich en roept vragen op over het hoe en waarom. Intrigerende, vermakelijke of hilarische, tragische of ontroerende berichten die in veel gevallen de aanzet tot een roman zouden kunnen zijn. De berichten zijn te vergelijken met de collages die Picasso en Braque jaren later uit gescheurde kranten samenstelden, maar doen ook denken aan de collages van Kurt Schwitters en aan de wijze waarop William Burroughs in de jaren vijftig kranten verknipte en omsmeed tot een roman. Dankzij het knipwerk van Fénéons vriendin zijn twaalfhonderd stukjes bewaard gebleven en in 2009 in boekvorm verschenen. Fénéon schreef de stukjes om in zijn onderhoud te voorzien, maar wellicht vond hij ook voldoening bij het in kaart brengen van het verval in de Franse samenleving. De lezer kon zelf zijn conclusie trekken.

In Rouen heeft M. Colombe zich gisteren met één kogel gedood. In maart had zijn vrouw hem er drie in het lijf geschoten en de echtscheiding was op handen.

Met haar tachtig jaren werd Mme Saout uit Lambézellec stilaan bang dat de dood haar zou overslaan. Toen haar dochter even de deur uit was, knoopte zij zich op.

In Falaise verwelkomde oud-burgemeester M. Ozanne de deurwaarder Vieillot met geweerschoten om zich, na één treffer, het leven te benemen.

Jacquot, eerste bediende bij een kruidenier in Les Maillys, heeft zich en zijn vrouw om het leven gebracht. Hij was ziek, zij niet.

Zittend in de vensterbank van het open raam, reeg G. Laniel, negen, uit Meaux haar laarsjes dicht. Bijna. Tot zij achterover op de keien smakte.

(uit: Félix Fénéon, Het nieuws in drie regels, Antwerpen 2009)

Geruchten
Jarenlang deden nog geruchten de ronde dat de aanslag bij Hôtel Foyot het werk van Fénéon was geweest. Fénéon zelf heeft er nooit in het openbaar over gesproken en besteedde er geen aandacht aan. Slechts eenmaal bevestigde hij dat hij de dader was, in een gesprek met Kaya Batut, de vrouw van Alexander Cohen.

Noot
1. Vorig jaar werd in het Moma in New York een grote tentoonstelling aan Fénéon gewijd, waarop onder meer werk van Seurat en Signac te zien was.

Literatuur
Alexander Cohen, In opstand, Amsterdam 1932
John Merriman, The Dynamite Club, New Haven/London 2009
Félix Fénéon, Het nieuws in drie regels, Antwerpen 2009
Joan Ungersma Halperin, Félix Fénéon, Aesthete & Anarchist in Fin-de-Siècle Paris, New Haven/London 1988




Wat is lang? Een onderzoek naar lange filmtitels

Ach, wat is lang? Dat is relatief.
Night of the day of the dawn of the son of the bride of the return of the revenge of the terror of the attack of the evil, mutant, crawling, alien, flesh-eating, hellbound, subhumanoid , zombiefied living dead part 2: in shocking 2-D (2011), bijvoorbeeld, wordt met zijn 40 woorden in vakkringen beschouwd als langste filmtitel.
Het is een parodie op The night of the living dead (1968), de titel van de film waarmee George A. Romero zijn regiedebuut maakte met een budget van slechts $ 150.000,-, een film die nog altijd een van de best gewaardeerde griezelfilms is.

De grap is dat in die ellenlange titel de namen van tal van andere films zijn verwerkt. Om te beginnen die van Romero, maar voorts ook bijvoorbeeld The revenge of the dead (1960), The bride of the monster (1955) of The attack of the killer-tomatoes (1980). Om een idee te geven. En er wordt ook nog een lijst met cliché-monsters bij geleverd, van mutant tot flesh-eating aan toe.
Als uitgangspunt voor hun selectie beperkten de vakkringen zich tot speelfilms – dus geen documentair of educatief werk – van Engelstalige – lees: Amerikaanse – makelij. Niet dat in het Frans – Chacun son cinéma ou Ce petit coup au coeur quand la lumière s’éteint et que le film commence (2007, 18 woorden) -, Duits – Die Antigone des Sophokles nach der Hölderlinschen Übertragung für die Bühne bearbeitet von Brecht 1948 (Suhrkamp Verlag) (1992, 17 woorden) -, Spaans – Mil nubes de paz cercan el cielo, amor, jamás acabarás de ser amor (2003, 13 wooorden) – of Italiaans – Film d’amore e d’anarchia, ovvero ‘stamattina alle 10 in via dei Fiori nella nota casa di tolleranza… (1973, 17 woorden) – geen lange titels bestaan, maar Amerika ziet zichzelf graag als het centrum van de cinematografische industrie en dat is, eerlijk gezegd, niet eens helemaal ten onrechte.

Pseudo-humor
Mocht u niettemin de indruk hebben dat overdreven lange titels zich bij uitstek lenen voor slechte horror – Oh Snap! I’m trapped in the house with a crazy lunatic serial killer! (2008, 13 woorden) – of voor de pseudo-humor van films op het bedenkelijke niveau van I could never have sex with any man who has so little regard for my husband (1973, 16 woorden), dan wordt het tegendeel bewezen door de verfilming van The Persecution and Assassination of Jean-Paul Marat as Performed by the Inmates of the Asylum at Charenton Under the Direction of the Marquis de Sade (1967, 25 woorden). Die is gebaseerd op Marat/Sade, het van oorsprong Duitse toneelstuk van Peter Weiss, zoals gespeeld door de Royal Shakespeare Company. Het geheel draait om een toneelstuk – de moord op de Franse filosoof Marat – in de versie van de bewoners van het krankzinnigeninstituut Asile de Charenton in Noord-Frankrijk onder de regie van Marquis de Sade, die daar zelf lang heeft verbleven en er ook zou sterven.

Kort
De vraag naar de langste titel brengt automatisch ook de zoektocht naar de kortste mee. Om die eer strijden drie films, een Amerikaanse en twee Europese. Q (1982) heette oorspronkelijk The winged serpent, De gevleugelde slang, en dat zou al genoeg moeten zeggen. Een prehistorisch Azteeks afgodsbeeld komt tot leven in zijn nest bovenop een New Yorkse wolkenkrabber en zaait dood en verderf onder de betere kringen in Manhattan.
M (1931) van regisseur Fritz Lang is, in contrastrijk zwart-wit gefilmd, een klassiek voorbeeld van Duits expressionisme. Maar M (de afkorting voor Mörder) is vooral nog steeds de moeite waard om de angstaanjagende rol van Peter Lorre als kindermoordenaar.
Er werd in 1951 door Joseph Losey een remake van gemaakt, maar dat bleek een slap aftreksel. Het was ook de inspiratie voor Shadows and fog (1992), een van de betere Woody Allen films.

De tweede niet-Amerikaanse productie is Z (1969), het portret van Griekenland onder het kolonelsregime waarvoor regisseur Constantin Costa-Gavras de Oscar voor beste buitenlandse film werd toegekend. De film heette aanvankelijk The anatomy of a political murder, Z – Grieks voor “Hij leeft” – is het protestsymbool voor het slachtoffer van die moord.

Wim en Pim
Wie onder Nederlandse films naar lange titels wil zoeken, heeft een indrukwekkende geschiedenis tot zijn beschikking. Opmerkelijke voorbeelden van ver vóór het digitale tijdperk zijn De mesaventure van een Fransch heertje zonder pantalon aan het strand te Zandvoort (1905, 13 woorden) en Het gestolen kind, door de trouwe Nero teruggevonden (1905, 8 woorden).
Maar echt op zoek naar lange Nederlandse filmtitels komt men al snel terecht bij het subsidieverslindende duo Wim Verstappen en Pim de la Parra, in de filmwereld bekend als “Wim en Pim”. Zij schonken ons films met namen als De minder gelukkige terugkeer van Joszef Katús naar het land van Rembrandt (1966, 12 woorden).
De intrigerendste is Mijn nachten met Susan, Olga, Julie, Piet en Sandra (1975, 9 woorden), die in de voorpubliciteit werd gepresenteerd als een “sex-psycho, suspense mystery thriller”, maar die in de praktijk, dat wil zeggen in de woorden van Ab van Ieperen in het NRC, werd getypeerd als “het werk van een niet onbegaafde filmamateur die op een landerige namiddag een ideetje heeft gekregen en dat onmiddellijk ten uitvoer heeft gebracht, zonder zich af te vragen of het eigenlijk wel zo’n goed idee was.”
Dat Pim de la Parra het ook alleen af kon, bewees hij met Paul Chevrolet en de Ultieme Hallucinatie (1985, 6 woorden). In Hollands Hollywood, dat een overzicht biedt van “Alle Nederlandse speelfilms van de afgelopen zestig jaar” (Amsterdam, 1995), doet Henk van Gelder een poging de chaos te schetsen te midden waarvan de film moest ontstaan.
Het is “het verhaaltje van een succesvolle, maar gescheiden thrillerschrijver, die doende is zijn relatie tot vrouwen te onderzoeken – of zoiets, want De la Parra was er de man niet naar om een strakke, glasheldere plot te ontwerpen.
Met de voornaamste acteurs werd een week gerepeteerd, waarbij iedereen naar hartenlust dialogen kon improviseren binnen de opzet. Karin Loomans noteerde die dialogen dan en stelde iets samen dat op een uitgewerkt draaiboek leek. Maar ook tijdens de opnamen was improvisatie nog mogelijk.”
Na de première is nooit meer iets van de film gehoord.




De rode loper naar Peking

‘Harde acties, die kunnen verschillen van het opsluiten van een directeur van een bedrijf, het bezetten van een fabriek, om het kapitalistische systeem in desorganisatie te brengen. Dat zou ook kunnen door sabotage bij belangrijke bedrijfsafdelingen, denk aan Philips.’ – Willem Oskam, televisie-interview

Nieuwezijds Voorburgwal, jaren negentig
De Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, begin jaren negentig. Achter de kassa van Modern Antikwariaat Van Gennep staat een norse man met het postuur van de Dokwerker.
Zijn enige politieke activiteit is nog het afrekenen van verramsjte boektitels over China, de Sovjet-Unie en van marxistische denkers als Antonio Gramsci en Alexandra Kollontai. Ooit was hij letterlijk en figuurlijk als voorzitter het boegbeeld van de Rode Jeugd, de revolutionaire jongerenorganisatie die in de tweede helft van de jaren zestig en begin jaren zeventig aan de stoelpoten van de gevestigde orde in Nederland knaagde. Willem Oskam heet hij, bijgenaamd Rooie Willem, of Dikke Willem. Zijn politieke activiteiten heeft hij achter zich gelaten en ingeruild voor een fervent supporterschap voor Ajax.

Nieuwezijds Voorburgwal, 14 juni 1966
Amsterdam, de Nieuwezijds Voorburgwal, 14 juni 1966. Een dag eerder is in Amsterdam het Bouwvakkersoproer uitgebroken. Bouwvakker Weggelaar sterft tijdens een demonstratie.
Getroffen door een steen, gegooid uit eigen gelederen, zo meldt De Telegraaf. Vanwege deze – onjuiste – berichtgeving proberen woedende bouwvakkers de volgende dag met emmers zand het gebouw van de krant binnen te dringen. Het zand moet in de persen, het drukken van de krant moet gestopt worden. Een vrachtauto en rollen krantenpapier worden in brand gestoken. Op dat moment rijdt Willem Oskam in het busje van zijn baas over de Nieuwezijds.
Hij parkeert het busje langs de kant en dringt te midden van bouwvakkers het gebouw binnen. Telegraafmedewerkers proberen de bouwvakkers tegen te houden. Ver komen de mannen niet, de persen zijn onbereikbaar. Wanneer Oskam later die dag het busje aflevert bij zijn baas, krijgt hij te horen dat hij de volgende dag niet meer terug hoeft te komen.

Willem Oskam

Havenarbeider
Willem Oskam (1943-2000) was de zoon van een havenarbeider uit een communistisch nest. Zijn vader was lid van de communistisch georiënteerde Eenheids Vakcentrale. Thuis werd trouw De Waarheid gelezen. Zijn jeugd offerde hij naar eigen zeggen op aan zijn ideaal: het communisme.
Oskam vertelde later dat hij tijdens zijn fanatieke, revolutionaire jaren iets weg had van een Jehova’s Getuige. Ook tijdens zijn meest fanatieke jaren woonde hij bij zijn ouders op zolder en voor ‘lonende relaties met het andere geslacht’ had hij simpelweg geen tijd. Hij werkte in Amsterdam als havenarbeider, als chauffeur en later op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Hij was actief in de CPN en maakte propaganda voor het communisme. Hij zorgde dat hij politiek geschoold werd door de werken van Lenin, Stalin en Mao Zedong te lezen en bouwde zo een indrukwekkende kennis over het marxistisch- leninistisch gedachtegoed op.

Spruitjeslucht
Tot diep in de jaren vijftig was Nederland een betrekkelijk ouderwets land. Men bleef over het algemeen trouw aan de tradities en gewoonten die al voor de Tweede Wereldoorlog hadden gegolden. Hoge geboortecijfers en frequent kerkbezoek werden in stand gehouden door de gevestigde katholieke en protestantse zuilen. De lonen waren relatief laag, arbeidsonrust was er nauwelijks en van emancipatie hadden nog weinigen gehoord. Weinig vrouwen werkten buitenshuis. De vaderlandse politiek leek zich tijdens de wederopbouw grotendeels volgens het vooroorlogse stramien te herstellen. In de jaren zestig echter ontstonden maatschappelijke en politieke bewegingen die zich wilden ontdoen van de benauwende spruitjeslucht en het maatschappelijke patroon van de jaren vijftig. Hoewel betere onderwijskansen, zorg en ouderdomsvoorzieningen voor iedereen een zorgeloze toekomst beloofden, bleken vooral jongeren zich niet altijd meer te kunnen vinden in de voorgespiegelde toekomst met een huis, gezin, werk, auto en televisie. Het vooruitzicht een leven te leven net als je ouders, met ingebakken omgangsvormen – een eentonig en gezapig bestaan – leek velen toch niet zo aanlokkelijk.

Verzet
Halverwege de jaren vijftig bood de rock-‘n-roll zulke jongeren een uitlaatklep. Door te genieten van andere muziek dan waar je ouders naar luisterden, ontstond de mogelijkheid je af te zetten tegen de leefwijze en opvattingen van ouders en andere opvoeders. Een andere haardracht en andere kleren onderstreepten dat gevoel. In de jaren zestig werkte de popmuziek als een soort slinger om het aanwakkerende verzet tegen de opvattingen van ouders, leraren, gezagsdragers, dominees en priesters, te verwoorden.
Mede onder invloed van de Koude Oorlogsdreiging en de oorlog in Vietnam ontstond in de jaren zestig onder jongeren het streven naar een andere inrichting van de samenleving. Het was vooral de beweging Provo die uiting wist te geven aan het groeiende besef dat de samenleving fundamenteel anders ingericht moest worden.

Maoïsten
Maar ook in de traditionele linkse politieke partijen in Nederland rommelde het. Binnen de Communistische Partij Nederland (CPN), die altijd klakkeloos de lijn van Moskou had gevolgd, ontstonden zelfs dissidente stromingen.
Willem Oskam, lid van de CPN, was in 1966 betrokken bij De Rode Vlag, een kritisch communistisch tijdschrift, wat de vreedzame overgang naar het socialisme zoals Moskou die voorstond, afwees. Men zag het Chinese communisme als het enige zuivere richtsnoer van het communisme. Volgens Moskou volgde Peking te dogmatisch de marxistisch-leninistische leer. Terwijl Peking vasthield aan de stalinistische lijn, had Moskou deze juist opgegeven.
Naar aanleiding van de ideologische breuk tussen China en de Sovjet-Unie voerde Paul de Groot, partijleider van de CPN, in 1964 de ‘neutraliteitspolitiek’ in. Door de CPN werd voortaan Moskou noch Peking gevolgd, ‘maoïstische elementen’ werden geroyeerd en aan de leden rond De Rode Vlag werd gevraagd te kiezen voor een publieke schuldbekentenis en braaf partijlid te blijven of op te stappen. China-gezinde partijleden kozen voor het laatste of werden geroyeerd.

Rode Garde
In de zomer van 1966 werd uiteindelijk na meerdere pogingen de Chinees-gezinde communisten te herenigen, in het gebouw De Valk aan de Valkenburgerstraat in Amsterdam de Rode Jeugd opgericht. Al gauw volgde ook een tijdschrift met dezelfde naam. Willem Oskam was een van de initiatiefnemers en werd voorzitter van de Rode Jeugd. Anders dan De Rode Vlag, richtte de Rode Jeugd zich nadrukkelijk op werkende jongeren. Want werd in het maoïstisch gedachtegoed tijdens de Culturele Revolutie, niet actief de verbinding met de jeugd gezocht? Jongeren, met name studenten en scholieren, zouden de motor achter de revolutie kunnen vormen, net zoals de Rode Garde in de Volksrepubliek ten tijde van de Culturele Revolutie. De Rode Jeugd omschreef zichzelf als een ‘offensieve verzetsorganisatie’ uitgaand van marxistisch-leninistische gedachtegoed. Het uiteindelijke doel: de vernietiging van het kapitalisme. De aanhang van de Rode Jeugd bestond uit scholieren, werkende jongeren en studenten. Op haar hoogtepunt had de beweging tussen de twee- en driehonderd leden in verschillende afdelingen in het land. Met de leuze ‘Jeugdloon is diefstal’ werd actie gevoerd voor een betere rechtspositie en een betere betaling van werkende jongeren.

Politiek toerisme
De Rode Vlag werd in het geheim politiek en financieel gesteund door de Chinese Communistische Partij, de Albanese Communistische Partij en de maoïstische Kommunistische Partij van België onder leiding van Jacques Grippa. Al voor de oprichting van de Rode Jeugd was Oskam een regelmatig bezoeker van de Chinese ambassade in Den Haag. De oprichting van de Rode Jeugd is in wezen het startsein van Oskams’ politieke toerisme. Voor de voorzitter van de Rode Jeugd werd door Peking de rode loper uitgerold. Oskam bezocht de Volksrepubliek een aantal malen, maar een kritiekloze volgeling van Mao Zedong was hij niet. In literatuur over de Rode jeugd wordt hij wel getypeerd als maoïst, maar correct is dat niet. Ideologisch volgde hij de lijn van Lin Biao, tweede man van China, defensieminister en de man achter de Mao-cultus in de jaren zestig. Bovendien de bedenker van het Rode Boekje van Mao. Lin Biao stond een andere communistische koers voor dan Mao.

Voorhoede
Mao streefde naar een communisme binnen één staat, tot stand te brengen met een gewapende strijd, in combinatie met een massale mobilisatie van boeren. De Sovjet-Unie stelde juist het industrieproletariaat centraal in haar strijd.
Lin Biao ging uit van de ‘omsingelingstheorie’. Het kapitalisme en imperialisme van de industrielanden moest op een offensieve manier vanuit de derde wereldlanden bestreden worden. Elk land zou een eigen communistische theoretische leider moeten hebben.
Essentieel is vervolgens de oprichting van een Rode Garde, evenals bijscholing van de jeugd. De zo gecreëerde voorhoede van westerse revolutionairen moet dan onrust en chaos creëren, iets waar de machthebbers de handen vol aan hebben. Juist op dat moment beroven revolutionaire strijders in de derdewereldlanden de westerse mogendheden van de pijlers van het wereldimperialisme, namelijk goedkope grondstoffen en arbeidskrachten. Door het wegvallen van deze twee belangrijke steunpilaren zou het imperialisme wereldwijd ineenstorten.

Vernieling
De Rode Jeugd richtte zich echter niet alleen op de jongeren. In het zesde nummer van de eerste jaargang richtte Oskam zich tot de arbeiders: ‘We kunnen wel door blijven gaan met het opsommen van verdovende middelen, waardoor de arbeider in een comatoestand komt te verkeren […] De bourgeoisie heeft het rotte systeem zo gekamoufleerd, dat vele arbeiders het idee krijgen, dat het allemaal nog niet zo slecht is.’​
Het werd volgens Oskam tijd dat ook de ‘oudere arbeiders hun TV verlieten en zich bij de reeds demonstrerende, actieve, Rode Jeugd voegden’. Maar het waren met name het Amerikaanse imperialisme, de oorlog in Vietnam en het kapitalisme die het in de opruiende artikelen in De Rode Jeugd moesten ontgelden. De eerste pamfletten van ​de beweging riepen op tot vernieling van vestigingen van Amerikaanse bedrijven en het Amerikaanse consulaat.
Niet verwonderlijk dat door deze felle agitatie de groepering al gauw de aandacht trok van de politieke inlichtingendienst PID, de binnenlandse veiligheidsdienst BVD en de militaire inlichtingendienst. Na een demonstratie waarbij de politie nadrukkelijk aanwezig was, schreef Oskam in een artikel: ‘Verschillende opvallend onopvallende figuren, aan wier intelligent snuitwerk het duidelijk te zien was, dat zij ‘stillen’ waren, hielden zich druk bezig met foto’s maken vanaf het trottoir of vanuit wagens die niet direct als politiewagens te herkennen waren.’

Opruiing
De aandacht in de media voor de Rode Jeugd was vooral terug te voeren op de arrestatie van enkele redacteuren. Dit naar aanleiding van een als ‘opruiend’ gekwalificeerd pamflet.
Waarschijnlijk was een column van Volkskrant-columnist Godfried Bomans de oorzaak. Bomans had op 10 juni 1966, vermoedelijk hoogstpersoonlijk door Willem Oskam, een ‘slordig gedrukt en slecht geschreven’ pamflet in handen gedrukt gekregen. Op de zaterdagse voorpagina van 18 juni 1966 sloeg hij alarm en opende hij de aanval op de ‘raddraaiers’.
Aangezien in het pamflet het redactieadres Kloveniersburgwal 18 was vermeld, kostte het de politie geen moeite de schrijvers van het pamflet te achterhalen en te arresteren wegens opruiing. Willem Oskam kreeg tien dagen cel, evenals redactielid Joost van Steenis en een fikse boete van enkele duizenden guldens. Bekende linkse intellectuelen als Renate Rubinstein, Han Lammers en Harry Mulisch betuigden hun steun aan de Rode Jeugd.

Scholingsavonden
Eind 1967 verbrak de Rode Jeugd definitief haar banden met de Rode Vlag. De connecties die Oskam al had met de Chinese ambassade werden aangehouden. De ambassade zag de Rode Jeugd als een maoïstische voorhoede en schroomde niet de beweging financieel te ondersteunen en de leiding te fêteren op reizen naar de Volksrepubliek.
Naast de talloze acties waaraan hij deelnam – soms ook voor Provo – gaf Oskam scholing over China, het marxisme-leninisme en Lin Biao, op scholingsavonden in Ons Huis in de Amsterdamse Rozenstraat.
Drie keer bezocht Willem Oskam de Volksrepubliek China. Hij behoort tot een van de weinige Nederlanders die eerste minister Zhou Enlai nog de hand hebben geschud. In 1965, nog voor de Culturele Revolutie, ging hij voor de eerste maal met een delegatie naar China.
Ze bleven er zes weken. ‘Daar werd je, bekaf van de reis, door mannen met walkie-talkies op het vliegveld naar zo’n Oostenwindlimousine geloodst en linea recta naar de voetbalwedstrijd Volksrepubliek-Albanië gereden. Enfin, dat was uiteraard alleen maar goed bedoeld,’ schreef Oskam later.

Kommunistische filosofie
Tegen het einde van de zomer van 1966 bereikte de Culturele Revolutie in China het hoogtepunt. Ambtenaren en intellectuelen werden massaal naar werkkampen op het platteland gestuurd om daar ‘de oorspronkelijke communistische mentaliteit op te doen’, miljoenen werden geëxecuteerd en de jeugd werd door Mao gemobiliseerd in de Rode Garde. In ​de Rode Jeugd (1966, no. 4), juicht Oskam Mao’s initiatieven toe: ‘Deze partij onder leiding van Mao heeft er dan ook voor gezorgd, dat de hongersnood een onbekend verschijnsel is geworden in China en dat er een betere en gelukkigere samenleving aan het ontstaan is. In de werken van Mao Tse-tung vindt men de grondslagen van de kommunistische filosofie en zonder deze is er geen ideale kommunistische samenleving mogelijk.’ En hij vervolgt: ‘De westerse machthebbers zijn bang voor deze filosofie en daardoor gebruiken ze allerlei methoden om deze te belabberen, zodat de westerse mens zich deze ideeën niet eigen zal gaan maken. De berichten over de Rode Garde in de Westerse pers zijn voor een groot deel van twijfelachtige waarde.’

Stalinisme
In de maatregel van Mao een Rode Garde op te richten en de jeugd te mobiliseren zag Oskam veel hoop. In het vierde nummer van de Rode Jeugd kondigde de redactie, in navolging van een groepering in Parijs, als eerste in Nederland, de oprichting van een Rode Garde aan. Doel: optreden tegen de burgerlijke invloeden in Nederland. De eerste oefening stond gepland voor zaterdagmiddag 28 januari 1966, 14.00 uur op de Dam. Zelfs scherpschutters en BVD-ers waren welkom. Wel op vertoon van een legitimatie, zo meldde een pamflet.
De schattingen van het aantal slachtoffers van de Culturele Revolutie loopt uiteen van achthonderdduizend tot vijf miljoen. Vermoedelijk was de Rode Jeugd zich bewust van het grote aantal slachtoffers en vervolgden van de communistische regiems. Maar Oskam schrijft over ‘de verbazing der gehele wereld die het Stalinisme heeft doen oproepen’ en noemt Stalin vooral ‘een realist’. Dit realisme van Stalin heeft weliswaar noodzakelijkerwijs soms een afstotende hardheid, schrijft hij. Zijn conclusie is dat het belangrijker is dat dit realisme een element van stabiliteit in de Russische boerenmassa’s heeft gebracht en bovenal de felbegeerde bolsjewistische revolutie heeft gerealiseerd.

Machtsstrijd
In de hete zomer van 1971 vertrok Oskam opnieuw voor drie maanden naar China, het zeskoppige landelijk bestuur van de Rode Jeugd reisde mee. Het zou zijn derde bezoek aan China worden. Twaalfduizend gulden reisgeld kreeg het bestuur mee, een gift van de Chinese ambassade. Dankzij zijn hechte band met de ambassade werd de delegatie ondergebracht in het luxueuze Peking Hotel. Andere concurrerende delegaties moesten het doen met het Vriendschapshotel. Opnieuw stonden bezoeken aan sportwedstrijden op het programma, maar ook aan katoenfabrieken en scheepswerven.
Willem Oskam is altijd achter de Culturele Revolutie, China en ook Mao blijven staan.
Hoewel zijn denkbeelden naar eigen zeggen in de loop der jaren aan verandering onderhevig waren, sprak hij met afschuw over de revisionistische verkwanseling die Deng Xiaoping met de denkbeelden van Mao had doorgevoerd. Zelfs de machtstrijd die zich tussen Lin Biao en Mao had afgespeeld bracht geen verandering in zijn visie. Het neerstorten van het vliegtuig met Lin Biao onder verdachte omstandigheden wat daarop volgde, evenmin. Ook de ‘vriendschapsband’ tussen de Amerikaanse president Richard Nixon – ‘die het heldhaftige Vietnamese volk belaagde’- en Mao Zedong niet.
Maar na 1971 bezocht Oskam China nooit weer. Hij had geen enkele behoefte ‘een nering van Kentucky Fried Chicken het Plein van de Hemelse Vrede te zien ontsieren,’ zo vertelde hij later.

Stamkroeg
In 1971 splitste de Rode Jeugd zich op in een legale en een illegale tak. Er volgden geruchtmakende bomaanslagen op Amerikaanse en Turkse instanties, een Philips vestiging en andere imperialistische doelwitten. Eind 1973 hief de Rode jeugd zich op. Met de Rode Hulp, de organisatie die voortvloeide uit de ‘geweldstak’ van de Rode Jeugd, en die zich tot een heuse polder-stadsguerrilla ontwikkelde, had Willem Oskam geen bemoeienis meer.
Zijn laatste jaren sleet hij achter de kassa van Van Genneps Modern Antikwariaat, waar hij menige boekenkoper met zijn barse woorden ‘papiertje of tasje?’ schrik aanjoeg. Vaak was hij te vinden in zijn stamkroeg De Engelse Reet, waar hij met gemak vijftien pils en tien jenever achterover sloeg en geregeld rondjes gaf aan de hele zaak. Iets wat niet te rijmen viel met het bescheiden salaris van een boekverkoper. Na een aantal incidenten in de winkel werd hij ontslagen. Van Rob van Gennep kreeg hij een fikse ontslagvergoeding mee.
In 2000 werd hij op 57-jarige leeftijd op de vervuilde zolder van zijn ouderlijk huis, omringd door boeken, ordners, pamfletten en brochures, dood aangetroffen.

Literatuur en bronnen
– Frans Dekkers, Daan Dijksman, ’n Hollandse stadsguerrilla. Terugblik op de Rode Jeugd, Amsterdam 1988
– Guus Meershoek, De Groep IJzerman, Amsterdam 2011
– Maarten van Riel, Zaterdagmiddagrevolutie. Portret van de Rode Jeugd, Amsterdam 2010
– Antoine Verbij, Tien rode jaren. Links radicalisme in Nederland 1970-1980, Amsterdam 2005
– Geke van der Wal, Rob van Gennep, uitgever van links Nederland, Amsterdam 2016
De rode jaren, documentairefilm van Leo de Boer, 2005
– Nummers van het tijdschrift De Rode Jeugd




John O’Mill en de macaronische traditie

Er is een tijd geweest, lang vóór de Ryam- en de Beyoncé-agenda de klassen vrolijk kleurden, dat de agenda voor het nieuwe schooljaar door de school zelf werd verstrekt. Andere modellen waren uit den boze. Het waren dan ook saaie, grijzige notitieboekjes, zonder opsmuk.

De enige frivoliteit die de ontwerpers zich veroorloofden, waren korte, lichtvoetige versjes, gewoonlijk rechtsonder op de zaterdag. Populair waren bijvoorbeeld C. Buddingh’, Daan Zonderland en Kees Stip; volwassenen kunnen dankzij die saaie agenda’s vaak nog klassieke regels uit het hoofd reciteren als

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan

van Buddingh’, of

Er zijn hier heel wat maden bij
die made zijn in Germanij

van Kees Stip, in de gedaante van Trijntje Fop.

Favoriet waren de rijmpjes van John O’Mill, het pseudoniem van de Brabantse docent Engels Jan van der Meulen (1915-2005). Ze waren grappig, eenvoudig te onthouden en dus altijd makkelijk te citeren. Een voorbeeld:

Rot young
A terrible infant, called Peter
sprinkled his bed with a gheter.
His father got woost,
took hold of a cnoost
and gave him a pack on his meter.

Of

Drents adrift
A hot headed Drent in Ter Apel
who always ran too hard from staple
forsplintered his plate
when the waitress was late
and gave her a lell with the laple.

Ze verschenen, behalve in die sombere agenda’s, in kleine boekjes met olijke titels als Lyrical Laria of Rollicky Rhymes, Bonny Ballads, an O’Mill medley of Verse & Worse, Curious Couplets, in Waals en Koeterwaals of – de mooiste – Popsy Poems. Pre-Popsylated Poetry. Rispe Rijmen in Dutch and double Dutch.
(Korte taalles: double Dutch is Engels voor “onzin uitkramen”. Risp komt niet voor in het Nederlands en lijkt vooral door de dichter gekozen vanwege de mooie alliteratie met “rijmen”.

Pre-Popsylated wordt in een inleiding door de dichter zelf als volgt toegelicht: “All the verse in this bundle has been carefully and critically pre-popsylated by the author himself, so that any resemblance to art or poetry is purely accidental”. Het zal geen verbazing wekken, dat popsylated niet in de Engelse woordenschat voorkomt. Met wat goede wil kan nog gedacht worden aan een woordspeling met preposterous, volgens het woordenboek te vertalen met “ongerijmd”.)

Traditie
Het duurde tot lang na de middelbare school, dat O’Mills werk meer bleek te zijn dan alleen in pseudo-Engels vervatte anekdotes, maar dat het paste in een eeuwenlange literaire traditie, die van de macaronische poëzie. Dat is, blijkens het Spectrum Opzoekboek Letterkunde. 2500 begrippen van A tot Z (2001), “poëzie waarbij de opzettelijke vermenging van twee of meer (vaak verbasterde) talen gebruikt wordt voor een komisch of zelfs nonsensicaal effect.”

Het genre is genoemd naar de bundel Carmen macaronicum de Patavinis (1490) die de Italiaanse dichter Michele di Bartolomeo (1450-1495) publiceerde onder het pseudoniem Tifi degli Odasi. De monnik Teofilo Folengo (1496-1544) maakte het genre bekend en populair. Hij vermengde in het Liber Macaronicorum (1520) zijn Italiaanse poëzie met Latijnse woorden. De naam is ontleend aan het begrip maccheroni, een eenvoudige maaltijd, gebaseerd op bloem, boter en kaas. Folengo zag het macaronische vers als het literaire equivalent van zo’n Italiaanse boerenmaaltijd.
Zijn Liber Macaronicorum was een succes, aanvankelijk in Italië, maar al snel in heel Europa en daarbuiten, zodat het niet langer alleen om verlatijnst Italiaans ging, maar in principe elke taal in aanmerking kwam.

De definitie van macaronisch vers moge dan van “een komisch of zelfs nonsensicaal effect” spreken, ook in de serieuzere kunsten zijn volop voorbeelden te vinden. En evenmin beperkt het zich tot poëzie. Zo laat Charles Chaplin, in zijn rol van Adenoid Hynkel (een persiflage van Adolf Hitler) in The Great Dictator (1940), een mengeling van onzin-Engels en namaak-Duits spreken. In Umberto Eco’s De naam van de roos (1980) uit de monnik Salvatore zich in macaronisch Italiaans en James Joyce had zijn Finnegans wake (1939) nooit zó geschreven zonder de macaronische principes. Nadsat is de macaronische geheimtaal waarmee leden van een bende in Anthony Burgess’ A clockwork orange (1962) communiceren.

Succes
Dat John O’Mill school gemaakt heeft, blijkt uit het succes van Make that the cat wise (2013), een boekje vol voorbeelden van stonecoalenenglish, fouten die Nederlanders, meestal zonder opzet, tegen het Engels maakten. Representatief zijn uitspraken als Are you trying to lead me around the garden? en No thank you, I look the cat out of the tree. Inmiddels is daar een hele lijn van ontwikkeld, met kaftpapier, pennenetuis en – ironisch genoeg – schoolagenda’s. Eenzelfde succes hadden I always get my sin (2009) en de Duitse variant Lass mal sitzen (2010).

O’Mill beperkte zich bepaald niet tot de – al dan niet pikante – limerick. Zijn oeuvre strekt van een- of tweeregelige versjes als

Of mice and men

Kleine muisjes hebben kleine wensjes
Beschuitjes met gestampte mensjes

tot hele ballades, zoals de zes pagina’s tellende Ballade van Japie de Vries. Populair zijn ook zijn hertalingen van het traditionele Nederlandse liedrepertoire – “Hooper the Poop sat on the stoop” en “Where the silver top of sand dunes” -, maar het best is hij op dreef als zijn macaronische dichtader vloeit, zoals in

A handful of rhythm

‘To bed, to bed’ said Dumb Malotte
‘First something hot’ said Licker Pot
‘Where shall we get it?’ said Middle Fing
‘In grandfather’s juke-box’ said Ringer Ling
‘Let’s rock it round the clock’ yelled the Little Thing.

Hij kon het trouwens ook in het Fins
‘k finteemaal niløkor’ zei de Fin,
‘enksi erde lollok nifan in’

Sweris Waddanders




Minouche Shafik – Samen – Een nieuw sociaal contract voor de 21e eeuw

Minouche Shafik – Ills.: Joseph Sassoon Semah

‘Wij hebben een nieuw sociaal contract nodig dat beter in elkaar zit, dat zekerheid en kansen biedt voor iedereen. Een sociaal contract dat minder gaat over ‘mij’ en meer over ‘wij’, dat onze onderlinge afhankelijkheid onderkent en daar tot ons wederzijds profijt gebruik van maakt.’

Het huidige sociale contract staat onder druk. Het is het moment om tot een eerlijker sociaal contract te komen, het lijkt alsof we het huidige neoliberalisme in bepaalde mate achter ons willen laten, aldus Minouche Shafik. Ons sociaal contract is bezweken onder de druk van technologische en demografische veranderingen. Ze hebben onze wereld ingrijpend getransformeerd, met gevolgen voor inkomensverschillen, gendergelijkheid, onderwijs, gezondheidszorg en werk. We leven steeds vaker in een je-staat-er-alleen voor samenleving, hetgeen niet alleen onrechtvaardig is, maar ook veel minder efficiënt en productief dan wanneer de risico’s worden gespreid over de hele samenleving.

Minouche Shafik neemt ons mee door de stadia van het leven- opvoeden van kinderen, volgen van onderwijs, ziek worden, oud worden- en maakt duidelijk hoe we onze samenleving in elk stadium en op elk niveau kunnen herordenen.
Ze pleit voor zekerheid voor iedereen middels een gegarandeerd minimuminkomen, recht op onderwijs, basisgezondheidszorg en bescherming tegen armoede tijdens de ouderdom.
Ze pleit voor een maximaal investeren in capaciteiten zodat de productiviteit wordt verhoogd, onder andere met hulp van digitale techniek in bijvoorbeeld de gezondheidszorg.
Er is ook veel ongebruikt talent van opgeleide vrouwen, minderheden en kinderen uit arme gezinnen. En ze pleit voor een eerlijke en efficiënte spreiding van risico’s. In het toekomstige sociaal contract zal toenemende flexibiliteit in arbeidskrachten gecombineerd moeten worden met meer zekerheid. Jonge mensen moeten worden erkend in een sociaal contract tussen de generaties, zij die nu leven moeten iets doen aan de erfenis van milieuschade (we hebben een veel te grote aanslag op het milieu gepleegd) en staatsschulden.
Iedereen moet zo lang mogelijk een bijdrage leveren aan de samenleving en burgers zullen ook meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun gezondheid.

Ze stelt zichzelf de vraag hoe we nieuw sociaal contract moeten financieren in een richting die haalbaar is. Betekent een nieuw sociaal contract een enorme toename van de overheidsuitgaven en een sterke verhoging van de belastingen om een gesubsidieerde kinderopvang, voorschoolse educatie en permanente scholing, toegankelijke gezondheidszorg en een staatspensioen mogelijk te maken? Shafik ziet een deel van deze uitgaven als investering, die in de toekomst hogere belastinginkomsten zullen genereren, maar ook het milieu zullen verbeteren. Dat biedt de mogelijkheid kapitaal te lenen. Een aantal posten keren echter steeds terug, zoals pensioenen en een deel van de gezondheidszorg. Deze kosten moeten daarom worden gefinancierd uit belastingheffing, tenminste in de hoogontwikkelde landen.
Om de klimaatverandering af te remmen moeten we Co2-belasting heffen.

Een nieuw sociaal contract vraagt ook een andere rol van overheid en bedrijfsleven. Het bedrijfsleven zou zich moeten richten op meer winnaars door te investeren in onderwijs en vaardigheden, door achtergebleven regio’s te voorzien van een betere infrastructuur en door innovatie en productiviteit te bevorderen. De overheid zal verantwoordelijk moeten zijn voor een minimaal stelsel van voorzieningen, die iedereen beschermen tegen grote tegenslagen en die worden betaald uit de belastingen, aldus Shafik. De belastingdruk moet verschuiven zodat een gelijker speelveld ontstaat tussen kapitaal en arbeid. Er moet worden opgetreden tegen het ontwijken van vennootschapsbelasting.

De ontwikkeling van het sociaal contract is in de meeste landen afhankelijk van de structuur van het politieke bestel, de effectiviteit van de controlerende mechanismen, de opkomst van politieke coalities en de kansen die voortkomen uit crises, zoals nu de coronacrisis, waarbij vooral de meest kwetsbaren lijden onder de pandemie en het heeft laten zien wat de zwakke plekken zijn van de gezondheidszorg en ouderenzorg. Landen met een presidentieel en meerderheidsstelsel en autoritaire regimes kennen meestal een kleiner overheidsapparaat en een minder genereus sociaal contract. Er zijn minder prikkels om rekening te houden met minderheden. Landen met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en die inclusiever zijn bieden de beste kansen voor een goed functionerend sociaal contract.

De coalitie voor een nieuw sociaal contract is in potentie groot en divers. Jonge mensen zijn gemobiliseerd door middel van acties voor een beter milieu en de mogelijkheden van een levenslang onderwijstegoed, als compensatie voor wat ze zijn kwijtgeraakt. Mensen zonder vast contract zullen vaker om zekerheid, opleidingen en omscholingsmogelijkheden gaan vragen. Het belang van een toegankelijke gezondheidszorg, het aanmoedigen van preventiemaatregelen zijn aangetoond in de pandemie.

In Samen draagt Minouche Shafik de bouwstenen aan voor een nieuw sociaal contract, waarin meer onze onderlinge afhankelijkheden wordt onderkend, meer in mensen wordt geïnvesteerd, maar ook meer van individuen wordt verwacht.

Minouche Shafik – Samen. Een nieuw sociaal contract voor de 21 e eeuw. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2021. ISBN: 9789046826799

Minouche Shafik is directeur van de London School of Econimics and Political Science. Ze was vicepresident van de Wereldbank en bekleedde hoge posities bij het IMF en de Bank of England.

Zie ook:

Professor Amartya Sen, Lamont University Professor and Professor of Economics and Philosophy, Harvard, deliver a Distinguished Public Lecture on 18 January 2017 in the Sheldonian Theatre: Democracy and Social Decisions
www.ophi.org.uk