Opstand in Parijs: de Commune van 1871


De kanonnen op de heuvel van Montmartre. Op deze plek staat nu de Sacré-Coeur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is maar de vraag of op 18 maart aanstaande de grote herdenking van de Commune van Parijs kan plaatsvinden. En dat terwijl juist dit jaar een bijzonder herdenkingsjaar isHet is precies anderhalve eeuw geleden dat een groot deel van de bevolking van Parijs in opstand kwam tegen het centrale Franse gezag.
Ieder jaar wordt de Commune op 18 maart en op 1 mei herdacht op de begraafplaats Père Lachaise in Parijs. De Commune duurde slechts twee maanden en tien dagen en werd door regeringstroepen bloedig neergeslagen.
Wat was dat ook al weer, de Commune van Parijs? Is er in het Parijs van vandaag de dag nog iets terug te vinden van deze historische periode uit de Franse geschiedenis?

Onvrede en hongersnood
Bij de bevolking van Parijs groeide tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 de al jaren sudderende ontevredenheid met het keizerlijke bewind van Napoléon III. Uit patriottische kringen klonk steeds vaker de roep om een terugkeer naar de Franse republiek. In het najaar van 1870 leed het Franse leger meerdere nederlagen en de Duitse legers slaagden er in Parijs te omsingelen. Nadat de keizer door de Duitsers was gevangen genomen en moest aftreden, vluchtte de Franse regering van Parijs naar Versailles. De burgerij in Parijs voelde zich daardoor verraden.
In september 1870 vonden onder invloed van revolutionair gezinde Parijzenaars demonstraties plaats die pleitten voor een vrij, onafhankelijk Parijs. De stad zou los van de Franse staat moeten komen te staan, en een Commune van Parijs moeten vormen, geregeerd door de stadsbewoners zelf. De arbeidende bevolking en de lagere middenklasse in de stad steunden de beweging. Door de Duitse belegering van de stad ontstond bovendien een toenemende hongersnood, waardoor de onvrede nog eens werd aangewakkerd.
Frankrijk capituleerde definitief op 27 januari 1871. De burgerlijke beweging in Parijs had liever gezien dat de strijd tegen de Duitsers was voortgezet in plaats van deze vernedering te moeten ondergaan. Men was het volstrekt oneens met de regelingen die de Franse regering na de capitulatie met Bismarck had getroffen, zoals het afstaan van de Elzas en Lotharingen.

Proclamatie van de Commune

Executies
In het ontstane machtsvacuüm na de capitulatie in de weken na 27 januari 1871 zagen revolutionaire groepen een mogelijkheid hun idealen dichterbij te brengen. Intussen was met instemming van de Duitsers de conservatief Adolphe Thiers, ooit premier van 1836 tot 1840, benoemd tot regeringsleider van de nieuwe Franse republiek.
Op 18 maart 1871 probeerden de troepen van Thiers met een militaire operatie in Parijs de tientallen opgestelde kanonnen op de heuvel van Montmartre te bemachtigen. Bijeengekomen leden van de Nationale Garde – lokale door de gemeente Parijs betaalde troepen – op Montmartre weigerden echter onder druk van de bevolking de kanonnen – eigendom van de gemeente Parijs – over te dragen aan de legereenheden van Thiers. De bevelhebbers van de troepen, de generaals Lecomte en Clément-Thomas werden in de nabijgelegen Rue du Chevalier-de-la-Barre door bewoners van Montmartre tegen een muur terechtgesteld.
Vanaf dat moment verkeerde Parijs in wezen in oorlog met de regering van de republiek. Parijs schreef nieuwe plaatselijke verkiezingen uit, waaruit de raad der Commune voort zou moeten komen: negentig afgevaardigden, uit alle arrondissementen. Op 27 maart 1871 werd de onafhankelijke Commune geproclameerd.

Communes en barricades
De Commune streefde naar een federatie van communes die de staat zou vervangen. Men wilde onder meer leger en dienstplicht afschaffen, een hervorming van het onderwijs, een absolute scheiding tussen kerk & staat en de erkenning van niet-gewettigde huwelijken. De afbetaling van schulden en achterstallige huren werd opgeschort en nachtwerk voor bakkers werd afgeschaft.
Koortsachtig werd in de weken erna geprobeerd deze progressieve ideeën in praktijk te brengen. Tegelijk moest de verdediging van de stad op peil worden gebracht, in verband met de te verwachten aanval van de republikeinse troepen. Op strategische kruispunten in de stad werden barricades gebouwd. De verdediging hiervan was in handen van leden van de Parijse Nationale Garde, waarbij zich duizenden arbeiders, ambachtslieden en vrouwen hadden aangesloten. Groepen die je als de ‘gegoede burgerij’ zou kunnen typeren, hielden zich veelal afzijdig.

Opmars en tegenstand
De Franse regering, die nog steeds in Versailles huisde, vond het eigenzinnige, naar onafhankelijkheid strevende Parijs niet te tolereren. Op 21 mei 1871 voerden de troepen van Thiers een grootschalige aanval op de stad uit. In een poging de opmars van de republikeinse troepen te stoppen bevolkten duizenden gewapende inwoners de barricades. Er werd felle tegenstand geboden tegen de regeringstroepen, maar hun opmars was niet te stuiten. Als onderdeel van de verdedigingslinie werden belangrijke strategische of symbolische gebouwen als het l’Hôtel de Ville, het paleis der Tuilerieën, het Louvre en het Palais-Royal door de communards in brand gestoken. Door de oprukkende troepen van Thiers werden in wat de ‘bloedige week’ is gaan heten naar schatting zo’n 25.000 mensen zonder pardon gefusilleerd.
In een brandend Parijs sneuvelden nog eens duizenden op en rond de barricades.

Read more

Bookmark and Share

Tommy Wieringa – Gedachten over onze tijd


Tommy Wieringa. Ills.: Joseph Sassoon Semah

Tommy Wieringa (1967) schrijft wekelijks voor NRC Handelsblad over de actualiteit in een periode van grote veranderingen en onzekerheden; het sociale weefsel rafelt.
Het zijn artikelen over autoritaire populisten, het toenemende fascisme en nationalisme, nepnieuws, de vrijheid van denken, de gevolgen van de klimaatcrisis, het coronavirus dat het speelveld drastisch herschikt en de urgentie van cultuur. Maar hij schijft ook over zijn dochters en literaire ontmoetingen in het buitenland. Tommy Wieringa legt verbanden met het verleden en doet een bewogen, moreel appel op de lezers.

Er zijn artikelen over Europa, een continent dat van crisis naar crisis ‘hompelt’, en waar het fascisme langzamerhand een courante Europese stroming wordt, en Wieringa tot een vermoeide Europeaan maken. Hij beschrijft het verontrustende nepnieuwsbericht van de NOS over de jood George Soros ‘een invloedrijke bemoeial met tentakels ver in de wereldpolitiek’ dat zelfs door de journalisten niet als zodanig was herkend en gebruik maakt van fascistische taal. Je hoeft niet eens meer een hekel aan joden te hebben om antisemitische quatsch te produceren, aldus Wieringa.

Tommy Wieringa gaat in diverse artikelen in op het asielbeleid en vluchtelingen, zoals de wandeltocht vanuit herinneringscentrum Kamp Westerbork tijdens de Nacht van de Vluchtelingen die niet doorging  vanwege bedreiging door vluchtelingenhaters en de joodse gemeenschap. En ondertussen gaat de versobering van de asieladvocatuur gewoon door.
Over de vijfentwintighonderd verdwenen kinderen, een kwart van alle alleenstaande minderjarige asielzoekers, waar ze gebleven zijn weten we niet. ’Met onbekende bestemming vertrokken, staat er achter hun naam.’ Zijn ze doorgereisd naar familie elders in Europa, gevallen in de handen van mensenhandelaren? Verdwenen in de criminaliteit, prostitutie, of in het illegale arbeidscircuit? Maar het zijn onze kinderen niet, en daarmee niet onze zorg.

Diverse artikelen zijn gewijd aan Thierry Baudet en Wilders die niet direct oproepen tot geweld, ‘maar (ze) scheppen een sfeer waarin geweld tegen een zogenaamd inferieure minderheid wordt vergoelijkt, en de geesten worden rijp gemaakt voor uitdrijving.’ Kritische artikelen over Baudet als bewonderaar van zijn leermeester Roger Scruton, en van Vladimir Poetin, en ontkenner van de klimaatcrisis.
In de wetenschap zou Baudet worden weggehoond, maar in de politiek vormen halve waarheden en hele leugens zijn politieke kapitaal., aldus Wieringa.
De urgentie en rol van de cultuur komen ook aan bod. Onder andere naar aanleiding van het commentaar van Clarice Gargard op de tentoonstelling ‘Vrijheid’ in de Fundatie in Zwolle. Gargard constateert culturele toe-eigening, bijvoorbeeld in de foto’s van Viviane Sassen, omdat ze de zwarte mens gereduceerd ziet tot zijn huidskleur. Maar juist zijzelf reduceert de zwarte mens tot zijn huidskleur, aldus Wieringa, zo zorgt zijzelf voor munitie in de identiteitsoorlog die op dit moment wordt gevoerd. Wieringa: ‘De cultuur zelf is intussen van niemand. Wij zijn allen gebruikers, geen eigenaars. Iedereen speelt altijd en overal leentjebuur. Je kunt cultuur koesteren, vereren, misvormen, verwoesten of onherstelbaar verbeterd teruggeven, maar je eigendom is het niet.’

Hij wijst op de naïviteit van mensen, en het ontbreken van weinig historisch besef. Als voorbeeld verwijst Wieringa naar Daan Roosegaarde, die door het Nationaal Comité 4 en 5 mei was uitgenodigd een ontwerp te maken. Hij ontwierp ‘Levenslicht’ met lichtgevende steentjes, honderdvierduizend, een voor elk individu dat naar de concentratiekampen werd afgevoerd, zonder een enkele verwijzing te leggen naar het ‘Stolpersteine’ project van de Duitse kunstenaar Demnig. Daan Roosegaarde begeleidde zijn ontwerp met de woorden ‘Ze wisten niet wat ze te wachten stond, maar ze voorvoelden dat het weinig goeds was.’ En ‘In de wagon sijpelde licht naar binnen door een kier in de deur. Dat zagen ze als teken van hoop.’ Zo kwam Roosegaarde op het idee om iets met licht te doen. Dunne ideetjes, lolletjes voor de openbare ruimte, aldus Wieringa.
En diverse artikelen gaan over de desastreuze effecten van de klimaatcrisis, hier nog beperkt ‘tot het verdwijnen van vogels en insecten, ongekende droogte verzakkende huizen, maar elders zijn de effecten al desastreus met onophoudelijke natuurbranden, hittegolven, tornado’s, overstromingen en misoogsten.‘ Tommy Wieringa waarschuwt ons dat de klimaatcrisis zal leiden tot migratiestromen die in het Westen een destructief wantrouwen zullen veroorzaken in supranationale organisaties als de Europese Unie.

Vanzelfsprekend is er ook veel aandacht voor de corona crisis. De rol van Mark Rutte en het RIVM worden belicht, de anderhalve meter afstand, de virus-industrie, de invloed van het virus op onze toekomst, complotdenkers.
Het laatste artikel is gewijd aan de inauguratie van Joe Biden als 46ste president van de Verenigde Staten, die Tommy Wieringa onverwacht sterk raakte vanwege de herstelwerkzaamheden van democratie en rechtsstraat. Maar de toeslagenaffaire in Nederland laat zien dat je geen autocraat nodig hebt om democratische en rechtsstatelijke principes te ondermijnen.

Tommy Wieringa – Gedachten over onze tijd. Amsterdam, De Bezige Bij, 2021. ISBN 9789403123912

Tommy Wieringa is de auteur van onder meer Joe Speedboot, De dood van Murat Idrissi en De heilige Rita. Zijn werk is in meer dan twintig landen vertaald.

Bookmark and Share

De Walrus of Love en de King of Rock: opmerkelijke bijnamen in de popmuziek


Elvis Aaron Presley (1935-1977)

Ella Fitzgerald is the First Lady of Song, Aretha Franklin heet the Queen of Soul, Chuck Berry is the Father of Rock and Roll en Michael Jackson is bekend als the King of Pop: in de wereld van de jazz en popmuziek is aan bijnamen waarlijk geen gebrek. Meestal zijn die, zoals hierboven geïllustreerd, voor de hand liggend en weinig geïnspireerd. Verfrissend is het daarom op een ongebruikelijke, originele of anderszins verrassende bijnaam te stuiten.
Een mooi voorbeeld is die voor de omvangrijke Amerikaanse zanger Barry White (1944- 2003). Zijn toegewijde fans noemen hem vertederd the Walrus of Love. En inderdaad, wie een paar foto’s van de zingende zeerob meer dan vluchtig bekijkt, kan enige gelijkenis niet ontgaan.
Het love-deel van deze eretitel verwijst naar het diep-bronzen stemgeluid – in vaktermen: een driedubbele bas -, waarmee hij nummers als You’re the first, the last, my everythingNever never gonna give ya up en Let the music play voor zich uit bromt.

Barry White, geboren als Barry Carter en toen nog van normaal gewicht, kruiste eens op onverwachte wijze mijn pad. Voor het radioprogramma Het Zout in de Pap maakte ik literaire portretten van een uur. De gesproken delen werden afgewisseld met muziekfragmenten, waarvoor ik gewoonlijk de geïnterviewde auteur naar een voorkeur vroeg. In 1992 maakte ik zo’n portret van Bas Heijne naar aanleiding van zijn toen jongste roman Suez. Op mijn vraag naar een muzikale wenslijst bekende hij zijn liefde voor het werk van White. In diezelfde periode trad de zwoel zwijmelende zwaargewicht op in Rotterdam en zo kon het gebeuren, dat er van Bas Heijne, toen nog niet de huisfilosoof van het NRC/Handelsblad, naast zijn opiniërende stukken een interview met Barry White verscheen.

Het beste voorbeeld, evenwel, is Elvis Aaron Presley (1935-1977). Of Aron, zoals zijn ouders hem genoemd hadden. De dokter die aangifte deed, gaf echter de meer gangbare spelling – met dubbel A – op en zo staat het ook op zijn grafsteen.
De naam Elvis dankt hij aan de middelste naam van zijn vader, Vernon Elvis Presley. Een weinig gangbare naam, behalve onder de arme blanke bevolking in het zuiden.
Het beste voorbeeld om meer dan één reden. Niet zozeer vanwege zijn gangbare bijnamen, zoals the Mississippi Flash, omdat hij werd geboren in Tupelo in de staat Mississippi -, of the Memphis Flash. Hij overleed immers in Memphis, Tennessee. Graceland, zijn woonhuis en landgoed daar, is sindsdien meer dan een Elvis-museum. Het is een bedevaartsoord. (Ter contrastering: het Nederlandse Elvis Presley-museum is te vinden in een antiekboerderij in Molkwerum, in de provincie Friesland.) Of neem, als cliché aller clichés, the King.
Maar wel om het onwaarschijnlijke toeval dat zijn voornaam perfect rijmt op pelvis, naar het Latijnse pelvis voor bekken. En laten nu de ritmisch schokkende bewegingen met zijn bekken typerend zijn voor Elvis’ manier van bewegen op ritmische muziek.
Met die weinig verhullende maar alles suggererende bewegingen lag de bijnaam Elvis the Pelvis al snel voor de hand. Wellicht onbedoeld effect van dat heftige geschok was, dat de gezagsgetrouwe ouders van voornamelijk blanke kinderen met lede ogen aanzagen hoe die kinderen niet alleen die bewegingen overnamen – niet voor niets werd dat al snel rock-and-roll genoemd, zeer vrij te vertalen als heen-en-weer-en-op en-neer -, maar ze in toenemende mate zelfs op ideeën bracht.

Een eveneens interessante maar wat onderbelicht gebleven reden is de invloed die het verschijnsel Elvis, afgezien natuurlijk van zijn muziek, had in de popmuziek, bijvoorbeeld op het gebied van namen.
Enkele opmerkelijke voorbeelden. De Amerikaanse zanger Martin Benefield had als Vince Everett een paar bescheiden hits. Zijn pseudoniem had hij geleend van het door Elvis gespeelde personage in diens eerste grote speelfilm, Jailhouse Rock (1957). De Londense band The Sid Presley Experience putte voor zijn naam zelfs uit drie popbronnen: Sid Vicious, frontman van The Sex Pistols, Elvis Presley en The Jimi Hendrix Experience.

Reginald Maurice Ball, kortweg Reg Ball, was de zanger van de Britse groep The Troggs, maar had volgens zijn manager Larry Page niet echt de naam van een popster. Als grap opperde Page de naam Presley en sindsdien heette de zanger Reg Presley.
The Troggs hadden tussen 1966 en 1968 wereldhits met Wild thing (“you make my heart  sing”), With a girl like you en Love is all around, maar hadden daarvoor wel hun oorspronkelijke naam, Ten Foot Five, veranderd. Trogg was de verkorte vorm van troglodyte ofwel grotbewoner en was destijds gangbaar als scheldnaam voor het meer suffe type medemens. In 1967 verscheen hun album Trogglodynamite.
Ook de Engelse zanger Declan Patrick Aloysius McManus voorzag geen grootse carrière met zijn eigen naam. Toen hem een platencontract werd aangeboden waarin de voorwaarde was opgenomen dat hij een commerciëler artiestennaam zou nemen, viel de keuze op de meest commerciële voornaam die hij kon bedenken.
De achternaam Costello lijkt een verwijzing naar Lou Costello, de komische helft van het Amerikaanse duo Abbott and Costello, wereldberoemd vanwege hun dialoog Who’s on first?
In werkelijkheid was Costello de meisjesnaam van zijn moeder en was de voornaam van the King of Rock een idee van zijn manager, Jake Riviera. Dat pakte nog bijna ongelukkig uit, toen Costello’s eerste album, My aim is true, uitkwam rond het overlijden van Elvis Presley op 16 augustus 1977 en hij beschuldigd werd van lijkenpikkerij.
En voor de volledigheid: in 1986 bracht hij een album uit met de titel The King of America.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Mardjan Seighali met Job Hulsman – Tot op de dag


Mardjan Seighali. Ills.: Joseph Sassoon Semah

‘Wie in het buitenland opnieuw begint moet zich bewijzen.’

Mardjan Seighali (1964) is geboren in de Iraanse plaats Rasht, waar ze een liberale opvoeding genoot; religie speelde geen rol.
Als scholiere maakte ze mee dat Iran in opstand kwam tegen de exorbitante levensstijl van de Sjah en hem tot aftreden dwong. De Iraanse ayatollah Khomeini kwam terug uit zijn tijdelijke verblijfplaats in Parijs en werd als held onthaald. Hij won de verkiezingen en veranderde Iran in een theocratisch bolwerk.
Mardjan Seighali sloot zich aan bij de Iraanse oppositiepartij Mojahedin-e Chalgh, de Volksmoedjahedien, een partij die streefde naar een meer gelijke welvaartsverdeling. Twee jaar later, in 1981, werd de partij door Khomeini tot vijand van god verklaard. Ze werd voor haar veiligheid door haar vader ontvoerd naar een tante in Teheran.

Als ze tussentijds haar familie bezoekt voor het nieuwjaarsfeest, wordt ze door de Revolutionaire Garde opgepakt, en wordt in de gevangenis, gemarteld, bedreigd en vernederd. Haar wordt niets bespaard omdat ze voor de partij pamfletten uitdeelde en deelnam aan discussies. Veel van haar medegevangenen eindigen in een massagraf, zoals haar vriendin Tahmina ‘een bloem die niet tot bloei mocht komen.’ Haar ouders sloten een deal met het regime waardoor ze na anderhalf jaar uit de gevangenis werd ontslagen, op voorwaarden dat ze moest trouwen en ze kreeg een studieverbod. Vlak na haar vrijlating trouwt ze, met tegenzin, met Rasoul: ze wilde vrij zijn, maar de eer van de familie was zo gered. Ze krijgt met hem twee zonen.
Mardjan Seighali was woedend omdat ze geen enkele inspraak had gehad op haar vrijlating; thuis mag ze nergens over praten.
Ze wil voor alles onafhankelijk zijn en vol strijdlust, ook in haar relatie met haar man Rasoul. Het is voor haar heel moeilijk over haar persoonlijke ervaringen te vertellen. Ze memoreert vaak de woorden van haar vader, toen ze vrijkwam uit de gevangenis: ‘Hier praten we niet meer over!’

Haar man Rasoul was in 1989 gevlucht naar Nederland, omdat hij gezocht werd vanwege een filmopname van een steniging. Mardjan Seighali wordt vervolgens herhaaldelijk opgepakt en weer vrijgelaten. Ze komt als zesentwintigjarige, na een aantal mislukte vluchtpogingen, met haar twee kinderen in 1990 in Nederland terecht waar ze weer moeizaam een gezin vormt met Rasoul, eerst in Den Helder, dan in Brummen en uiteindelijk in Almere, waar ze zich thuis voelt: ‘Almere – nieuwe stad waar je als nieuwkomer een nieuw leven kan beginnen.’

Ze worstelt nog steeds met haar herinneringen aan de gevangenis en het regime van ayatollah Khomeini, maar eenmaal in Nederland besluit ze alles op alles te zetten om haar leven weer betekenis te geven.
In 1997 voltooide ze haar studie Maatschappelijk werk- en dienstverlening aan de Hogeschool van Amsterdam. Later werd zij o.a. directeur van Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF (die ook haar studie financierde), zat in de Raad van Advies College voor de Rechten van de Mens en krijgt een baan als hoofd Sector Communicatie & Publicatie en Relatiemanagement bij Stichting Erfgoed Nederland. Sinds november 2020 is ze voorzitter van het Humanistisch Verbond.

Schrijver en journalist Job Hulsman van uitgeverij Ambo/Anthos, die in 2017 Iran bezocht, weet haar te enthousiasmeren haar verhaal op te schrijven. Ze ontmoetten elkaar regelmatig aan haar keukentafel in Almere, en ook zelf kroop ze achter haar computer.

Na de lancering van Tot op de dag weet ze niet of ze blij is, want ze denkt nog steeds aan de mensen die in onvrijheid woonden en wonen. Sinds haar vrijlating in 1983 vraagt ze zich nog steeds af: ’is het een straf of een zegen dat ik vrijkwam? Als er iets te kiezen viel, wat zou ik dan hebben gekozen: thuiskomen met de herinneringen die ik heb en daarmee door het leven gaan of helemaal niet meer thuiskomen? De vragen galmen nog steeds door mijn hoofd.’

Mardjan Seighali met Job Hulsman – Tot op de dag – Ambo/Anthos Uitgevers, Amsterdam, 2021. ISBN 9789026353291

Opnieuw beginnen: Mardjan Seighali bij TEDxAlmere

Bookmark and Share

B. Traven – Brief aan de Spaanse arbeiders


Rozenberg Quarterly publiceerde onlangs een biografische schets van de Duitse revolutionair Ret Marut, later bekend geworden als de mysterieuze auteur B. Traven. Traven was vooral bekend als auteur van een serie romans over een indianenopstand in Mexico. Incidenteel liet hij zich echter ook uit over actuele politieke kwesties, zoals de Spaanse Burgeroorlog. In 1938 schreef hij een nauwelijks bekend geworden brief aan de arbeidersbevolking in Spanje ter ondersteuning van hun strijd.

In 1926 verscheen de roman Das Totenschiff van B. Traven bij de Berlijnse uitgeverij Büchergilde Gutenberg. Niet lang daarna ontving het Duitse anarchistische tijdschrift Der Syndikalist een brief van B. Traven uit Mexico, waarin deze vroeg of de redactie hem een uitgever in Zweden kon aanraden. De Duitse anarchist Augustin Souchy (1892-1984) was in de jaren twintig redacteur van Der Syndikalist en had tijdens de Eerste Wereldoorlog enige tijd in Zweden doorgebracht. Hij gaf Traven het advies contact op te nemen met de uitgever die in die jaren een aantal publicaties van Souchy had uitgegeven. Tussen deze uitgever Holmström en Traven ontstond vervolgens – per brief – een vriendschappelijke band. Holmström gaf het werk van Traven in het Zweeds uit, blijkbaar zo tot tevredenheid van Traven dat deze de uitgever zelfs uitnodigde hem in Mexico te komen opzoeken. Helaas heeft Holmström aan de uitnodiging nooit gehoor gegeven.

Sociale revolutie
Ruim twaalf jaar later, tijdens de Spaanse Burgeroorlog, vervulde Augustin Souchy een belangrijke functie bij de informatiedienst van de Spaanse anarchistische vakbond CNT, de Confederación Nacional del Trabajo. Souchy behoorde tot een grote groep Duitse intellectuelen en arbeiders die na de fascistische machtsovername in Duitsland het land hadden verlaten en bij het uitbreken van de sociale revolutie in Catalonië naar Spanje waren gereisd.
In een artikel over Traven schrijft Souchy dat hij tijdens de Spaanse Burgeroorlog Traven een brief schreef in verband met Spaanse vertalingen van de romans van Traven en met de vraag of Traven een bijdrage wilde leveren voor het tijdschrift Timón, het theoretisch anarchistische orgaan van de CNT. [1] Ook Pedro Herrera, redacteur van Timón en goede kameraad van Souchy, stuurde een brief aan Traven, maar dan met een uitnodiging naar Spanje te komen.
Een uitnodiging die ongetwijfeld was ingegeven door de populariteit van Travens werk in Spanje en onder degenen die aan de republikeinse zijde tegen Franco vochten. Waarschijnlijk verwachtte men dat de aanwezigheid van Traven in Spanje de strijdende arbeiders een morele steun in de rug zou kunnen geven.

De antwoordbrief van Traven verscheen op 28 mei 1938 in Solidaridad Obrera, het dagblad van de CNT en is gericht aan Herrera, niet aan Souchy. Traven schrijft dat de brief van Herrera de eerste is die hem vanuit Spanje bereikt. Mogelijk haalt Souchy dus in zijn herinneringen aan Traven enige feiten door elkaar. Herrera schreef zijn brief namens de SIA, de Solidarité Internationale Antifasciste. Deze organisatie werd in 1937 opgericht door Spaanse anarchisten om hulp en steun te kunnen bieden aan vrouwen en kinderen die getroffen waren door het oorlogsgeweld. Bovendien hoopte men door middel van de SIA internationaal steun te kunnen verwerven voor de sociale revolutie.

Spanish Earth
Heel waarschijnlijk is dat de uitnodiging van Herrera aan Traven ook is ingegeven door de aanwezigheid in Spanje van gerenommeerde buitenlandse schrijvers die van de oorlog verslag deden en de republikeinse zijde steunden, zoals Ernest Hemingway, John Dos Passos en André Malraux. Bovendien deden veel buitenlandse journalisten vanuit het republikeinse Spanje verslag van de oorlog. Sommigen steunden openlijk de republiek. Hemingway en Dos Passos werkten ook mee aan de documentaire Spanish Earth van de Nederlandse filmmaker Joris Ivens, evenals Orson Welles en de Franse regisseur Jean Renoir. Dankzij de bemiddeling van journaliste Martha Gellhorn, konden Hemingway en Dos Passos de film in het Witte Huis vertonen aan President Roosevelt. Eerder had Roosevelt besloten de republiek niet met wapens te steunen. De vertoning bracht de president echter niet op andere gedachten.

Actualiteit
De brief van Traven is een uniek en opmerkelijk document omdat het een van de weinige keren is dat hij zich heeft uitgelaten over een actuele politieke situatie. In zijn romans zijn soms verwijzingen te vinden naar de actuele situatie in de jaren dertig in Duitsland, en naar de arbeidsomstandigheden van arbeiders in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Maar meestal is zijn kritiek – met een cynische ondertoon – dan nogal algemeen en niet toegespitst op de actuele gebeurtenissen.
De brief is ook opmerkelijk omdat Traven als auteur niet naar buiten wilde treden. Zijn identiteit is jarenlang een mysterie is gebleven en doelwit van vele speculaties. [2] Sommige Travenvorsers zien in zijn ‘Caobacyclus’ – zijn zes romans over een indianenrevolutie in Mexico – zelfs een metafoor voor de situatie in nazi-Duitsland. Uit de brief blijkt duidelijk dat de sympathie van Traven bij de Spaanse revolutionairen ligt. Hij staat ondubbelzinnig achter de strijd tegen het fascisme. Het liefst zou hij de revolutionaire arbeiders willen bijstaan, vergelijkbaar met de wijze waarop de paus steun geeft aan ‘Pancho uit Salamanca’ (Franco).

Populariteit
De brief verscheen in Nederlandse vertaling in De Syndicalist van 9 juli 1938. De Syndicalist was het weekblad van het NSV, het Nederlands Syndicalistisch Vakverbond. Redacteur was Albert de Jong (1891-1970). Wie de vertaling van de brief maakte, is niet bekend. Over de brief van B. Traven is in de Nederlandse literatuur over Traven nooit aandacht besteed.

In De Syndicalist werd gedurende de jaren van de Spaanse Burgeroorlog uitvoerig verslag gedaan over de strijd en de revolutionaire ontwikkelingen in Catalonië.
Behalve veel nieuwsberichten, bevatte de krant ook periodieke analyses van Albert de Jong over de situatie aldaar. Augustin Souchy en Rudolf Rocker leverden beschouwingen vanuit anarchistisch perspectief en veelvuldig werden oproepen gedaan voor inzameling van kleding en voedsel voor de bevolking in Spanje.

De publicatie van de brief door De Syndicalist, bevestigt de populariteit van de romans van Traven in die jaren, niet alleen onder leden van het NSV, maar in bredere zin bij de Nederlandse arbeidersbevolking. Uitgegeven door De Arbeiderspers en verspreid via een netwerk van Arbeiderspers-boekwinkels en wederverkopers, vonden de boeken hun weg naar veelal SDAP-leden in het land, maar ook naar arbeiders van andere politieke richtingen. De anarchistische uitgeverij De Roode Bibliotheek van uitgever Gerhard Rijnders – ook uitgever van het tijdschrift De Vrije Socialist – publiceerde twee titels van Traven, helaas stevig bewerkt en ingekort.

Voornaam
Niet alleen de brief in De Syndicalist, maar ook enkele in het Nederlands gepubliceerde romans van Traven, verschenen onder de naam Ben Traven. Dat de B voor Ben zou staan is niet van Traven zelf afkomstig. Mogelijk vond de uitgever dat een schrijver een voornaam diende te hebben en werd van de B Ben gemaakt. Helaas is de voornaam daarna een eigen leven gaan leiden. Traven heeft altijd ontkend dat de B voor Ben, Benno of Bruno zou staan.

 

 

 

 

 

 

 

Brief
De brief wordt hieronder gepubliceerd in de oorspronkelijke Nederlandse – niet altijd soepel lopende – vertaling, in het toenmalige taalgebruik. De spelling is aangepast aan de huidige schrijfwijze en enkele zetfouten zijn gecorrigeerd.

Waarde kameraad Herrera, ik groet u.

Ik groet u en alle arbeiders, arbeidersvrouwen, boeren en republikeinse soldaten die zo heldhaftig in Spanje tegen het fascistisch beest vechten. Ik groet de grote mannen en vrouwen die Spanje in de perioden van strijd heeft voortgebracht en de Naamlozen, de onbekende soldaten, die met hun leven een nieuwe menselijke historie schrijven. Uw brief, kameraad Herrera, is de eerste die uit uw land in mijn handen is gekomen. Uwe uitnodiging, naar Spanje te komen, voor welke ik alle kameraden van de SIA dankbaar ben, is het grootste eerbetoon, wat mij tot heden ten deel gevallen is. Jammer echter, dat het mij niet mogelijk is, aan die eervolle invitatie te voldoen, om redenen, die u onbekend moeten zijn geweest, toen u mij dit aanbod deed. Mijn bekendheid met de Duitse taal is nog veel minder dan die van de Spaanse, die niet groot is, zoals u trouwens uit dit schrijven wel ontdekt zult hebben. Ik heb overvloedig in Duitse tijdschriften doen bekend maken, dat ik in afstamming, in ras, noch in den bloede, Duitser ben. Een enkele keer ben ik in Duitsland geweest, en dat nog voor de wereldoorlog. Zodat ik het land en de taal te weinig ken om literair werk van Duitsers te kunnen beoordelen. Ik ben geboren in Noord-Amerika en mijn moedertaal is Engels. Wat het beoordelen van Engelse literatuur betreft, zijn er in Engeland mannen genoeg die grotere bekendheid en talent bezitten dan ik. Ongerekend nog de bezwaren, die liggen in de afstand, die mij van de Spaanse kameraden scheidt, die elke vlotte samenwerking tussen ons in de weg staan. Niettemin ben ik u, vrienden ten zeerste dankbaar voor uw uitnodiging. Als iemand mij, onder de schoonste voorwaarden en met volledige garantie voor mijn veiligheid en daarboven nog een geldelijk voordeel, verzocht naar Duitsland te komen, ik zou dat weigeren, daar kunt u zeker van zijn. Zo gering is mijn lust, dit land te zien onder de druk der slavernij, zoals het zich nu bevindt. Hetzelfde oordeel heb ik over het Italiaanse imperium, dat dagelijks meer vordert. Deed echter de Spaanse regering mij een dergelijk voorstel, ik zou het zeer gaarne accepteren, want groot is mijn verlangen Spanje te bezoeken tijdens zijn glorieuze strijd.

Doch neen kameraden, ik zou toch niet gaan. Ik kocht voor het geld, kleding, gecondenseerde melk, koffie en tabak en zond dat, in plaats van mijn persoon. Want net zo groot als mijn lust u te bezoeken, is de zekerheid, dat gij deze artikelen nodig hebt, om stelliger de strijd te winnen, terwijl mijn aanwezigheid nog helpen zal de kamp te winnen, noch nodig is u van goede raad te voorzien. Gij weet zelf zeer goed, wat gij nodig hebt en wat gij wilt. Een schrijver is niet van node, u te vertellen, hoe gij uw positie kunt verbeteren, ook staat hij met hart en ziel aan de zijde van het voor rechtvaardigheid strijdende proletariaat. Er zijn er reeds veel te veel geweest die u goede raad gaven. Als men u, in plaats van de miljoenen woorden, die men toezendt,voor elk miljoen een driemotorig vliegtuig stuurde en voor elke honderd een mitrailleur plus munitie, dan had gij reeds meer dan een jaar geleden de vrede bevochten en de vrijheid verzekerd. Kameraden, ieder overbodig woord is voor u een verloren patroon.

Ik wens zeer u te helpen. Ofschoon mijn boeken in zeventien talen worden gedrukt, ben ik nu nog zonder tehuis en zonder middelen. Ik spreek slechts van mijn huidige armoede, omdat ik het betreur u niet te kunnen bijstaan zoals de paus de onverzadigbare Pancho in Salamanca.
Toch ik bezit iets. En dat stel ik met het grootste genoegen tot uw beschikking. Ik heb een bibliotheek, ze is niet groot noch luxueus. Wat moet ik daarmee, als de Spaanse kameraden haar misschien nodig hebben. Een deel ervan bestaat uit Engelse en Spaanse tijdschriften. Als alles wat ik aan boeken en tijdschriften bezit, u nodig schijnt, geeft mij het adres, de verzending is voor mijn rekening. Alles is nuttig voor onderricht in scholen, kazernes, loopgraven en ziekenhuizen. Wat ik bezit, is voor u. Ik zeg niet, dat ik van ganser harte uw zegepraal wens, omdat ik weet, dat de arbeiders uit de industrie en van het land, en de milicianos de volledige overwinning zullen behalen, al zouden Duitsland en Italië nog 50.000 van hun arme slaven zenden opdat zij als ziek vee de dood ingaan, om de miljoenen aan marken en lires terug te ontvangen, die beide landen in Spanje reeds verspild hebben. Ik denk dat gij vóór december de strijd gewonnen zult hebben. Ben ik te optimistisch? Geen nood, dure hij, zolang hij duurt, de overwinning zal aan u zijn, kameraden. Doch meer dan met de wapenen, zult gij winnen door uw gezonde en vooruitstrevende ideeën: De republiek van 1931 was er één op papier, ja van papier, en daarom niet levensvatbaar. De samenleving, die gij zult stichten, wordt echter gegrondvest door het vergoten arbeidersbloed, het onuitsprekelijke leed, de bovenmenselijke offers en een heldenmoed, die in de historie zijn weerga niet vindt. Daarom zal de republiek sterk zijn, zo sterk,dat zij nimmer door de vijanden der beschaving, vooruitgang en humaniteit meer zal worden aangevallen.

Spaanse kameraden. Ik heb gesproken en ik dank u voor uw attentie. Salud.
Ben Traven

Noten:
1. Johannes Beck, Klaus Bergmann, Heiner Boehncke (Hrgs), Das B. Traven Buch. Rowolt, Hamburg 1976.
2. Zie Martin Smit – Utopie in de jungle: http://rozenbergquarterly.com/utopie-in-de-jungle-zoektocht-naar-de-geheimzinnige-b-traven/

Joris Ivens – Spanish Earth

This documentary film uses footage of war and glimpses of rural Spanish life in its portrayal of the struggle of the Spanish Republican government against a rebellion by right-wing forces led by General Francisco Franco and backed by Nazi Germany and fascist Italy. The film was written by Ernest Hemingway and John Dos Passos (among others) and was narrated by Hemingway.

Bookmark and Share

Leïla Slimani – De duivel zit in de details


Leïla Slimani. Ills.: Joseph Sassoon Semah

‘Literatuur is harder nodig dan ooit, omdat die een enorme ruimte aan vrijheid biedt waarin alles gezegd kan worden, waar je het kwaad kunt aanroeren, het gruwelijke kunt vertellen en kunt breken met de regels van moraal en fatsoen. Literatuur brengt complexiteit en ambivalentie terug in een wereld die dat verwerpt.’

In de recent verschenen, kleine essaybundel De duivel zit in de details spreekt de Marokkaans/Franse schrijver Leïla Slimani zich in zes verhalende essays uit tegen moslimterrorisme dat de wereld heeft veranderd.

In De Duivel zit in de details is de door iedereen gerespecteerde en geliefde hoogleraar Amine Moussa de hoofdpersoon. Hij is bang en somber geworden, en wordt getergd door angstaanvallen en slapeloosheid ten gevolge van de fundamentalistische islambeweging die steeds meer vat krijgt op de samenleving. Zo wordt er in de wijk een ‘brigade ter bevordering van deugd en voorkoming van ondeugd’ ingesteld en hebben moslimfundamentalisten een groep jongeren doodgeslagen omdat ze ’s avonds uitgingen en niet meededen aan het gebed, of omdat ze alcohol dronken. Tijdens de laatste dagen van de ramadan staat Moussa in de rij bij de bakkerij Nour om gevulde crêpes voor zijn vrouw te kopen. Een moslima beticht hem van roken tijdens de ramadan. Beledigingen volgen, er wordt geschermd met God. “Iemand trekt aan zijn jasje. Dan rent hij weg.”

In één van de essays, Een leger van pennen, beschrijft Leïla Slimani hoe zij, op verzoek, in het hoofd kroop van een van de jonge daders van de moordpartij bij Charlie Hebdo en een fictieve tekst probeert te schrijven. Het lukt haar niet iets op papier te krijgen, niet omdat ze te laf is, maar domweg dat ze zich niet kon overgeven aan zo’n exercitie een paar dagen na de aanslag op 7 januari 2015. Ook miste ze op dit moment, teveel aangeslagen, de onweerstaanbare, innerlijke drang het essay te schrijven.

Bijna een jaar later, op 14 november 2015, schrijft zij ‘Fundamentalisten, ik haat jullie’ en heeft ze genoeg afstand genomen om te kunnen reflecteren op het bloedbad in haar geboortestad Parijs, waarna ze eerst nauwelijks haar mening durfde te ventileren uit angst domme dingen te zeggen in ‘een wereld die al bezwijkt onder onwetendheid en haat.’ Maar wat Leïla Slimani wel weet is dat we moeten strijden voor onze vrijheid, strijden tegen de weerzinwekkende ideologie van deze moordenaars. ‘Tegen barbaren, terroristen en fundamentalisten uit welke hoek dan ook heb ik maar één ding te zeggen: Ik haat jullie.’ We moeten ons niet verschuilen achter een zogenaamd respect voor culturen, ze gaat over haar nek van hun sharia.

Leïla Slimani (1981) wordt door de fundamentalistische islam gezien als een ongelovige vrouw uit de Magreb die haar ziel heeft verkocht aan het Westen, en een misdaad heeft begaan door een roman te schrijven. Ondertussen is ze wel een van de meest spraakmakende auteurs van dit moment. Ze won de Prix Goncourt met Een zachte hand. Ze is geboren in Marokko en werd tweetalig opgevoed: Marokkaans en Frans. Ze studeerde in Frankrijk politicologie en handelswetenschappen.

Leïla Slimani – De duivel zit in de details. ISBN 9789046823231. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2021

Zie interview met Margot Dijkgraaf over haar boek haar boek ‘Mathilde’:

Crossing Border. On Tuesday the 16th of June, we welcomed bestselling author Leila Slimani (The Perfect Nanny, Adèle) for a free online BorderKitchen. She was interviewed by Margot Dijkgraaf about her new book, Mathilde. At the end of the interview, viewers had the opportunity to ask questions to the author and human rights activist.

About Mathilde: 1946. The young, French, Mathilde falls head over heels for Amine, a Moroccan officer of the French army. They get married and leave for a secluded family farm, hours from Rabat. How can their love, which is constantly being tested, stand the test of time? Mathilde is the first part of the ‘The Land of the Others’-trilogy. The story was based on her family history and entered the French bestseller charts at number one. Leila Slimani (Morocco, 1981) is the bestselling author of The Perfect Nanny, winner of the Prix Goncourt, and Adèle, for which she won the La Mamounia Prize. Thank you to Uitgeverij Nieuw Amsterdam.

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives