Marlise Simons ~ Rokende spiegel – ‘Kissinger noemde mij een rood onbetrouwbaar element’

Simons

Fatou Bensouda, chief prosecutor for the International Criminal Court, in conversation with Marlise Simons, correspondent for The New York Times.

Onder de titel Rokende spiegel publiceerde Vrij Nederland* op 14 mei 1988 mijn interview met de Nederlandse journaliste Marlise Simons die ik in april van dat jaar sprak in haar toenmalige woonplaats Rio de Janeiro.
Hoewel er inmiddels ruim een kwart eeuw is verstreken is het als journalistiek tijdsdocument en als portret van een bijzondere journaliste nog steeds een goede eerste kennismaking. Bij mijn weten is dit het enige geschreven portret dat van haar is verschenen in Nederland.

Simons woont en werkt vanaf 1989 in Parijs nadat ze jarenlang voor de Washington Post en vanaf 1982 voor de New York Times, Zuid – en Midden – Amerika coverde. Vanuit Parijs deed ze verslag van de oorlogen op de Balkan en van de processen die zijn gevoerd door het Joegoslavië Tribunaal. Samen met Heikelien Verrijn Stuart publiceerde ze in 2009 : The Prosecutor and The Judge: Benjamin Ferencz and Antonio Cassese. Interviews and Writings.

Als één van de weinige vrouwen die zich moeiteloos staande houdt in de machowereld van de internationale schrijvende journalistiek, is ze te vergelijken met een andere heldin van mij, Martha Gellhorn (1908-1998) die ik in 1991 uitgebreid heb gesproken. Ze bedrijven echter twee totaal verschillende stijlen van journalistiek: is Gellhorn persoonlijk en zeer aanwezig in haar verhalen en reportages, Simons is de spreekwoordelijke buitenstaander en de beschouwer.

Marlise Simons’ eerste kennismaking met Latijns-Amerika dateert uit 1967. Na haar studie Engels en Spaans maakte ze op zevenentwintigjarige leeftijd een rondreis van drie maanden door Mexico. Ze raakte ‘zo geboeid door de hoogontwikkelde beschaving, de culturele rijkdom en de bevolking die bijna van een andere planeet afkomstig leek te zijn’ dat ze vier jaar later, vergezeld door collega en latere echtgenoot Alan Riding en een volgeladen ‘oude Volkswagen met boeken, typemachines, pillen en kort- golfapparatuur’ opnieuw naar Mexico vertrok. ‘De grote kranten hadden correspondenten zitten in Buenos Aires en Santiago, maar Midden-Amerika leek in de pers helemaal niet te bestaan. Het was dus niet zo moeilijk om daar aan het werk te komen.’
Ze vestigde zich in Mexico – Stad. Van daaruit bereisde ze het gehele Latijns–Amerikaanse continent en schreef reportages voor NRC Handelsblad, Newsweek, de Washington Post en later de New York Times. Dertien jaar later, in 1984, verhuisde ze naar Brazilië. Voor haar werk ontving ze in 1981, samen met Jacobo Timmerman, de prestigieuze Maria Moors Cabbot Prize, die elk jaar door Columbia University in New York wordt uitgereikt. Na de Pulitzer Prize (waarvoor ze in 1991 werd genomineerd, B.S.) is dit de belangrijkste journalistieke onderscheiding in de Verenigde Staten. Maar ze is de eerste om het belang van deze prijs te relativeren: ‘De journalist als held, zoals mijn collega’s Bernstein en Woodward, is voor mij uit den boze. Of zoals Oriana Fallaci die in 1968 aanwezig was bij de rellen op de Universiteit van Mexico. De volgende dag stond met grote koppen in de krant dat ze een krasje had op haar bil. Dat nieuws was belangrijker dan het leger dat het vuur opende op driehonderd mensen. Een journalist blijft altijd een doorgeefluik. Mij gaat het erom hoe ik de ene cultuur over kan brengen naar de andere, hoe moet je iets duidelijk maken voor de huiskamer in Zutphen?’

Uitgeverij Meulenhoff publiceerde in 1987 onder de titel De rokende spiegel een selectie uit de talrijke artikelen over Latijns–Amerika die Marlise Simons in de afgelopen zestien jaar schreef voor binnenlandse – en buitenlandse bladen. Tezamen geven deze ruim zestig achtergrondverhalen een breed, samenhangend beeld van de Latijns–Amerikaanse cultuur en de politieke – en maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren zeventig en tachtig. Van de staatsgreep in Chili tot de teleurgestelde officier in Cuba, van de onderdrukte Indianenstammen in Guatemala tot het uitzichtloze bestaan in de krottenwijken van de grote steden.

Het balkon van het appartement van Marlise Simons in Rio de Janeiro biedt tussen de palmbomen op het strand een fraai uitzicht over de Atlantische Oceaan. Ook de inrichting van het appartement is het aanzien meer dan waard. De liefde die Marlise Simons voor Latijns–Amerika heeft opgevat wordt weerspiegeld in de inrichting van haar woning. Verspreid in de woonkamer staan de beeldhouwwerken die taferelen uit de rijke geschiedenis van Mexico voorstellen en aan de wanden hangen houtsnijwerken en fel gekleurde schilderijen uit Haïti.
Aan het begin van het gesprek excuseert ze zich voor het feit dat door haar jarenlange verblijf in het buitenland haar Nederlands achteruit is gegaan. Haar artikelen voor NRC Handelsblad worden uit het Engels vertaald. Wel klinkt nog zacht haar Limburgse accent door.

Is het voor een vrouwelijke journalist in dit continent moeilijker werken dan voor een man?
‘Er zitten twee kanten aan. Enerzijds voelen mannen zich minder bedreigd door een vrouwelijke journalist. Militairen vertellen je bijvoorbeeld dingen die ze niet aan mannen zouden vertellen. Een vrouw willen ze helpen en beschermen. Ze zijn nieuwsgierig. Aan het begin van de jaren zeventig was er in Latijns–Amerika veel minder ruimte voor een vrouw. Men wilde wel eens weten wat voor vreemd iemand ze voor zich hadden en men wilde dus wel praten. Anderzijds kun je als vrouw niet met mannen optrekken zoals mannen met elkaar omgaan en een pilsje gaan drinken. Maar als je buitenlandse bent dan worden de spelregels ineens anders. Wat ze van hun eigen vrouw niet zouden tolereren, dat kan van een buitenlandse wel.’

Staatsgreep
Als de Washington Post haar begin jaren zeventig het correspondentschap voor geheel Latijns–Amerika aanbiedt, wijst ze het aanbod af. ‘Zoiets is boeiend voor een paar maanden, maar het is een onmenselijke taak om zo’n heel continent te verslaan. Het zijn eenentwintig landen. Je zit alleen maar in hotels en op vliegvelden en je houdt geen huwelijk meer over.’ Ze sluit met de krant een contract om reisverslagen te maken. In 1973 vertrekt ze naar Chili waar de positie van president Allende ernstig verzwakt is en de militairen op het punt staan de macht over te nemen.
‘In de eerste week na de staatsgreep werd ik op mijn hotelkamer in Santiago gearresteerd. Ze vonden dat ik leugens schreef. Na een paar dagen werd ik vrijgelaten en kort daarop ben ik vertrokken omdat het steeds moeilijker werd om te schrijven. Ik werd gevolgd en kon geen contact opnemen met mensen, want ik wilde hen niet in gevaar brengen.’

www.abc.es

Begrafenis Pablo Neruda 1973 Foto: www.abc.es

Zat u nog in Chili toen Pablo Neruda stierf? Hij overleed twaalf dagen na de staatsgreep.
‘Ik ben op zijn begrafenis geweest. Die begrafenis was een zeer emotioneel moment omdat de begrafenis van Neruda eigenlijk ook de begrafenis van Allende was. Niemand wist waar het lichaam van Allende was, omdat het was weggewerkt door de militairen. Neruda’s lichaam werd opgebaard. Zijn huis werd ’s nachts geplunderd. Al zijn boeken waren op de vloer gesmeten. De gordijnen fladderden uit de ramen, de waterleidingen waren kapotgeslagen. Het leek alsof het huis gebombardeerd was. Heel luguber. Daar vandaan werd het lijk naar het kerkhof gebracht. In de stoet liepen duizenden mensen die zelfs op dat moment de Internationale durfden te zingen. Het was de eerste keer dat de mensen weer de straat op durfden. De eerste gelegenheid dat ze hun woede kwijt konden. Het was een hele macabere gebeurtenis. Het kerkhof zat vol soldaten, die overal op de hekken en de kapelletjes zaten, maar toch durfde men begrafenisredes te houden.’

U bent in uw artikelen zeer kritisch over de rol van de Verenigde Staten in Latijns – Amerika. Bent u ooit wel eens in aanvaring gekomen met uw Amerikaanse opdrachtgevers?
‘Toen ik in 1973 in Chili zat heb ik moeilijkheden gehad met de Washington Post. In die tijd was het al duidelijk dat de CIA achter het destabilisatieplan zat. Er stroomde zoveel geld binnen om de stakingen te financieren dat er genoeg feitenmateriaal was om te bewijzen dat de CIA er achter zat, ondanks het feit dat je geen smoking gun kon laten zien. Maar dat kon niet door de beugel, want de CIA was toen nog een onaantastbaar instituut. Alles is pas in de openbaarheid gekomen na de hearings in het Congres. Bij de krant voelde men zich niet op zijn gemak. Ze schrapten alles over de CIA. En het stuk waarin ik het mechanisme en de voorbereiding van de staatsgreep beschreef hielden ze zes weken vast. Uiteindelijk is het wel geplaatst. Alleen een beetje gesaneerd. Ik had eromheen geschreven, maar wel laten zien dat er een patroon zat in die staatsgreep. Het was hetzelfde patroon dat in 1954 in Guatemala en in 1964 in Brazilië was toegepast. Er zat een filosofie achter de oplossingen die gekozen werden en die kwamen niet zomaar uit de lucht vallen.’
Kwamen er ook reacties van het Amerikaanse publiek?
‘Ik heb heel veel reacties gehad. Kissinger noemde mij een rood, onbetrouwbaar element en deed zijn beklag bij de krant. Leden van de Democratische Partij in het Congres kwamen naar me toe om vragen te stellen. Ze wilden de zaak verder onderzoeken. Ik was natuurlijk maar een kleine schakel, een spoortje waar ze naar op zoek waren. Veel mensen in de Verenigde Staten waren ontzettend verontwaardigd over de rol van hun eigen regering en schreven dat ze meer informatie wilden. Toen de zaak eenmaal in het Congres terechtkwam en door die hearings uitlekte, heb ik als een pleister op de wonde, want de krant was ook kwaad op mij, een prijs gekregen van een Latijns–Amerikaans studieverbond. Overigens komt het in de Amerikaanse pers niet vaak voor dat er in artikelen wordt geschrapt. Dit was duidelijk zo’n gevoelig thema dat ze er geen raad mee wisten.’
Zijn er grote verschillen tussen de schrijvende pers in de Verenigde Staten en die in Nederland?
‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik de Nederlandse pers niet volg. Ik lees de NRC maar ik weet niet wat er verder gebeurt in de Europese pers. Destijds was het zo dat er in Europa meer opiniërend geschreven werd, dat er meer waarde gehecht werd aan de stijl van het schrijven en aan de entertainment value. De journalist mocht preken als hij dat wilde en moraliseren. In de States worden hogere eisen gesteld aan het feitenmateriaal en de research. Je moet meer rapporteren, meer graven en er is een grotere druk om zo objectief mogelijk te zijn. Nu heb ik het vooral over de New York Times. De Amerikaanse reactie is: don’t tell me, show me, laat het zien met feiten en citaten en mensen. Je moet proberen om zoveel mogelijk kanten van een zaak te belichten. Misschien wordt het door al die feiten en stemmen erin saaier om te lezen, maar het wel een meer rigoureuze en een meer gedisciplineerde vorm van journalistiek. De stem van de schrijver is minder belangrijk.’

Marquez
Naast reisreportages en politieke verslagen publiceerde Simons ook vraaggesprekken met Latijns–Amerikaanse schrijvers. Zo ontmoette ze mensen als Jorge Amado en Gabriel Garcia Márquez. Met deze laatste onderhoudt ze vriendschappelijke contacten. ‘Schrijvers in Latijns–Amerika zijn niet moeilijk te benaderen en zeker niet als je voor een Amerikaanse krant werkt. De meeste schrijvers zijn gewend om hun mening te geven over verschillende aspecten van de maatschappij en dat doen ze graag. Als je hun vraagt naar het waarom van hun politieke opinies, dan antwoorden ze in verschillende bewoordingen allemaal hetzelfde, namelijk dat ze het zich niet kunnen permitteren om zich alleen in de ijle sfeer van de pure ideeën te bewegen. Ze leven in landen die voortdurend in opschudding zijn, waar de issues die van leven en dood zijn, en waar de helft van de bevolking honger lijdt.’
U zei zoëven dat de stem van de schrijver in de Amerikaanse pers minder belangrijk was. In Latijns – Amerika lijkt aan de meningen van literaire schrijvers veel waarde toegekend te worden.
‘De rol van de intellectuelen is eigenlijk al zo’n oud fenomeen. In Athene en Rome en in de Renaissance in Europa hadden de intellectuelen belangrijke posten en intensieve contacten met de machthebbers. In de Amerikaanse revolutie, de Franse revolutie en de Russische revolutie waren de leidende figuren intellectuelen. Hier hebben we te maken met een continent dat voortdurend zoekt naar politieke oplossingen, naar politieke modellen, die het niet gevonden heeft, althans geen bevredigende modellen. Omdat er bovendien zo weinig geloof bestaat in de politieke leiders, de organisatie van de politieke partijen, de vakbonden, het congres en het parlement worden de intellectuelen en de schrijvers beschouwd als een soort geweten. Er wordt bij hen gezocht naar een definitie van morele waarden en van begrippen als mensenrechten, onafhankelijkheid en eerlijkheid. Maar hoever hun invloed reikt? Ik weet het niet. Aan Garcia Márquez vroeg ik onlangs: “Jij hebt zeer sterke politieke overtuigingen. Waarom gebruik je je boeken niet om die te verkondigen en te verspreiden?” Hij antwoordde toen: “Dat is niet helemaal waar, want politiek is niet alleen maar wat regeringen en politici doen. Politiek bedrijven is ook het bepalen van een culturele waarde en identiteit van een volk. Ik geloof dat ik met mijn schrijven de identiteit van het volk help vormen, omdat ik spreek over de opvattingen die het volk over zichzelf heeft.”

Gabriel García Márquez (1927 – 2014) nl.wikipedia.org

Gabriel García Márquez (1927 – 2014)
nl.wikipedia.org

Maar draagt het werk van Márquez of andere schrijvers bij aan veranderingen?
‘Het zal zeker een rol spelen, maar ik geloof niet dat in Latijns–Amerika de drijfveren voor verandering ooit uit de literatuur zijn voortgekomen, maar altijd uit de godsdienst. En daarvoor kun je teruggaan tot de priesterregeringen van de Indiaanse volken, of het katholieke dogma van de Europese middeleeuwen en de inquisitie, en de enorme repressie die daarmee gepaard ging. Daarna volgde een zeer korte periode van het Europese liberalisme. En vervolgens kreeg je het dogma van het marxisme, dat hier gepredikt werd als een theologie, en dat bedoel ik niet negatief. Dat werd geponeerd als een nieuwe doctrine, een nieuwe godsdienst. En je ziet nu dat de intellectuelen die het voortouw nemen vaak priesters zijn. Daarna of tegelijkertijd ontstond de bevrijdingstheologie die een enorme drijfveer is en heel veel invloed heeft gehad en nog steeds heeft in alle landen van Latijns – Amerika. Als conservatieve tegenhanger daarvan zijn er de evangelische bewegingen, die uit de Verenigde Staten zijn overgewaaid en vaak onder de persoonlijke leiding staan van Amerikanen. In dit continent, waar de romantiek en het idealisme de mensen zo sterk aanspreken, is men veel minder rationeel dan in Europa. Hier zijn het de religieuze stromingen die de drijfveren zijn en niet het intellectuele debat.’
Maar zo’n debat tussen Vargas Llosa en Márquez raakt zeer wezenlijke punten. Márquez zegt dat het westerse democratische model niet toepasbaar is op Latijns – Amerika en volgens Vargas Llosa is de parlementaire democratie overal hetzelfde.
‘Dat debat wordt alleen in tijdschriften en in intellectuele kringen gevoerd. Politici bemoeien zich er nauwelijks mee. Het wordt voornamelijk via interviews uitgevochten. Misschien dat we binnenkort de kans krijgen of de ideeën van Vargas Llosa in de praktijk te brengen zijn, want hij wordt zo verleid door de macht dat hij met de gedachte speelt zich kandidaat te stellen voor het presidentschap van Peru. Dan krijgt hij de gelegenheid om zijn woorden in daden om te zetten. Een van de tragische dingen van Latijns–Amerika is juist dat importeren van al die buitenlandse, democratische modellen. Je kunt die Europese democratieën heel moeilijk zo maar overzetten naar dit continent. Daarom vind ik ook dat Castro gelijk heeft als hij zegt dat je geen revolutie kunt importeren. Maar dat debat tussen García Márquez en Vargas Llosa, dat door derden is overgenomen, is inderdaad heel interessant omdat het alle essentiële punten raakt. En er is tenminste een debat, want er is een groot tekort aan ideeën. De schrijvers waren vroeger zeer goed bevriend, maar hebben ruzie gekregen. Vargas Llosa heeft Márquez een keer met zijn blote vuist een klap in het gezicht gegeven. They are not on speaking terms so to say.
Maakt Vargas Llosa enige kans als hij zich kandidaat stelt?
‘Politiek in Latijns–Amerika heeft meer te maken met persoonlijkheden dan met ideeën. Het draait om de figuren. Daarom is het ook mogelijk dat er stemmen opgaan om een man als Pelé kandidaat te stellen voor het presidentschap. Hij wordt ondanks zijn zwarte huidskleur geaccepteerd omdat hij succes heeft en rijk is geworden, en naar zulke mensen wordt geluisterd. Pelé is nu ambassadeur van Brazilië voor de bevordering van het toerisme. Hij zou zeker een groot aantal stemmen krijgen als hij zou meedoen. Het gaat om figuren en daarom zou Vargas Llosa ook veel stemmen kunnen krijgen. Als je maar beroemd bent dan betekent dat ook dat je een bekwaam en onderlegd figuur bent die capabel is voor taken die niets te maken hebben met je eigen specialiteit. Schrijvers en sportsterren nemen een zeer bevoorrechte positie in omdat ze veel mogen zeggen. Dat wordt prominent gereproduceerd, maar ze hebben geen enkele verantwoordelijkheid. Ze hoeven nooit mee te doen aan het oplossen van problemen.’

In De rokende spiegel staan enkele artikelen over Cuba, waarin u schrijft hoe de revolutie inwerkt op het leven van de enkeling. Vooral het verhaal van Armando is een bijna karikaturale aaneenschakeling van teleurstellingen. Hij heeft zijn hele leven opgeofferd aan het heil van de revolutie. Wordt in Cuba de discussie gevolgd die op dit moment in de Sovjetunie gaande ‘Ik ben een tijd niet in Cuba geweest, maar ik geloof niet dat er veel veranderd is. Wel heb ik begrepen dat het perestrojka-debat in Cuba nog steeds niet in het openbaar gevoerd wordt, hoewel achter de schermen wel degelijk wordt gepraat over aanpassingen en modernisering. De grote tragiek van Cuba is dat het in zijn tijd belangrijk is geweest, maar dat het nu een ouderwets, moralistisch land is dat eigenlijk vastzit, en niet mee is gegroeid met zijn eigen idealen. De literatuur, de journalistiek en de kunst staan nog steeds in dienst van de revolutie. Zo’n vier of vijf jaar geleden zijn er al pogingen ondernomen om de persvrijheid te verruimen en meer plaats te geven aan dissidente opinies. Maar het probleem was dat er eigenlijk geen mensen waren die wisten hoe ze dat aan moesten pakken. Iedereen is natuurlijk in een soort kader opgevoed en heeft oogkleppen voor. De Granma is niet meer dan een regeringsbulletin over productiecijfers en de ideale werker en geeft zeer geselecteerd buitenlands nieuws. Je kunt niet zomaar tegen journalisten zeggen: “Nu mogen jullie anders gaan schrijven.” Dat is een proces dat je niet ineens van bovenaf op kunt leggen. Dat is een van de redenen waarom de Cubanen niet zo enthousiast zijn over wat er nu in Rusland gebeurt. Want de Cubanen hebben dat zelf al geprobeerd.’

Geestelijke ruimte
Bestaat er in Latijns–Amerika nog de illusie dat er ooit iets zal veranderen?
‘In Latijns–Amerika wordt gezocht naar een nieuwe manier van leven, in tegenstelling tot Europa waar het gevoel heerst dat men “klaar” is. In Europa is weinig lichamelijke ruimte, weinig geestelijke ruimte, er wordt gemakkelijker uitgelegd waarom iets niet kan dan waarom het wel kan. In dit continent is het juist het omgekeerde, zowel in Amerika als in Latijns–Amerika zijn er altijd mensen die klaar staan met nieuwe ideeën, die nieuwe dingen proberen.’
En daaruit putten mensen hoop?
‘De veranderingen mogen dan wel langzamer gaan dan wij moreel verantwoord vinden, maar als je bijvoorbeeld praat met de krottenbewoners in Mexico–Stad die iedere dag twee uur in de bus zitten om naar de fabriek te gaan en nauwelijks genoeg verdienen om een beetje rijst en bonen op tafel te zetten, en aan hen vraagt: “waarom zijn jullie hier? In jullie dorp hadden jullie land en vrienden en had je dorpsfeesten,” dan antwoorden ze dat ze hier meer kansen hebben, dat hun kinderen naar school gaan en zich kunnen ontplooien zodat ze later werk kunnen krijgen. Maar het is ook niet zo dat deze maatschappijen muurvast zitten. Er is nog zeker wel geld te verdienen. In Brazilië bijvoorbeeld zijn naar schatting vijfhonderdduizend mensen bezig met goudzoeken. Minstens de helft van die goudzoekers verdient daar meer dan ze ooit op een andere manier zouden kunnen verdienen. Sommigen worden daar ontzettend rijk van, anderen kunnen er net van eten of houden er juist genoeg aan over om een boerderijtje of een auto of een winkeltje te kopen. Het is geen recept voor sociale ontwikkelingen, maar we hebben het over de illusie van veranderingen.’
ProsecutorIs uw visie op de rol van de journalistiek in de loop der jaren veranderd?
‘Na al die jaren als journalist gewerkt te hebben vraag ik me af hoe je de ene cultuur over kunt brengen naar de andere. Op welke manier kun je iets overbrengen naar de lezers in Nederland. De televisie vertoont overal ter wereld dezelfde beelden van schietpartijen in El Salvador, maar wat begrijpt men daar nou eigenlijk van? Kunnen wij journalisten dat uitleggen of is het alleen achtergrondmuziek en appelleert het aan het instinct om afgrijselijke beelden mooi of fascinerend te vinden? Hoe kun je uitleggen wat armoede is en pijn? Als je het niet beleeft weet je niet wat het betekent. Hoe moet je uitleggen wat ziekte op dit continent betekent? Ziek zijn betekent dat het hele familiebudget opgaat. Zonder geld komen de mensen niet eens voorbij de poort van het ziekenhuis. Ik wil die mensen zelf aan het woord laten. Ik wil ze laten zien. Ik denk soms wel eens dat wij journalisten eigenlijk nieuws en berichtgeving zouden moeten herdefiniëren. Dat riekt naar inmenging in vrijheid van meningsuiting, maar zo bedoel ik het niet. Nieuws bestaat niet alleen maar uit abstracte lichtbeelden op een televisiescherm. Ik wil afblijven van wat nou de definitie is van journalistiek, maar er zijn zeker methoden waarmee je mensen kunt bereiken.
Ik zat laatst een boek te lezen van John Gardner die zich afvroeg wie nu een goede kunstenaar is. Dat is iemand die met zijn werk andere mensen inspireert en een bijdrage levert aan hun eigen leven. Een slechte kunstenaar zeurt en klaagt. Nu wil ik natuurlijk niet een journalist met een kunstenaar vergelijken, wij fungeren meer als spiegel en doorgeefluik. Nogmaals, ik weet dat ik me op glad ijs begeef en dat dit neigt naar moralistische journalistiek en dat wil ik absoluut niet. Maar al die eindeloze uitspraken van middelmatige politici die wij prestige verlenen door ze af te drukken…. Wij laten mensen aan het woord die liegen. Wij plaatsen mensen op voetstukken die ze niet verdienen en natuurlijk kun je alleen maar over gewone mensen schrijven, maar vaak is dat beter en veelzeggender dan constant politici en partijleiders te citeren die eigenlijk alleen maar aan een vorm van zelfbevrediging doen.’

Noot:
* Indertijd heb ik er met hulp van Enno van der Eerden een publicabel stuk van gemaakt. Dit interview verscheen eerder in Vrij Nederland, jaargang 49 – 14 mei 1988




Joseph Conrad Collection

Joseph Conrad was born to Polish parents in 1857 in Berdychiv, which is part of modern Ukraine. As a young man he spent 19 years as a merchant marine sailing on French and British ships. His years at sea and the various persons he encountered served as inspiration for events and characters in his subsequent literary career. English was his third language (after Polish and French), which imbues his writing with a distinct style.
The Joseph Conrad collection contains manuscripts, letters, documents, and photographs. Of particular significance are manuscripts for several of his novels, including Almayer’s Folly (1895), Chance (1913), and Victory (1915). His outgoing correspondence includes letters to Henry D. Davray, Norman Douglas, Henry James, Alfred A. Knopf, and others.

Incoming correspondence has been excluded from this online collection due to copyright concerns.

This collection was digitized as part of Project REVEAL (Read and View English & American Literature).

Go to: http://hrc.contentdm.oclc.org/

Joseph Conrad ~ Nostromo

Author’s Note
“Nostromo” is the most anxiously meditated of the longer novels which belong to the period following upon the publication of the “Typhoon” volume of short stories.
I don’t mean to say that I became then conscious of any impending change in my mentality and in my attitude towards the tasks of my writing life. And perhaps there was never any change, except in that mysterious, extraneous thing which has nothing to do with the theories of art; a subtle change in the nature of the inspiration; a phenomenon for which I can not in any way be held responsible. What, however, did cause me some concern was that after finishing the last story of the “Typhoon” volume it seemed somehow that there was nothing more in the world to write about.

This so strangely negative but disturbing mood lasted some little time; and then, as with many of my longer stories, the first hint for “Nostromo” came to me in the shape of a vagrant anecdote completely destitute of valuable details.

Joseph Conrad ~ Nostromo – First edition

As a matter of fact in 1875 or ‘6, when very young, in the West Indies or rather in the Gulf of Mexico, for my contacts with land were short, few, and fleeting, I heard the story of some man who was supposed to have stolen single-handed a whole lighter-full of silver, somewhere on the Tierra Firme seaboard during the troubles of a revolution.

On the face of it this was something of a feat. But I heard no details, and having no particular interest in crime qua crime I was not likely to keep that one in my mind. And I forgot it till twenty-six or seven years afterwards I came upon the very thing in a shabby volume picked up outside a second-hand book-shop. It was the life story of an American seaman written by himself with the assistance of a journalist. In the course of his wanderings that American sailor worked for some months on board a schooner, the master and owner of which was the thief of whom I had heard in my very young days. I have no doubt of that because there could hardly have been two exploits of that peculiar kind in the same part of the world and both connected with a South American revolution.

Full text: http://www.online-literature.com/conrad/nostromo/

Kenneth Ligda ~ On Joseph Conrad ~ Nostromo: https://modernism.research.yale.edu/Nostromo 




Ridley Scott & Kevin Macdonald ~ Life In A Day


Life In A Day is a historic film capturing for future generations what it was like to be alive on the 24th of July, 2010.
Executive produced by Ridley Scott and directed by Kevin Macdonald.




Tiny Bouts Of Contentment. Rare Film Footage Of Graham Greene In The Belgian Congo, March 1959

Graham Greene in the Belgian Congo

Graham Greene in the Belgian Congo

My purpose in this contribution is to present and contextualize the only film footage ever recorded of the novelist Graham Greene (1904-1991) in the Belgian Congo in 1959. The footage was filmed with an 8mm camera, which did not record sound. It belongs to Mrs. Édith Lechat (née Dasnoy;1932-) and her husband, the leprosy specialist Doctor (later Professor) Michel Lechat (1927-2014).

From 1953 through 1960, Dr. Lechat was head of the leper hospital and colony of Iyonda, a village and mission station some 15 kms south of the city of Coquilhatville (now, Mbandaka) in central-western Congo. Greene stayed a number of weeks in Iyonda and other mission stations in the region in search of inspiration, a setting, and material for a new novel. The novel, A Burnt-Out Case, appeared in 1960, and was dedicated to Dr. Lechat. Greene occupied a room in the house of the missionary fathers in Iyonda, but spent long parts of his days with the doctor and his family. The film reached me through the hands of Édith Lechat, who had it transposed to a DVD-playable format, and via my friend Hendrik (a.k.a., “Henri” or “Rik”) Vanderslaghmolen (1921-), who was a missionary in the region at the time. As he was one of the only Belgian missionaries there with some knowledge of English, he often accompanied Graham Greene during his trips from one mission station to another. Rik Vanderslaghmolen and the Lechats are still close friends today.

Much of the information I offer below stems from conversations I had with both Rik Vanderslaghmolen and Édith Lechat in July and August 2013. Regrettably, Dr. Michel Lechat’s poor health condition did not allow me to probe his memory, but an interview he gave for the Brussels-based weekly The Bulletin on the occasion of Greene’s death in 1991 is available (Lechat 1991), as well as a closely similar talk he gave at the 2006 Graham Greene Festival in Berkhamsted, published in the London Review of Books in August 2007 (Lechat 2007). Édith Lechat has given me the kind permission to share the film with the readership of Rozenberg Quarterly and to add the necessary contextual information on both the historical situation and the contents of the film.

Graham Greene (right, 54 years old) with Dr Michel Lechat (31 years old) and Lechat’s two first-born children, Marie and Laurent. Car park in front of the airfield of Coquilhatville, the Belgian Congo, 5 March 1959. Photo reproduced with permission from Edith Lechat.

Graham Greene (right, 54 years old) with Dr Michel Lechat (31 years old) and Lechat’s two first-born children, Marie and Laurent. Car park in front of the airfield of Coquilhatville, the Belgian Congo, 5 March 1959. Photo reproduced with permission from Edith Lechat.

Snippets of the film were used in a documentary the BBC produced on Graham Greene in 1993 (The Graham Greene Trilogy, by Donald Sturrock). Yet, the order in which the documentary presented the snippets did not respect the original course of the film and they were, in any case, fragmentary. Also, neither the film bits nor the voice-overs in the documentary provided much information on Greene’s stay in the Congo and his relation with the Belgian missionaries, but rather served to portray Greene’s personality, i.e. to illustrate what some interviewees described as his tendency to falsely pretend happiness and gaiety while in reality being a sombre and depressed man, especially in those years. My contribution here is thus an opportunity to present, for the first time, the film in its full and unedited length, and to zoom in on the Congolese and missionary circumstances under which it was made.

Graham Greene’s journey to the Belgian Congo took place in the beginning of 1959; to be precise, he arrived by plane in Leopoldville (now, Kinshasa) on 31 January and left that city again for Brazzaville on 7 March 1959. He was in Iyonda from 2 to 11 February and again from 26 February to 5 March, visiting other mission stations in between these two periods. The reason why some 35 years later Greene wrote that “In 1959 I spent about three months in and around the leper colony of Iyonda in the then Belgian Congo” (Greene in Hogarth 1986: 108) and why in the same way he mentioned “months” in an interview heard in part 2 of the BBC documentary, remains unclear. His stay in the Congo must have appeared much longer to him with hindsight than it had been in reality.  Either way, in 1958 he had a rough idea for a book in mind, namely a stranger arriving in a leper colony run by a missionary order. When Greene was searching for a suitable leper colony in a remote place of the globe which he could visit to substantiate his technical knowledge of leprosy and where he could spend time with missionaries, a mutual Belgian friend told him about Michel Lechat and his work in the Congo (Lechat 1991, 2007). He wrote three letters to the doctor, who in turn discussed it with the missionary fathers of Iyonda and Coquilhatville, and his stay was arranged.

The missionary congregation in charge of Iyonda, Coquilhatville, and the other mission stations Greene visited during his Congo journey was the Belgian branch of the Catholic Missionaries of the Sacred Heart (Missionnaires du Sacré-Coeur de Jésus, MSC), which included among its members the famed specialists and guardians of the Mongo people, Edmond Boelaert (1899-1966) and Gustaaf Hulstaert (1900-1990), and which produced the proto-scholarly and socially committed journal Æquatoria (1937-1962), later succeeded by Annales Æquatoria (1980-2009) (see Vinck 1987, 2012 and www.aequatoria.be for more details).  The MSC missionaries and their bishop Mgr Hilaire Vermeiren (1889-1967) were particularly proud to receive the famous author, who had not only converted to Catholicism in his early twenties but some of whose books, such as Brighton Rock, The Lawless Roads, The Power and the Glory, The Heart of the Matter, and The End of the Affair, also developed profoundly Catholic themes.

Entrance to the Iyonda leprosery, with the missionary fathers’ house on the left, where Greene was accommodated. The first part of the 8mm film was recorded on the loggia of this house. Photo reproduced with permission from R. Vanderslaghmolen.

Entrance to the Iyonda leprosery, with the missionary fathers’ house on the left, where Greene was accommodated. The first part of the 8mm film was recorded on the loggia of this house. Photo reproduced with permission from R. Vanderslaghmolen.

During his stay in the Congo, Greene kept a diary in which he noted down daily observations, thoughts and conversations, and in which he tried out some characterizations and pieces of story for the novel: “I took advantage of the opportunity to talk aloud to myself, to record scraps of imaginary dialogue and incidents, some of which found their way into my novel, some of which were discarded” (Greene 1968 [1961]: 7). Afterwards, the diary was thoroughly proofread by Dr. Lechat, who did not only correct technical errors related to leprosy and leprosy treatment but also cleaned out quite some painful descriptions of real people and situations, before it was published, in 1961, under the title In Search Of A Character: Congo Journal. It contains the dates and locations of Greene’s whereabouts, and mentions the various missionaries, colonials and other people he met on his way. In an article posthumously published in Annales Æquatoria, Gustaaf Hulstaert identified each MSC missionary mentioned in the diary and also attempted to find clues in A Burnt-Out Case (Hulstaert 1994). Hulstaert ends his article with a defence of his fellow missionaries, most of whom Greene had depicted in not so favourable terms in the diary and, less explicitly identified, in the novel as well. Greene had found many of them, although kind and hospitable (see also his words in Hogarth 1986: 108), not widely educated, rather naive and infantile, easily amused by college types of humour and immature games, some of them cruel with animals, others lazy, and all of them occupied with all sorts of logistics, such as constructing buildings, running schools, laying in provisions, but not with the spiritual fundaments and higher goals of motivated Christianity.

One of the exceptions was the bishop, Mgr Vermeiren. Greene and Vermeiren seem to have shared the same perception of the priests; testament to this is what Vermeiren wrote to the MSC provincial superior in Belgium in 1957: “It is my impression that quite a number of our priests are not mature. For people holding university degrees, they sometimes behave so childishly” (letter to Jozef Van kerckhoven, 26 April 1957, MSC Archives). In his diary, Greene appreciates Vermeiren for being “a wonderfully handsome old man with an eighteenth-century manner – or perhaps the manner of an Edwardian boulevardier” (Greene 1968 [1961]: 26), and lauds his cultivation as well as his bravery and tenacity in the difficult years of decolonization (1968 [1961]: 40; see also Hulstaert 1989). In the many years of professional and friendship contacts I have had with members of the MSC, I have learned that priests and friars who worked under Vermeiren are in general less eulogistic about him, remembering him especially for his aloofness and sense for pomp and rank – a characterization which also surfaces in biographical sketches such as Van Hoorick (2004: 26). This discrepancy is indicative of Greene’s general preference for patrician class and high-cultured milieus, and in any case suggests that his interpretive grid was considerably remote from the fathers’, leading more than once to a misunderstanding or at least to a lack of connection. This want of mutual understanding and connection is also mentioned by Hulstaert (1994: 501-502) and was similarly reported to me by Rik Vanderslaghmolen and Édith Lechat.

One of the MSC missionaries working in the Congo was Martin (Adolf) Bormann Jr. (1930-2013), first-born son of Adolf Hitler’s private secretary Martin Bormann, and Hitler’s godson. Converted to Catholicism at the age of 17, he studied theology and was ordained priest in 1958, in the Austrian-German branch of the MSC (MSC 1963: 255). He went to the Congo for the first time in May 1961, where he was assigned to the mission station of Mondombe, in the easternmost diocese of the MSC mission region, some 800 kms east of Iyonda and Coquilhatville. In 1964, fleeing the advancing Simba rebels, he lived for some days hidden in cassava fields, but was nonetheless caught (Bormann 1965, 1996). In November 1964, he was freed by Belgian paratroopers and repatriated to Europe. He went back to the Congo for a second term of one year in March 1966 and left priesthood in 1971. On 12 February 1959, the day when Greene arrives in the mission station of Bokuma, located some 70 kms northeast of Iyonda but still some 700 kms away from Mondombe, he writes “Incidentally Martin Bormann’s son is somewhere here in the bush” (1968 [1961]:  44-45). However, in 1959 Bormann had not yet arrived in the Congo. An explanation for this confusing anachronism in Greene’s diary is to be found in the fact that, as Édith Lechat and Rik Vanderslaghmolen reported to me, Martin Bormann’s entrance in the congregation of the MSC and his being assigned to the missions in the Belgian Congo raised some dust among missionaries and colonials in the vicariate of Coquilhatville. In 1959, Bormann’s anticipated arrival was, in fact, the talk of the town in Coquilhatville and depending mission stations. Greene must have picked up the news and misinterpreted it, believing Bormann had already arrived.

A Burnt-Out Case is set in a leprosery in the Belgian Congo and has as one of its protagonists a Belgian doctor (Dr. Colin), head of the leprosery, who, moreover, works in close collaboration with a group of missionaries, whose personalities and characters conjure up the MSC missionaries Greene met during his journey. In his dedication of the novel to Dr. Lechat (Greene 1977 [1960]: 5), Greene insists that the leprosery in the novel is not literally the one in Iyonda, even if he may have copied “superficial characteristics” from it. He also avers that Dr. Colin is not Dr. Lechat: apart from the fact that he has the same experience of leprosy, the character is in “nothing else” based on him. As far as the missionaries are concerned, Greene admits that he gave the Superior of the mission station to which the leprosery is attached in the novel, the same habit of smoking one cheroot after the other and of spilling ashes on everything and everyone in his vicinity as he had seen the Superior in Iyonda, Pierre Wynants (1914-1978), do. Also, Greene says the river boat on which the main character Querry, and later Parkinson, travel to and from the leprosery is inspired by the steamer which Mgr Vermeiren had put at his disposal in 1959 and on which he was often accompanied by Rik Vanderslaghmolen. But apart from that, Greene insists, none of the central characters is based on any particular person he had met in the Congo, and the novel “is not a roman à clef, but an attempt to give dramatic expression to various types of belief, half-belief, and non-belief, in the kind of setting, removed from world-politics and household-preoccupation, where such differences are felt acutely and find expression” (Greene 1977 [1960]: 5). Yet, however much I agree that reading A Burnt-Out Case as a roman à clef  would severely miss the author’s point and defeat the purpose of the artistic experience, there do seem to be closer resemblances than Greene admits.

The river steamer Theresita, property of the MSC missionaries in the Congo and used by Graham Greene in 1959 to move from one mission station to another. Photo reproduced with permission from R. Vanderslaghmolen.

The river steamer Theresita, property of the MSC missionaries in the Congo and used by Graham Greene in 1959 to move from one mission station to another. Photo reproduced with permission from R. Vanderslaghmolen.

First of all, much like Greene, Querry, too, defends himself against allegations, from Marie, that the story he is telling her would be an allegory of his past and that he would be the boy appearing in it. Querry retorts to her: “They always say a novelist chooses from his general experience of life, not from special facts” (Greene 1977 [1960]: 152). Greene could have spoken exactly the same words in defence of A Burnt-Out Case. Secondly, Querry displays the same lack of impatience with what he feels to be the priests’ mediocrity as Greene shows in his diary, and both Greene and Querry are sickened by the fondness for gratuitous game hunting of one particular missionary, who, moreover, is both in the novel and in real life the captain of the river steamer (real person: Georges Léonet, 1922-1974). Thirdly, the bishop in the novel is depicted as an aristocratic and highly refined gentleman. He is described as “an old-fashioned cavalier of the boulevards” (Greene 1977 [1960]: 64), which is no less than an immediate echo of the words “Edwardian boulevardier” Greene used in his diary to describe Mgr Vermeiren. What is more, the bishop in the novel is a fond player of bridge (1977 [1960]: 64). The diary does not make mention of Vermeiren’s avid passion for this card game, but this passion is still legendary among MSC members today – not in the least Rik Vanderslaghmolen, who was often summoned to drive Mgr Vermeiren to outlying bridge venues. Fourth, in the same way as Greene is on record for having been a womanizer, drawing much of his success with the other sex from his fame (i.a., Shelden 1994), Querry, too, looks back on a life in which his status and celebrity as an artist-architect earned him considerable attention from women. Fifth, Greene was already world-famous before his departure to the Congo, and as the anticipation of too much attention annoyed him greatly, he travelled in the Congo under the pseudonym “Mr. Graham” (Lechat 1991, 2007). In the diary, Greene more than once noted down his irritation with admirers, mostly Belgian colonials, who in spite of his attempted anonymity managed to approach him to discuss literary matters or submit creative writings of their own to his appreciation and advice. Michel Lechat recounts the funny anecdote of how Greene, upon spotting from far an admirer driving in the direction of the leprosery, would run into the Lechats’ house, jump out of the rear window of their bedroom, and run away into the forest (Lechat 1991, 2007). Querry, too, is an internationally renowned artist, whose success and praises have worn him out. In fact, the very reason for his leaving Europe and hiding away in the Congo is his self-unmasking as a second-rate artist and his related desire to vanish from sight. The nail in Querry’s coffin is Mr. Rycker, Marie’s husband and a Belgian colonial entrepreneur relentlessly exasperating Querry with tributes and references to his grand artistic achievements. Again, the resemblance between Querry and Greene is too striking to be left unnoticed. Lechat in fact also remembers a number of other anecdotes and actual situations that befell Greene in the Congo and that are almost literally lived by Querry in the novel (Lechat 1991, 2007). Decidedly, as the biographer Norman Sherry put it, “in describing […] Querry, Greene is describing himself” (Sherry 2004: 194), and much more so than the novelist was prepared to recognize.

A Britain-based author of many novels set in tropical places, who goes to the Congo in order to find inspiration for a new book, travels the Congo river or its tributaries on a steamer, keeps a Congo diary in preparation of the book, and, in his literary creation, connects outer-world removal from all things familiar with inner-world self-confrontation, despair, and madness – one cannot help being reminded of Joseph Conrad and his Heart of Darkness and An Outpost of Progress (for Conrad’s Congo diary see Najder 1978 and also Stengers 1992).
Evidently, in terms of writing style, no two authors could be more unlike than Greene and Conrad. Although both privilege themes of gloom, failure, and disillusion and even though they both gauge the characters’ psychological and emotional states and changes (see also Stape 2007, among others, on Conrad’s heritage in Greene’ s work), Greene’s style is much less oriented towards sensuality and sensation, is story-practical, and is above all narrative- and action-driven whereas Conrad’s is description-based. Of more importance is the fact that, and the ways in which, Greene invokes Conrad on more than one occasion in his Congo diary. The diary entries reveal how heavily Conrad’s shadow had been hanging over Greene since his first days as a novelist.

First of all, we find several appropriate but terse and spontaneous citations from Heart of Darkness in the diary. When contemplating Leopoldville, Greene briefly cites, without any identification of the self-evident source: ““And this also”, said Marlow suddenly, “has been one of the dark places of the earth”” (Greene 1968 [1961]: 15). And when admiring the Congo river at Iyonda, he writes down “This has not changed since Conrad’s day. ‘An empty stream, a great silence, an impenetrable forest.’” (1968 [1961]: 18). We later on learn that Greene has found his Congo journey to be a perfect occasion to reread Heart of Darkness. In itself, this is not particularly noteworthy, as many a European has done the same when travelling to the Congo for the first time. What is of interest is that, on the day of 12 February 1959, Greene confesses that in 1932, i.e. at the age of 28 already, he had abandoned reading Conrad altogether, because it filled him with a strong sense of inferiority as a writer: “Reading Conrad – the volume called Youth for the sake of The Heart of Darkness – the first time since I abandoned him about 1932 because his influence on me was too great and too disastrous. The heavy hypnotic style falls around me again, and I am aware of the poverty of my own” (1968 [1961]: 42).

At that young age, Greene thus stopped reading Conrad – “that blasted Pole [who] makes me green with envy”, as he once referred to him (Keulks 2006: 466) – in order to avoid the risk of being too much influenced by him. Could this be where we have to find the origins of Greene’s strongly opposite writing style, a style he developed in reaction to Conrad’s, which he held in great awe and at the same time considered unattainable? Édith Lechat recalls how she and her husband once mentioned their great keenness for Conrad in a conversation with Greene, and how his reaction was unusually evasive and crabby. So crabby that the three never raised the subject Conrad again. Fascinatingly, a bit later, when he has progressed further in the book, Greene makes a new assessment of the novel as compared to his reading of it in his twenties: “Conrad’s Heart of Darkness still a fine story, but its faults show now. The language too inflated for the situation. Kurtz never comes really alive. […] And how often he compares something concrete to something abstract. Is this a trick that I have caught?” (Greene 1968 [1961]: 44). Whether one agrees with Greene’s appreciation or not (at least as far as Kurtz is concerned, I do), what we seem to be witnessing here is a moment later in Greene’s life at which he overcomes his self-degrading veneration of Conrad. The 54-year old, mature Greene, now rereading Heart of Darkness “as a sort of exorcism” (Lechat 1991: 16), has found faults in Conrad’s characterizations and has discovered a stylistic trick he believes he was overusing. These demystifying discoveries seem to enable Greene for the first time in his life to step out of Conrad’s overpowering shadow, to free himself from the burden of his inescapable ubiquity, now undone.

8mm film of Graham Greene in Iyonda, the Belgian Congo, 5 March, 1959. Reproduced with permission from Edith Lechat and Rik Vanderslaghmolen.
Click video to play. Click lower right corner of video to enter full screen. Press “escape” to exit full screen. Note: We are aware of an issue with this video in some internet browsers and are working on a solution. 

The camera for this 8mm film was held by Father Paul Van Molle (1911-1969), the later superior of the Iyonda mission and leper colony. Greene mentions Father Paul only once, and briefly, in his diary, namely on 10 February, when receiving a haircut from him (1968 [1961]: 38). Greene himself does not mention or allude to the filming in his diary in any way. On the basis of a series of clues, Édith Lechat has been able to reconstruct that the filming took place in the morning and at lunch time of Greene’s last day at Iyonda, namely Thursday 5 March 1959. Later in the afternoon, the Lechat family would drive Graham Greene to the airfield of Coquilhatville, where he was to board a plane to Leopoldville. With Greene’s departure imminent, Father Paul realized the fathers and the Lechat family had not yet captured his presence among them on film, and therefore hastened to do so.

The film as shown here was not edited: all ‘cuts’ are moments at which Paul Van Molle switched the camera off and on again. The film, 4 minutes and 40 seconds in length, can be said to consist of two main parts, each filmed at a different time of the day and at a  different location in Iyonda. The first part, running until 2’19”, is shot in the morning time on the loggia, named barza in Belgian colonial parlance, of the fathers’ house, where Greene was accommodated (see also photo of Iyonda above). The second part, running from 2’23” until the end, is an hour or two later, i.e. at lunch time, in the Lechat house, which was a few hundred meters away from the fathers’ house. On 27 February, Greene writes that “I no longer bother to go to the Congo [river] to read” (1968 [1961]: 66), a habit he used to entertain during his first stay in Iyonda from 2 to 11 February. The first twelve seconds of the film show Greene stretched out in a deck chair on the fathers’ barza reading a book, which according to the diary must be Belloc’s Catholic testimony The Path to Rome (1968 [1961]: 76). The fact that he is doing his daily reading there, and not on the banks of the Congo river, confirms that the film was recorded during Greene’s second stay in Iyonda.

The other details of the first part of the film are as follows. After 0’12”, we see that Greene has put the book aside and is engaged in a conversation with whom we discover a bit later to be Édith Lechat, then 27 years old, standing on the edge of the barza. Shortly after that, Father Rik Vanderslaghmolen, aged 38, joins in from behind Greene. As I mentioned above, Rik was one of Greene’s main escorts during his Congo journey, and in that capacity his name reappears quite frequently in the diary. At the time of Greene’s visit, Vanderslaghmolen was on leave in Iyonda to recover from illness (see also Hulstaert 1994: 498). Both the film and the diary show a Vanderslaghmolen as his family, confreres, and friends, including myself, know him best, namely as a frolicsome practical joker, an impish leg-puller, an ever good-humoured, jesting entertainer. As the three are having an amicable, relaxed conversation, Greene remaining seated, the zoom is close enough for an experienced lip reader to decipher what Greene is saying, probably in (broken) French, the language in which he habitually conversed with Édith Lechat (whereas he mostly used English with her husband). From 0’32” through 0’39”, Greene is entertained by the Lechat children, Marie (4.5 years old) and, on his little tricycle, Laurent (2.5). Then, from 0’39” to 0’45”, Greene is filmed holding a camera to photograph the cameraman, Rik stepping in and whimsically hindering Greene from looking into the camera viewer. After that (0’46” – 0’58”), Greene and Rik are larking about, Rik blocking the door of the house to prevent Greene, clutching his inseparable whisky flask, from coming in. In the following bit, until 1’13”, we first see Greene with Édith Lechat, lighting a cigarette, and her two children, immediately followed by Rik and Greene sillily engaged in a mock waltz, a stunt clearly triggered by the filming occasion. Next (1’13” – 1’20”), Rik amuses his company by trying to squeeze his lofty body into little Laurent’s tricycle. After Greene picks up his book and glasses and regains his deck chair, and Édith Lechat, following her daughter, leans through a window of the fathers’ house to have a conversation with someone inside, Dr. Lechat has joined the company and a chat ensues between the three (until 2’19”), Greene still seated, Michel and Édith Lechat standing. Michel Lechat’s and Greene’s gazes (1’56” – 1’59”) reveal a light, good-hearted annoyance with the camera’s intrusion.

The second part of the footage is shot in the house of the Lechats, showing Greene with the Lechat family at lunch, assisted by their Congolese servant Mongu Henri (year of birth unknown). This takes place only a few hours after the morning scene at the fathers’ house. It can be noticed, however, that Greene has changed shirts, possibly in anticipation of his flight to Leopoldville (notice that it is  the same shirt as in the photo above, taken in the car park at the Coquilhatville airfield). Gazes into the lens and nervous laughter make it clear that the company, although trying to behave naturally, remain acutely aware of the camera’s presence during the entirety of the meal. My poor lip reading skills aside, I venture to say that at 3’36” – 3’38”, Mrs. Lechat, slightly embarrassed, addresses the cameraman with the words“Père Paul, arrête! Arrête de filmer, s’il te plaît!” (“Father Paul, stop! Stop filming, please!”). Between 3’16” and 3’20”, we witness Dr. Lechat repairing his photo camera, the same camera with which, a few hours later, his wife would take the picture in the airfield car park.

The second half of the 1950s was one of the darkest periods in Greene’s life, specifically after the break-up with his mistress Catherine Walston (i.a., Shelden 1994; Sherry 2004; R. Greene 2008). His manic depression reached the most severe point he had experienced until then, he self-reported to feel chronically miserable, even to have turned into a misanthrope. In the BBC documentary, relations and friends of Graham Greene’s narrate how he was an absolute master in masking away this gloominess and dejection, concealing it under the exact opposite – merriment, smiles, superficial gaiety. Appearing in off-screen voice, his wife Vivien Greene explains that: “I’ve discovered, and I’m sure I’m right, that people who are great on practical jokes are very unhappy. And I think it was when Graham was most unhappy that he started all these practical jokes. […] It was I’m quite sure when he was most deeply unhappy that he had this spell of practical joking, which people think of as high spirits but I don’t think it is.” Her off-screen voice is heard over (very short) bits of images showing Graham Greene dancing around with Rik Vanderslaghmolen on the fathers’ barza and looking happily entertained at lunch with the Lechat family. The message of the documentary makers is clear: Greene’s gaiety and insouciance visible on the Congo footage are make-believe, a shallow pose that when scratched away reveals a deeper, lurking despondency. I do not wish entirely to refute this analysis, but at the same time would like to invoke the album, also mentioned above, that the graphic artist Paul Hogarth made on the locations appearing as settings in Greene’s novels (Hogarth 1986).

In commentaries Greene added to Hogarth’s paintings in this album, the novelist remembered his time in Iyonda as not particularly gloomy:  “It was not a depressing experience. […] Most of my memories of the léproserie are happy ones – the kindness of the fathers and friendship of Dr. Lechat to whom the book is dedicated” (Greene in Hogarth 1986: 108-112). Certainly, the late 1950s were dark, dismal years in Graham Greene’s life, and to be sure the writing of A Burnt-Out Case constituted a terrible artistic ordeal for him – as he put it: “What was depressing was writing the novel and having to live for two years with a character like Querry. I thought it would be my last novel” (Greene in Hogarth 1986: 108). But perhaps the time he spent in the Congo with Dr. and Mrs. Lechat and with the fathers, among whom the comic and generous teaser Rik Vanderslaghmolen, who according to Édith Lechat was “the only person really capable of making Graham Greene laugh and have fun”, triggered off tiny bouts of contentment in Greene’s tormented soul. A contentment surely initiated from the outside, and maybe ephemeral and fleeting, but nonetheless momentarily highly efficacious.

Acknowledgments
I sincerely wish to thank Édith Lechat and Rik Vanderslaghmolen for all the information, feedback, and viewpoints they so kindly offered me. Both of them have given their approval to this text. My gratitude also goes to Honoré Vinck for his assistance with a number of archival issues and to Jürgen Jaspers.

REFERENCES
Bormann, Martin. 1965. Zwischen Kreuz und Fetisch: Die Geschichte einer Kongomission. Bayreuth: Hestia.
Bormann, Martin. 1996. Leben gegen Schatten: Gelebte Zeit, geschenkte Zeit. Begegnungen, Erfahrungen, Folgerungen. Paderborn: Bonifatius.
Greene, Graham. 1968 [1961]. In Search of a Character: Congo Journal. London: Penguin.
Greene, Graham. 1977 [1960]. A Burnt-Out Case. London: Penguin.
Greene, Richard (Ed.) 2008. Graham Greene: A Life in Letters. New York: W.W. Norton & Co.
Hogarth, Paul. 1986. Graham Greene Country: Visited by Paul Hogarth, Foreword and Commentary by Graham Greene. London: Pavilion.
Hulstaert, Gustaaf. 1989. Vermeiren (Hilaire). Biographie Belge d’Outre-Mer – Belgische Overzeese Biographie 7(C): 365-368.
Hulstaert, Gustaaf. 1994. Graham Greene et les missionnaires catholiques au Congo Belge. Annales Æquatoria 15: 493-503.
Keulks, Gavin. 2006. Graham Greene. In Kastan, D. S. (Ed.), The Oxford Encyclopedia of British Literature, 466-471. New York: Oxford University Press.
Lechat, Michel. 1991. Remembering Graham Greene. The Bulletin: The Newsweekly of The Capital of Europe, 18 April 1991: 14-16.
Lechat, Michel. 2007. Diary: Graham Greene at the leproserie. London Review of Books 29(15): 34-35.
MSC (Missionnaires du Sacré-Coeur de Jésus). 1963. Album Societatis Missionariorum Sacratissimi Cordis Jesu, A Consilio Generali Societatis ad modum manuscripti pro Sociis editum. Rome: MSC.
Najder, Zdzislaw (Ed.) 1978. Congo Diary and Other Uncollected Pieces by Joseph Conrad. New York: Doubleday.
Shelden, Michael. 1994. Graham Greene: The Man Within. London: Heinemann.
Sherry, Norman. 2004. The Life of Graham Greene, Volume 3: 1955-1991. New York: Viking.
Stape, John. 2007. The Several Lives of Joseph Conrad. New York: Bond Street Books.
Stengers, Jean. 1992. Sur l’aventure congolaise de Joseph Conrad. In Quaghebeur, M. & Van Balberghe, E. (Eds), Papier blanc, encre noire: Cent ans de culture francophone en Afrique centrale (Zaïre, Rwanda et Burundi), 15-34. Brussels: Labor.
Van Hoorick, Walter. 2004. Hilaire Vermeiren: De tweede Beverse missiebisschop (1889-1967). Land van Beveren 47(1): 11-30.
Vinck, Honoré. 1987. Le cinquantième anniversaire du Centre Æquatoria. Annales Æquatoria 8: 431-441.
Vinck, Honoré. 2012. Ideology in missionary scholarly knowledge in Belgian Congo: Æquatoria, Centre de recherches africanistes; The mission station of Bamanya (RDC), 1937-2007. In Harries, P. & Maxwell, D. (Eds), The Secular in the Spiritual: Missionaries and Knowledge about Africa, 221-244. Grand Rapids: Eerdmans.

About the author
Prof.dr. Michael Meeuwis is Professor of African languages and linguistics at Ghent University, where he is also the director of the Centre for Studies in African Humanities ( http://www.cesah.ugent.be/ ).
His domains of interest include the grammatical description of Lingala, the sociolinguistics of Lingala, the history of colonial linguistics in the Belgian Congo, South African sociolinguistics, issues related to language and identity in sub-Saharan Africa, and description and theory formation in pragmatics. His continuously updated list of publications can be consulted at https://biblio.ugent.be/person/801001653606; his personal page is to be found at http://www.africana.ugent.be/node/208

See also: http://grahamgreenebt.org/

See alsohttp://www.aequatoria.be/




T.S. Eliot Reads: The Waste Land

Roz Kaveney – TS Eliot’s The Waste Land: the radical text of a wounded culture

Siegfried Sassoon once wrote a poem complaining about a concert whose audience listened to The Rite of Spring as if it were “by someone dead / like Brahms”, instead of rioting and yelling abuse. Indeed, most of the great works of 20th-century modernism have become part of the canon. People may still occasionally make disobliging remarks about Picasso, say, but we are used to TS Eliot’s The Waste Land – it is assimilated, and no longer regarded as an awful warning of the debased, degenerate way in which things are heading.

Read more: http://www.theguardian.com/waste-land




Laghukatha – Het ZKV in de Hindi-Literatuur

BruntWas

Foto Lodewijk Brunt

In Nederland is de laatste jaren een nieuw literair genre van de grond gekomen: het zeer korte verhaal, oftewel ‘zkv’. In sommige literaire tradities buiten Nederland bestaat zo’n genre al langer. India is een voorbeeld: het zeer korte verhaal is hier terug te voeren op oude fabels en volksvertellingen, en komt in het Hindi voor vanaf de tijd dat het moderne Hindi is ontstaan (tweede helft 19e eeuw). Het zkv heeft zich in verscheidene tijdvakken en maatschappelijke constellaties weten te handhaven. Ten tijde van de Moghul-dynastie (van de 16e tot de tweede helft van de 19e eeuw) bestond in het Urdu (een zustertaal van het Hindi) een levendige traditie van schetsen en raadsels en cynische commentaren op het doen en laten van de machthebbers. In het midden van de negentiende eeuw bloeide de ‘caféliteratuur’, waaronder de poëzie, als nooit tevoren; aan het hof van de laatste Moghul-keizer Zafar in Delhi, maar zeker ook daarbuiten en onder ‘gewone’ mensen.[1]

In Lucknow waren befaamde literaire salons gevestigd; ze vormen de achtergrond van Mirza Mohammad Hadi Ruswa’s indrukwekkende roman Umrao Jan Ada, over het leven van een roemruchte dichteres en courtisane. De bekende schrijver Premchand heeft in de eerste decennia van de 20e eeuw behalve sociale romans, korte en zeer korte verhalen geschreven. Latere topauteurs als Saadat Hasan Manto en Ismat Chughtai hebben zich eveneens aan het genre gewaagd; hun zkv’s over de religieuze tegenstellingen tussen hindoes en moslims, met name tijdens de Partition, de scheiding tussen India en Pakistan in 1947, zijn ongeëvenaard.

Ondanks deze rijke traditie wordt in recente beschouwingen soms de suggestie gewekt dat laghukatha (laghu = kort, variërend van enkele zinnen tot een bladzijde, katha = verhaal) pas ontstaan is in de jaren 1970, toen onder het schrikbewind van Indira Gandhi naar wegen werd gezocht om de welig tierende corruptie, het nepotisme en het monddood maken van politieke tegenstanders aan de kaak te stellen. Het zkv bood uitkomst en vond als een soort protestliteratuur zijn weg op pamfletten, muurkrantjes en posters. Laghukatha maakte een bloeiperiode door, maar is na de periode Indira Gandhi blijven bestaan. Het zkv is overal te vinden, in boeken, bundels, tijdschriften en sinds een jaar of tien uiteraard ook op internet.

Ondanks het feit dat het verschijnsel zkv als zodanig lang niet overal in India bekend is, zelfs niet in kringen van intellectuelen, heeft het genre de laatste tijd aan literair prestige gewonnen. Schrijvers van zkv’s hebben inmiddels hun eigen commissies, prijsvragen, conferenties en onderscheidingen.

In Nederland lijkt het zkv ook aan een opmars bezig. Men organiseert voorleesavonden en festivals en in literaire tijdschriften als De Gids of Das Magazin wordt ruimte vrijgemaakt voor zkv-auteurs. Sinds kort bestaat zelfs een Snijdersprijs voor het genre, in 2012 gewonnen door Jente Posthuma. In de Angelsaksische wereld grijpt het zkv nóg sterker om zich heen. De laatste jaren zijn bij gerenommeerde uitgevers diverse bundels gepubliceerd met namen als hint fiction, flash fiction of sudden fiction. Net als de Constantijn Huygensprijs 2010 voor A.L. Snijders, zal de Man Booker International Prize 2013 voor de Amerikaanse zkv-schrijfster Lydia Davis vermoedelijk een forse stimulans voor deze tak van literatuur betekenen.

Laghukatha bestaat uit dialogen, soms monologen, reportages, verhalen of scènes met een morele, maatschappijkritische ondertoon. Nog steeds wordt corruptie aan de orde gesteld, het kopen van stemmen bij verkiezingen, machtsmisbruik, de hypocrisie en achterbaksheid van de machtigen der aarde; nog steeds spelen ook religieuze tegenstellingen, met name tussen hindoes en moslims, een voorname rol. Een groot deel van de verhalen gaat daarnaast over problematische aspecten van het familieleven, huwelijken en bruiloften, geboorte, dood, emigratie en de diaspora. Auteurs belichten de moderne gezinnen uit de stedelijke middenklasse, waar men worstelt met dienstpersoneel, de opvoeding van kinderen, de problematische verhouding tussen mannen en vrouwen.

BruntStraat

Foto Lodewijk Brunt

Je ziet in Indiase zkv’s eigenlijk nooit wat zo typerend is voor het Nederlandse zkv: de zieleroerselen en mijmeringen van een schrijver die rapporteert over zijn persoonlijke bestaan. De stukjes van A.L. Snijders zijn hiervan een sprekend voorbeeld: hem lezen is hem leren kennen.

In laghukatha lees je over maatschappelijke ontwikkelingen, sociale verhoudingen, tegenstellingen – de schrijver is waarnemer, onderzoeker, commentator en als zodanig blijft hij anoniem.

Het is ons niet altijd meegevallen om laghukatha-stukjes te vertalen. Hoewel het Hindi niet per se ontoegankelijk is – hoe zou het kunnen met zo’n genre – zijn de beschrijvingen vaak compact; de auteur moet het per definitie van de beknoptheid hebben en van de punchline. Hij (of zij) schrijft voor de goede verstaander, met veel dialoog in spreektaal, in een Hindi dat gemengd is met Urdu en soms met lokale varianten van Hindi die we niet meteen thuis kunnen brengen. Desondanks hebben we vele tientallen verhalen vertaald, het werd bijna een verslaving. We beseften dat de zkv’s een bijzonder inzicht bieden in het hedendaagse India: ze tonen de lezer een bittere waarheid die dikwijls verscholen is achter de juichkreten van economische vooruitgang en politieke volwassenheid. Toen onlangs de wereld werd opgeschrikt door enkele gruwelverhalen over verkrachtingen in India, konden we zonder moeite een handvol zkv’s tevoorschijn toveren over dat onderwerp. Ook in de bundel De bittere waarheid – Zeer korte verhalen uit India – hebben we er voorbeelden van opgenomen. Bij ons vertaalwerk hebben we baat gehad van eerdere ervaringen met het vertalen van moeilijke Hindi-teksten, zoals gedichten en liedjes. [2,3]

Zoals uit de bundel blijkt, snijden de auteurs uiteenlopende onderwerpen aan: arm – rijk; man – vrouw; hindoe – moslim; ouder – kind; sociale hiërarchie; corruptie.

Om de verhalen te ordenen hebben we een ruwe driedeling aangebracht: persoonlijk leven, maatschappelijk leven, moraal en godsdienst. Op het eerste gezicht blijkt al dat zo’n indeling nooit waterdicht kan zijn en dat is soms misschien verwarrend. Het duistere spel gaat door betreft de hongerstaking, in de zomer van 2011, van de sociale activist Anna Hazare tegen de grootscheepse corruptie in India.

Het verhaal, uit september 2011, is een typisch voorbeeld van een scherpe reactie op de actualiteit. We hebben het verhaal, vanwege de corruptie, ingedeeld bij ‘maatschappelijk leven’. In Arme buurvrouw wordt een miskraam beschreven en in dat verband komt de echografie aan de orde: net zo actueel als de kwestie Hazare. Maar dit verhaal hebben we bij ‘persoonlijk leven’ ondergebracht, hoewel de maatschappelijke consequenties van het doden van meisjes overweldigend zijn.

In Chonu gaat het om een klein jongetje dat niet begrijpt wat de achtergrond is van het godsdienstige geweld waarmee hij wordt geconfronteerd. Het is ingedeeld bij ‘moraal en godsdienst’, waar veel voor te zeggen is – maar het thema heeft natuurlijk ook betrekking op beide andere categorieën. Ons doel was om de lezer zo onbevangen mogelijk te laten kennismaken met de Indiase zkv’s en hem niet te overdonderen met academische retoriek. Het staat iedereen vrij zijn eigen indeling te verzinnen.

Het zkv is ondanks de vormbeperking, kort tot zeer kort, een literair genre dat zich in India zonder moeite staande weet te houden naast meer ‘Westerse’ literaire vormen, zoals romankunst, toneel/film, essayistiek. Het is de zoveelste manifestatie van oude culturele vormen die de tand van de moderne tijd hebben doorstaan en zich met vanzelfsprekendheid hebben aangepast aan nieuwe vragen.

Klik hier voor een aantal ZVK’s uit de bundel.


De vertalers zijn dank verschuldigd aan Anne Louwen en Leonore Ooms voor hun kritische commentaar op de vertalingen.

www.indiainstituut.nl

Noten:
1 William Dalrymple – The Last Mughal. The Fall of a Dynasty, Delhi, 1857. New Delhi etc., 2006, (Penguin/Viking): vooral hoofdstukken 1, 2, 3.
2 Lodewijk Brunt en Dick Plukker (vertaling en inleiding) – De bittere waarheid. Zeer korte verhalen uit India. India Instituut ism Rozenberg Publishers, Amsterdam 2013
3 Lodewijk Brunt en Dick Plukker (vertaling en inleiding) – Ik zag de stad. Moderne Hindi-poëzie en Mijn lippen vroegen om een lied. Hindi-film¬liedjes, uitgekomen in Amsterdam bij het India Instituut, respectievelijk 2006 en 2010. Zie ook: Laghukatha: het zkv in de Hindi-literatuur. De Gids, nr. 1 (2012): 53 – 65.

Hindi en het Hindi-zkv op internet
Hiervoor is al gewezen op de populariteit van het Hindi-zkv op internet. Een deel van de verhalen ontlenen wij aan het net; ze zijn niet in boekvorm verschenen.
Een derde van onze auteurs heeft een eigen website of blog. In de diaspora onderhouden expats een band met hun geboorteland door middel van literaire Hindi-websites.
In de lijst hieronder geven wij een aantal voorbeelden.
Nirmal Gupt  – http://www.nirmalgupt.blogspot.com  *
Jagdish Kashyap – http://jagdishkashyap.wordpress.com  *
Jay Prakash Manas – http://www.jayprakashmanas.blogspot.nl
Chitra Mudgal – http://www.chitramudgal.info
Shefali Pandey – http://www.shefalipande.blogspot.nl *
Yograj Prabhakar – http://www.openbooksonline.com *
Rakesh Rohit – http://www.aadhunikhindisahitya.wordpress.com *
Asghar Wajahat – http:/www.asgharwajahat.com
Krishnakumar Yadav – http://www.kkyadav.blogspot.nl
http://www.abhivyakti-hindi.org * – verhalen en bibliografische gegevens van tientallen auteurs

Verwijzingen naar andere Hindi-sites:
http://www.bharatdarshan.co.nz – proza, poëzie, beschouwingen (Nieuw-Zeeland)
http://www.hindi-chetna.blogspot.nl – on-line tijdschrift
http://www.gadyakosh.org – zeer uitgebreide literaire website
http://www.laghukatha.com * – zkv’s en vooral veel beschouwingen  over het genre; verslagen van zkv-conferenties
http://www.pratilipi.in –  tweetalig (!) literair on-line  tijdschrift (Hindi en Engels)
http://www.prernamagazine.com * –  on-line tijdschrift
http://www.rachanakar.org  –  proza, poëzie, beschouwingen
http://www.sahityakunj.net  –  proza, poëzie, beschouwingen  (Canada)
http://www.srijangatha.com – proza, poëzie, beschouwingen

Alle adressen zijn voor het laatst in september 2013 bezocht. De sites waaraan wij zkv’s hebben ontleend, zijn gemarkeerd met een *