Utopie in de jungle. Zoektocht naar de geheimzinnige B. Traven


Beierse Radenrepubliek 1919

In 1922 ontving de Duitse dichter, toneelschrijver en anarchist Erich Mühsam een ansichtkaart uit Rotterdam. De tekst luidde: ‘In ein paar Stunden betrete ich ein Schiff das mich über den Ozean führt, und dann existiere ich nicht mehr’. Het is het laatste levensteken dat ooit vernomen is van de anarchistische auteur Ret Marut, met wie Mühsam had samengewerkt tijdens de kortstondige socialistische Beierse Radenrepubliek in 1919. Ret Marut was op dat moment op de vlucht voor de Duitse autoriteiten. De Beierse Radenepubliek was hardhandig neergeslagen door de sociaaldemocratische troepen van de republiek Weimar. Vanwege zijn rol tijdens de radenrepubliek werd Marut gezocht. Erich Mühsam werd voor zijn deelname aan de opstand later veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. De anarchist Gustav Landauer, die een vooraanstaande rol had gespeeld, werd vermoord. Vlak voordat Ret Marut wegens hoogverraad ter dood zou worden veroordeeld, had hij weten te ontsnappen. Contact met geestverwanten bleek voor hem nauwelijks meer mogelijk. Marut moet toen besloten hebben Europa te verlaten en elders een nieuw leven te beginnen. Zijn anarchistische opvattingen en revolutionaire elan zette hij echter allerminst opzij. Onder het pseudoniem B. Traven publiceerde hij tussen 1925 en 1960 dertien romans en ruim veertig korte verhalen, veelal gesitueerd in Mexico. Der Schatz in der Sierra Madre (1927) is zijn bekendste werk, in 1947 verfilmd door John Huston, met Humphrey Bogart in de hoofdrol.

Van de schrijver B. Traven waren lang geen biografische gegevens bekend. Tientallen jaren is er gespeculeerd over zijn ware identiteit en gezocht naar het geheim van B. Traven. Zelf hield hij ook het mysterieuze rond zijn persoon in stand, door steeds met nieuwe of gewijzigde verhalen over zijn afkomst te komen.
De meeste romans en verhalen van Traven spelen zich af ia Mexico en geven een idealistisch, utopisch beeld van de levenswijze van Mexicaanse indianen. De boeken van B. Traven zijn in tientallen talen vertaald en in miljoenen exemplaren verkocht. In de jaren dertig was hij vooral in Duitsland, maar ook in Nederland, een zeer populair schrijver. Een aantal van zijn romans – Het doodenschip, De witte roos, Regeering, De ossenkar, Mahoniehout en Modesta verschenen in de jaren dertig in Nederland bij De Arbeiderspers.
B. Traven overleed op 26 maart 1969 in Mexico Cíty. Zijn weduwe maakte dat een dag later bekend. Zij deelde mee dat na zijn dood bekend mocht worden gemaakt dat B. Traven de voormalige Duitse revolutionair Ret Marut was geweest. Geruchten daarover waren al eerder opgedoken. Maar veel vragen over leven en identiteit van Traven bleven onbeantwoord. B. Traven was inderdaad Ret Marut, een aantal onderzoekers had dat al aangetoond. Maar wie was Ret Marut?

Radenrepubliek
Ret Marut was aanvankelijk toneelspeler. In Duitse toneelgidsen van rond 1910 duikt zijn naam hier en daar op, meestal als acteur van bijrollen. Hij stopte met zijn weinig succesvolle toneelcarrière en ging schrijven. Onder het pseudoniem Richard Maurhut publiceerde hij in 1916 de novelle An das Fräulein von S…, waarvoor zijn vriendin Irene Mermet als uitgever fungeerde. Vanaf 1917 gaf hij in München het eenvoudig vormgegeven anarchistische tijdschriftje Der Ziegelbrenner uit. Het had het formaat en de kleur van een baksteen en was gemodelleerd naar het eenmanstijdschrift Die Fackel van Karl Kraus uit Wenen. Er verschenen veertig nummers – vaak meerdere nummers in een bundeltje – in totaal dertien uitgaven. De latere geheimzinnigheid en terughoudendheid van B. Traven, is in het colofon van Der Ziegelbrenner al te bespeuren. In bijna ieder nummer staat ‘Besuche wolle man unterlassen, er ist nie Jemand anzutreffen. Fernsprecher haben wir nicht.’

Marut was uitgever en samensteller van Der Ziegelbrenner en schreef de nummers vrijwel alleen vol. Mogelijk leverde ook zijn beste vriend, de kunstenaar Franz Seiwert enkele bijdragen. In zijn artikelen keerde Marut zich tegen militarisme, kerk en staat. Hij verdedigde de rechten van het individu en hoopte op een wereldrevolutie. In veel artikelen is de invloed te ontdekken van de individueel-anarchist Max Stirner (1806-1856) en diens boek Der Einzige und sein Eigentum. Volgens Stirner moest de mens zich bevrijden van iedere dwang, van staat, van God en de gemeenschap. Wanneer ieder individu voor zichzelf strijdt, komt iedereen tot maximale ontplooiing. Er kon niets boven het individu staan, ook niet het gemeenschappelijke van een communistische samenleving, want ook dan zou het individu immers ondergeschikt zijn, zo stelde Stirner.
Ook literatuur en poëzie kregen aandacht in Der Ziegelbrenner. Het voorlaatste nummer werd geheel gevuld met het door Marut geschreven sprookje Khundar, wat de neergang beschrijft van de oude vooroorlogse Europese normen en waarden.

Tijdens de Beierse Radenrepubliek bood de Revolutionäre Zentralrat Marut de positie van hoofd van de pers aan, maar hij sloeg dit af. In plaats daarvan kreeg hij de leiding van de censuur op kapitalistische dagbladen. Hij schreef een Socialisierungsplan für die Presse, een ontwerp voor de onteigening van de burgerlijke pers. Net als de door hem bewonderde Karl Kraus had Marut een grondige afkeer van de burgerlijke pers en van journalisten. Wie revolutie wil, moet beginnen met de pers de nek om te draaien, zo herhaalt hij in Der Ziegelbrenner. Immers in handen van of gekneveld door het gevestigde gezag zijn kranten een machtig wapen ter beïnvloeding van de publieke opinie, en journalisten zijn handlangers daarvan.
In de tumultueuze chaos van het gewelddadige einde van de Beierse Radenrepubliek werd Marut gearresteerd en vastgehouden in een politiebureau. Vlak voordat hij door een ad-hoc rechtbank wegens hoogverraad ter dood veroordeeld zou worden, wist hij door onoplettendheid van bewakers op miraculeuze wijze te ontsnappen.

Read more

Bookmark and Share

Tweerelatie en samenheid: overbodige taal


Een taal groeit. Sommige ontwikkelingen roepen de vraag op of zij een teken des tijd zijn.
Veel werkwoorden, bijvoorbeeld, kennen nu een voorvoegsel dat zij nog niet zo lang geleden niet nodig hadden: inschatten, afconcluderen, nachecken, inhuren.
Als er meer taal nodig is om hetzelfde uit te drukken, is er sprake van taalinflatie. Wie bijvoorbeeld in plaats van “in het algemeen” de voorkeur geeft aan “in zijn algemeenheid” of liever spreekt van “problematiek” dan van “probleem”, gebruikt meer taal dan nodig is om hetzelfde of, in voorkomende gevallen min of meer hetzelfde, onder woorden te brengen, draagt bij aan die taal-ontwaarding.
Een vraag die daarmee samenhangt, is: mag je de groei van de taal kritisch volgen, in goede banen leiden of zelfs limiteren, of dien je elke nieuwvorming hartelijk te begroeten? Iedere docent Nederlands kent de discussies met zijn leerlingen over de aanvaardbaarheid van formuleringen als ‘nooit geen ruzie’, omdat ‘haast iedereen dat tegenwoordig zegt’. Elke bewuste taalgebruiker heeft waarschijnlijk wel een grens waarachter fout Nederlands begint.

Tweerelatie
Zo’n grens lag bijvoorbeeld in een artikeltje in een Nijmeegse woonkrant, dat handelde over de tweerelatie. Dat is volgens het krantje “een eigentijdse naam voor wat eeuwenlang ‘concubinaat’ heeft geheten (..) een alternatief voor mensen die de onherroepelijkheid van een huwelijk niet willen of niet aandurven, maar ook voor mensen die niet kùnnen trouwen.’
(Niet kùnnen trouwen? Kinderen, priesters, mensen die al getrouwd zijn, bejaarden met een eigen kapitaaltje?)

Met de tweerelatie is een limiet gepasseerd: het is een onwoord bij uitstek. Waaruit blijkt bijvoorbeeld, dat het om ongehuwde partners gaat en niet, om maar een greep te doen, om een zakelijke relatie. (Beminden die zich door een notaris de voor- en nadelen van het Leids model laten uitleggen, zullen toch al vaak het gevoel krijgen dat ze een B.V. aan het oprichten zijn in plaats van een samenlevingscontract te ondertekenen.) En waarom juist twéérelatie? Als iets een kenmerk van een huwelijk is, dan wel het feit dat het per definitie twee mensen betreft. Elke andere verbintenis staat open voor een willekeurig aantal deelnemers.
Tweerelatie is een inhoudsloos begrip, dat niet aanduidt wat het bedoelt aan te duiden; het is een modieus woord, dat probeert in te spelen op de behoefte zich te onderscheiden van “die burgerlijke, getrouwde stelletjes”, terwijl het sterk te betwijfelen is of die behoefte bestaat. Het is een ongewenste uitbreiding van onze taal.
Het richt overigens wel de aandacht op de vraag of we een adequate naam kennen voor zo’n relatie. Tot niet zo lang geleden konden we het af met het werkwoord hokken, een woord waar een ondertoon van afkeuring in meeklonk en dat dus onbruikbaarder werd naarmate ‘in zonde leven’ sociaal meer aanvaard werd. Mijn buurvrouw in de Amsterdamse Jordaan noemde het: “se hebbe samenlefing”. En ongehuwd samenwonen of samenleven, dat is nu juist de term die – blijkbaar – vervangen moet worden.

Analoog aan de BOM-vrouw kan de naam BOS-partners overwogen worden: Bewust Ongehuwd Samenwonenden. Voor wie zijn fantasie gebruikt, liggen de mogelijkheden voor het intikken: vrijers, ongedwongenen of – aanval is de beste verdediging – vennoten.
Letterlijk alles is beter dan de tweerelatie. Het achtervoegsel -schap biedt partners de mogelijkheid dat aspect van hun relatie te benadrukken dat hen het meest bindt: vrijschap, eetschap, reis-, studeer- of mediteerschap.

Sprookjes
Hoe komt trouwens een nieuw woord in onze taal? Er valt een vergelijking te maken met sprookjes, namelijk in het onderscheid tussen volkssprookjes en cultuursprookjes. Die eerste groep bestaat uit verhalen die in de cultuur van een gemeenschap, een dorp, een streek bestaan. Ze worden van generatie op generatie overgedragen, anoniem want ofwel de maker is onbekend ofwel er is in de loop van al dat doorvertellen zó veel veranderd dat er geen sprake is van één maker. Ze worden op dorpspleinen verteld door rondtrekkende sprooksprekers en zijn zelden schriftelijk vastgelegd, tot iemand zich over het ‘Gesunkenes Kulturgut’ ontfermt.
Zo komen we dankzij de verzameldrift van Charles Perrault (1628-1700) aan de Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye (1697), bij ons bekend als de Sprookjes van Moeder de Gans, en dankzij het speurwerk van Jacob en Wilhelm Grimm aan de Kinder- und Hausmärchen (1812-1822), de Sprookjes van de Gebroeders Grimm.

De in 1985 verschenen bundel Alle Sprookjes van de Lage Landen, verzameld door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar, bevat, blijkens de tekst op het omslag, “500 volksverhalen. Het gaat om sagen, legenden en sprookjes die in de Lage Landen eeuwenlang mondeling zijn overgeleverd en pas later opgeschreven.”
Daar tegenover staan de vertellingen die welbewust als sprookjes geschreven zijn en van wie dus de auteur bekend is. De beroemdste van hen is waarschijnlijk de Deen Hans Christiaan Andersen. In het Nederlands zijn er veel sprookjes van de hand van Godfried Bomans, maar ook Jan Wolkers en Freek de Jonge horen tot de eigentijdse sprooksprekers.

Samenheid
Zoals er volkssprookjes en cultuursprookjes bestaan, zo zijn er ook woorden die zich, zonder dat hun herkomst duidelijk aan te wijzen is, een plaats in het taalgebruik veroveren, en woorden die voor officieel gebruik gecreëerd zijn.
Voorbeelden van de eerste groep zijn drijfsijssie (voor eend) en docudrama (door acteurs nagespeeld maar waar gebeurd verhaal), tostieijzer (voor zonnebank) en punkette (jong punkmeisje). Zulke woorden zijn allicht ooit door iemand bedacht, althans voor het eerst gebruikt, maar hebben langzamerhand een groter publiek bereikt – bijvoorbeeld doordat Carmiggelt ze in een van zijn stukjes vermeldde – en daarmee hun bestaansrecht bewezen.
Niemand heeft doeg of doei – of, erger nog, doedoei – zitten bedenken, maar het is uit het huidige Nederlands niet meer weg te denken.

De tweede groep omvat woorden die welbewust – maar niet altijd even weldoordacht – door iemand zijn neergepend. De belangrijkste leveranciers daarvan zijn de commercie (kakelvers, woonwarenhuis, Eterie), wetenschappelijke publicaties (woonomgevingsgevoeligheid) en politieke en ambtelijke stukken.
Vlak vooral die laatste bron niet uit. Daar wordt veel taal gemaakt, maar zelden echt bruikbare. Het toenmalige ministerie van WVC, bijvoorbeeld, bracht eens een ‘Medelanders- nota’ uit (medelanders, voor alle duidelijkheid, zijn niet-Nederlanders die, mede met de wel-Nederlanders, in ons land wonen). De schepper van dat woord vond wellicht dat hij, zeker voor een ambtenaar, een hele vondst gedaan had, maar brede ingang heeft het nooit gevonden, ook niet toen Teleac de cursus Medelanders-Nederlanders ging uitzenden.
En vervolgens drong hetzelfde ministerie – en misschien wel dezelfde ambtenaar – een tweede term in deze context aan ons op: samenheid. De eerste zinnen van de bijbehorende folder luiden: ‘Het woord samenheid bestaat niet echt. Toch zal iedereen aanvoelen wat ermee bedoeld wordt.’ Dat is een onbewezen stelling, die overigens niet meer of minder gewaagd is dan mijn stelling dat het woord samenheid nooit een plaats zal vinden in ons dagelijks spraakgebruik. En daar helpen geen dure reclamecampagnes en televisiespots aan.
Dat is het lot van woorden waar niemand om gevraagd heeft.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

David van Reybrouck – Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld


David van Reybrouck. Ills. Joseph Sassoon Semah

In Nederland wordt een groot onderzoek gedaan naar het koloniale verleden*. Kolonialisme als oud zeer moet worden erkend, vindt ook David Van Reybrouck in zijn recent verschenen boek ‘Revolusi – Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld’ waar hij vijf jaar intensief aan werkte. Het boek beslaat drie eeuwen, met veel aandacht voor de periode van de onafhankelijkheidsstrijd en dekolonisatie (1920-50).

Indonesië, het op drie na grootse land van de wereld, was het eerste dat na de Tweede Wereldoorlog, zijn onafhankelijkheid uitriep. Twee dagen na de Japanse capitulatie in augustus 1945 barstte een strijd los die meer was dan een conflict met de kolonisator Nederland. Op 17 augustus 1945 riep Soekarno de Onafhankelijkheid uit. Het was wereldgeschiedenis, het begin van de wereldwijde dekolonisatie. Pas in 1949 liet Nederland na veel strijd Indonesië gaan. Indonesië werd een voorbeeld voor andere koloniën, die in snel tempo ook onafhankelijk werden.

Tien jaar later organiseerde Soekarno, de eerste president van het land, de Asia-Afrika-conferentie van Bandung, het eerste mondiale congres zonder het Westen. Het werd een waterscheiding in de internationale politiek. In 1965 werd Soekarno afgezet en vervangen door de Soeharto. En kwam een einde aan de vrijheid in Indonesië. “Eigenlijk zijn we nooit onafhankelijk geworden’, concludeert Van Reybrouck.

In Revolusi verwerpt David Van Reybrouck het bekende nationale perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijd. Bij de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd waren meer partijen dan Nederland en Indonesië betrokken: Japan speelde een belangrijke rol met de bezetting van Indonesië, Groot-Brittannië, dat troepen stuurde, en de Verenigde Staten.

Naast het verrichten van research in archieven, interviewde hij vele plaatselijke jongeren waarmee de revolutie begon (inmiddels 90-plussers) die de grondslag legden voor een nieuwe wereld, de allerlaatste getuigen, die hij vond in Indonesische rusthuizen, op het platteland en op verafgelegen eilanden. Om de internationale dimensie te begrijpen, trok hij tevens naar Japanse miljoensteden, Nepalese bergdorpjes en Nederlandse buitenwijken.

De grote politieke ontwikkelingen verweeft Van Reybrouck met de vaak heftige herinneringen van hen die erbij waren. Zoals bij de in Nederland als Bersiap-periode bekende tijd, toen de Nederlandse troepen in 1945 terugkeerden en een golf van geweld begon. In Indonesië hoorde het geweld bij de omwenteling van de orde.
Hij laat honderden stemmen horen, die eerder niet werden gehoord.
Zo ontmoette hij Djajeng Pratomo, die in een rusthuis in Callantsoog zijn laatste jaren doorbrengt. Hij werd geboren in 1914, het jaar dat het koloniale rijk werd voltooid en als Indonesiër betrokken bij het verzet tegen nazi-Duitsland.
Een ander geïnterviewde geeft inzicht in het leven in ballingschap in Boven-Digul, Nieuw-Guinea, ver weg van Java en Sumatra.  Deze onafhankelijkheidsstrijders werden onder vernederende omstandigheden geïnterneerd. ‘Nederland faciliteerde een soort Goelag voor ongewensten’, aldus Van Reybrouck.
Anderen getuigen over de verschrikkelijke honger en van Aziaten die in opdracht van Nederland met andere Aziaten moesten vechten. De oude mensen herinneren zich deze trauma’s nog steeds, hebben scherpe herinneringen aan deze periode.
In deze tastbare herinneringen schuilt zijn geschiedenis.

Het gaat over gewone mensen – in plaats van West-Europese mannen van een bepaalde leeftijd – die getuigen, en dat biedt een veelheid aan perspectieven en verhalen. Onderdrukkers en onderdrukten, Indonesische oud-strijders, bejaarde Gurkha’s, tot troostmeisjes.
Van Reybrouck schrijft de orale geschiedenissen op, zonder verwijten en dat maakt het des te indringender. Als er iemand verantwoordelijk is dan zijn dat de Nederlandse politieke leiders.

David Van Reybrouck hoopt dat het boek wordt gelezen, want licht werpen op de geschiedenis in de hoop dat ze erkend wordt, de pijn herkend wordt, kan een weg zijn naar genezing. En door deze pijn te herkennen biedt het boek hoop de hedendaagse problemen zoals het geweld dat we de planeet aan doen, op te lossen. Het boek functioneert als ‘achteruitkijkspiegel’.

Van Reybrouck:
‘Mijmeren tijdens het kabbelen: zelfs als we met het kolonialisme uit het verleden ooit helemaal in het reine zijn gekomen, hebben we nog steeds niets gedaan aan de dramatische manier waarop we nu de toekomst koloniseren. De mensheid neemt de komende eeuw in met dezelfde meedogenloosheid waarmee in vroeger tijden werelddelen werden toegeëigend. Kolonialisme is niet langer iets territoriaals maar temporeels; het ergste ligt misschien niet achter ons, maar vóór ons. Wij gedragen ons als de kolonisatoren van de toekomstige generaties, wij ontnemen hun hun vrijheid, hun gezondheid, misschien zelfs hun leven.’

Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld. De Bezige Bij, Amsterdam, 2020. ISBN 9789403183404

David van Reybrouck (1971) is cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver. Zijn grootse succes was Congo. Een geschiedenis. In zijn essays Pleidooi voor populisme (2008) en Tegen verkiezingen (2013) pleit Van Reybrouck voor nieuwe vormen van democratie.

* zie: https://www.ind45-50.org)

Zie ook: http://rozenbergquarterly.com/david-van-reybrouck-zink-2016-met-mohamed-el-bachiri-en-een-jihad-van-liefde-2017/

Bookmark and Share

Boerenbruiloftghurt en schabouwelijk: neologismen en vergeetwoorden


Taal leeft. Dat wil zeggen dat er woorden verdwijnen, dat er nieuwe woorden bij komen of bestaande woorden een tweede of andere betekenis krijgen. Dat woorden verdwijnen is wel erg neutraal gezegd. Dat nieuwe woorden of betekenissen ontstaan, wordt meestal goed geboekstaafd, bijvoorbeeld in taalrubrieken in dag-, week- of maandbladen, in boeken die een overzicht van nieuw aangetroffen woorden bieden of in verkiezingen van het woord van het jaar. En in elke nieuwe druk van de serieuze woordenboeken staan honderden neologismen ofwel nieuwvormingen.

Zulke overzichten zijn er niet van woorden die niet of nauwelijks meer gebruikt worden, woordenboeken schrappen gewoon wat niet meer in de gratie is, het valt niet op dat je een bepaald woord al een paar jaar niet meer gehoord hebt. Woorden verdwijnen niet, ze sterven af.

Dat wordt duidelijk zichtbaar als er toch eens een poging tot overzicht gedaan wordt, zoals in 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Utrecht/Antwerpen, 2015). Daarin staan honderden woorden die aangedragen zijn door luisteraars van het radioprogramma de Taalstaat, die een bedreigd of inmiddels uitgestorven woord opperden en aldus het “Gezelschap Van Geadopteerde Vergeetwoorden” vormden.
Woorden als stoop (oude maat voor vloeistoffen), geverseerd (bedreven, ingewijd in), mitsgaders (alsook, benevens) en peeuwen (klagen, jeremiëren). Of winterkeuken (gerechten die ’s winters gegeten worden), schabouwelijk (zeer bedenkelijk, heel slecht), druistig (wild, onbesuisd), kwispedoor (spuwbak) en kalefakker (praatjesmaker).
De schrijfster Nelleke Noordervliet, die de selectie deed, stelt in haar Inleiding: “Dat woorden in onbruik raken is niet verwonderlijk, maar met hun verdwijnen nemen ze een heel klein stukje geschiedenis met zich mee.” En: “Nee, we kunnen niet alles redden. Maar we kunnen wel onze taal in al haar rijkdom gebruiken.”

Corona
Neologismen ontstaan vaak in een cluster, een woordfamilie, een qua thema of vakgebied samenhangend geheel. Voor de hand liggende voorbeelden zijn popmuziek – rap, ska, grunge, ambient, noise – en de digitale revolutie, de wereld van printen en appen, van vlog en sexten.
Een actueel voorbeeld van zo’n cluster biedt de coronapandemie. Die heeft inmiddels al zo veel nieuwvormingen doen ontstaan, dat Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, er een heus boek mee kon vullen: De taal van het nieuwe normaal. Corona in 1000 en enige woorden (Varik, 2020). Uiteraard komen daarin de termen ter sprake die sinds enige tijd tot ons dagelijks spraakgebruik horen, van af- en opschalen tot lockdown, van virusdreiging en vaccinatiewedloop.
Maar het bevat ook pareltjes, met soms wel een beetje erg ruime toelichting: “doornroosjedeal: afspraak waarbij een levensvatbare onderneming die door bijzondere omstandigheden, zoals corona, financieel in moeilijkheden verkeert tijdelijk uitstel van betaling van de schuldeisers krijgt om niet failliet te hoeven gaan, zodat de onderneming bij een normalisering van de omstandigheden door kan; genoemd naar het sprookje Doornroosje van de gebroeders Grimm, dat gaat over een prinses die door een betovering honderd jaar in slaap ligt in een door doornstruiken omgeven kasteel, totdat een prins haar komt wakker kussen.”, “huidhonger: behoefte aan fysieke aanraking, m.n. bij mensen die langdurig alleen moeten zijn, bv. wanneer ze in hun eentje in quarantaine of zelfisolatie zitten”, “niesdab: niesreflex waarbij iemand zijn neus naar zijn elleboogholte van zijn ene arm brengt en daarin niest, terwijl hij zijn andere arm zijdelings omhoogsteekt, zo genoemd naar de dansmove dab” en “hoestschaamte: schaamte die iemand ervaart als hij hoest in het gezelschap van anderen die weleens zouden kunnen denken dat hij een ziekte heeft waardoor hij anderen zou kunnen besmetten”. Het is niet gewaagd te stellen, dat de meeste van deze woorden en uitdrukkingen zeer tijdgebonden zijn en een volgende druk van de Dikke Van Dale niet zullen halen.
Den Boon ziet trouwens een parallel tussen de opmars van het virus en de groei die hij verwacht voor de pandemieneologismen: ”Lexicografisch gezien is dit niet meer dan een eerste inventarisatie van de coronawoordenschat, waarvan de omvang zich de komende jaren ongetwijfeld verdubbelt of verdrie- of verviervoudigt.”
Hij schreef overigens ook, samen met Julius ten Berge, het Verdwijnwoordenboek. Woorden die wegvielen uit onze woordenschat (’s-Hertogenbosch, 2008).

Scrummen
Waar vergeetwoorden bij gebrek aan gebruik langzaamaan uit beeld verdwijnen, is van nieuwvormingen meestal wel duidelijk waar en wanneer zij het licht zagen. Als Geert Wilders in de Tweede Kamer de hoofddoekjes van moslima’s “kopvodden” noemt, mag u rustig aannemen, dat daar brainstormsessies aan voorafgegaan zijn om tot een term te komen die tegelijk zo kwetsend mogelijk is en makkelijk in het spraakgebruik blijft hangen.
Dus als uw vaatwastabletten “zijdeglansparels” blijken te bevatten of in uw half volkoren zit “broodverbetermiddel“, stel u daarbij dan gerust een sessie voor waarin duur betaalde en daarom in strak pak gestoken en in door de zaak geleasde Maserati’s rond rijdende copywriters in lange vergaderingen en via speelse associatie-rondes tot die briljante vondsten komen. Japke-d. Bouma kent die sessies uit eigen ervaring en geeft in Ga lekker zèlf in je kracht staan. De ergste clichés op kantoor (Amsterdam, 2019) een vermakelijke blik in zo’n brainstormzitting, al heet dat tegenwoordig in die praktijk “scrummen”:
“Scrummen is een hele toestand met regels, rollen en pokerkaarten (..). Dat lijkt allemaal niet zo revolutionair, maar het grote voordeel van scrummen is dat er voor al die dingen die we al miljarden jaren hetzelfde deden nu allemaal chille Engelse woorden zijn verzonnen.
Zo heet een manager een ‘scrum master’, heet het begin een ‘kick off’, werk je niet, maar hou je korte ‘sprints’, heet de baas een ‘product owner’, heeft de klant een ‘user story’, en wordt de vergadering ‘stand up’ genoemd omdat je er bij moet staan want anders wordt het een gewone vergadering en dat is niet hip.”

Karnevers
Zo’n explosieve combinatie van creativiteit en speelsheid leidt gemakkelijk tot excessen, althans lexicografische. Een praktijkvoorbeeld.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw was het oma. Grootmoeders cake, de opoe-fiets, grandma’s freshly baked cookies: als het maar op de een of andere manier aan een grootmoederfiguur was gekoppeld, gaf dat een product meteen een aura van ouderwetse betrouwbaarheid, vooroorlogse degelijkheid en onweerstaanbare nostalgie.
De advertenties en reclamecampagnes wedijverden om het meest getrouwe cliché van de oer-oma: een door het leven gegroefd gelaat maar met liefdevolle ogen, een brilletje – niet het allergoedkoopste uit de winkel maar toch onmiskenbaar van het ziekenfonds -, vertederend krullende grijze lokken, blauwgrijze spoeling van Schwarzkopf en een zwarte omslagdoek (zelf gehaakt!) rond de schouders tegen een kille nazomerbries.
Maar aan grootmoeders wervingskracht kwam in de jaren tachtig een einde toen de Hema – toch al nooit te beroerd om op een tendens in te haken – de opoefiets in haar kleurenfolders opnam. Toen moesten de reclamemakers uitkijken naar een ander clichébeeld. Nou ja, clichébeeld, in reclametermen heet dat vermoedelijk ‘een vergeneraliseerd individu met grote identificeringswaarde’. En dat werden Jan en Marie.
Lang voor het op het Binnenhof begon door te dringen, hadden de reclamejongens namelijk al heel scherp door dat het milieu een onderwerp met toekomst was: uitgestrekte groene weiden, tevreden grazende koeien, imposante wolkenluchten boven een polderdijk; u dacht toch niet dat Martine Bijl voor haar lol tussen de spitskolen zat?

Pieter Bruegel de Oude – De boerenbruiloft (1567 of 1568)

De mensen hadden weer behoefte aan bewust eten, aan vers en gezond, aan goed kauwen voor je het doorslikt. Uit die filosofie kwam de boerenlandmelk voort. Vanuit die gedachte werd de met natuurlijke rechtsdraaiende melkzuren verrijkte drinkyoghurt ontworpen. Met dat beeld voor ogen kwam iemand op het idee de eeuwenoude hangop ‘umer’ te gaan noemen en op het deksel “herinnert aan hangop” te zetten.
En het werkte. Wat het verschil was, wist geen mens, maar het heette boerenland-dit of karnevers-dat, en dus werd het gekocht. En gevreten. Maar er is een grens, zelfs voor reclamemakers. Die werd bereikt toen P.N. – voluit: Boerderijmelkveredeling P(uur) N(atuur), dat zegt eigenlijk al genoeg – een “overheerlijke zachtzure standyoghurt” op de markt bracht. (Standyoghurt is, volgens mijn op kringlooppapier gedrukte macrobiologische encyclopedie, een lobbige roeryoghurt. Nu weet ik nog niets.)
Op de beker waarin dit kostelijk vocht verpakt is, prijkt met gepaste trots de naam: Boerenbruiloftghurt van Jan en Marie. Daaronder staat een hoogst onduidelijke afbeelding. Een bejaarde, wat kromgetrokken man giet een emmer leeg in een melkbus – dat zal Jan zijn – en wat verder zit iemand in zo’n alle geslachtskenmerken vervagende overall een koe te melken; dat moet dus Marie wezen.
Wat die twee oudjes, die tweemaal daags door noodweer en tegenwind het land op moeten om de uiers te legen, met een boerenbruiloft van doen hebben, is volmaakt onbegrijpelijk. En dat is misschien ook wel juist de bedoeling, want wat een boerenbruiloft – hossen, hijsen, speeksel dat uit de mondhoeken druipt, een eeltige hand die onder een rok tast; ja, als het op clichés aankomt, weet ik ook van wanten – met de lobbigheid van dioxinevrije melkzuren te maken heeft, zou zelfs de duurst betaalde reclamejongen, Maserati of niet, nog niet duidelijk kunnen maken.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Merlijn Twaalfhoven – Het is aan ons ~ Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.


Merlijn Twaalfhoven. Ills.: Joseph Sassoon Semah

In zijn idealistische en bevlogen boek ‘Het is aan ons’ beschrijft Merlijn Twaalfhoven hoe iedereen kan bijdragen aan het oplossen van wereldproblemen. Hij stelt zich ten doel de wereld te redden en analyseert hoe het kunstenaarschap hierbij kan helpen: kunst kan houvast bieden in onzekere tijden. Twaalfhoven spreekt niet over een mooi afgerond kunstwerk – kunst moet open zijn – en iedereen moet eraan mee kunnen doen. Kunst is een speeltuin, een laboratorium voor nieuwe verbintenissen en onbevangen vragen. Het proces verloopt van Waarnemen, Voelen, Denken naar Maken. Het komt samen in een praktisch idealisme.
Twaalfhoven is op zoek naar ‘de verbinding van de nabijheid’.
Dat vereist een systeemverandering, een gezamenlijke toekomstvisie die op een waarachtige manier de menselijke waarden naar buiten brengt. Een praktisch, procesmatig idealisme.

Als componist en theatermaker organiseerde Merlijn Twaalfhoven wereldwijd voorstellingen. Hij ging de concertzaal uit en zette de muziek midden in de wereld. Als altviolist reisde hij in 1996 naar Bosnië, vlak nadat de vrede was getekend. Zijn concerten werden ‘unieke ontmoetingen’. De plaats waar werd gespeeld, werd van cruciaal belang. Hij zag wat muziek kan betekenen, al was het natuurlijk niet voldoende om een blijvende verandering tot stand te brengen. Met zijn werk voegt hij ‘een druppeltje toe aan een emmer die zich langzaam vult met vrede, moed, hoop, contact en gelijkwaardigheid’. Hij maakt ons deelgenoot van zijn reizen naar ook andere conflictgebieden waar kunst het verschil kan maken: zoals een Syrisch vluchtelingenkamp in Jordanië, de buitenwijken van Sarajevo, een huiskamerfestival in Jeruzalem, een oude pistolenfabriek in Zaandam, de Carnegie Hall in New York en een VN-conferentie in Alpbach, waar de kunstenaar werd uitgenodigd om te praten over de rol van kunst bij het halen van VN-doelen. De ontmoeting leidde helaas niet tot een concreet vervolg.

Het maken van kunst is vooral uitbesteed aan professionals, aldus Twaalfhoven. We lijken het vermogen te verliezen om zelf emoties, twijfels en dromen tastbaar te maken en vertraging te creëren. Maar schoonheid en verwondering verdienen een plek in ons leven.
Iedereen heeft een kunstenaar in zich, vrij vertaald naar Joseph Beuys. We hebben een ‘kunstenaarsmindset’ nodig, een speelse, onderzoekende, open en creatieve houding om bij te dragen aan een betere wereld. We hebben het allemaal in ons om krachten te bundelen, verhalen te vertellen, en iets van waarde te maken, tastbaar te maken wat in onszelf zit. Dan maken we het verschil.
‘Het is aan ons’, aldus Merlijn Twaalfhoven.

Hij sluit af met wat we kunnen leren van de kerk:
Ten eerste: markeer tijd en ruimte
Ten tweede: vind je houvast
Ten derde: spreek je idealen uit
Ten vierde: doe het samen
En ten slotte: vier je voortgang!

Atlas Contact, Amsterdam, 2020. ISBN9789045039800

Merlijn Twaalfhoven is componist en oprichter van The Turn Club, een samenwerkingsverband van kunstprofessionals, veranderaars en bruggenbouwers. Hij werkte o.a. met Het Nationale Ballet, Toneelgroep Amsterdam en het Kronos Quartet.

De bijeenkomst in Paradiso (d.d. 1 november 2020) naar aanleiding van het verschijnen van het boek ‘Het is aan ons. Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.’:

Bookmark and Share

Zoveel soorten van verdriet: poëziecitaten in rouwadvertenties


Dood ben ik pas als jij me bent vergeten
Rust nu maar uit
Weggaan is iets anders dan het huis uitsluipen

Het gebruik om iemands overlijden publiekelijk te melden door middel van een rouwannonce in een dagblad is zeker meer dan twee eeuwen oud. Puck Kooij heeft er een boek aan gewijd. De titel, Heden gij, morgen ik. Gedenken in proza en poëzie (Amsterdam, 1995) is een variant op het gezegde “Heden ik, morgen gij” (in het Latijn hodie mihi, cras tibi), afkomstig uit een apocrief bijbelboek, met de betekenis “Wat mij vandaag overkomt, kan u morgen treffen”.

Kooij stelt in haar boek, dat de eerste rouwadvertentie verscheen in de “Oprechte Haarlemse Dingsdagse Courant van den 16 Augustus, 1791”. Die luidde

’s Gravenhage den 15 Augustus. ”In den nacht van den 12 op den 13 deezer, is alhier, aan den gevolgen van eene Borstkwaal, in den ouderdom van byna 67 Jaaren, overleden, de Wel-Eerwaardige en zeer Geleerde Heer CASPARUS VAN DER HEIDE.{..}
Zyne Assche ruste in vrede, en zyn Aandenken blyve in zegen, by alle zyne binnenlandsche en buitenlandsche Vrienden en Bekenden, aan welken mits deezen, hun geleeden verlies wordt bekend gemaakt, door den aangestelden Testaments-Executeur.“

Was de toon van zulke aankondigingen, hoewel plechtig, vooral zakelijk en informatief, gaandeweg verandert die. Kooij: “Halverwege de 19 de eeuw worden advertenties gekenmerkt door een soberder woordgebruik. (..) Spectaculaire veranderingen in de rouwadvertenties in vorm en inhoud deden zich vooral voor in de jaren negentig van de 20 e eeuw. De uitlatingen en uitroepen werden steeds creatiever en vrijmoediger, zodanig dat van terughoudendheid nauwelijks meer sprake is en de ‘emotie-cultuur’ hoogtij vierde.”

Tot die veranderingen hoort sindsdien ook het in de annonce opnemen van poëzieregels die een gemoedstoestand weergeven, hetzij nog door de overledene bij leven zelf bepaald, hetzij door de nabestaanden. Rouwpoëzie is minder bekend onder de naam funeraire poëzie, wat afstamt van het Franse funéraire, een begrafenis betreffend. Het komt ook voor in het woord funerarium, rouwcentrum.

Misschien wel het meet sprekende voorbeeld van de rol die een poëziecitaat ging innemen in de rouwannonce, is een gedicht van Nel Benschop (1918-2005):

In memoriam voor een vriend

Rust nu maar uit – je hebt je strijd gestreden.
Je hebt het als een moedig man gedaan.
Wie kan begrijpen, wat je hebt geleden?
En wie kan voelen, wat je hebt doorstaan?
Rust nu maar uit – je taak is afgekomen;
vandaag heeft God de kroon op ’t werk gezet
dat je eenmaal in Zijn kracht hebt ondernomen.
De zin was af. God heeft een punt gezet.
Maar ‘t valt ons moeilijk om de zin te vatten
van ‘t zwijgen van je laatste harteklop.
Misschien alleen maar dit: de afgematten
en moeden varen als met arendsvleuglen op …

Benschops bundels horen tot de best verkochte in ons land en de beginregel(s) van dit In memoriam horen tot de meest geciteerde. De columnist Nico Scheepmaker viel op dat dit citeren niet altijd geheel letterlijk gebeurde. Sterker nog, hij turfde de varianten en wijdde daar in 1985 een artikel aan voor het maandblad Onze Taal, onder de titel “Rust nu maar uit: 77 variaties”. (Het stuk verscheen ook in een bundeling van zijn columns, Maar mooi! Beschouwingen over poëzie. Amsterdam, 1992).
Zelden werd het gedicht in zijn geheel geciteerd, meestal werd volstaan met de eerste vier regels.
Varianten daarop waren bijvoorbeeld

Rust nu maar uit in vrede
Jij hebt je strijd gestreden
Geen mens begrijpt wat jij hebt doorstaan
Vol moed heb jij het begaan

of

Rust nu maar uit,
je hebt je strijd gestreden.
Wie kan voelen wat je hebt doorstaan,
wie kan begrijpen wat je hebt geleden.
Je hebt het als een moedig man doorstaan.
Rust nu maar uit

Read more

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives