Dat sei Springsteen


De vertaling van Also sprach Zarathustra naar het Fries van Eric Hoekstra lag al maanden te wachten.
Die vertaling verscheen overigens in 2000. Maar ik kocht het boek pas vorig jaar. Sommige dingen hebben nu eenmaal tijd nodig.
Gisteravond was het zover.

Het was lang geleden dat ik een Friestalig boek las.
Dat sei Zarathustra laat zien hoe mooi, raak, bloemrijk en suggestief het Fries kan zijn.

 

Te fier fleach ik de takomst yn; ôfgriis kaam my oer it mad.
En doe’t ik om my hinne seach, sjoch, doe wie de tiid myn iennichste tiidgenoat.
Doe fleach ik werom, op hûs oan, en hieltyd hastiger.
Sa kaam ik by jim, hjoeddeistigen, en yn it lân fan beskaving.
Foar it earst soe ik each foar jim ha, en nocht. Ja, mei langst yn it hert kaam ik del.
Mar wat barde my? Hoe bang ik ek wie, ik moast laitsje!
Nea seagen myn eagen sa’n bûntspikkelige grimel-grammel.

Natuurlijk riep het lezen ook herinneringen op aan de tijd dat Fries gewoon was voor me. Er was niks anders.
Waarom ik bij bovenstaand citaat aan Bruce Springsteen moest denken, is een vraag waarover ik niet na ga denken.

I had skin like leather and the diamond-hard look of a cobra
I was born blue and weathered but I burst just like a supernova
I could walk like Brando right into the sun, then dance just like a Casanova
With my blackjack and jacket and hair slicked sweet
Silver star studs on my duds, just like a Harley in heat
When I strut down the street, I could feel its heart beat
The sisters fell back and said, “Don’t that man look pretty”
The cripple on the corner cried out, “Nickels for your pity”
Then gasoline boys downtown sure talk gritty
It’s so hard to be a saint in the city

Nea seagen myn eagen sa’n bûntspikkelige grimel-grammel.


Friedrich Nietzsche – Dat sei Zarathustra. In boek foar alleman en foar gjinien. Oerset troch Eric Hoekstra.
Utjouwerij Bornmeer Ljouwert 2000. ISBN 90 5615 041 3

Bruce Springsteen – It’s Hard to Be a Saint in the City – 1973

Bookmark and Share

Folderye en Franglais: modetrends in winkelnamen


Nostalgie als handelsmerk doet het vaak goed. De opoe-fiets, grootmoeders cake, uw grootouders kochten al hier: wat verder dan twee generaties terugwijst, paart de roep van degelijke materialen en ouderwets vakmanschap aan de populariteit van trekdrop en Art Deco-vazen.
De makkelijkste manier om een eeuwenoude voorgeschiedenis te suggereren, is het aanbrengen van één of twee ‘oud’ ogende letters in de naam van product of etablissement.
Dat wil wel eens tot verrassende combinaties leiden. Een hoofdstedelijk café roept met de naam ‘De Huyschkaemer’ de sfeer op van een knapperend haardvuur, versgezette koffie en moeder die een stevige maaltijdsoep bereidt.
Een bijkomstigheid is dat ‘Huyschkaemer’ nooit die spelling gehad heeft. (De taalkundige uitleg: woorden als mens en vis werden tot 1936, toen de spelling De Vries en Te Winkel werd ingevoerd, geschreven als mensch en visch. In vroeger eeuwen werden ze namelijk als mensk of visg uitgesproken. Die uitspraak sleet af, de schrijfwijze hield hardnekkig stand. Huis werd nooit als huisk of huisg uitgesproken en derhalve ook nooit als huisch gepeld. Vergelijk in het Duits Mensch en Fisch met Haus.)

Misschien heeft op de plaats van deze kroeg ooit een herberg of uitspanning gestaan en heeft de huidige eigenaar daarnaar willen verwijzen, maar hield zijn commercieel instinct geen gelijke tred met zijn taalkundige scholing.
Anders ligt het al, waar de uitbater zijn fantasie geheel de vrije loop laat. Dat moet het geval geweest zijn bij ‘De Smickelbar’, waarvan het pseudo-ouderwets gespelde eerste deel sterk contrasteert met de roze verlichting en luide jukeboxmuziek die het woord bar oproept.
Het beoogde effect is niet aan spelling gebonden. Het kan ook bereikt worden door de juiste (lees: onjuiste) woorden of begrippen te koppelen. Het schoolvoorbeeld is de advertentie in een Nederlands avondblad voor een ‘Middeleeuwse brunch’: brunch is de inmiddels ingeburgerde naam voor een uitgebreide ochtendmaaltijd die ontbijt en lunch overbodig maakt. Het is dan ook samengesteld uit de Engelse woorden breakfast en lunch.
Dit compromis voor langslapers en veeleters is, waarschijnlijk in Amerika, bedacht omstreeks de jaren 60 van de vorige eeuw. Maar ook de oorspronkelijke woorden zijn zo oud niet. Lunch, bijvoorbeeld, verschijnt pas in het Engels tegen 1700, ruim na de Middeleeuwen.

Nog zo’n constructie werd bedacht door een eerzaam handwerksman die de tijd rijp of zijn broodwinning achterhaald genoeg vond voor een verbale facelift. Waar bakkers tegenwoordig allemaal in een Broderie of Broodwinkel lijken te werken, of – beter nog – in een Backerie of Broodtwinckel, en steeds meer slagers Vleeschhouwerij op hun winkelruit laten aanbrengen, was het schoenlappen een van de laatste echte ambachten die eerlijk voor hun naam durfden uitkomen.
Sedert een paar jaar heeft ook die hoek een open oog voor modieus taalgebruik en sindsdien kan men voor nieuwe hakken en zolen ook terecht bij de Schoenlapperette.

Het voorlopig hoogtepunt wordt gevormd door het bedrijf dat in en om Alkmaar reclameblaadjes en huis-aan-huis-kranten verspreidt en dat op zijn bestelauto’s trots de vermelding “drukwerkverspreiders sinds 1799” voert. De naam van dat bedrijf is ‘Folderye’, waarbij ik de neiging nauwelijks kan onderdrukken dat in goed Middelnederlands uit te spreken als Folderië.
Zo het de bedoeling was die sfeer – Hadewijch, Mariken van Nieumeghen, heksenverbranding, de pest – naar boven te halen, overigens zonder dat duidelijk is wat dat voor rol speelt bij het bezorgen van het Weekblad voor West-Friesland en de Kruidvatfolder, dan ware het achtervoegsel -ye beter aan een ander woord gekoppeld.
Folder komt uit het Engels, van het werkwoord to fold, vouwen. Van oorsprong de naam voor gevouwen drukwerk, werd folder bij uitbreiding het woord voor kleine blaadjes, reclamedrukwerk en dergelijke. Het vond in die betekenis pas in de loop van de vorige eeuw ingang in het Nederlands. Lang na 1799.

Interessant is, dat de mode zelf ook modes kent, ook in winkelnamen. Een wandeling door de Amsterdamse Kalverstraat biedt een breed inzicht in de ontwikkelingen op dat gebied. De jongstetrend – in deze sector spreekt men bij de geringste verandering al van ‘trend’; duurt een trend langer dan een week, dan is het een ‘rage’ en als een rage langer aanhoudt dan een maand, heet het een aardverschuiving – lijkt het gebruik te zijn van twee talen voor één naam, onder de voorwaarde dat daarbij geen Nederlands zit.

Typerend voorbeeld is la Sweaterie, dat op subtiele wijze de faam van Lichtstad-Modestad en het vrije-blije van joggingpakken en zweetbandjes combineert. Viva en de Marie-Claire voor één geld.
Daartoe wordt een woord geleend van het Frans, dat het zelf weer uit het Engels gehaald heeft, ondanks de strenge richtlijnen van de Franse overheid tegen onnodig overnemen van Engelse en Amerikaanse termen. Dit Franglais heeft inmiddels oor- en oogstrelende begrippen opgeleverd als le five o’clock tea, le businessman, le far-west, la baby-sitter (een oppas is per definitie vrouwelijk in Frankrijk) en blijkbaar ook le sweater, te vinden in een Sweaterie.
Maar de Nederlandse modewereld is voor haar creativiteit niet uitsluitend aangewezen op de Champs-Elysées. De P.C. Hooftstraat, bijvoorbeeld, nog zo’n hoofdstedelijke winkelpromenade, kent de Pulloveria. Het commerciële genie achter deze vondst heeft met een minieme ingreep de pullover, mèt de plusfour en de hansop het degelijkste en dus onverkoopbaarste kledingstuk van deze tijd, weer aantrekkelijk gemaakt.
Het geheim zit ‘m in het achtervoegsel -ia, tot dan slechts gangbaar in de horeca (pizzeria, luncheria).
Het komt in oer-oorsprong uit Cuba, waar het woord cafetaria ‘winkel die koffie in het klein verkoopt’ betekende.
Door die twee lettertjes kreeg de saaie pullover een Latijns-Amerikaanse zwier – ‘Een tikkeltje te wild voor je, hombre?’ -, zonder dat het ten koste ging van de degelijkheid die spreekt uit namen als De Mantelspecialist en Het Twinsetparadijs.
Er is nog hoop voor de sokophouder.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Opstand in Parijs: de Commune van 1871


De kanonnen op de heuvel van Montmartre. Op deze plek staat nu de Sacré-Coeur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is maar de vraag of op 18 maart aanstaande de grote herdenking van de Commune van Parijs kan plaatsvinden. En dat terwijl juist dit jaar een bijzonder herdenkingsjaar isHet is precies anderhalve eeuw geleden dat een groot deel van de bevolking van Parijs in opstand kwam tegen het centrale Franse gezag.
Ieder jaar wordt de Commune op 18 maart en op 1 mei herdacht op de begraafplaats Père Lachaise in Parijs. De Commune duurde slechts twee maanden en tien dagen en werd door regeringstroepen bloedig neergeslagen.
Wat was dat ook al weer, de Commune van Parijs? Is er in het Parijs van vandaag de dag nog iets terug te vinden van deze historische periode uit de Franse geschiedenis?

Onvrede en hongersnood
Bij de bevolking van Parijs groeide tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 de al jaren sudderende ontevredenheid met het keizerlijke bewind van Napoléon III. Uit patriottische kringen klonk steeds vaker de roep om een terugkeer naar de Franse republiek. In het najaar van 1870 leed het Franse leger meerdere nederlagen en de Duitse legers slaagden er in Parijs te omsingelen. Nadat de keizer door de Duitsers was gevangen genomen en moest aftreden, vluchtte de Franse regering van Parijs naar Versailles. De burgerij in Parijs voelde zich daardoor verraden.
In september 1870 vonden onder invloed van revolutionair gezinde Parijzenaars demonstraties plaats die pleitten voor een vrij, onafhankelijk Parijs. De stad zou los van de Franse staat moeten komen te staan, en een Commune van Parijs moeten vormen, geregeerd door de stadsbewoners zelf. De arbeidende bevolking en de lagere middenklasse in de stad steunden de beweging. Door de Duitse belegering van de stad ontstond bovendien een toenemende hongersnood, waardoor de onvrede nog eens werd aangewakkerd.
Frankrijk capituleerde definitief op 27 januari 1871. De burgerlijke beweging in Parijs had liever gezien dat de strijd tegen de Duitsers was voortgezet in plaats van deze vernedering te moeten ondergaan. Men was het volstrekt oneens met de regelingen die de Franse regering na de capitulatie met Bismarck had getroffen, zoals het afstaan van de Elzas en Lotharingen.

Proclamatie van de Commune

Executies
In het ontstane machtsvacuüm na de capitulatie in de weken na 27 januari 1871 zagen revolutionaire groepen een mogelijkheid hun idealen dichterbij te brengen. Intussen was met instemming van de Duitsers de conservatief Adolphe Thiers, ooit premier van 1836 tot 1840, benoemd tot regeringsleider van de nieuwe Franse republiek.
Op 18 maart 1871 probeerden de troepen van Thiers met een militaire operatie in Parijs de tientallen opgestelde kanonnen op de heuvel van Montmartre te bemachtigen. Bijeengekomen leden van de Nationale Garde – lokale door de gemeente Parijs betaalde troepen – op Montmartre weigerden echter onder druk van de bevolking de kanonnen – eigendom van de gemeente Parijs – over te dragen aan de legereenheden van Thiers. De bevelhebbers van de troepen, de generaals Lecomte en Clément-Thomas werden in de nabijgelegen Rue du Chevalier-de-la-Barre door bewoners van Montmartre tegen een muur terechtgesteld.
Vanaf dat moment verkeerde Parijs in wezen in oorlog met de regering van de republiek. Parijs schreef nieuwe plaatselijke verkiezingen uit, waaruit de raad der Commune voort zou moeten komen: negentig afgevaardigden, uit alle arrondissementen. Op 27 maart 1871 werd de onafhankelijke Commune geproclameerd.

Communes en barricades
De Commune streefde naar een federatie van communes die de staat zou vervangen. Men wilde onder meer leger en dienstplicht afschaffen, een hervorming van het onderwijs, een absolute scheiding tussen kerk & staat en de erkenning van niet-gewettigde huwelijken. De afbetaling van schulden en achterstallige huren werd opgeschort en nachtwerk voor bakkers werd afgeschaft.
Koortsachtig werd in de weken erna geprobeerd deze progressieve ideeën in praktijk te brengen. Tegelijk moest de verdediging van de stad op peil worden gebracht, in verband met de te verwachten aanval van de republikeinse troepen. Op strategische kruispunten in de stad werden barricades gebouwd. De verdediging hiervan was in handen van leden van de Parijse Nationale Garde, waarbij zich duizenden arbeiders, ambachtslieden en vrouwen hadden aangesloten. Groepen die je als de ‘gegoede burgerij’ zou kunnen typeren, hielden zich veelal afzijdig.

Opmars en tegenstand
De Franse regering, die nog steeds in Versailles huisde, vond het eigenzinnige, naar onafhankelijkheid strevende Parijs niet te tolereren. Op 21 mei 1871 voerden de troepen van Thiers een grootschalige aanval op de stad uit. In een poging de opmars van de republikeinse troepen te stoppen bevolkten duizenden gewapende inwoners de barricades. Er werd felle tegenstand geboden tegen de regeringstroepen, maar hun opmars was niet te stuiten. Als onderdeel van de verdedigingslinie werden belangrijke strategische of symbolische gebouwen als het l’Hôtel de Ville, het paleis der Tuilerieën, het Louvre en het Palais-Royal door de communards in brand gestoken. Door de oprukkende troepen van Thiers werden in wat de ‘bloedige week’ is gaan heten naar schatting zo’n 25.000 mensen zonder pardon gefusilleerd.
In een brandend Parijs sneuvelden nog eens duizenden op en rond de barricades.

Read more

Bookmark and Share

Tommy Wieringa – Gedachten over onze tijd


Tommy Wieringa. Ills.: Joseph Sassoon Semah

Tommy Wieringa (1967) schrijft wekelijks voor NRC Handelsblad over de actualiteit in een periode van grote veranderingen en onzekerheden; het sociale weefsel rafelt.
Het zijn artikelen over autoritaire populisten, het toenemende fascisme en nationalisme, nepnieuws, de vrijheid van denken, de gevolgen van de klimaatcrisis, het coronavirus dat het speelveld drastisch herschikt en de urgentie van cultuur. Maar hij schijft ook over zijn dochters en literaire ontmoetingen in het buitenland. Tommy Wieringa legt verbanden met het verleden en doet een bewogen, moreel appel op de lezers.

Er zijn artikelen over Europa, een continent dat van crisis naar crisis ‘hompelt’, en waar het fascisme langzamerhand een courante Europese stroming wordt, en Wieringa tot een vermoeide Europeaan maken. Hij beschrijft het verontrustende nepnieuwsbericht van de NOS over de jood George Soros ‘een invloedrijke bemoeial met tentakels ver in de wereldpolitiek’ dat zelfs door de journalisten niet als zodanig was herkend en gebruik maakt van fascistische taal. Je hoeft niet eens meer een hekel aan joden te hebben om antisemitische quatsch te produceren, aldus Wieringa.

Tommy Wieringa gaat in diverse artikelen in op het asielbeleid en vluchtelingen, zoals de wandeltocht vanuit herinneringscentrum Kamp Westerbork tijdens de Nacht van de Vluchtelingen die niet doorging  vanwege bedreiging door vluchtelingenhaters en de joodse gemeenschap. En ondertussen gaat de versobering van de asieladvocatuur gewoon door.
Over de vijfentwintighonderd verdwenen kinderen, een kwart van alle alleenstaande minderjarige asielzoekers, waar ze gebleven zijn weten we niet. ’Met onbekende bestemming vertrokken, staat er achter hun naam.’ Zijn ze doorgereisd naar familie elders in Europa, gevallen in de handen van mensenhandelaren? Verdwenen in de criminaliteit, prostitutie, of in het illegale arbeidscircuit? Maar het zijn onze kinderen niet, en daarmee niet onze zorg.

Diverse artikelen zijn gewijd aan Thierry Baudet en Wilders die niet direct oproepen tot geweld, ‘maar (ze) scheppen een sfeer waarin geweld tegen een zogenaamd inferieure minderheid wordt vergoelijkt, en de geesten worden rijp gemaakt voor uitdrijving.’ Kritische artikelen over Baudet als bewonderaar van zijn leermeester Roger Scruton, en van Vladimir Poetin, en ontkenner van de klimaatcrisis.
In de wetenschap zou Baudet worden weggehoond, maar in de politiek vormen halve waarheden en hele leugens zijn politieke kapitaal., aldus Wieringa.
De urgentie en rol van de cultuur komen ook aan bod. Onder andere naar aanleiding van het commentaar van Clarice Gargard op de tentoonstelling ‘Vrijheid’ in de Fundatie in Zwolle. Gargard constateert culturele toe-eigening, bijvoorbeeld in de foto’s van Viviane Sassen, omdat ze de zwarte mens gereduceerd ziet tot zijn huidskleur. Maar juist zijzelf reduceert de zwarte mens tot zijn huidskleur, aldus Wieringa, zo zorgt zijzelf voor munitie in de identiteitsoorlog die op dit moment wordt gevoerd. Wieringa: ‘De cultuur zelf is intussen van niemand. Wij zijn allen gebruikers, geen eigenaars. Iedereen speelt altijd en overal leentjebuur. Je kunt cultuur koesteren, vereren, misvormen, verwoesten of onherstelbaar verbeterd teruggeven, maar je eigendom is het niet.’

Hij wijst op de naïviteit van mensen, en het ontbreken van weinig historisch besef. Als voorbeeld verwijst Wieringa naar Daan Roosegaarde, die door het Nationaal Comité 4 en 5 mei was uitgenodigd een ontwerp te maken. Hij ontwierp ‘Levenslicht’ met lichtgevende steentjes, honderdvierduizend, een voor elk individu dat naar de concentratiekampen werd afgevoerd, zonder een enkele verwijzing te leggen naar het ‘Stolpersteine’ project van de Duitse kunstenaar Demnig. Daan Roosegaarde begeleidde zijn ontwerp met de woorden ‘Ze wisten niet wat ze te wachten stond, maar ze voorvoelden dat het weinig goeds was.’ En ‘In de wagon sijpelde licht naar binnen door een kier in de deur. Dat zagen ze als teken van hoop.’ Zo kwam Roosegaarde op het idee om iets met licht te doen. Dunne ideetjes, lolletjes voor de openbare ruimte, aldus Wieringa.
En diverse artikelen gaan over de desastreuze effecten van de klimaatcrisis, hier nog beperkt ‘tot het verdwijnen van vogels en insecten, ongekende droogte verzakkende huizen, maar elders zijn de effecten al desastreus met onophoudelijke natuurbranden, hittegolven, tornado’s, overstromingen en misoogsten.‘ Tommy Wieringa waarschuwt ons dat de klimaatcrisis zal leiden tot migratiestromen die in het Westen een destructief wantrouwen zullen veroorzaken in supranationale organisaties als de Europese Unie.

Vanzelfsprekend is er ook veel aandacht voor de corona crisis. De rol van Mark Rutte en het RIVM worden belicht, de anderhalve meter afstand, de virus-industrie, de invloed van het virus op onze toekomst, complotdenkers.
Het laatste artikel is gewijd aan de inauguratie van Joe Biden als 46ste president van de Verenigde Staten, die Tommy Wieringa onverwacht sterk raakte vanwege de herstelwerkzaamheden van democratie en rechtsstraat. Maar de toeslagenaffaire in Nederland laat zien dat je geen autocraat nodig hebt om democratische en rechtsstatelijke principes te ondermijnen.

Tommy Wieringa – Gedachten over onze tijd. Amsterdam, De Bezige Bij, 2021. ISBN 9789403123912

Tommy Wieringa is de auteur van onder meer Joe Speedboot, De dood van Murat Idrissi en De heilige Rita. Zijn werk is in meer dan twintig landen vertaald.

Bookmark and Share

De Walrus of Love en de King of Rock: opmerkelijke bijnamen in de popmuziek


Elvis Aaron Presley (1935-1977)

Ella Fitzgerald is the First Lady of Song, Aretha Franklin heet the Queen of Soul, Chuck Berry is the Father of Rock and Roll en Michael Jackson is bekend als the King of Pop: in de wereld van de jazz en popmuziek is aan bijnamen waarlijk geen gebrek. Meestal zijn die, zoals hierboven geïllustreerd, voor de hand liggend en weinig geïnspireerd. Verfrissend is het daarom op een ongebruikelijke, originele of anderszins verrassende bijnaam te stuiten.
Een mooi voorbeeld is die voor de omvangrijke Amerikaanse zanger Barry White (1944- 2003). Zijn toegewijde fans noemen hem vertederd the Walrus of Love. En inderdaad, wie een paar foto’s van de zingende zeerob meer dan vluchtig bekijkt, kan enige gelijkenis niet ontgaan.
Het love-deel van deze eretitel verwijst naar het diep-bronzen stemgeluid – in vaktermen: een driedubbele bas -, waarmee hij nummers als You’re the first, the last, my everythingNever never gonna give ya up en Let the music play voor zich uit bromt.

Barry White, geboren als Barry Carter en toen nog van normaal gewicht, kruiste eens op onverwachte wijze mijn pad. Voor het radioprogramma Het Zout in de Pap maakte ik literaire portretten van een uur. De gesproken delen werden afgewisseld met muziekfragmenten, waarvoor ik gewoonlijk de geïnterviewde auteur naar een voorkeur vroeg. In 1992 maakte ik zo’n portret van Bas Heijne naar aanleiding van zijn toen jongste roman Suez. Op mijn vraag naar een muzikale wenslijst bekende hij zijn liefde voor het werk van White. In diezelfde periode trad de zwoel zwijmelende zwaargewicht op in Rotterdam en zo kon het gebeuren, dat er van Bas Heijne, toen nog niet de huisfilosoof van het NRC/Handelsblad, naast zijn opiniërende stukken een interview met Barry White verscheen.

Het beste voorbeeld, evenwel, is Elvis Aaron Presley (1935-1977). Of Aron, zoals zijn ouders hem genoemd hadden. De dokter die aangifte deed, gaf echter de meer gangbare spelling – met dubbel A – op en zo staat het ook op zijn grafsteen.
De naam Elvis dankt hij aan de middelste naam van zijn vader, Vernon Elvis Presley. Een weinig gangbare naam, behalve onder de arme blanke bevolking in het zuiden.
Het beste voorbeeld om meer dan één reden. Niet zozeer vanwege zijn gangbare bijnamen, zoals the Mississippi Flash, omdat hij werd geboren in Tupelo in de staat Mississippi -, of the Memphis Flash. Hij overleed immers in Memphis, Tennessee. Graceland, zijn woonhuis en landgoed daar, is sindsdien meer dan een Elvis-museum. Het is een bedevaartsoord. (Ter contrastering: het Nederlandse Elvis Presley-museum is te vinden in een antiekboerderij in Molkwerum, in de provincie Friesland.) Of neem, als cliché aller clichés, the King.
Maar wel om het onwaarschijnlijke toeval dat zijn voornaam perfect rijmt op pelvis, naar het Latijnse pelvis voor bekken. En laten nu de ritmisch schokkende bewegingen met zijn bekken typerend zijn voor Elvis’ manier van bewegen op ritmische muziek.
Met die weinig verhullende maar alles suggererende bewegingen lag de bijnaam Elvis the Pelvis al snel voor de hand. Wellicht onbedoeld effect van dat heftige geschok was, dat de gezagsgetrouwe ouders van voornamelijk blanke kinderen met lede ogen aanzagen hoe die kinderen niet alleen die bewegingen overnamen – niet voor niets werd dat al snel rock-and-roll genoemd, zeer vrij te vertalen als heen-en-weer-en-op en-neer -, maar ze in toenemende mate zelfs op ideeën bracht.

Een eveneens interessante maar wat onderbelicht gebleven reden is de invloed die het verschijnsel Elvis, afgezien natuurlijk van zijn muziek, had in de popmuziek, bijvoorbeeld op het gebied van namen.
Enkele opmerkelijke voorbeelden. De Amerikaanse zanger Martin Benefield had als Vince Everett een paar bescheiden hits. Zijn pseudoniem had hij geleend van het door Elvis gespeelde personage in diens eerste grote speelfilm, Jailhouse Rock (1957). De Londense band The Sid Presley Experience putte voor zijn naam zelfs uit drie popbronnen: Sid Vicious, frontman van The Sex Pistols, Elvis Presley en The Jimi Hendrix Experience.

Reginald Maurice Ball, kortweg Reg Ball, was de zanger van de Britse groep The Troggs, maar had volgens zijn manager Larry Page niet echt de naam van een popster. Als grap opperde Page de naam Presley en sindsdien heette de zanger Reg Presley.
The Troggs hadden tussen 1966 en 1968 wereldhits met Wild thing (“you make my heart  sing”), With a girl like you en Love is all around, maar hadden daarvoor wel hun oorspronkelijke naam, Ten Foot Five, veranderd. Trogg was de verkorte vorm van troglodyte ofwel grotbewoner en was destijds gangbaar als scheldnaam voor het meer suffe type medemens. In 1967 verscheen hun album Trogglodynamite.
Ook de Engelse zanger Declan Patrick Aloysius McManus voorzag geen grootse carrière met zijn eigen naam. Toen hem een platencontract werd aangeboden waarin de voorwaarde was opgenomen dat hij een commerciëler artiestennaam zou nemen, viel de keuze op de meest commerciële voornaam die hij kon bedenken.
De achternaam Costello lijkt een verwijzing naar Lou Costello, de komische helft van het Amerikaanse duo Abbott and Costello, wereldberoemd vanwege hun dialoog Who’s on first?
In werkelijkheid was Costello de meisjesnaam van zijn moeder en was de voornaam van the King of Rock een idee van zijn manager, Jake Riviera. Dat pakte nog bijna ongelukkig uit, toen Costello’s eerste album, My aim is true, uitkwam rond het overlijden van Elvis Presley op 16 augustus 1977 en hij beschuldigd werd van lijkenpikkerij.
En voor de volledigheid: in 1986 bracht hij een album uit met de titel The King of America.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Mardjan Seighali met Job Hulsman – Tot op de dag


Mardjan Seighali. Ills.: Joseph Sassoon Semah

‘Wie in het buitenland opnieuw begint moet zich bewijzen.’

Mardjan Seighali (1964) is geboren in de Iraanse plaats Rasht, waar ze een liberale opvoeding genoot; religie speelde geen rol.
Als scholiere maakte ze mee dat Iran in opstand kwam tegen de exorbitante levensstijl van de Sjah en hem tot aftreden dwong. De Iraanse ayatollah Khomeini kwam terug uit zijn tijdelijke verblijfplaats in Parijs en werd als held onthaald. Hij won de verkiezingen en veranderde Iran in een theocratisch bolwerk.
Mardjan Seighali sloot zich aan bij de Iraanse oppositiepartij Mojahedin-e Chalgh, de Volksmoedjahedien, een partij die streefde naar een meer gelijke welvaartsverdeling. Twee jaar later, in 1981, werd de partij door Khomeini tot vijand van god verklaard. Ze werd voor haar veiligheid door haar vader ontvoerd naar een tante in Teheran.

Als ze tussentijds haar familie bezoekt voor het nieuwjaarsfeest, wordt ze door de Revolutionaire Garde opgepakt, en wordt in de gevangenis, gemarteld, bedreigd en vernederd. Haar wordt niets bespaard omdat ze voor de partij pamfletten uitdeelde en deelnam aan discussies. Veel van haar medegevangenen eindigen in een massagraf, zoals haar vriendin Tahmina ‘een bloem die niet tot bloei mocht komen.’ Haar ouders sloten een deal met het regime waardoor ze na anderhalf jaar uit de gevangenis werd ontslagen, op voorwaarden dat ze moest trouwen en ze kreeg een studieverbod. Vlak na haar vrijlating trouwt ze, met tegenzin, met Rasoul: ze wilde vrij zijn, maar de eer van de familie was zo gered. Ze krijgt met hem twee zonen.
Mardjan Seighali was woedend omdat ze geen enkele inspraak had gehad op haar vrijlating; thuis mag ze nergens over praten.
Ze wil voor alles onafhankelijk zijn en vol strijdlust, ook in haar relatie met haar man Rasoul. Het is voor haar heel moeilijk over haar persoonlijke ervaringen te vertellen. Ze memoreert vaak de woorden van haar vader, toen ze vrijkwam uit de gevangenis: ‘Hier praten we niet meer over!’

Haar man Rasoul was in 1989 gevlucht naar Nederland, omdat hij gezocht werd vanwege een filmopname van een steniging. Mardjan Seighali wordt vervolgens herhaaldelijk opgepakt en weer vrijgelaten. Ze komt als zesentwintigjarige, na een aantal mislukte vluchtpogingen, met haar twee kinderen in 1990 in Nederland terecht waar ze weer moeizaam een gezin vormt met Rasoul, eerst in Den Helder, dan in Brummen en uiteindelijk in Almere, waar ze zich thuis voelt: ‘Almere – nieuwe stad waar je als nieuwkomer een nieuw leven kan beginnen.’

Ze worstelt nog steeds met haar herinneringen aan de gevangenis en het regime van ayatollah Khomeini, maar eenmaal in Nederland besluit ze alles op alles te zetten om haar leven weer betekenis te geven.
In 1997 voltooide ze haar studie Maatschappelijk werk- en dienstverlening aan de Hogeschool van Amsterdam. Later werd zij o.a. directeur van Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF (die ook haar studie financierde), zat in de Raad van Advies College voor de Rechten van de Mens en krijgt een baan als hoofd Sector Communicatie & Publicatie en Relatiemanagement bij Stichting Erfgoed Nederland. Sinds november 2020 is ze voorzitter van het Humanistisch Verbond.

Schrijver en journalist Job Hulsman van uitgeverij Ambo/Anthos, die in 2017 Iran bezocht, weet haar te enthousiasmeren haar verhaal op te schrijven. Ze ontmoetten elkaar regelmatig aan haar keukentafel in Almere, en ook zelf kroop ze achter haar computer.

Na de lancering van Tot op de dag weet ze niet of ze blij is, want ze denkt nog steeds aan de mensen die in onvrijheid woonden en wonen. Sinds haar vrijlating in 1983 vraagt ze zich nog steeds af: ’is het een straf of een zegen dat ik vrijkwam? Als er iets te kiezen viel, wat zou ik dan hebben gekozen: thuiskomen met de herinneringen die ik heb en daarmee door het leven gaan of helemaal niet meer thuiskomen? De vragen galmen nog steeds door mijn hoofd.’

Mardjan Seighali met Job Hulsman – Tot op de dag – Ambo/Anthos Uitgevers, Amsterdam, 2021. ISBN 9789026353291

Opnieuw beginnen: Mardjan Seighali bij TEDxAlmere

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives