Een bom in Londen – Joseph Conrad, zijn roman The Secret Agent en een Franse kleermaker


Greenwich Royal Observatory

De Pools-Engelse schrijver Joseph Conrad (1857-1924), auteur van onder meer Heart of Darkness en Lord Jim, liet zich voor zijn roman The Secret Agent (1907) inspireren door een ware gebeurtenis: een poging tot een bomaanslag op het Greenwich Royal Observatory in 1894. De gebeurtenis was niet meer tot dan de aanleiding voor de roman, stelde Conrad. Van de achtergronden ervan zou hij niet op de hoogte zijn geweest. Maar was dat wel zo? Wat waren dan deze achtergronden?

Joseph Conrad

Revolutionairen
In The Secret Agent beschrijft Conrad hoe Adolf Verloc, een winkelier in brocante, pornografie en voorbehoedsmiddelen, de broer van zijn vrouw aanzet een aanslag te plegen op het Greenwich Royal Observatory. Het verhaal speelt zich af in 1886. Verloc behoort tot een geheime anarchistische groep die in Londen opereert. Maar ook verricht hij hand en spandiensten in opdracht van een buitenlandse – Russische? – ambassade. Een diplomaat van de ambassade vertelt dat zijn land de Britse respons op de activiteiten van revolutionairen uit zijn land te zwak vind. Een eventuele aanslag zou de waakzaamheid zeker opvoeren. Verloc weet zijn inwonende zwager Stevie, een jongen met een verstandelijke beperking, aan te zetten een bomaanslag te plegen op het Greenwich Royal Observatory.
Ook heeft Verloc goede contacten met hoge politiefunctionarissen. Die laten hem bij de voorbereidingen oogluikend zijn gang gaan.
Met een bom in de zak van zijn overjas, struikelt Stevie halverwege het pad heuvelopwaarts naar het observatorium en blaast zichzelf op. Een briefje dat wordt gevonden in de resten van zijn overjas, zet de politie op het spoor van Verloc. Wanneer zijn vrouw Winnie achter de waarheid komt, zijn de gevolgen voor Verloc noodlottig: hij wordt door Winnie vermoord.
Wanneer Winnie daarna vlucht en een nieuw leven wil beginnen, blijkt ook haar geluk van korte duur.

Persiflage
Naast dit tragische familiedrama kent het boek ook een luchtiger kant. Zo is de karakterschets die Conrad geeft van de anarchistische kringen waarin Verloc verkeert, nogal dik aangezet, een persiflage bijna. De leden van zijn geheime anarchistische groepje worden neergezet als grotesk orerende beroepsrevolutionairen, die soms de zelfkant van de maatschappij nauwelijks ontstegen lijken te zijn. Karikaturale personages weliswaar, maar toch geïnspireerd op bestaande personen uit de anarchistische beweging. Michaelis, de filosoof van de groep, lijkt geënt op Michael Bakoenin en Peter Kropotkin, twee van de grote denkers van het anarchisme. Een ander lid, bijgenaamd The Professor, is een deskundige in explosieven, en vertoont grote gelijkenis met de Duitse anarchist Johann Most, onder meer auteur van het boekwerkje Revolutionäre Kriegswissenschaft, een handleiding tot het fabriceren van bommen.
Centraal staat in het boek echter de aanslag die Stevie moet gaan plegen: een vrijwel exacte kopie van wat er op 15 februari 1894 gebeurde op het wandelpad naar het Greenwich Royal Observatory.

Martial Bourdin

Motieven
Op die dag verliet de Franse anarchist Martial Bourdin zijn kamer in Fitzroy Street in Londen.
Bij zich droeg hij een handgemaakte bom. Op Westminster nam hij de tram naar Greenwich Park. Daar nam hij een pad naar het Royal Observatory. Halverwege de heuvel kwam hij vermoedelijk ten val waarbij de bom tot ontploffing kwam. Zwaar gewond werd Bourdin naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis vervoerd. Zonder dat hij zijn naam noemde of iets zei over zijn motieven, overleed hij daar een half uur later. Waarschijnlijk had hij een aanslag willen plegen op het observatorium.
Het is altijd een raadsel gebleven wat Bourdins beweegredenen voor de aanslag waren. Het observatorium gold niet als een markant kapitalistisch symbool. Ook als symbool van de Britse staat lijkt het vergezocht. Iets als de Houses of Parlement zou in dat geval meer voor de hand gelegen hebben. Het observatorium diende immers in de eerste plaats de wetenschap.
Wel bevond zich in het observatorium de klok die sinds 1852 de Greenwich Mean Time (GMT) aangaf. In 1880 besloot de Britse regering deze als standaardtijd te hanteren. Met enige fantasie valt hooguit te beargumenteren dat de klok een symbool vormde voor de controle die de Britse staat dankzij de GMT uitoefende over het dagelijks leven van de arbeidende bevolking. Maar deze redenering lijkt vergezocht.
Een andere vraag die politieonderzoekers zich stelden was of de actie van Bourdin een soloactie was of dat hij bij de voorbereiding hulp had gehad. Opvallend was verder dat Bourdin een groot geldbedrag bij zich droeg. Waarom? Wilde hij na zijn daad mogelijk snel het land verlaten? En hoe was de Fransman eigenlijk in Londen verzeild geraakt en wat voerde hij er uit?

Read more

Bookmark and Share

StAWIL: Steun Acroniem – Weg met Initiaal- of Letterwoord


In het spraakgebruik wordt elke schrijfwijze die korter is dan het volledige woord of de volledige woorden – KNVB, NPO, bios, svp, VARA, p.n.o.k., O.T, bv. – een afkorting genoemd. En als er al een onderscheid wordt aangebracht, is het tussen letterwoord – UNO, JAC – en afkorting de rest.

Er is een verfijnder – en zinniger – indeling te bedenken. Dat is bijvoorbeeld gedaan door Dr. C.G.L. Apeldoorn. In het ‘Voorbericht’ bij zijn Afkortingen (Utrecht, 1983) oppert hij een indeling in verkortingen, afkortingen en initiaalwoorden.

De driedeling van Apeldoorn maakt het volgende onderscheid :
1. verkorting, waarbij het eind van een woord – prof(essor) – of het begin van een woord – (auto)bus – wordt weggelaten;
2. afkorting, waarbij van een of meer woorden een of meer letters gebruikt worden: m.m., B.Z.N., v.m., h., n.v.t.;
3. initiaalwoord.

Die laatste groep valt in drie soorten uiteen: 1. de initialen vormen een uitspreekbaar woord (AVRO, FIFA); 2. ze zijn niet als één woord uit te spreken (CDA, NCB, PVC); 3. om er een normaal uit te spreken woord van te maken, neemt men meer dan alleen de beginletters (BENELUX).
Een bezwaar tegen Apeldoorns indeling is, dat er drie te onderscheiden vormen onder één term (initiaalwoord) gebracht worden, terwijl één daarvan (PSP, DDR, WVC, enz.) onder zijn eigen definitie van ‘afkorting’ valt en een andere (FEBECOOP: Federatie der Belgische Coöperatieven) zich niet tot de initialen beperkt.

De resterende vorm (UNIFIL, NOS) is derhalve de zuiverste vorm van het initiaalwoord, en het is die vorm die nog altijd hardnekkig met ‘letterwoord’ wordt aangeduid. Een foeilelijk woord en nog zinledig ook, al was het maar omdat elk woord per definitie een letterwoord is, zoals ook elk getal een cijfergetal is.. Die nietszeggende, hoogst verwarrende term dient snel vervangen te worden door een betere, een duidelijke, een informatie-dragende naam. Acroniem, bijvoorbeeld.
Er is geen reden waarom dit type afkorting in het vervolg in het Nederlands níét acroniem zou heten.
En er zijn – ten minste twee – uitstekende redenen waarom we ze voortaan wèl zo zouden noemen.

De eerste is dat het initiaal- of letterwoord in alle moderne vreemde talen met deze term wordt aangeduid. De tweede reden is dat het woord acroniem is opgebouwd uit twee delen die beide in tal van gebruikelijke Nederlandse woorden voorkomen. Acro, van het Griekse akron (punt, spits, uiteinde), verschijnt bijvoorbeeld in acropolis (letterlijk: stad op de top), acrobaat (van akrobatos: op de tenen gaand) en acrofobie (hoogtevrees). Tot de mooiste reken ik acromegalie (het Griekse megas is groot; vandaar de afwijking die reuzengroei van handen en voeten veroorzaakt) en acrostichon, het gedicht waarvan de eerste letters van elke versregel een woord, naam of uitspraak vormen.
Het tweede deel van acroniem stamt van het Griekse onuma (naam) en komt voor in onder meer pseudoniem, synoniem en anoniem. Zonder overdrijven kan daarom geconcludeerd worden dat ‘acro’ en ‘niem’ al lang en in tal van samenstellingen in onze taal gebruikt worden, alleen nog niet of nauwelijks in combinatie met elkaar. Er is dus alle reden om wat tot nu toe doorgaans met letterwoord werd aangeduid, namelijk een afkorting die zich als één woord laat uitspreken, voortaan acroniem te noemen.

Historie
De laatste tijd, laten we zeggen vanaf de Tweede Wereldoorlog, is er een explosie van acroniemen, maar dat wil niet zeggen dat het verschijnsel niet al veel ouder is. Het oudste voorbeeld komt wellicht uit de bijbel: de tekst op het bord dat boven Christus’ hoofd aan het kruis bevestigd werd.
Die tekst luidt: INRI, het acroniem van het Latijnse Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum, Jezus van Nazareth, Koning der Joden.
In de begintijd van het christendom was ICHTHUS (Grieks voor vis) het symbool voor Christus en diende het als wachtwoord voor de geheime, want verboden bijeenkomsten van de eerste christenen. ICHTHUS is de afkorting van Iesous CHristos THeou hUios Soter, Jezus Christus, Zoon van God, Verlosser.
Veel meer biedt de historie niet, tot in 1602 de VOC, de Vereenigde Oostindische Compagnie, werd opgericht, al is het twijfelachtig of dat toen als één woord werd uitgesproken.
Het eerste moderne acroniem danken we waarschijnlijk aan het ontstaan van de Algemeene Vereniging Radio Omroep in 1923. Ook hierbij is het trouwens de vraag of er van het begin af AVRO gezegd is. Het lijkt me geen onredelijk criterium dat iets niet alleen een acroniem kàn zijn, maar het in de praktijk ook is. Om die reden valt bijvoorbeeld KRO uit de boot. Veilig kan gesteld worden dat het zuivere acroniem een kind van de twintigste eeuw is.

UNO en ONU
Een sector waar al snel veel acroniemen verschenen, was de voetbalsport. Met het toenemen van de FC Plaatsnaam verdwijnen de mooiste uit de publiciteit, maar bij de ware liefhebbers worden nostalgische herinneringen opgeroepen door namen als DOS en NOAD: Door Oefening Sterk; Nooit Ophouden, Altijd Doorgaan. Dat waren de dagen van Rigtersbleek en Limburgia, Enschedesche Boys en Zwartemeer. Die tijd komt nooit meer terug.
De Tweede Wereldoorlog gaf een ferme stoot tot de verdere opmars. Tot de meest praktische behoorde LIB, dat zowel in het Engels (Light Infantery Batallion) als in het Nederlands (Lichte Infanterie Bataljon) inzetbaar was, en tot de welluidendste AMACAB (Allied Military Administration, Civil Affairs Branch).
Maar pas na die oorlog nam het gebruik van acroniemen serieuze vormen aan. De UNO ontstond, de United Nations Organization, en de NATO, de North Atlantic Treaty Organization. In het Frans bestaan ze precies andersom maar niet minder acroniem: ONU en OTAN. Door de UNO werden andere organisaties in het leven geroepen. Daaronder UNICEF, het United Nations International Children’s Emergency Fund, en UNESCO, de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization.

Vruchtbare bronnen zijn ook het onderwijs – de Mammoetwet bracht ons, onder veel meer, MAVO en HAVO, LEAO, MEAO en HEAO – en de sociaal-economische hoek. De SER, de Sociaal-Economische Raad, heeft zijn licht laten schijnen over deels door de tijd al achterhaalde onderwerpen als de VAD, de VermogensAanwasDeling, de WIR, de Wet op de InvesteringsRekening, APO, een ArbeidsPlaatsenOvereenkomst, en VUT, Vervroegde UitTreding.
Tot de jongste lichting behoren acroniemen uit het ARC, het Alternatieve Relaties Circuit, zoals de LAT-relatie, Living Apart Together, de WOP-relatie (wippen, ontbijten, pleite) en de BOM, de Bewust Ongehuwde Moeder.
Veel komen er ook voort uit het ruimte-onderzoek. Bekend zijn de ANS (Astronomische Nederlandse Satelliet) en de IRAS (InfraRed Astronomy Satellite), maar minder lees je over MRUASTAS, een Medium-Range Unmanned Aerial Surveillance and Target Acquisition System, en DISCO, Dual Irradiance and Solar Constant Orbiter.
Aan sommige voorbeelden – WIR, DISCO – is te zien dat er wel eens een paar tussenwoordjes weggesmokkeld moeten worden; bij andere – ICHTHUS, RADAR (RAdio Detecting And Ranging) – wordt meer dan alleen de beginletter van elk woord gebruikt. Ook dat is een argument vóór het gebruik van de term acroniem (acro betekent immers punt, spits) boven namen als initiaalwoord of beginletterwoord.

Bloody Awful
Het is een zeker teken dat iets leeft in de taal, als er door de gebruikers van die taal mee gespeeld wordt, als er varianten op bedacht worden of grappen mee gemaakt. Voor HEMA circuleert behalve de officiële – Hollandse EenheidsprijzenMaatschappij Amsterdam – ook een officieuze invulling: Hier Etaleert Men Afval. En NOZEM heette de afkorting te zijn van Nederlandse Onderdaan Zonder Enig Moraal.

Dankbare voorwerpen van milde spot zijn de namen van luchtvaartmaatschappijen. Zo wordt de voormalige SABENA in plaats van Société Anonyme Belge d’Exploitation de la Navigation Aérienne ook opengevouwen tot Sauf Accidents, Bien Entendu, Nous Arriverons (ongelukken daargelaten, wel te verstaan, zullen we aankomen). En GARUDA, de Indonesische luchtvaartmaatschappij, kreeg als postkoloniale variant: Good And Reliable Under Dutch Administration (goed en betrouwbaar onder Nederlands beheer). Britse luchtvaartmaatschappijen kunnen helemaal geen goed doen: voor BOAC – inmiddels ter ziele – bedachten collega’s van de concurrentie Better On A Camel en voor BA (British Airways) Bloody Awful.

Niet zelden worden acroniemen voor de gelegenheid bedacht. Dat lijkt het geval met het 13 letters tellende EENHEIDSWORST: de Enige Echte Nederlandse Hardwerkende En Intellectueel Denkende Sportvereniging Welke Onder Rustige Situaties Traint.
Wie er eenmaal oog voor heeft, ontdekt voortdurend nieuwe en verrassende kanten aan het acroniem. Zoals VOLDULOSTA, de Vereniging van Oud-Leerlingen Der ULO-School Te Aalsmeer, dat een acroniem binnen een acroniem bevat. Of de ware achtergrond van het ogenschijnlijk nederige woordje PEC, de naam van een voetbalclub uit Zwolle. In PEC gingen ooit twee clubs samen wier namen het Champions League-gebeuren een onverwachte glans gegeven zouden hebben, waren zij niet opgegaan in de Prins Hendrik Ende Desespereert Niet Combinatie.

De komende tijd zal, zo moet maar gehoopt worden, het makkelijk uit te spreken en beter te onthouden acroniem in steeds meer gevallen verkozen worden boven de traditionele afkorting.
Voorbeelden te over in de commercie, maar vooral in de techniek, zoals in de astronomie, de wapenwedloop (AWACS, START) en de computerwereld: BASIC (Beginners All-purpose Symbolic Instructions Code) of COBOL (COmmon Business Oriented Language).
En anders moet misschien maar de Actiegroep Steun Acroniem – Weg met Initiaal- of Letterwoord opgericht worden.

Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Esreteip


In antwoord op de vraag naar de opmerkelijkste naam in de Nederlandse literatuur zou het werk van Bordewijk ongetwijfeld vaak genoemd worden. Alleen Bint (1934) al biedt een hele rij memorabele namen, zoals Whimpysinger, Van der Karbargenbonk en Taas Daamde, Surdie Finnis, Schattenkeinder, Bolmikolke, Klotterbooke en Kiekertak, namen die hij overigens gewoon in het telefoonboek van Rotterdam gevonden had. Of Karakter (1938), met zijn namen van gewapend beton: Dreverhaven, Katadreuffe en Kalvelage.

Hoog op mijn lijst zou Inigo Wintrop staan, de hoofdfiguur in Cees Nootebooms roman Rituelen (1980). Een intrigerende naam: welluidend, ongebruikelijk, on-Nederlands en toch ook niet gemakkelijk aan een andere taal te verbinden. Zijn roepnaam – Inni – is een palindroom. Maar hij zou niet op de eerste plaats staan. Die is voor Esreteip. Niet zozeer omdat dat de merkwaardigste, onbegrijpelijkste, vreemdste of gewrongenste is, maar omdat die naam in slechts acht letters een paar eeuwen cultuurpolitiek, koloniaal beleid en calvinistische hypocrisie oproept.

Het was algemeen bekend dat veel van de heren die in “Nederlandsch-Indië” het vaderlands gezag vertegenwoordigden, er een of meer inlandse vrouw(en) op na hielden: een bijzit, een snaar, een njai. Het was evenzeer bekend dat uit zulke relaties vaak kinderen voortkwamen. Nu waren de Nederlandse verwekkers meestal niet zeer geneigd hun snaar te trouwen of, als ze zelf al deugdzaam, dat wil zeggen met een Nederlandse vrouw, getrouwd waren, het kind als het hunne te erkennen. Maar wel ontstond de gewoonte om de bloedband met het kind aan te geven, zeker als het een jongen was. Dat gebeurde vaak door het kind bij de Burgerlijke Stand te laten inschrijven, niet onder de naam van de vader maar onder de omgekeerde versie daarvan. Zo ontstonden bijvoorbeeld de naam Redlum, Reyem of Rhemrev. En Esreteip.

Dat verschijnsel is onomwonden vastgelegd in het werk van de chroniqueur van Nederlands-Indië bij uitstek, P.A. Daum (1850-1898). Twee duidelijke voorbeelden zijn te vinden in de roman Nummer Elf (1895). Op bladzijde 8 wordt een jonge Indo-vrouw geïntroduceerd:
Er ging een deur open, en om de hoek keek een mooi donker kopje met een overvloed van donkere krulletjes op het voorhoofd, grote schitterende zwarte ogen, en een vrolijk lachende mond met parelwitte tanden. ’t Was Ypsilante Nesnaj wier militaire vader haar zijn omgekeerde geslachtsnaam had gegeven en de malle voornaam, die hij had gelezen in een boek over een Griekse prins.

Twee pagina’s verder richt de Nederlandse hoofdpersoon, Vermey, zich tot een klerk ofwel, in Daums woorden, ‘een kopiist’:
Hij liet een kopiist roepen, een broodmagere, grauwbruine jongeman; een dier Indo-europeanen die nooit transpireren en altijd koude handen hebben, maar meestal slim genoeg zijn.
‘Esreteip,’ zei Vermey (’s mans grootvader had Pieterse geheten), je weet dat het vandaag de veertiende is.’
‘Ja meneer’.

Dat Daum deze namen gebruikt en er ter plekke een toelichting bij geeft, illustreert dat daarmee geen grote geheimen verklapt worden. Iedereen wist dat het gebeurde, iedereen kende er in eigen familie- of vriendenkring voorbeelden van, maar er hardop over praten deed men niet.

De naam Esreteip bestaat overigens wel degelijk: een aantal kabinetten geleden, bijvoorbeeld, kende Suriname een minister Esreteip. Waarmee tevens geïllustreerd is, dat dit gebruik niet alleen in Oost-Indië, maar ook in Suriname en op de Nederlandse Antillen voorgekomen zal zijn.
Soms leende een naam zich nog slechter voor omdraaiing dan Vermehr of Pieterse. Als het resultaat echt onuitspreekbaar dreigde te worden, kon er nog altijd een anagram van gemaakt worden: Sermham uit Harmsen of Served uit De Vries. Of het eerste stukje werd er achteraan geplakt: datzelfde De Vries werd dan Vriesde, een naam die in het betaald voetbal (bij F.C. Den Haag speelden twee broers met die naam) en in de damesatletiek (bij de Surinaamse atlete Laetitia Vriesde) was aan te treffen.

Een nog indirectere vorm van erkenning was het kind opzadelen met de naam van de plaats waar de vader vandaan kwam, maar ook dan in omgekeerde vorm. Het telefoonboek van Amsterdam telde lange tijd nog steeds twee nummers op de naam Madretsma. Ook Madrettor bestaat.

De groei van deze groep namen werd ook beïnvloed door de dragers van die namen zelf.
Generaties lang hadden Nederlandse vaders hun trots over hun bij een bijzit verwekt nageslacht geuit in een omdraaiing van de feiten, maar de kinderen zelf wensten er soms zelf ook wel iets in te zeggen hebben. Zij hadden niet iets te verbergen, integendeel, zij waren deels van Europese afkomst en waren daar trots op. En om dat te laten blijken, draaiden zij hun naam weer om en voegden die toe aan wat er al stond. Riemer Reinsma geeft in zijn boekje Aangenaam. Mag ik mij voorstellen? (Amsterdam, 1986) de voorbeelden Redlod van Dolder en Satoor de Rootas.

Wellicht vleit u zich met de gedachte dat het u onmiddellijk zou opvallen als u een zo opmerkelijke naam als Madretsma of Esreteip onder ogen zou krijgen. Maar ons waarnemingsvermogen heeft een flinke marge ingebouwd en iets moet er wel heel erg uitspringen, willen wij het als afwijking van een norm opmerken. Vrijwel dagelijks komen we namen tegen (althans, kunnen we namen tegenkomen) die volgens het hierboven beschreven procédé ontstaan zijn.

In de zo mediterraan ogende achternaam van Jack Gadella, tekstschrijver van een aantal nummers voor ‘Kinderen voor kinderen’, vinden we het woord ‘alledag’ terug. De Vlaamse actrice Alida Neslo is van Surinaamse afkomst. ‘Olsen’ klinkt weliswaar Scandinavisch maar is wel een veel logischer volgorde van letters dan Neslo. De naam van Surinames eerste Olympisch en wereldkampioen zwemmen, Anthony Nesty, heeft eenzelfde constructie. Een bekend Nederlands jazzmuzicus is Rob Essed, een Volkskrant-redactrice heet Yvonne van Gnirrep .

Een koloniaal verleden leeft niet alleen voort in de geschiedenisboeken en in het slechte geweten van een natie, maar ook in de kleine details van alledag.
Voor wie er oog voor heeft.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Koninkrijk op eieren. Reflecties op 10 jaar 10.10.10


Samengesteld door Joop van den Berg & René Zwart
Uitgave ADCaribbean b.v. 2020. ISBN ontbreekt

Vijftig mensen die beroepsmatig geïnteresseerd zijn in de verhoudingen binnen het Koninkrijk hebben zich op verzoek van de samenstellers van de bundel Koninkrijk op eieren. Reflecties op 10 jaar 10.10.10, Joop van den Berg & René Zwart, gebogen over de vraag hoe we ervoor staan tien jaar na 10.10.10.

Mr. Pieter van Vollenhove, voorzitter van het Comité Koninkrijksrelaties, ziet die deelname als teken dat het Koninkrijk ‘bij velen leeft’. In zijn Voorwoord vertelt hij dat hij ‘van de samenstellers vernam [..] dat vrijwel iedereen die benaderd is onmiddellijk bereid was tot medewerking. En dat hun betrokkenheid bij het Koninkrijk zo groot is dat vrijwel niemand zich heeft gehouden aan de voorgestelde lengte. Ook dat spreekt mij zeer aan, omdat het past bij één van mijn favoriete motto’s: wie schrijft die blijft!’
De conclusie dat het onderwerp bij velen leeft gezien de bereidwilligheid van de auteurs, getuigt van een positieve levenshouding. Want de vijftig auteurs zijn niet willekeurig uit een volgepakt voetbalstadion geplukt.

De inleiding, geschreven door de samenstellers, heeft als titel Een les voor de toekomst.
Daarmee geven de auteurs direct de eindconclusie van de bundel prijs. Na lezing van al die bijdragen kun je nl. niet anders concluderen dan dat het jubileum geen reden voor feestelijkheden is.
Zoals René Zwart in de Proloog de stand van zaken samenvat:
‘Voor velen op de eilanden is het leven er alleen maar slechter op geworden: sinds 10-10-10 heeft de armoede er een vlucht genomen, zelfs in de bijzondere BES-gemeenten die onder de rechtstreekse hoede van Haagse ministeries vallen.’
Mocht de lezer nog hopen op een meevaller, concludeert Zwart een paar regels verderop: ‘Minstens zo treurig is het gesteld met de bestuurlijke verhoudingen. Exemplarisch daarvoor is dat uitgerekend de wens geschillen in de kiem te kunnen smoren een hardnekkige bron van wrevel is.’
Dan moet je nog aan de opstellen beginnen.

De eerste bijdrage is van mevrouw Camelia-Römer. Zij was twee keer minister-president en meerdere keren minister van de Nederlandse Antillen. Van april 2015 tot 24 juli 2020 was zij, met enkele maanden onderbreking, minister in Curaçao. In 2006 werd zij door toenmalig premier De Jongh-Elhage gevraagd zitting te nemen in het adviseursteam dat de onderhandelingen op weg naar 10-10-10 begeleidde.

In vijf bladzijden weet mevrouw Camelia-Römer de lezer de laatste restjes hoop op een blijmoedige bundel te ontnemen.
Één alinea vat het ongenoegen over de onderlinge verhoudingen helder samen, en laat de historische context zien van waaruit gedacht wordt:
‘Het bizarre is dat de regering van Curaçao in 2016 nog publiekelijk complimenten van het College financieel toezicht ontving en nu opeens krijgen we te horen dat er de afgelopen tien jaar niks goed is gegaan.
Dat is niet geloofwaardig. Natuurlijk zijn er zaken die beter kunnen en moeten. Wij zijn mensen in een land in wording, komend uit de pijnlijke geschiedenis van slavernij en het zijn van kolonie, eerst als slaven en daarna als ‘onderdanen’, steeds ondergeschikt gemaakt aan ‘personen’ uit het ‘moederland’, en zijn middenin in een emancipatorisch proces werkend aan de opbouw van onze eigenwaarde, uitgedrukt in een nog verder zelf te schrijven historie van onze Afrikaanse, Europese, Indiaanse en overigens gemengde achtergrond, onze tambu, ons Papiamentu, onze kruiden, onze kunst enzovoorts.

De tweede bijdrage is van de hand van Alexander Pechtold. De heer Pechtold was van 31 maart 2005 tot 3 juli 2006 minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en daarna tot 10 oktober 2019 voorzitter van de Tweede Kamerfractie van D66. Van 2017 tot 2019 was hij tevens voorzitter van de vaste Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties.

De heer Pechtold is wat verdrietig als hij terugkijkt op tien jaar 10.10.10: Het begint ermee dat je in Den Haag met een lampje moet zoeken naar de weinigen die echt geïnteresseerd zijn in de eilanden. Het is een dossier waarmee je niet kunt scoren.’
Daar zit je dan.

De bijdrage van de huidige baas van de rijbewijzen eindigt met de vaststelling dat we alles anders zouden doen als we niet die gemeenschappelijke geschiedenis kenden.
In de woorden van Pechtold:
Het is waar: als je nu vanaf nul opnieuw mocht beginnen en op de tekentafel een nieuwe staat maakt, dan zou niemand een koninkrijk als het onze maken. Het zijn de historische toevalligheden die ons bij elkaar brachten. Maar toch, ons gezamenlijk verleden, onze gemeenschappelijke waarden en gedeelde symbolen verbinden ons. En brengen ons samen in een koninkrijk dat meer is dan een staatsvorm. Het gaat om gelijke kansen en gelijke rechten voor alle mensen, bescherming van kwetsbaren, goed onderwijs en goede gezondheidszorg en voldoende banen, dat zijn de beste garanties voor een welvarende toekomst.

Hoe edelmoedig deze slotconclusie ook klinkt, de bewoners van de zes eilanden hebben deze woorden in de afgelopen jaren in allerlei varianten voorbij zien komen. Vermoedelijk zullen ze na lezing niet naar het strand hollen om de horizon af te speuren op zoek naar die onvermijdelijke stip.

Het is verleidelijk om alle bijdragen langs te gaan. Zij verdienen alle aandacht.
Want de bijdragen geven een goed overzicht van de verschillende visies op de geschiedenis en daarmee inzicht in de huidige verhoudingen.
Het is te hopen dat het boek een groot publiek weet te vinden.
De kosten kunnen geen drempel zijn, ‘Koninkrijk op eieren’ is als e-boek gratis te downloaden via: www.koninkrijk.nu.

Dat je bij lezing zo nu en dan struikelt over de cliché’s van de politici, is misschien onaangenaam. Maar als je wilt dat je kippen eieren leggen, moet je het kakelen verdragen.

 

Bookmark and Share

Don Quichot, Reve en Zwagerman: literaire naamwoorden


Ilias, prozavertaling door Jan Hendrik Glazemaker, Amsterdam 1658

Heet homerisch lachen naar Homerus? (Ja, in zijn Ilias beschrijft hij hoe de hinkende Hephaestus ‘een onuitblusbaar gelach onder de goden’ deed opstijgen. We hebben trouwens ook een homerische strijd en de homerische vergelijking.)
Is een platonische liefde vernoemd naar Plato? (Ja, in zijn dialoog Symposion bespreekt hij de dialectiek der liefde, d.w.z. hoe het verlangen (eros) het lichamelijke overstijgt en zich uiteindelijk richt op de absolute schoonheid. Onze taal kent ook nog de platonische maaltijd, waarbij meer geredeneerd dan gegeten wordt.)
Danken we het sadisme aan markies de Sade? (Ja, Donatien Alphonse François Marquis de Sade (1740-1814) beschreef in verscheidene van zijn boeken varianten van de liefde die er niet om logen. Het masochisme komt van de Oostenrijkse schrijver en journalist Leopold Ritter von Sacher-Masoch (1836-1895), die, met name in Venis im Pelz (1870), schreef over de tegengestelde aandrang.)

De literatuur heeft de nodige bijvoeglijke en – in mindere mate – zelfstandige naamwoorden gegenereerd. In een paar gevallen zijn die voortgekomen uit de naam van een personage. Zoals datisme, een overbodige opeenstapeling van synoniemen. Het Eponiemenwoordenboek (Amsterdam, 1990) van Ewout Sanders vermeldt: `Datisme dankt zijn bestaan aan de Atheense blijspeldichter Aristophanes. In 421 voor Chr. liet deze in De Vrede een zekere Trygaeus zeggen: Welnu, dit is het! Hier komt het ouwe deuntje van Datis dat hij zong als hij zich aftrok tijdens het middaguur: “Ik ben verrukt, ik ben verheugen, ik ben in de wolken.”’

Een verhaal apart is dat van Pierre Abélard, ook bekend als Petrus Abaelardus, en Héloïse. Abélard (1079-1142) was een monnik en docent, Héloïse (1101-1164) was zijn ruim 20 jaar jongere pupil. Het leeftijdsverschil en de celibataire plicht weerhielden het stel niet van een gepassioneerde relatie, waaruit een zoon voortkwam, Astrolabus. Ze trouwden in het geheim maar moesten gescheiden verder leven. Ze werden beroemd door hun heftige correspondentie en werden pas in 1817 verenigd op de Parijse begraafplaats Père-Lachaise.
Fulbertus, Abélards superieur en Héloïses oom, bleek echter dermate verstoord over hun liefde, dat hij een paar boeven engageerde om de arme Pierre te straffen: zij castreerden hem.

Edmund Blair Leighton – Abelard and Heloise. 1882

Hij zal niet vermoed hebben, dat dat ooit nog een plaats in een Nederlands woordenboek zou opleveren. In de Woordenschat van Taco de Beer en E. Laurillard uit 1899, wordt het werkwoord abelardiseeren [sic] als volgt gedefinieerd: ‘ontmannen, van Abélard, een beroemd geleerde der 12de eeuw, († 1142) op wien de krankzinnige Fulbert, vader [sic] van Heloise, deze bewerking met geweld deed toepassen’. In de latere drukken van onze belangrijkste woordenboeken komt abelardiseren niet meer voor.

Het verhaal van Abélard en Héloïse werd het onderwerp van talloze kunstwerken, van romans en opera’s tot schilderijen en gedichten. De rebelse Franse dichter François Villon (1431-1463), bijvoorbeeld, verwijst ernaar in een van zijn ballades, de Ballade des dames du temps jadis. Het tweede couplet daarvan begint met

Où est la très sage Helloïs,
Pour qui fut châtré et puis moine
Pierre Esbaillart à Saint-Denis ?
Pour son amour eut cette essoine.

door Ernst van Altena in de Ballade van de dames uit vroeger tijden vertaald als

Heloise, ach waar is zij,
die zo schoon was en veel verstand had?
Abelard trok de monnikspij
voor haar aan, toen men hem ontmand had.

In de Nederlandstalige literatuur wijdden Hendrik Tollens en Jan van Nijlen elk een gedicht aan het ongelukkige paar, de eerste met ‘Heloïze aan Abelard’ in Gedichten, derde deel (1815), de tweede met ‘Héloïse en Abélard’ in de bundel De vogel Phoenix uit 1928, niet te verwarren met de gelijknamige bundel van M. Vasalis.

Read more

Bookmark and Share

Dit staat er: openings– en slotzinnen


Klassieke regels uit de literatuur zijn vaak openingszinnen. Daardoor hebben ze al gauw de eigenschap dat ze zich makkelijk in het geheugen van de lezende gemeente vastzetten. Maar er zitten nog meer opmerkelijke kanten aan. Zo lijkt het bepaalde auteurs gegeven haast elk boek te beginnen met een zin die klassiek wordt, en andere niet of nauwelijks. De meest geciteerde beginzin uit de Nederlandse letteren – ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter’, uit De Uitvreter (1911) – heeft als nummer één eigenlijk alleen concurrentie van een andere openingszin van Nescio, ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ‘t zelf.’, uit Titaantjes (1915). Een uitgave ter gelegenheid van de 75 ste Boekenweek, waarin ‘75 auteurs een brief aan hun jonge ik’ schrijven, heet Titaantjes waren we (2010).
Van enkele van onze meest succesvolle of op z’n minst productieve schrijvers laat slechts één zin zich op commando reproduceren; uit W.F. Hermans’ oeuvre waarschijnlijk alleen die van Nooit meer slapen (1966) – ‘De portier is een invalide’ – en van Gerard Reve alleen het begin van De Avonden (1947):

Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.

En van andere, neem Vestdijk, Claus, Brakman, Wolkers, niet één.
Maar af en toe krijgt niet de beginzin maar een regel uit het midden of het slot van een tekst eeuwigheidswaarde, soms zelfs de titel van een boek. Een voorbeeld uit het vorige millennium: Andrej Amalrik, destijds dissident in de communistische Sovjet-Unie, refereerde in de titel van zijn boek Haalt de Sovjet-Unie 1984? (1975) aan die van een ander boek, George Orwells Nineteen eighty-four (1949).
Amalriks vraag is sindsdien niet meer uit ons taalgebruik weg te denken; als er een cliché gewenst was, greep men naar dat boek: ‘Haalt Reagan 1984?’ of ‘Haalt Italië 1984?’ In ‘Spektator, tijdschrift voor neerlandistiek’ (februari 1980) noemt Rien T. Segers zijn ‘beschouwing over enkele mogelijke consequenties van een lezersgerichte literatuurbenadering’ zelfs ‘Haalt de receptie-esthetica 1984?’
Er is ongetwijfeld het nodige gevarieerd op ‘Domweg gelukkig, in de Dapperstraat’ en ‘Tussen droom en daad staan wetten in de weg’. Oktober 2015, bijvoorbeeld, was de Maand van de Geschiedenis. Het thema was Tussen Droom & Daad, het daarbij horende essay, geschreven door de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb, heette Droom en daad.
Maar het Nederlandse voorbeeld bij uitstek is een dichtregel van Martinus Nijhoff. Hij staat ergens midden in het gedicht Awater uit de bundel Nieuwe Gedichten (1934):’Lees maar, er staat niet wat er staat’. Dat die regel een eigen leven is gaan leiden, is niet in de laatste plaats te danken aan het feit dat hij ook de titel werd van een, door Nijhoff zelf samengestelde, bloemlezing.
Het betreffende fragment uit Awater (de naam van de hoofdfiguur, die op een kantoor werkt) luidt:

De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
“O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen
waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,
en niet meer ga ik op mijn vrije dagen
met een paar bloemen naar het hospitaal,
maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan…”
Dit staat er, en Awater’s strak gelaat
geeft roerloos zijn ontroering te verstaan.

Read more

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives