B. Traven – Brief aan de Spaanse arbeiders


Rozenberg Quarterly publiceerde onlangs een biografische schets van de Duitse revolutionair Ret Marut, later bekend geworden als de mysterieuze auteur B. Traven. Traven was vooral bekend als auteur van een serie romans over een indianenopstand in Mexico. Incidenteel liet hij zich echter ook uit over actuele politieke kwesties, zoals de Spaanse Burgeroorlog. In 1938 schreef hij een nauwelijks bekend geworden brief aan de arbeidersbevolking in Spanje ter ondersteuning van hun strijd.

In 1926 verscheen de roman Das Totenschiff van B. Traven bij de Berlijnse uitgeverij Büchergilde Gutenberg. Niet lang daarna ontving het Duitse anarchistische tijdschrift Der Syndikalist een brief van B. Traven uit Mexico, waarin deze vroeg of de redactie hem een uitgever in Zweden kon aanraden. De Duitse anarchist Augustin Souchy (1892-1984) was in de jaren twintig redacteur van Der Syndikalist en had tijdens de Eerste Wereldoorlog enige tijd in Zweden doorgebracht. Hij gaf Traven het advies contact op te nemen met de uitgever die in die jaren een aantal publicaties van Souchy had uitgegeven. Tussen deze uitgever Holmström en Traven ontstond vervolgens – per brief – een vriendschappelijke band. Holmström gaf het werk van Traven in het Zweeds uit, blijkbaar zo tot tevredenheid van Traven dat deze de uitgever zelfs uitnodigde hem in Mexico te komen opzoeken. Helaas heeft Holmström aan de uitnodiging nooit gehoor gegeven.

Sociale revolutie
Ruim twaalf jaar later, tijdens de Spaanse Burgeroorlog, vervulde Augustin Souchy een belangrijke functie bij de informatiedienst van de Spaanse anarchistische vakbond CNT, de Confederación Nacional del Trabajo. Souchy behoorde tot een grote groep Duitse intellectuelen en arbeiders die na de fascistische machtsovername in Duitsland het land hadden verlaten en bij het uitbreken van de sociale revolutie in Catalonië naar Spanje waren gereisd.
In een artikel over Traven schrijft Souchy dat hij tijdens de Spaanse Burgeroorlog Traven een brief schreef in verband met Spaanse vertalingen van de romans van Traven en met de vraag of Traven een bijdrage wilde leveren voor het tijdschrift Timón, het theoretisch anarchistische orgaan van de CNT. [1] Ook Pedro Herrera, redacteur van Timón en goede kameraad van Souchy, stuurde een brief aan Traven, maar dan met een uitnodiging naar Spanje te komen.
Een uitnodiging die ongetwijfeld was ingegeven door de populariteit van Travens werk in Spanje en onder degenen die aan de republikeinse zijde tegen Franco vochten. Waarschijnlijk verwachtte men dat de aanwezigheid van Traven in Spanje de strijdende arbeiders een morele steun in de rug zou kunnen geven.

De antwoordbrief van Traven verscheen op 28 mei 1938 in Solidaridad Obrera, het dagblad van de CNT en is gericht aan Herrera, niet aan Souchy. Traven schrijft dat de brief van Herrera de eerste is die hem vanuit Spanje bereikt. Mogelijk haalt Souchy dus in zijn herinneringen aan Traven enige feiten door elkaar. Herrera schreef zijn brief namens de SIA, de Solidarité Internationale Antifasciste. Deze organisatie werd in 1937 opgericht door Spaanse anarchisten om hulp en steun te kunnen bieden aan vrouwen en kinderen die getroffen waren door het oorlogsgeweld. Bovendien hoopte men door middel van de SIA internationaal steun te kunnen verwerven voor de sociale revolutie.

Spanish Earth
Heel waarschijnlijk is dat de uitnodiging van Herrera aan Traven ook is ingegeven door de aanwezigheid in Spanje van gerenommeerde buitenlandse schrijvers die van de oorlog verslag deden en de republikeinse zijde steunden, zoals Ernest Hemingway, John Dos Passos en André Malraux. Bovendien deden veel buitenlandse journalisten vanuit het republikeinse Spanje verslag van de oorlog. Sommigen steunden openlijk de republiek. Hemingway en Dos Passos werkten ook mee aan de documentaire Spanish Earth van de Nederlandse filmmaker Joris Ivens, evenals Orson Welles en de Franse regisseur Jean Renoir. Dankzij de bemiddeling van journaliste Martha Gellhorn, konden Hemingway en Dos Passos de film in het Witte Huis vertonen aan President Roosevelt. Eerder had Roosevelt besloten de republiek niet met wapens te steunen. De vertoning bracht de president echter niet op andere gedachten.

Actualiteit
De brief van Traven is een uniek en opmerkelijk document omdat het een van de weinige keren is dat hij zich heeft uitgelaten over een actuele politieke situatie. In zijn romans zijn soms verwijzingen te vinden naar de actuele situatie in de jaren dertig in Duitsland, en naar de arbeidsomstandigheden van arbeiders in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Maar meestal is zijn kritiek – met een cynische ondertoon – dan nogal algemeen en niet toegespitst op de actuele gebeurtenissen.
De brief is ook opmerkelijk omdat Traven als auteur niet naar buiten wilde treden. Zijn identiteit is jarenlang een mysterie is gebleven en doelwit van vele speculaties. [2] Sommige Travenvorsers zien in zijn ‘Caobacyclus’ – zijn zes romans over een indianenrevolutie in Mexico – zelfs een metafoor voor de situatie in nazi-Duitsland. Uit de brief blijkt duidelijk dat de sympathie van Traven bij de Spaanse revolutionairen ligt. Hij staat ondubbelzinnig achter de strijd tegen het fascisme. Het liefst zou hij de revolutionaire arbeiders willen bijstaan, vergelijkbaar met de wijze waarop de paus steun geeft aan ‘Pancho uit Salamanca’ (Franco).

Populariteit
De brief verscheen in Nederlandse vertaling in De Syndicalist van 9 juli 1938. De Syndicalist was het weekblad van het NSV, het Nederlands Syndicalistisch Vakverbond. Redacteur was Albert de Jong (1891-1970). Wie de vertaling van de brief maakte, is niet bekend. Over de brief van B. Traven is in de Nederlandse literatuur over Traven nooit aandacht besteed.

In De Syndicalist werd gedurende de jaren van de Spaanse Burgeroorlog uitvoerig verslag gedaan over de strijd en de revolutionaire ontwikkelingen in Catalonië.
Behalve veel nieuwsberichten, bevatte de krant ook periodieke analyses van Albert de Jong over de situatie aldaar. Augustin Souchy en Rudolf Rocker leverden beschouwingen vanuit anarchistisch perspectief en veelvuldig werden oproepen gedaan voor inzameling van kleding en voedsel voor de bevolking in Spanje.

De publicatie van de brief door De Syndicalist, bevestigt de populariteit van de romans van Traven in die jaren, niet alleen onder leden van het NSV, maar in bredere zin bij de Nederlandse arbeidersbevolking. Uitgegeven door De Arbeiderspers en verspreid via een netwerk van Arbeiderspers-boekwinkels en wederverkopers, vonden de boeken hun weg naar veelal SDAP-leden in het land, maar ook naar arbeiders van andere politieke richtingen. De anarchistische uitgeverij De Roode Bibliotheek van uitgever Gerhard Rijnders – ook uitgever van het tijdschrift De Vrije Socialist – publiceerde twee titels van Traven, helaas stevig bewerkt en ingekort.

Voornaam
Niet alleen de brief in De Syndicalist, maar ook enkele in het Nederlands gepubliceerde romans van Traven, verschenen onder de naam Ben Traven. Dat de B voor Ben zou staan is niet van Traven zelf afkomstig. Mogelijk vond de uitgever dat een schrijver een voornaam diende te hebben en werd van de B Ben gemaakt. Helaas is de voornaam daarna een eigen leven gaan leiden. Traven heeft altijd ontkend dat de B voor Ben, Benno of Bruno zou staan.

 

 

 

 

 

 

 

Brief
De brief wordt hieronder gepubliceerd in de oorspronkelijke Nederlandse – niet altijd soepel lopende – vertaling, in het toenmalige taalgebruik. De spelling is aangepast aan de huidige schrijfwijze en enkele zetfouten zijn gecorrigeerd.

Waarde kameraad Herrera, ik groet u.

Ik groet u en alle arbeiders, arbeidersvrouwen, boeren en republikeinse soldaten die zo heldhaftig in Spanje tegen het fascistisch beest vechten. Ik groet de grote mannen en vrouwen die Spanje in de perioden van strijd heeft voortgebracht en de Naamlozen, de onbekende soldaten, die met hun leven een nieuwe menselijke historie schrijven. Uw brief, kameraad Herrera, is de eerste die uit uw land in mijn handen is gekomen. Uwe uitnodiging, naar Spanje te komen, voor welke ik alle kameraden van de SIA dankbaar ben, is het grootste eerbetoon, wat mij tot heden ten deel gevallen is. Jammer echter, dat het mij niet mogelijk is, aan die eervolle invitatie te voldoen, om redenen, die u onbekend moeten zijn geweest, toen u mij dit aanbod deed. Mijn bekendheid met de Duitse taal is nog veel minder dan die van de Spaanse, die niet groot is, zoals u trouwens uit dit schrijven wel ontdekt zult hebben. Ik heb overvloedig in Duitse tijdschriften doen bekend maken, dat ik in afstamming, in ras, noch in den bloede, Duitser ben. Een enkele keer ben ik in Duitsland geweest, en dat nog voor de wereldoorlog. Zodat ik het land en de taal te weinig ken om literair werk van Duitsers te kunnen beoordelen. Ik ben geboren in Noord-Amerika en mijn moedertaal is Engels. Wat het beoordelen van Engelse literatuur betreft, zijn er in Engeland mannen genoeg die grotere bekendheid en talent bezitten dan ik. Ongerekend nog de bezwaren, die liggen in de afstand, die mij van de Spaanse kameraden scheidt, die elke vlotte samenwerking tussen ons in de weg staan. Niettemin ben ik u, vrienden ten zeerste dankbaar voor uw uitnodiging. Als iemand mij, onder de schoonste voorwaarden en met volledige garantie voor mijn veiligheid en daarboven nog een geldelijk voordeel, verzocht naar Duitsland te komen, ik zou dat weigeren, daar kunt u zeker van zijn. Zo gering is mijn lust, dit land te zien onder de druk der slavernij, zoals het zich nu bevindt. Hetzelfde oordeel heb ik over het Italiaanse imperium, dat dagelijks meer vordert. Deed echter de Spaanse regering mij een dergelijk voorstel, ik zou het zeer gaarne accepteren, want groot is mijn verlangen Spanje te bezoeken tijdens zijn glorieuze strijd.

Doch neen kameraden, ik zou toch niet gaan. Ik kocht voor het geld, kleding, gecondenseerde melk, koffie en tabak en zond dat, in plaats van mijn persoon. Want net zo groot als mijn lust u te bezoeken, is de zekerheid, dat gij deze artikelen nodig hebt, om stelliger de strijd te winnen, terwijl mijn aanwezigheid nog helpen zal de kamp te winnen, noch nodig is u van goede raad te voorzien. Gij weet zelf zeer goed, wat gij nodig hebt en wat gij wilt. Een schrijver is niet van node, u te vertellen, hoe gij uw positie kunt verbeteren, ook staat hij met hart en ziel aan de zijde van het voor rechtvaardigheid strijdende proletariaat. Er zijn er reeds veel te veel geweest die u goede raad gaven. Als men u, in plaats van de miljoenen woorden, die men toezendt,voor elk miljoen een driemotorig vliegtuig stuurde en voor elke honderd een mitrailleur plus munitie, dan had gij reeds meer dan een jaar geleden de vrede bevochten en de vrijheid verzekerd. Kameraden, ieder overbodig woord is voor u een verloren patroon.

Ik wens zeer u te helpen. Ofschoon mijn boeken in zeventien talen worden gedrukt, ben ik nu nog zonder tehuis en zonder middelen. Ik spreek slechts van mijn huidige armoede, omdat ik het betreur u niet te kunnen bijstaan zoals de paus de onverzadigbare Pancho in Salamanca.
Toch ik bezit iets. En dat stel ik met het grootste genoegen tot uw beschikking. Ik heb een bibliotheek, ze is niet groot noch luxueus. Wat moet ik daarmee, als de Spaanse kameraden haar misschien nodig hebben. Een deel ervan bestaat uit Engelse en Spaanse tijdschriften. Als alles wat ik aan boeken en tijdschriften bezit, u nodig schijnt, geeft mij het adres, de verzending is voor mijn rekening. Alles is nuttig voor onderricht in scholen, kazernes, loopgraven en ziekenhuizen. Wat ik bezit, is voor u. Ik zeg niet, dat ik van ganser harte uw zegepraal wens, omdat ik weet, dat de arbeiders uit de industrie en van het land, en de milicianos de volledige overwinning zullen behalen, al zouden Duitsland en Italië nog 50.000 van hun arme slaven zenden opdat zij als ziek vee de dood ingaan, om de miljoenen aan marken en lires terug te ontvangen, die beide landen in Spanje reeds verspild hebben. Ik denk dat gij vóór december de strijd gewonnen zult hebben. Ben ik te optimistisch? Geen nood, dure hij, zolang hij duurt, de overwinning zal aan u zijn, kameraden. Doch meer dan met de wapenen, zult gij winnen door uw gezonde en vooruitstrevende ideeën: De republiek van 1931 was er één op papier, ja van papier, en daarom niet levensvatbaar. De samenleving, die gij zult stichten, wordt echter gegrondvest door het vergoten arbeidersbloed, het onuitsprekelijke leed, de bovenmenselijke offers en een heldenmoed, die in de historie zijn weerga niet vindt. Daarom zal de republiek sterk zijn, zo sterk,dat zij nimmer door de vijanden der beschaving, vooruitgang en humaniteit meer zal worden aangevallen.

Spaanse kameraden. Ik heb gesproken en ik dank u voor uw attentie. Salud.
Ben Traven

Noten:
1. Johannes Beck, Klaus Bergmann, Heiner Boehncke (Hrgs), Das B. Traven Buch. Rowolt, Hamburg 1976.
2. Zie Martin Smit – Utopie in de jungle: http://rozenbergquarterly.com/utopie-in-de-jungle-zoektocht-naar-de-geheimzinnige-b-traven/

Joris Ivens – Spanish Earth

This documentary film uses footage of war and glimpses of rural Spanish life in its portrayal of the struggle of the Spanish Republican government against a rebellion by right-wing forces led by General Francisco Franco and backed by Nazi Germany and fascist Italy. The film was written by Ernest Hemingway and John Dos Passos (among others) and was narrated by Hemingway.

Bookmark and Share

Leïla Slimani – De duivel zit in de details


Leïla Slimani. Ills.: Joseph Sassoon Semah

‘Literatuur is harder nodig dan ooit, omdat die een enorme ruimte aan vrijheid biedt waarin alles gezegd kan worden, waar je het kwaad kunt aanroeren, het gruwelijke kunt vertellen en kunt breken met de regels van moraal en fatsoen. Literatuur brengt complexiteit en ambivalentie terug in een wereld die dat verwerpt.’

In de recent verschenen, kleine essaybundel De duivel zit in de details spreekt de Marokkaans/Franse schrijver Leïla Slimani zich in zes verhalende essays uit tegen moslimterrorisme dat de wereld heeft veranderd.

In De Duivel zit in de details is de door iedereen gerespecteerde en geliefde hoogleraar Amine Moussa de hoofdpersoon. Hij is bang en somber geworden, en wordt getergd door angstaanvallen en slapeloosheid ten gevolge van de fundamentalistische islambeweging die steeds meer vat krijgt op de samenleving. Zo wordt er in de wijk een ‘brigade ter bevordering van deugd en voorkoming van ondeugd’ ingesteld en hebben moslimfundamentalisten een groep jongeren doodgeslagen omdat ze ’s avonds uitgingen en niet meededen aan het gebed, of omdat ze alcohol dronken. Tijdens de laatste dagen van de ramadan staat Moussa in de rij bij de bakkerij Nour om gevulde crêpes voor zijn vrouw te kopen. Een moslima beticht hem van roken tijdens de ramadan. Beledigingen volgen, er wordt geschermd met God. “Iemand trekt aan zijn jasje. Dan rent hij weg.”

In één van de essays, Een leger van pennen, beschrijft Leïla Slimani hoe zij, op verzoek, in het hoofd kroop van een van de jonge daders van de moordpartij bij Charlie Hebdo en een fictieve tekst probeert te schrijven. Het lukt haar niet iets op papier te krijgen, niet omdat ze te laf is, maar domweg dat ze zich niet kon overgeven aan zo’n exercitie een paar dagen na de aanslag op 7 januari 2015. Ook miste ze op dit moment, teveel aangeslagen, de onweerstaanbare, innerlijke drang het essay te schrijven.

Bijna een jaar later, op 14 november 2015, schrijft zij ‘Fundamentalisten, ik haat jullie’ en heeft ze genoeg afstand genomen om te kunnen reflecteren op het bloedbad in haar geboortestad Parijs, waarna ze eerst nauwelijks haar mening durfde te ventileren uit angst domme dingen te zeggen in ‘een wereld die al bezwijkt onder onwetendheid en haat.’ Maar wat Leïla Slimani wel weet is dat we moeten strijden voor onze vrijheid, strijden tegen de weerzinwekkende ideologie van deze moordenaars. ‘Tegen barbaren, terroristen en fundamentalisten uit welke hoek dan ook heb ik maar één ding te zeggen: Ik haat jullie.’ We moeten ons niet verschuilen achter een zogenaamd respect voor culturen, ze gaat over haar nek van hun sharia.

Leïla Slimani (1981) wordt door de fundamentalistische islam gezien als een ongelovige vrouw uit de Magreb die haar ziel heeft verkocht aan het Westen, en een misdaad heeft begaan door een roman te schrijven. Ondertussen is ze wel een van de meest spraakmakende auteurs van dit moment. Ze won de Prix Goncourt met Een zachte hand. Ze is geboren in Marokko en werd tweetalig opgevoed: Marokkaans en Frans. Ze studeerde in Frankrijk politicologie en handelswetenschappen.

Leïla Slimani – De duivel zit in de details. ISBN 9789046823231. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2021

Zie interview met Margot Dijkgraaf over haar boek haar boek ‘Mathilde’:

Crossing Border. On Tuesday the 16th of June, we welcomed bestselling author Leila Slimani (The Perfect Nanny, Adèle) for a free online BorderKitchen. She was interviewed by Margot Dijkgraaf about her new book, Mathilde. At the end of the interview, viewers had the opportunity to ask questions to the author and human rights activist.

About Mathilde: 1946. The young, French, Mathilde falls head over heels for Amine, a Moroccan officer of the French army. They get married and leave for a secluded family farm, hours from Rabat. How can their love, which is constantly being tested, stand the test of time? Mathilde is the first part of the ‘The Land of the Others’-trilogy. The story was based on her family history and entered the French bestseller charts at number one. Leila Slimani (Morocco, 1981) is the bestselling author of The Perfect Nanny, winner of the Prix Goncourt, and Adèle, for which she won the La Mamounia Prize. Thank you to Uitgeverij Nieuw Amsterdam.

Bookmark and Share

Utopie in de jungle. Zoektocht naar de geheimzinnige B. Traven


Beierse Radenrepubliek 1919

In 1922 ontving de Duitse dichter, toneelschrijver en anarchist Erich Mühsam een ansichtkaart uit Rotterdam. De tekst luidde: ‘In ein paar Stunden betrete ich ein Schiff das mich über den Ozean führt, und dann existiere ich nicht mehr’. Het is het laatste levensteken dat ooit vernomen is van de anarchistische auteur Ret Marut, met wie Mühsam had samengewerkt tijdens de kortstondige socialistische Beierse Radenrepubliek in 1919. Ret Marut was op dat moment op de vlucht voor de Duitse autoriteiten. De Beierse Radenepubliek was hardhandig neergeslagen door de sociaaldemocratische troepen van de republiek Weimar. Vanwege zijn rol tijdens de radenrepubliek werd Marut gezocht. Erich Mühsam werd voor zijn deelname aan de opstand later veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. De anarchist Gustav Landauer, die een vooraanstaande rol had gespeeld, werd vermoord. Vlak voordat Ret Marut wegens hoogverraad ter dood zou worden veroordeeld, had hij weten te ontsnappen. Contact met geestverwanten bleek voor hem nauwelijks meer mogelijk. Marut moet toen besloten hebben Europa te verlaten en elders een nieuw leven te beginnen. Zijn anarchistische opvattingen en revolutionaire elan zette hij echter allerminst opzij. Onder het pseudoniem B. Traven publiceerde hij tussen 1925 en 1960 dertien romans en ruim veertig korte verhalen, veelal gesitueerd in Mexico. Der Schatz in der Sierra Madre (1927) is zijn bekendste werk, in 1947 verfilmd door John Huston, met Humphrey Bogart in de hoofdrol.

Van de schrijver B. Traven waren lang geen biografische gegevens bekend. Tientallen jaren is er gespeculeerd over zijn ware identiteit en gezocht naar het geheim van B. Traven. Zelf hield hij ook het mysterieuze rond zijn persoon in stand, door steeds met nieuwe of gewijzigde verhalen over zijn afkomst te komen.
De meeste romans en verhalen van Traven spelen zich af ia Mexico en geven een idealistisch, utopisch beeld van de levenswijze van Mexicaanse indianen. De boeken van B. Traven zijn in tientallen talen vertaald en in miljoenen exemplaren verkocht. In de jaren dertig was hij vooral in Duitsland, maar ook in Nederland, een zeer populair schrijver. Een aantal van zijn romans – Het doodenschip, De witte roos, Regeering, De ossenkar, Mahoniehout en Modesta verschenen in de jaren dertig in Nederland bij De Arbeiderspers.
B. Traven overleed op 26 maart 1969 in Mexico Cíty. Zijn weduwe maakte dat een dag later bekend. Zij deelde mee dat na zijn dood bekend mocht worden gemaakt dat B. Traven de voormalige Duitse revolutionair Ret Marut was geweest. Geruchten daarover waren al eerder opgedoken. Maar veel vragen over leven en identiteit van Traven bleven onbeantwoord. B. Traven was inderdaad Ret Marut, een aantal onderzoekers had dat al aangetoond. Maar wie was Ret Marut?

Radenrepubliek
Ret Marut was aanvankelijk toneelspeler. In Duitse toneelgidsen van rond 1910 duikt zijn naam hier en daar op, meestal als acteur van bijrollen. Hij stopte met zijn weinig succesvolle toneelcarrière en ging schrijven. Onder het pseudoniem Richard Maurhut publiceerde hij in 1916 de novelle An das Fräulein von S…, waarvoor zijn vriendin Irene Mermet als uitgever fungeerde. Vanaf 1917 gaf hij in München het eenvoudig vormgegeven anarchistische tijdschriftje Der Ziegelbrenner uit. Het had het formaat en de kleur van een baksteen en was gemodelleerd naar het eenmanstijdschrift Die Fackel van Karl Kraus uit Wenen. Er verschenen veertig nummers – vaak meerdere nummers in een bundeltje – in totaal dertien uitgaven. De latere geheimzinnigheid en terughoudendheid van B. Traven, is in het colofon van Der Ziegelbrenner al te bespeuren. In bijna ieder nummer staat ‘Besuche wolle man unterlassen, er ist nie Jemand anzutreffen. Fernsprecher haben wir nicht.’

Marut was uitgever en samensteller van Der Ziegelbrenner en schreef de nummers vrijwel alleen vol. Mogelijk leverde ook zijn beste vriend, de kunstenaar Franz Seiwert enkele bijdragen. In zijn artikelen keerde Marut zich tegen militarisme, kerk en staat. Hij verdedigde de rechten van het individu en hoopte op een wereldrevolutie. In veel artikelen is de invloed te ontdekken van de individueel-anarchist Max Stirner (1806-1856) en diens boek Der Einzige und sein Eigentum. Volgens Stirner moest de mens zich bevrijden van iedere dwang, van staat, van God en de gemeenschap. Wanneer ieder individu voor zichzelf strijdt, komt iedereen tot maximale ontplooiing. Er kon niets boven het individu staan, ook niet het gemeenschappelijke van een communistische samenleving, want ook dan zou het individu immers ondergeschikt zijn, zo stelde Stirner.
Ook literatuur en poëzie kregen aandacht in Der Ziegelbrenner. Het voorlaatste nummer werd geheel gevuld met het door Marut geschreven sprookje Khundar, wat de neergang beschrijft van de oude vooroorlogse Europese normen en waarden.

Tijdens de Beierse Radenrepubliek bood de Revolutionäre Zentralrat Marut de positie van hoofd van de pers aan, maar hij sloeg dit af. In plaats daarvan kreeg hij de leiding van de censuur op kapitalistische dagbladen. Hij schreef een Socialisierungsplan für die Presse, een ontwerp voor de onteigening van de burgerlijke pers. Net als de door hem bewonderde Karl Kraus had Marut een grondige afkeer van de burgerlijke pers en van journalisten. Wie revolutie wil, moet beginnen met de pers de nek om te draaien, zo herhaalt hij in Der Ziegelbrenner. Immers in handen van of gekneveld door het gevestigde gezag zijn kranten een machtig wapen ter beïnvloeding van de publieke opinie, en journalisten zijn handlangers daarvan.
In de tumultueuze chaos van het gewelddadige einde van de Beierse Radenrepubliek werd Marut gearresteerd en vastgehouden in een politiebureau. Vlak voordat hij door een ad-hoc rechtbank wegens hoogverraad ter dood veroordeeld zou worden, wist hij door onoplettendheid van bewakers op miraculeuze wijze te ontsnappen.

Read more

Bookmark and Share

Tweerelatie en samenheid: overbodige taal


Een taal groeit. Sommige ontwikkelingen roepen de vraag op of zij een teken des tijd zijn.
Veel werkwoorden, bijvoorbeeld, kennen nu een voorvoegsel dat zij nog niet zo lang geleden niet nodig hadden: inschatten, afconcluderen, nachecken, inhuren.
Als er meer taal nodig is om hetzelfde uit te drukken, is er sprake van taalinflatie. Wie bijvoorbeeld in plaats van “in het algemeen” de voorkeur geeft aan “in zijn algemeenheid” of liever spreekt van “problematiek” dan van “probleem”, gebruikt meer taal dan nodig is om hetzelfde of, in voorkomende gevallen min of meer hetzelfde, onder woorden te brengen, draagt bij aan die taal-ontwaarding.
Een vraag die daarmee samenhangt, is: mag je de groei van de taal kritisch volgen, in goede banen leiden of zelfs limiteren, of dien je elke nieuwvorming hartelijk te begroeten? Iedere docent Nederlands kent de discussies met zijn leerlingen over de aanvaardbaarheid van formuleringen als ‘nooit geen ruzie’, omdat ‘haast iedereen dat tegenwoordig zegt’. Elke bewuste taalgebruiker heeft waarschijnlijk wel een grens waarachter fout Nederlands begint.

Tweerelatie
Zo’n grens lag bijvoorbeeld in een artikeltje in een Nijmeegse woonkrant, dat handelde over de tweerelatie. Dat is volgens het krantje “een eigentijdse naam voor wat eeuwenlang ‘concubinaat’ heeft geheten (..) een alternatief voor mensen die de onherroepelijkheid van een huwelijk niet willen of niet aandurven, maar ook voor mensen die niet kùnnen trouwen.’
(Niet kùnnen trouwen? Kinderen, priesters, mensen die al getrouwd zijn, bejaarden met een eigen kapitaaltje?)

Met de tweerelatie is een limiet gepasseerd: het is een onwoord bij uitstek. Waaruit blijkt bijvoorbeeld, dat het om ongehuwde partners gaat en niet, om maar een greep te doen, om een zakelijke relatie. (Beminden die zich door een notaris de voor- en nadelen van het Leids model laten uitleggen, zullen toch al vaak het gevoel krijgen dat ze een B.V. aan het oprichten zijn in plaats van een samenlevingscontract te ondertekenen.) En waarom juist twéérelatie? Als iets een kenmerk van een huwelijk is, dan wel het feit dat het per definitie twee mensen betreft. Elke andere verbintenis staat open voor een willekeurig aantal deelnemers.
Tweerelatie is een inhoudsloos begrip, dat niet aanduidt wat het bedoelt aan te duiden; het is een modieus woord, dat probeert in te spelen op de behoefte zich te onderscheiden van “die burgerlijke, getrouwde stelletjes”, terwijl het sterk te betwijfelen is of die behoefte bestaat. Het is een ongewenste uitbreiding van onze taal.
Het richt overigens wel de aandacht op de vraag of we een adequate naam kennen voor zo’n relatie. Tot niet zo lang geleden konden we het af met het werkwoord hokken, een woord waar een ondertoon van afkeuring in meeklonk en dat dus onbruikbaarder werd naarmate ‘in zonde leven’ sociaal meer aanvaard werd. Mijn buurvrouw in de Amsterdamse Jordaan noemde het: “se hebbe samenlefing”. En ongehuwd samenwonen of samenleven, dat is nu juist de term die – blijkbaar – vervangen moet worden.

Analoog aan de BOM-vrouw kan de naam BOS-partners overwogen worden: Bewust Ongehuwd Samenwonenden. Voor wie zijn fantasie gebruikt, liggen de mogelijkheden voor het intikken: vrijers, ongedwongenen of – aanval is de beste verdediging – vennoten.
Letterlijk alles is beter dan de tweerelatie. Het achtervoegsel -schap biedt partners de mogelijkheid dat aspect van hun relatie te benadrukken dat hen het meest bindt: vrijschap, eetschap, reis-, studeer- of mediteerschap.

Sprookjes
Hoe komt trouwens een nieuw woord in onze taal? Er valt een vergelijking te maken met sprookjes, namelijk in het onderscheid tussen volkssprookjes en cultuursprookjes. Die eerste groep bestaat uit verhalen die in de cultuur van een gemeenschap, een dorp, een streek bestaan. Ze worden van generatie op generatie overgedragen, anoniem want ofwel de maker is onbekend ofwel er is in de loop van al dat doorvertellen zó veel veranderd dat er geen sprake is van één maker. Ze worden op dorpspleinen verteld door rondtrekkende sprooksprekers en zijn zelden schriftelijk vastgelegd, tot iemand zich over het ‘Gesunkenes Kulturgut’ ontfermt.
Zo komen we dankzij de verzameldrift van Charles Perrault (1628-1700) aan de Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye (1697), bij ons bekend als de Sprookjes van Moeder de Gans, en dankzij het speurwerk van Jacob en Wilhelm Grimm aan de Kinder- und Hausmärchen (1812-1822), de Sprookjes van de Gebroeders Grimm.

De in 1985 verschenen bundel Alle Sprookjes van de Lage Landen, verzameld door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar, bevat, blijkens de tekst op het omslag, “500 volksverhalen. Het gaat om sagen, legenden en sprookjes die in de Lage Landen eeuwenlang mondeling zijn overgeleverd en pas later opgeschreven.”
Daar tegenover staan de vertellingen die welbewust als sprookjes geschreven zijn en van wie dus de auteur bekend is. De beroemdste van hen is waarschijnlijk de Deen Hans Christiaan Andersen. In het Nederlands zijn er veel sprookjes van de hand van Godfried Bomans, maar ook Jan Wolkers en Freek de Jonge horen tot de eigentijdse sprooksprekers.

Samenheid
Zoals er volkssprookjes en cultuursprookjes bestaan, zo zijn er ook woorden die zich, zonder dat hun herkomst duidelijk aan te wijzen is, een plaats in het taalgebruik veroveren, en woorden die voor officieel gebruik gecreëerd zijn.
Voorbeelden van de eerste groep zijn drijfsijssie (voor eend) en docudrama (door acteurs nagespeeld maar waar gebeurd verhaal), tostieijzer (voor zonnebank) en punkette (jong punkmeisje). Zulke woorden zijn allicht ooit door iemand bedacht, althans voor het eerst gebruikt, maar hebben langzamerhand een groter publiek bereikt – bijvoorbeeld doordat Carmiggelt ze in een van zijn stukjes vermeldde – en daarmee hun bestaansrecht bewezen.
Niemand heeft doeg of doei – of, erger nog, doedoei – zitten bedenken, maar het is uit het huidige Nederlands niet meer weg te denken.

De tweede groep omvat woorden die welbewust – maar niet altijd even weldoordacht – door iemand zijn neergepend. De belangrijkste leveranciers daarvan zijn de commercie (kakelvers, woonwarenhuis, Eterie), wetenschappelijke publicaties (woonomgevingsgevoeligheid) en politieke en ambtelijke stukken.
Vlak vooral die laatste bron niet uit. Daar wordt veel taal gemaakt, maar zelden echt bruikbare. Het toenmalige ministerie van WVC, bijvoorbeeld, bracht eens een ‘Medelanders- nota’ uit (medelanders, voor alle duidelijkheid, zijn niet-Nederlanders die, mede met de wel-Nederlanders, in ons land wonen). De schepper van dat woord vond wellicht dat hij, zeker voor een ambtenaar, een hele vondst gedaan had, maar brede ingang heeft het nooit gevonden, ook niet toen Teleac de cursus Medelanders-Nederlanders ging uitzenden.
En vervolgens drong hetzelfde ministerie – en misschien wel dezelfde ambtenaar – een tweede term in deze context aan ons op: samenheid. De eerste zinnen van de bijbehorende folder luiden: ‘Het woord samenheid bestaat niet echt. Toch zal iedereen aanvoelen wat ermee bedoeld wordt.’ Dat is een onbewezen stelling, die overigens niet meer of minder gewaagd is dan mijn stelling dat het woord samenheid nooit een plaats zal vinden in ons dagelijks spraakgebruik. En daar helpen geen dure reclamecampagnes en televisiespots aan.
Dat is het lot van woorden waar niemand om gevraagd heeft.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

David van Reybrouck – Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld


David van Reybrouck. Ills. Joseph Sassoon Semah

In Nederland wordt een groot onderzoek gedaan naar het koloniale verleden*. Kolonialisme als oud zeer moet worden erkend, vindt ook David Van Reybrouck in zijn recent verschenen boek ‘Revolusi – Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld’ waar hij vijf jaar intensief aan werkte. Het boek beslaat drie eeuwen, met veel aandacht voor de periode van de onafhankelijkheidsstrijd en dekolonisatie (1920-50).

Indonesië, het op drie na grootse land van de wereld, was het eerste dat na de Tweede Wereldoorlog, zijn onafhankelijkheid uitriep. Twee dagen na de Japanse capitulatie in augustus 1945 barstte een strijd los die meer was dan een conflict met de kolonisator Nederland. Op 17 augustus 1945 riep Soekarno de Onafhankelijkheid uit. Het was wereldgeschiedenis, het begin van de wereldwijde dekolonisatie. Pas in 1949 liet Nederland na veel strijd Indonesië gaan. Indonesië werd een voorbeeld voor andere koloniën, die in snel tempo ook onafhankelijk werden.

Tien jaar later organiseerde Soekarno, de eerste president van het land, de Asia-Afrika-conferentie van Bandung, het eerste mondiale congres zonder het Westen. Het werd een waterscheiding in de internationale politiek. In 1965 werd Soekarno afgezet en vervangen door de Soeharto. En kwam een einde aan de vrijheid in Indonesië. “Eigenlijk zijn we nooit onafhankelijk geworden’, concludeert Van Reybrouck.

In Revolusi verwerpt David Van Reybrouck het bekende nationale perspectief van de Indonesische vrijheidsstrijd. Bij de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd waren meer partijen dan Nederland en Indonesië betrokken: Japan speelde een belangrijke rol met de bezetting van Indonesië, Groot-Brittannië, dat troepen stuurde, en de Verenigde Staten.

Naast het verrichten van research in archieven, interviewde hij vele plaatselijke jongeren waarmee de revolutie begon (inmiddels 90-plussers) die de grondslag legden voor een nieuwe wereld, de allerlaatste getuigen, die hij vond in Indonesische rusthuizen, op het platteland en op verafgelegen eilanden. Om de internationale dimensie te begrijpen, trok hij tevens naar Japanse miljoensteden, Nepalese bergdorpjes en Nederlandse buitenwijken.

De grote politieke ontwikkelingen verweeft Van Reybrouck met de vaak heftige herinneringen van hen die erbij waren. Zoals bij de in Nederland als Bersiap-periode bekende tijd, toen de Nederlandse troepen in 1945 terugkeerden en een golf van geweld begon. In Indonesië hoorde het geweld bij de omwenteling van de orde.
Hij laat honderden stemmen horen, die eerder niet werden gehoord.
Zo ontmoette hij Djajeng Pratomo, die in een rusthuis in Callantsoog zijn laatste jaren doorbrengt. Hij werd geboren in 1914, het jaar dat het koloniale rijk werd voltooid en als Indonesiër betrokken bij het verzet tegen nazi-Duitsland.
Een ander geïnterviewde geeft inzicht in het leven in ballingschap in Boven-Digul, Nieuw-Guinea, ver weg van Java en Sumatra.  Deze onafhankelijkheidsstrijders werden onder vernederende omstandigheden geïnterneerd. ‘Nederland faciliteerde een soort Goelag voor ongewensten’, aldus Van Reybrouck.
Anderen getuigen over de verschrikkelijke honger en van Aziaten die in opdracht van Nederland met andere Aziaten moesten vechten. De oude mensen herinneren zich deze trauma’s nog steeds, hebben scherpe herinneringen aan deze periode.
In deze tastbare herinneringen schuilt zijn geschiedenis.

Het gaat over gewone mensen – in plaats van West-Europese mannen van een bepaalde leeftijd – die getuigen, en dat biedt een veelheid aan perspectieven en verhalen. Onderdrukkers en onderdrukten, Indonesische oud-strijders, bejaarde Gurkha’s, tot troostmeisjes.
Van Reybrouck schrijft de orale geschiedenissen op, zonder verwijten en dat maakt het des te indringender. Als er iemand verantwoordelijk is dan zijn dat de Nederlandse politieke leiders.

David Van Reybrouck hoopt dat het boek wordt gelezen, want licht werpen op de geschiedenis in de hoop dat ze erkend wordt, de pijn herkend wordt, kan een weg zijn naar genezing. En door deze pijn te herkennen biedt het boek hoop de hedendaagse problemen zoals het geweld dat we de planeet aan doen, op te lossen. Het boek functioneert als ‘achteruitkijkspiegel’.

Van Reybrouck:
‘Mijmeren tijdens het kabbelen: zelfs als we met het kolonialisme uit het verleden ooit helemaal in het reine zijn gekomen, hebben we nog steeds niets gedaan aan de dramatische manier waarop we nu de toekomst koloniseren. De mensheid neemt de komende eeuw in met dezelfde meedogenloosheid waarmee in vroeger tijden werelddelen werden toegeëigend. Kolonialisme is niet langer iets territoriaals maar temporeels; het ergste ligt misschien niet achter ons, maar vóór ons. Wij gedragen ons als de kolonisatoren van de toekomstige generaties, wij ontnemen hun hun vrijheid, hun gezondheid, misschien zelfs hun leven.’

Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld. De Bezige Bij, Amsterdam, 2020. ISBN 9789403183404

David van Reybrouck (1971) is cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver. Zijn grootse succes was Congo. Een geschiedenis. In zijn essays Pleidooi voor populisme (2008) en Tegen verkiezingen (2013) pleit Van Reybrouck voor nieuwe vormen van democratie.

* zie: https://www.ind45-50.org)

Zie ook: http://rozenbergquarterly.com/david-van-reybrouck-zink-2016-met-mohamed-el-bachiri-en-een-jihad-van-liefde-2017/

Bookmark and Share

Boerenbruiloftghurt en schabouwelijk: neologismen en vergeetwoorden


Taal leeft. Dat wil zeggen dat er woorden verdwijnen, dat er nieuwe woorden bij komen of bestaande woorden een tweede of andere betekenis krijgen. Dat woorden verdwijnen is wel erg neutraal gezegd. Dat nieuwe woorden of betekenissen ontstaan, wordt meestal goed geboekstaafd, bijvoorbeeld in taalrubrieken in dag-, week- of maandbladen, in boeken die een overzicht van nieuw aangetroffen woorden bieden of in verkiezingen van het woord van het jaar. En in elke nieuwe druk van de serieuze woordenboeken staan honderden neologismen ofwel nieuwvormingen.

Zulke overzichten zijn er niet van woorden die niet of nauwelijks meer gebruikt worden, woordenboeken schrappen gewoon wat niet meer in de gratie is, het valt niet op dat je een bepaald woord al een paar jaar niet meer gehoord hebt. Woorden verdwijnen niet, ze sterven af.

Dat wordt duidelijk zichtbaar als er toch eens een poging tot overzicht gedaan wordt, zoals in 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Utrecht/Antwerpen, 2015). Daarin staan honderden woorden die aangedragen zijn door luisteraars van het radioprogramma de Taalstaat, die een bedreigd of inmiddels uitgestorven woord opperden en aldus het “Gezelschap Van Geadopteerde Vergeetwoorden” vormden.
Woorden als stoop (oude maat voor vloeistoffen), geverseerd (bedreven, ingewijd in), mitsgaders (alsook, benevens) en peeuwen (klagen, jeremiëren). Of winterkeuken (gerechten die ’s winters gegeten worden), schabouwelijk (zeer bedenkelijk, heel slecht), druistig (wild, onbesuisd), kwispedoor (spuwbak) en kalefakker (praatjesmaker).
De schrijfster Nelleke Noordervliet, die de selectie deed, stelt in haar Inleiding: “Dat woorden in onbruik raken is niet verwonderlijk, maar met hun verdwijnen nemen ze een heel klein stukje geschiedenis met zich mee.” En: “Nee, we kunnen niet alles redden. Maar we kunnen wel onze taal in al haar rijkdom gebruiken.”

Corona
Neologismen ontstaan vaak in een cluster, een woordfamilie, een qua thema of vakgebied samenhangend geheel. Voor de hand liggende voorbeelden zijn popmuziek – rap, ska, grunge, ambient, noise – en de digitale revolutie, de wereld van printen en appen, van vlog en sexten.
Een actueel voorbeeld van zo’n cluster biedt de coronapandemie. Die heeft inmiddels al zo veel nieuwvormingen doen ontstaan, dat Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, er een heus boek mee kon vullen: De taal van het nieuwe normaal. Corona in 1000 en enige woorden (Varik, 2020). Uiteraard komen daarin de termen ter sprake die sinds enige tijd tot ons dagelijks spraakgebruik horen, van af- en opschalen tot lockdown, van virusdreiging en vaccinatiewedloop.
Maar het bevat ook pareltjes, met soms wel een beetje erg ruime toelichting: “doornroosjedeal: afspraak waarbij een levensvatbare onderneming die door bijzondere omstandigheden, zoals corona, financieel in moeilijkheden verkeert tijdelijk uitstel van betaling van de schuldeisers krijgt om niet failliet te hoeven gaan, zodat de onderneming bij een normalisering van de omstandigheden door kan; genoemd naar het sprookje Doornroosje van de gebroeders Grimm, dat gaat over een prinses die door een betovering honderd jaar in slaap ligt in een door doornstruiken omgeven kasteel, totdat een prins haar komt wakker kussen.”, “huidhonger: behoefte aan fysieke aanraking, m.n. bij mensen die langdurig alleen moeten zijn, bv. wanneer ze in hun eentje in quarantaine of zelfisolatie zitten”, “niesdab: niesreflex waarbij iemand zijn neus naar zijn elleboogholte van zijn ene arm brengt en daarin niest, terwijl hij zijn andere arm zijdelings omhoogsteekt, zo genoemd naar de dansmove dab” en “hoestschaamte: schaamte die iemand ervaart als hij hoest in het gezelschap van anderen die weleens zouden kunnen denken dat hij een ziekte heeft waardoor hij anderen zou kunnen besmetten”. Het is niet gewaagd te stellen, dat de meeste van deze woorden en uitdrukkingen zeer tijdgebonden zijn en een volgende druk van de Dikke Van Dale niet zullen halen.
Den Boon ziet trouwens een parallel tussen de opmars van het virus en de groei die hij verwacht voor de pandemieneologismen: ”Lexicografisch gezien is dit niet meer dan een eerste inventarisatie van de coronawoordenschat, waarvan de omvang zich de komende jaren ongetwijfeld verdubbelt of verdrie- of verviervoudigt.”
Hij schreef overigens ook, samen met Julius ten Berge, het Verdwijnwoordenboek. Woorden die wegvielen uit onze woordenschat (’s-Hertogenbosch, 2008).

Scrummen
Waar vergeetwoorden bij gebrek aan gebruik langzaamaan uit beeld verdwijnen, is van nieuwvormingen meestal wel duidelijk waar en wanneer zij het licht zagen. Als Geert Wilders in de Tweede Kamer de hoofddoekjes van moslima’s “kopvodden” noemt, mag u rustig aannemen, dat daar brainstormsessies aan voorafgegaan zijn om tot een term te komen die tegelijk zo kwetsend mogelijk is en makkelijk in het spraakgebruik blijft hangen.
Dus als uw vaatwastabletten “zijdeglansparels” blijken te bevatten of in uw half volkoren zit “broodverbetermiddel“, stel u daarbij dan gerust een sessie voor waarin duur betaalde en daarom in strak pak gestoken en in door de zaak geleasde Maserati’s rond rijdende copywriters in lange vergaderingen en via speelse associatie-rondes tot die briljante vondsten komen. Japke-d. Bouma kent die sessies uit eigen ervaring en geeft in Ga lekker zèlf in je kracht staan. De ergste clichés op kantoor (Amsterdam, 2019) een vermakelijke blik in zo’n brainstormzitting, al heet dat tegenwoordig in die praktijk “scrummen”:
“Scrummen is een hele toestand met regels, rollen en pokerkaarten (..). Dat lijkt allemaal niet zo revolutionair, maar het grote voordeel van scrummen is dat er voor al die dingen die we al miljarden jaren hetzelfde deden nu allemaal chille Engelse woorden zijn verzonnen.
Zo heet een manager een ‘scrum master’, heet het begin een ‘kick off’, werk je niet, maar hou je korte ‘sprints’, heet de baas een ‘product owner’, heeft de klant een ‘user story’, en wordt de vergadering ‘stand up’ genoemd omdat je er bij moet staan want anders wordt het een gewone vergadering en dat is niet hip.”

Karnevers
Zo’n explosieve combinatie van creativiteit en speelsheid leidt gemakkelijk tot excessen, althans lexicografische. Een praktijkvoorbeeld.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw was het oma. Grootmoeders cake, de opoe-fiets, grandma’s freshly baked cookies: als het maar op de een of andere manier aan een grootmoederfiguur was gekoppeld, gaf dat een product meteen een aura van ouderwetse betrouwbaarheid, vooroorlogse degelijkheid en onweerstaanbare nostalgie.
De advertenties en reclamecampagnes wedijverden om het meest getrouwe cliché van de oer-oma: een door het leven gegroefd gelaat maar met liefdevolle ogen, een brilletje – niet het allergoedkoopste uit de winkel maar toch onmiskenbaar van het ziekenfonds -, vertederend krullende grijze lokken, blauwgrijze spoeling van Schwarzkopf en een zwarte omslagdoek (zelf gehaakt!) rond de schouders tegen een kille nazomerbries.
Maar aan grootmoeders wervingskracht kwam in de jaren tachtig een einde toen de Hema – toch al nooit te beroerd om op een tendens in te haken – de opoefiets in haar kleurenfolders opnam. Toen moesten de reclamemakers uitkijken naar een ander clichébeeld. Nou ja, clichébeeld, in reclametermen heet dat vermoedelijk ‘een vergeneraliseerd individu met grote identificeringswaarde’. En dat werden Jan en Marie.
Lang voor het op het Binnenhof begon door te dringen, hadden de reclamejongens namelijk al heel scherp door dat het milieu een onderwerp met toekomst was: uitgestrekte groene weiden, tevreden grazende koeien, imposante wolkenluchten boven een polderdijk; u dacht toch niet dat Martine Bijl voor haar lol tussen de spitskolen zat?

Pieter Bruegel de Oude – De boerenbruiloft (1567 of 1568)

De mensen hadden weer behoefte aan bewust eten, aan vers en gezond, aan goed kauwen voor je het doorslikt. Uit die filosofie kwam de boerenlandmelk voort. Vanuit die gedachte werd de met natuurlijke rechtsdraaiende melkzuren verrijkte drinkyoghurt ontworpen. Met dat beeld voor ogen kwam iemand op het idee de eeuwenoude hangop ‘umer’ te gaan noemen en op het deksel “herinnert aan hangop” te zetten.
En het werkte. Wat het verschil was, wist geen mens, maar het heette boerenland-dit of karnevers-dat, en dus werd het gekocht. En gevreten. Maar er is een grens, zelfs voor reclamemakers. Die werd bereikt toen P.N. – voluit: Boerderijmelkveredeling P(uur) N(atuur), dat zegt eigenlijk al genoeg – een “overheerlijke zachtzure standyoghurt” op de markt bracht. (Standyoghurt is, volgens mijn op kringlooppapier gedrukte macrobiologische encyclopedie, een lobbige roeryoghurt. Nu weet ik nog niets.)
Op de beker waarin dit kostelijk vocht verpakt is, prijkt met gepaste trots de naam: Boerenbruiloftghurt van Jan en Marie. Daaronder staat een hoogst onduidelijke afbeelding. Een bejaarde, wat kromgetrokken man giet een emmer leeg in een melkbus – dat zal Jan zijn – en wat verder zit iemand in zo’n alle geslachtskenmerken vervagende overall een koe te melken; dat moet dus Marie wezen.
Wat die twee oudjes, die tweemaal daags door noodweer en tegenwind het land op moeten om de uiers te legen, met een boerenbruiloft van doen hebben, is volmaakt onbegrijpelijk. En dat is misschien ook wel juist de bedoeling, want wat een boerenbruiloft – hossen, hijsen, speeksel dat uit de mondhoeken druipt, een eeltige hand die onder een rok tast; ja, als het op clichés aankomt, weet ik ook van wanten – met de lobbigheid van dioxinevrije melkzuren te maken heeft, zou zelfs de duurst betaalde reclamejongen, Maserati of niet, nog niet duidelijk kunnen maken.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives