Revolutie in galop – De onmisbare rol van het paard in de Mexicaanse Revolutie


Diego Rivera – Emiliano Zapata

De Mexicaanse kunstenaar Diego Rivera maakte in 1932 een litho van de legendarische Mexicaanse boerenleider Emiliano Zapata (1879-1919). Niet zonder reden beeldde hij deze af staand naast zijn witte paard. Zapata was niet alleen een groot paardenliefhebber, maar Rivera symboliseerde hiermee de rol van het paard in de zapatistische revolutie. Hij realiseerde zich dat Zapata en zijn boerenlegers onmogelijk zonder paarden hun revolutionaire strijd hadden kunnen voeren. Dat gold eveneens voor Zapata’s evenknie tijdens de Mexicaanse Revolutie, Pancho Villa (1877?-1923). De tactische strijdmethodes die door beide legerleiders werden toegepast waren alleen mogelijk dankzij een grootschalige inzet van paarden.

Strijdtoneel
Wie wel eens een speelfilm over de Mexicaanse Revolutie (1910-1920) heeft gezien, kent de beelden: in opstuivend zand stormen legers te paard een stad binnen en mannen met sombrero’s, behangen met kogelgordels, schieten schijnbaar doelloos alle kanten op. In de meeste gevallen geven deze films een nogal geromantiseerd beeld van de revolutie en van de leiders Zapata en Villa.[1] Authentieke filmbeelden van Zapata en Villla uit de revolutie hebben echter wel degelijk de basis gelegd voor de uit Hollywood afkomstige clichébeelden.
Over de Mexicaanse Revolutie zijn honderden boeken geschreven.[2] Daarin wordt uitgebreid aandacht besteed aan de door Zapata en Villa toegepaste guerrillatechnieken.
In tegenstelling tot de Franse Revolutie van 1789 en de revoluties in de negentiende eeuw (1848 en de Commune van Parijs in 1871) die plaatsvonden in een stedelijk decor, was de Mexicaanse Revolutie de eerste grootschalige revolutie waarbij steden niet het strijdtoneel vormden. De revolutie speelde zich af in een diversiteit van landbouw- en veeteeltgebieden, woestijn, plattelandsdorpen en bergen.
Zonder gebruik te maken van het paard als vervoermiddel en strijdmiddel, zou deze revolutie in de ontstane vorm nooit hebben plaatsgevonden. De vanzelfsprekende, onmisbare rol van het paard in het dagelijks leven van de meeste Mexicanen – als vervoermiddel en op boerenbedrijven – ontwikkelde zich bijna vanzelfsprekend naar die van essentieel hulpmiddel in de strijd om een beter bestaan.

Emiliano Zapata

Hacendados
Emiliano Zapata, geboren in de zuidelijke Mexicaanse staat Morelos, behoorde niet tot de armste klasse in Mexico. Zijn familie had een klein boerenbedrijf. In Morelos leden de kleine boeren voortdurend onder de misdaden van de grote landeigenaren, de hacendados. Deze eigenden zich land, waterbronnen en soms hele dorpen (pueblos) toe om hun suikerplantages te kunnen uitbreiden. De hacendados voelden zich gesteund door de Mexicaanse dictator Porfirio Díaz, die regeerde van 1876 tot 1911. De kleine landeigenaren en onafhankelijke boeren stonden volgens Díaz de vooruitgang van Mexico in de weg. Zapata wierp zich op als hun vertegenwoordiger en protesteerde voortdurend bij de lokale autoriteiten tegen de handelswijze van de hacendados. Dit had geen enkel resultaat. Zij zagen Zapata als een vervelend obstakel voor hun belangen. Om hem uit de streek weg te krijgen, wist men hem over te halen dienst te nemen in het leger. Daar viel hij op door zijn vakmanschap in de omgang met paarden. Na een half jaar hield hij het leger voor gezien en keerde hij terug naar zijn dorp waar hij als burgemeester werd gekozen. Al voor 1910 begon hij met medestanders stukken land die door de hacendados waren ingepikt, terug te veroveren.

Aanhangers van Madero

Landhervormingen
In 1911 moest Díaz onder druk van presidentskandidaat Francisco Madero het land verlaten.[3] Madero had plannen tot landhervorming en zocht daarvoor steun bij lokale leiders. In de noordelijke staat Chihuahua vond hij de plaatselijke bandiet Doroteo Arango, beter bekend als Pancho Villa, aan zijn zijde. Zapata steunde weliswaar de plannen van Madero, maar vanwege diens achtergrond als grootgrondbezitter, bleef hij hem wantrouwen.
Eenmaal president, kwam van de landhervormingen van Madero niets terecht. Zapata keerde zich tegen Madero en kwam met een eigen plan voor landhervorming, het Plan de Ayala. Zapata wilde de landerijen van de grootgrondbezitters onteigenen en teruggeven aan de kleine boeren en aan de pueblos. Zapata heeft zich nooit anarchist genoemd maar was in belangrijke mate beïnvloed door de anarchistische ideeën van de broers Enrique en Ricardo Flores Magon en door de geschriften van Kropotkin. In 1915 wist hij na verovering van grote delen van Morelos het gebied te herverdelen zoals hij in zijn plan had voorgesteld en tegelijk de levensstandaard voor de boerenbevolking aanzienlijk te verbeteren.
Madero benoemde de meedogenloze generaal Victoriano Huerta tot legerleider, om zo Zapata te kunnen bestrijden. Huerta liet Madero vervolgens uit de weg ruimen en benoemde zichzelf tot president. Het jaar 1914 werd gekenmerkt door een felle strijd tussen het federale leger en de opstandelingen. Het boerenleger van Zapata in Morelos en de troepen van Villa in het noorden, bestookten voortdurend het Mexicaanse leger. Aanvankelijk steunde Villa weliswaar Huerta, maar al snel keerde hij zich van hem af. Villa wilde in de eerste plaats de macht van de grootgrondbezitters doorbreken.

Derde van rechts: Pancho Villa

Paarden
Zapata en Villa waakten ervoor geen grootschalige confrontaties met het federale leger aan te gaan. Vaak werd een hinderlaag opgezet of werden snelle verrassingsovervallen uitgevoerd op kleine legereenheden in het veld of op dorpen en kleine steden die in handen waren van het leger. Omsingelde legereenheden werden tot overgave gedwongen of men ging de strijd aan.
Soldaten die zich aan Zapata overgaven werd de keuze gegeven zich bij hem aan te sluiten of de wapens in te leveren en naar huis te gaan. Officieren werden in de meeste gevallen geëxecuteerd. Na de inname van een stad of dorp werd het stadhuis in brand gestoken waarna men weer verdween. Expedities van het leger op zoek naar de zapatistas bleven meestal zonder resultaat. Na een snelle terugtocht naar eigen gronden, verdwenen de zapatistas geruisloos in de anonimiteit van het dagelijkse boerenleven.

Generaal Huerta inspecteert zijn troepen

Verrassingsaanvallen
Het leger van Zapata bestond uit zo’n drie- tot vijfduizend man, meestal opererend in groepen variërend van tientallen tot enkele honderden. Een belangrijke voorwaarde om snel tot actie te kunnen overgaan, was al vervuld: vrijwel alle soldaten hadden voor hun dagelijks werk al de beschikking over een paard. Wel was het voor Zapata aanvankelijk lastig om aan voldoende wapens te komen. Door haciendas van landeigenaren te overvallen werd het wapenbezit aangevuld. Het doel van Zapata’s guerrillatactiek was door telkens verrassingsaanvallen uit te voeren, de vijand te verzwakken. Daarbij was het zaak de eigen verliezen zo laag mogelijk te houden. Bij voorkeur vielen de zapatistas te paard aan op voor hen bekend terrein, ongeschikt voor de inzet van grote vijandige legers of infanterietroepen. Doorslaggevend voor de successen van de zapatistas was dat de soldaten geworteld waren in de lokale bevolking en er deel van uitmaakten. Zowel met voedselvoorziening als logistiek met de toelevering van paarden, werden de zapatistas door de lokale bevolking ondersteund. Het federale leger bestond uit vijfentwintigduizend man, veelal gelegerd in garnizoensplaatsen. Van daaruit beperkte het zich vooral tot het controleren van de omgeving.
Met weliswaar de beschikking over kanonnen, was het vooral gericht op een negentiende eeuwse, Europese wijze van oorlog voeren, zoals tijdens de Napoleontische oorlogen en de Frans-Duitse oorlog van 1870: een massale inzet van infanterietroepen die slag konden leveren met een soortgelijke tegenstander. Het Mexicaanse leger kon daarom niet effectief reageren op tegenstanders die van guerrillatactieken gebruik maakten. Met name in woestijngebieden en de bergen bleek het leger niet doeltreffend te kunnen opereren.

Pancho Villa voert zijn leger aan

Treinen
Door eveneens guerrilla-aanvallen uit te voeren kon Pancho Villa met zijn leger – variërend van vijf- tot zestienduizend man – in de staat Chihuahua een groot gebied bestrijken. Villa paste graag een overrompelingstactiek toe op zijn tegenstanders, door massaal met zijn manschappen, in volle galop al schietend de vijand tegemoet te treden. Dezelfde aanvalstactiek werd al eerder door de Noord-Amerikaanse Comanche- en Apache-indianen toegepast.
Villa vergrote zijn mobiliteit aanzienlijk door gebruik te maken van gekaapte treinen. Zo kon binnen enkele dagen honderden kilometers verderop een aanval worden uitgevoerd. De paarden van de soldaten werden in de trein gestald, de mannen namen plaats op de daken van de wagons. Met een tweede trein volgden de vrouwen van de soldaten. Villa hechtte er aan dat de echtgenotes en vriendinnen van de soldaten gedurende een veldtocht altijd in de nabijheid waren. Zo werd de desertie van villistas beperkt en de kans op verkrachtingen in veroverde pueblos verkleind. Vrouwen zorgden meestal voor de maaltijden en verzorgden de gewonden. Sommige vrouwen, de soldaderas, reden en vochten in de voorste linies mee.[4]
In het leger van Zapata was het zeker niet ongewoon wanneer een vrouw een officiersrang vervulde.[5]
Van Villa wordt beweerd dat hij zo nu en dan een trein kaapte achter de vijandelijke linies, deze volstopte met explosieven en vervolgens op de vijand liet inrijden. Bekend is dat Villa meerdere malen verslagen tegenstanders zonder pardon liet executeren.

Bankbiljet met Zapata 1994

Triomf en dood
Zapata en Villa hadden geen presidentiële ambities. Hun grootste symbolische triomf was het moment waarop beide mannen in 1914 onder het gejuich van tienduizenden, gezamenlijk Mexico City binnenreden, nadat ze tegenstanders Carranza en Obregón hadden verslagen. In de jaren twintig kwam de Partido Revolucionario Institucional, voortgekomen uit de revolutie, aan de macht. Enkele punten uit het Plan de Ayala werden weliswaar gerealiseerd, maar de landhervormingen werden niet doorgevoerd op de wijze zoals Zapata ze zich had voorgesteld. Nog steeds is de Partido Revolucionario Institucional de toonaangevende partij in Mexico, maar deze is vervallen tot een brede sociaaldemocratische beweging zonder revolutionair elan. Zapata heeft in Mexico nog steeds een legendarische status. In 1919 werd hij in een ingewikkeld complot in een val gelokt. Bij het oprijden van het dorpsplein van Chinameca, werd hij door veronderstelde medestanders doodgeschoten. Pancho Villa trof in 1923 hetzelfde lot. Nadat hij bij een plaatselijke bank goud had opgenomen, werd hij in de hoofdstraat van het plaatsje Parral door tegenstanders onder vuur genomen. Opmerkelijk detail: Villa was niet te paard, maar reed op dat moment in zijn auto, een Dodge.(6)

Noten
[1] De bekendste film is Viva Zapata! (1952) van regisseur Elia Kazan, naar een scenario van John Steinbeck, met Marlon Brando als Zapata, helaas een wat minder goede film van Kazan.
Pancho Villa is in veel Hollywoodproducties meestal vervallen tot een karikatuur, zoals in Villa Rides (1968) met Yul Brynner als Villa, of in Pancho Villa (1972) met Telly Savalas in de hoofdrol. Villa was een ijdele man en niet wars van publiciteit. Een aantal malen werden zijn acties vastgelegd door Amerikaanse filmploegen en in drie films speelde Villa zichzelf.
Een uitstekende documentaire over de Mexicaanse Revolutie en haar betekenis, The Storm that Swept Mexico (2011), is te vinden op Youtube en bevat veel authentieke filmopnames uit de revolutiejaren. Zie hieronder.
[2] Op het verloop van de revolutie kan in het bestek van dit artikel slechts kort worden ingegaan. Enkele titels over de Mexicaanse Revolutie: Ronald Atkin, Revolution! Mexico 1910-1920 (1969); Adolfo Gilly, The Mexican Revolution (1983), Robert E. Quirk, The Mexican Revolution 1914-1915 (1960). Over Zapata zijn o.a. verschenen: Peter E. Newell, Zapata of Mexico (1979); Robert P. Millon, Zapata (1969); John Womack Jr., Zapata and The Mexican Revolution (1969). De Amerikaanse auteur John Reed (de latere schrijver van Ten Days that Shook the World) reisde enige tijd mee met de troepen van Pancho Villa en deed daarvan verslag in zijn boek Insurgent Mexico (1914).
[3] Porfirio Díaz (1830-1915) sleet zijn laatste jaren in Parijs. Hij ligt begraven op Cimetière du Montparnasse (15 e Division) in Parijs.
[4] Tijdens de revolutie ontstond het volksliedje La Adelita. Het lied is een eerbetoon aan de soldaderas en wordt in Mexico nog steeds gespeeld.
[5] Zo werd de onderwijzeres Dolores Jiménes y Muro (1848-1925) in 1914 brigadegeneraal in het leger van Zapata. Ze werkte mee aan het opstellen van het Plan de Ayala en was redactrice van de krant La Voz de Juárez.
[6]  De auto waarin Villa werd gedood is te bezichtigen in het Francisco Villa Museum in Chihuahua, Mexico. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Francisco_Villa_Museum

The Storm that Swept Mexico

Bookmark and Share

Sjibbolet: de bijbel in onze literatuur


De bijbel is, overeenkomstig zijn inhoud, alomtegenwoordig in onze letteren: citaten uit of allusies aan de Schrift komen in ontelbare gedichten, verhalen en romans voor. Maar om zijn invloed waar te nemen, is niet meteen een tijdrovende tekstanalyse nodig, menige boektitel is al een woordelijk citaat of variant daarop.

Hedda Martens (1947) debuteerde in 1982 met de bundel Sjibbolet en andere verhalen. Een sjibbolet of schibbolet is een kenmerk waaraan herkend kan worden of iemand tot een bepaalde groep of overtuiging behoort. Het bijbelboek Richteren 12:5-6 geeft daarvoor de oorspronkelijke verklaring.
Tijdens een oorlog tussen de Gileadieten en Efraïmieten poogden de laatsten, door zich als Gileadieten te vermommen, de Jordaan over te vluchten.
“Wanneer nu een der vluchtelingen van Efraim zeide: Laat mij oversteken, dan zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraïmiet? En antwoordde hij: Neen, dan zeiden zij tot hem: Zeg eens sjibboleth. Zeide hij dan: sibboleth, en kon hij het dus niet op de juiste wijze uitspreken, dan grepen zij hem en sloegen hem dood.”

Maarten ‘t Harts roman De Jacobsladder (1986) verwijst naar een droom die aartsvader Jakob had:
“Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder.” (Genesis 28:12)

Ook Marnix Gijsen (1899-1984) putte voor een titel uit de bijbel. De vleespotten van Egypte (1952) is gebaseerd op de uitdrukking `hunkeren naar de vleespotten van Egypte’, die voortkomt uit het gemopper van de Israëlieten tegen Mozes en Aaron, die hen uit Egyptische slavernij bevrijd hadden en naar het beloofde land voerden. Exodus 16:3:
“Och, dat wij door de hand des Heren in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.”

Theo Kars (1940-2015) verzamelde een aantal beschouwingen over literatuur onder de van zelfoverschatting getuigende titel Parels voor de zwijnen (1975). Dat baseerde hij, zij het wellicht niet uit eigen waarneming, op Mattheus 7:6, waarin Jezus oproept:
“Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.”

Ik kan die uitdrukking nooit lezen zonder onmiddellijk te denken aan een anekdote over de Amerikaanse schrijfster Dorothy Parker, die eens gelijktijdig met een aanzienlijk jongere collega een deur naderde waar maar één van hen tegelijk door kon. De jongste hield haar pas in, zeggend ‘Age before beauty’. Parker nam meteen de uitnodiging aan, onder de woorden ‘Pearls before swine’.

Rembrandt van Rijn – Het feestmaal van Belsazar (circa 1636-1638)

Ook Nescio’s bundel Mene Tekel (1946) heet naar een spreuk uit het Oude Testament. Daniël 5:25-28 verhaalt hoe tijdens een feest van Belsazar, koning der Chaldeeën, lichtende letters op de muur verschijnen:
“Dit is het schrift, dat geschreven is: Mene, mene, tekel ufarsin. Dit is de uitlegging van de woorden: Mene: God heeft uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; Tekel, gij zijt in de weegschaal gewogen en te licht bevonden; Peres: uw koninkrijk is gebroken en aan de Meden en Perzen gegeven.”

Uiteraard heeft dit fragment ook de uitdrukking ‘gewogen maar te licht bevonden’ opgeleverd, alsook ‘een teken aan de wand’. Daniël 5:5 beschrijft hoe Belsazar de tekenen ziet verschijnen:
“Terzelfdertijd verschenen vingers van een mensenhand, die tegenover de luchter op de kalk van de wand van het koninklijk paleis schreven, en de koning zag de rug van de hand, die aan het schrijven was.”

Mene tekel vond ook zijn weg naar Nederlandse poëzie, bijvoorbeeld naar deze regels uit het gedicht ‘Glazenwasser’ (1949) van Gerrit Achterberg

Handen- en voetental
verrichten in de lucht
een klein gebarenspel, een klucht
die hij alleen begrijpen zal;
het mene tekel en getal
van roekeloze hemelzucht.

Marnix Gijsens De barmhartige Samaritaan (1952) gaat terug op het evangelie van Lucas, op de gelijkenis van de Samaritaan die zich, in tegenstelling tot een priester, het lot aantrok van een door overvallers gewonde reiziger:
“Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem.” (Luc. 10:33-34)

Read more

Bookmark and Share

Igor Cornelissen – Mijn opa rookte ook een pijp


Waar is Hans Brusse gebleven? Wat is er geworden van de flamboyante uitgeverszoon die als spion werkte voor de geheime dienst van de Sovjet-Unie? Het zijn vragen die Igor Cornelissen, voormalig redacteur bij Vrij Nederland, al decennia lang bezighouden.

In zijn boek De GPOe op de Overtoom (1989), wist Cornelissen nauwgezet het vooroorlogse spionagenetwerk van de Sovjet-Unie in Nederland in kaart te brengen. Maar vooral probeerde  hij duidelijkheid te krijgen in de zaak van de moord op de afvallige Sovjetspion Ignace Reiss. In het schemergebied van dit spionagenetwerk dook de naam Hans Brusse (1913-?) voor het eerst op. In 1941 zou Brusse opdracht hebben gekregen de naar de VS overgelopen Sovjetspion Walter Krivitsky te vermoorden. Krivitsky werd dood aangetroffen in een hotelkamer in Washington. Het leek op zelfmoord. Of werd hij toch vermoord? Dat Brusse op dat moment in Washington was, is zeker. Sindsdien ontbreekt van hem ieder spoor.

Archieven
Brusse figureert ook in het onlangs verschenen Mijn opa rookte ook een pijp, het nieuwste deel memoires van Igor Cornelissen. Graag had hij het mysterie van Brusse’s verdwijning willen oplossen, zo schrijft hij. Maar personen die hij ooit over de zaak sprak, konden of wilden niets loslaten. Anderen die hij had willen interviewen waren inmiddels overleden. Archieven waarin mogelijk een aanwijzing te vinden is, zoals dat van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (de huidige AIVD), of bepaalde archieven in Moskou, blijven potdicht.
Zoiets knaagt aan Igor Cornelissen. Maar, typerend voor hem is dat een onderzoek naar een zaak of persoon nooit is afgesloten. Er kunnen altijd nieuwe feiten boven water komen. Onbekende brieven kunnen opduiken, een archief blijkt ineens wel toegankelijk, dagboeknotities worden openbaar of juist die ene ontbrekende foto wordt teruggevonden.

Interbellum
Eigenlijk is Igor Cornelissen sinds hij in 1996 vertrok bij Vrij Nederland altijd dat blijven doen wat hij altijd gedaan heeft. Hij schrijft: ‘Ik bleef in mijn oude en enige beroep hangen dat ik met plezier en aanhoudende nieuwsgierigheid beoefende: de journalistiek en het schrijven van boeken. Op pad gaan, dingen uitzoeken die je interesseren en ze dan opschrijven. Wel altijd in de hoop dat er lezers zijn die ook geboeid raken.’

Bij Vrij Nederland was Oost Europa onder meer zijn specialiteit. Maar hij had en heeft vaak meer oog voor personen en feiten die verscholen zijn in de marges van de geschiedenis, bij voorkeur in het interbellum. Graag verdiept hij zich in onbekende politieke randfiguren of vergeten linkse politici uit die periode, en hij mag graag, zoals hij zelf ooit stelde ‘knabbelen aan de laatste restanten van de Tweede Wereldoorlog’.
Daarvan getuigen niet alleen zijn eerdere delen memoires – het eerste deel Van Zwolle tot Brest-Litowsk verscheen in 1983 – maar ook zijn biografieën van CPN-leider Paul de Groot, de Poolse oplichter Siegfried Wreszynski of van communist Joop Zwart, ‘de geheimzinnigste man van Nederland’, die uiteindelijk ‘perschef’ werd van de weduwe Rost van Tonningen.

Voetnoten
In zijn delen memoires laveert hij heen en weer tussen eigen belevenissen, anekdotes en herinneringen. Vergeten jazzmusici, archiefonderzoek, reizen naar het Oostblok, een bezoek aan Praag of Boedapest, uitgevers, Joods Zwolle, het kan allemaal aan de orde komen. Hij rolt associatief van het ene verhaal in het andere en springt daarbij heen en weer in de tijd. Op die manier ontstaat een informatieve opeenvolging van curieuze voetnoten bij gebeurtenissen en personen die buiten het bestek van de geschiedenisboekjes vallen. Zo keert ook Joop Zwart terug in dit boek. Want Cornelissen blijft zitten met de vraag of Joop Zwart gedurende zijn tijd bij de Internationale Brigades, tijdens de Spaanse Burgeroorlog, nu wel of niet George Orwell daar heeft ontmoet.

Gemopper
Terug naar Zwolle (2000) was de titel van het derde deel van zijn memoires. Hij woont sinds 1976 weer in Zwolle, in hetzelfde huis waar hij werd geboren. In dit nieuwste boek kijkt hij terug op zijn eigen werk als auteur, haalt hij herinneringen op aan zijn jeugd, zijn Joodse voorouders, jazz, vrienden, café’s en antiquariaten. Soms gaat dat samen met gemopper op hedendaagse verschijnselen: ontlezing bij de jeugd, harde popmuziek in café’s, boekwinkels met koffiehoekjes of stadsbestuurders die Zwolle zo nodig ‘op de kaart’ willen zetten. Dat wil overigens niet zeggen dat hij beweert dat vroeger alles beter was, maar ánders was het zeer zeker. Hij blikt nu eenmaal graag terug op het verleden. Niet met verbittering, niet in de vorm van platte nostalgie of met heimwee naar betere tijden, maar wel met enige weemoed.

Auschwitz
Over zijn Joodse wortels en de nagenoeg verdwenen Joodse gemeenschap in Zwolle schreef hij al eerder. Met andere herinneringen en familieverhalen worden deze nu aangevuld. Zoals het verhaal over zijn grootvader Izak Os, die nog voor de SDAP in de gemeenteraad had gezeten. In 1943 werd hij, chronisch ziek, samen met zijn vrouw weggevoerd naar Sobibor. Toen hij op een brancard vanuit huis de straat werd opgedragen, riep hij nog ‘Leve de vrijheid’. Cornelissen is erbij wanneer voor het echtpaar Os-Spits in Zwolle twee Stolpersteine worden aangebracht.

Ontroerend is het gedeelte over Claartje, een nicht van zijn moeder. De jonge vrouw keerde na het einde van de oorlog volledig verzwakt terug in Zwolle. Over haar verblijf in Auschwitz werd niet veel gesproken. Ze is één van de acht overlevenden van de 1200 mensen die met het voorlaatste transport uit Westerbork vertrokken. Cornelissen herinnert zich uit zijn jeugd nog de verrukkelijke gebraden runderlappen die ze klaarmaakte. Later werd pas bekend dat Claartje vanuit Auschwitz tegen het einde van de oorlog was overgebracht naar een provincieplaats in het noorden van Tsjecho-Slowakije. Daar werd ze als dwangarbeidster in een munitiefabriek tewerkgesteld. Wanneer Cornelissen in die omgeving op vakantie is en ernaar informeert, blijken de loodsen waar Claartje werkte er nog te staan: mistroostige overblijfselen van een gruwelijk verleden.

Spionage
Boeiend zijn de gedeeltes waarin Cornelissen beschrijft hoe sommige van zijn eerdere boeken tot stand kwamen en hij uitlegt waarom enkele boeken er niet kwamen. Voor Tussen Lenin en Lucebert (2018), zijn boek over Mathilde Visser, de gefortuneerde communiste en kunstcritica die tijdens haar leven grote bedragen van haar vermogen doneerde aan de CPN, kon hij over voldoende materiaal beschikken. Onder meer dankzij brieven uit het familiearchief en interviews met personen die haar hebben gekend.

Graag had hij zich verder verdiept in het leven van de mysterieuze zenuwarts Hans Grelinger (1908-1985), die voor de oorlog deel uitmaakte van het door de Sovjet-Unie opgebouwde spionagenetwerk in Nederland. Cornelissen kwam de naam voor het eerst tegen tijdens zijn onderzoek voor zijn boek De GPOe op de Overtoom. Een netwerk waar ook Henri Pieck (broer van Anton Pieck) en de beeldhouwer Hildo Krop deel van uitmaakten. Grelinger was antroposoof, psychiater, getrouwd en homoseksueel. Veel zoekwerk leverde wel gegevens over Grelinger op, maar te weinig voor een coherent verhaal. Jammer, want de pagina’s over Grelinger doen verlangen naar meer.

Knipselarchief
Aan de basis van veel van onderzoeken van Cornelissen ligt zijn inmiddels tot meer dan tweeduizend mappen uitgedijde archief. Met een fervente gedrevenheid houdt hij al enkele decennia een knipselarchief bij, aangevuld met brieven, foto’s, tijdschriften, boeken en brochures. Met dit archief logenstraft hij diegenen die beweren dat ‘alles wel op internet te vinden is’. Menig historicus en auteur wist inmiddels de weg naar Cornelissen te vinden.  Graag stelt hij zijn archief aan hen ter inzage beschikbaar. Hij kan het echter niet nalaten in dit verband meerdere malen een tik uit te delen aan Max Pam, die ooit beweerde dat ‘het archief van Cornelissen niets interessants bevat’.
Nadat hij bij Vrij Nederland was vertrokken, schreef hij nog enkele jaren een wekelijkse rubriek in Het Parool, totdat die door toenmalig hoofdredacteur Matthijs van Nieuwkerk werd geschrapt. Tegenwoordig heeft hij een vaste rubriek, getiteld Bijvangst, in het anarchistische tijdschrift De AS, waarin hij schrijft over vergeten figuren uit de linkse beweging.

Cornelissen zegt dat Mijn opa rookte ook een pijp zijn laatste deel memoires is. Hopelijk is dit niet zijn laatste boek. Want dan zouden we van de bijzondere resultaten van zijn belangstelling en onderzoeken verstoken blijven.

Igor Cornelissen, Mijn opa rookte ook een pijp
Just Publishers 2020, ISBN 9789089755292, € 24,50

Bookmark and Share

Utopia en omstreken: imaginaire gebieden


Behalve fictieve personen, zoals Anton Steenwijk en Josef K., David Copperfield en Nathan Sid, heeft de literatuur ook fictieve steden en landen opgeleverd. Lewis Carroll liet Alice haar avonturen beleven in Wonderland, Jonathan Swift stuurde Lemuel Gulliver in Gulliver’s Travels (1726) onder meer naar Lilliput, Brobdingnag, Lagado, Glubbdubrib en Houyhnhnmland.
J.R.R. Tolkien creëerde voor de In de ban van de ring-cyclus (1954-1955) zelfs een hele mythologie, inclusief landkaarten en taal, rond Middle-earth. Dat leverde welluidende namen op als Esgalduin, Nanduhirion, Angrenost en Nimrodel.

En zoals sommige fictieve personages, zoals de Jan en Erik in het werk van Wolkers, de Gerard in dat van Reve en de Maarten in dat van ‘t Hart, dicht in de buurt van het levende voorbeeld blijven, zo is in sommige van die fictieve gebieden zonder veel moeite de woonomgeving van de auteur te herkennen.

De Amerikaanse schrijver William Faulkner, geboren in de zuidelijke staat Mississippi, situeert een deel van zijn romans in het niet-bestaande Yoknapatawpha County, een streek in het noorden van Mississippi. En het Lahringen uit Vestdijks Anton Wachter-romans ligt wel erg dicht bij het Harlingen waar de schrijver geboren werd.

Maar een groot deel van die steden, streken en landen zijn speciaal voor het literaire werk bedacht en in het register van niet één atlas terug te vinden. Nou, drie dan: in de Amerikaanse Dictionary of Imaginary Places (1980), in Umberto Eco’s De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen (2013) en in de Atlas van imaginaire landen (2016) van Dominique Lanni.

The Shangri-Las

Het aardige is dat die bedachte plaatsen soms een eigen leven zijn gaan leiden. Een mooi voorbeeld daarvan is Shangri-La, de lusthof in de roman Lost horizon (1933) van de Engelse schrijver James Hilton. Shangri-La, dat vermoedelijk ergens in Tibet ligt, is synoniem geworden met ‘paradijselijk oord’ en liet in die betekenis veel sporen na in de popmuziek. In de jaren vijftig ontstond in Amerika de meisjesgroep The Shangri-Las, die, behalve om hun suikerspinkapsels en zuurstokkleurige strechtbroeken, bekend werden met o.a. Remember (walking in the sand) en I can never go home anymore. The Kinks hadden in 1969 een hit met Shangri-La, de Nederlandse Elvis Presley, Jack Jersey, zette het bijna onuitspreekbare Sri Lanka, My Shangri-La op de plaat en in 1988 vertegenwoordigde Gerard Joling ons land op het Eurovisie Songfestival met Ik wil terug naar Shangri-La.
En om in de popmuziek te blijven: Xanadu, dat in 1968 de kleurrijke Britse groep Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick & Titch inspireerde tot The legend of Xanadu en in 1980 een hit opleverde voor Olivia Newton-John, stamt uit het (onvoltooid gebleven) gedicht ‘Kubla Khan’ van de Engelse poëet Samuel Taylor Coleridge (1772-1834), waarvan de eerste regels luiden: In Xanadu did Kubla Khan a stately pleasure-dome decree. Het moet waarschijnlijk in China gezocht worden, niet ver van Shangri-La. En ook het enorme landhuis van Charles Foster Kane in de film Citizen Kane (1941) van Orson Welles heet Xanadu.

Een vervolg van geheel andere orde kreeg Thule. Dat is de naam die in de klassieke oudheid gegeven werd aan een eiland dat zes dagen zeilen ten noorden van Schotland heette te liggen en dat als het einde van de wereld beschouwd werd. Sommige schrijvers zagen IJsland er voor aan, andere Shetland of zelfs de kust van Noorwegen. Het werd vooral bekend in de uitdrukking Ultima Thule – ‘het einde van de wereld’ – en komt in die zin al voor bij de Romeinse schrijvers Virgilius en Seneca.
In navolging van chemische elementen als berkelium en ytterbium, die hun naam kregen van de plaats waar ze gevormd werden (respectievelijk Berkeley in Californië en Ytterby in Zweden), dankt thulium zijn naam aan Thule. Het moet het enige chemische element zijn dat naar een niet-bestaande plaats vernoemd is, al gebiedt de volledigheid te wijzen op het element thorium, genoemd naar een fictieve figuur, de Germaanse dondergod Thor.

Het bekendste literaire land is waarschijnlijk Utopia (1516), het droomeiland uit het gelijknamige werk van Thomas More waar de ideale maatschappij zetelt. De naam is opgebouwd uit twee Griekse woorden, ou (niet) en topos (plaats), en kan dus vertaald worden met ‘Nergensland’. Het is niet alleen het bekendste, ook het invloedrijkste. Utopia komt ook voor in andere literaire werken – in Rabelais’ Gargantua en Pantagruel (1532-1564), bijvoorbeeld, waarin de laatste van deze twee reuzen het eiland bezoekt – en heeft een heuse utopische stroming in de literatuur op gang gebracht, met alle namen van dien. Daaronder valt Shangri-La, alsook het Oceana uit James Harringtons The Commonwealth of Oceana (1656) en het Macaria (letterlijk: Zaligland) van de Duitser Caspar Stiblinus.

Maar er ontstond ook een stroming tegen al dat idealisme, en zo ontstond het begrip ‘distopia’.
Zo’n anti-utopia werd onder meer uitgewerkt door Samuel Butler, die zijn visie op de zorgenvrije gemeenschap geeft in Erewhon (1872), een anagram van nowhere. En ene E. Callenbach publiceerde in 1975 Ecotopia, waarin de overindustrialisatie van onze maatschappij wordt bekritiseerd (eco stamt van het Griekse oikos – ‘huis(gezin), familie’ – en komt tegenwoordig veel voor in samenstellingen die op het milieu betrekking hebben, zoals ecosysteem en ecotax).
Ook in de Nederlandse letteren zijn fictieve plaatsen geschapen. De Zwolse chirurgijn Hendrik Smeeks beschreef een imaginaire reis in Beschryvinge van het Magtig Koninkryk Krinke Kesmes (1708). Mooi zijn ook de twee namen in Simon Stijls toneelstuk De Torenbouw van het Vlek Brikkekiks in het landschap Batrachia (1787), een satire op de aanhouding van prinses Wilhelmina bij Goejanverwellesluis in dat jaar. Batrachia betekent ‘Kikkerland’ en in die context is Brikkekiks te interpreteren als kikkergekwaak.

De strijd tussen patriotten en orangisten speelde een rol in Reize door het Aapenland (1788), dat op naam staat van J.A. Schasz, M.D. Het is, net als bijvoorbeeld Gulliver’s Travels, een satirisch imaginair reisverhaal, een genre dat hem blijkbaar goed beviel, want hij schreef ook Reize door het Wonderland (1780) en Reize door het Land der Vrijwillige Slaaven (1790).
Belcampo geeft een beeld van de wereld in het jaar 12.000 in zijn verhaal Voorland (1935), maar de aardigste in het Nederlands komen van de dichter Jean Pierre Rawie. Die woont in Groningen, maar hij wil daar in de datering van zijn brieven nog wel eens op variëren. In het door Boudewijn Buch samengestelde promotieboekje Buch Boeket 1 begint een brief van Rawie aan zijn uitgever met ‘Gromsk II IX MCMLXXXV’. Later verstuurde hij ook wel brieven vanuit Groomsbury, waarin behalve Groningen ook Bloomsbury doorklinkt, de kunstenaarswijk in Londen waaraan de Bloomsbury-groep rond Virginia en Leonard Woolf en Lytton Strachey haar naam ontleent.

Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar Lake Wobegon, het bescheiden plaatsje – smalltown in het Amerikaans – in de Amerikaanse staat Minnesota waar Garrison Keillor zijn Lake Wobegon Days (1985) gesitueerd heeft. Niet alleen omdat ik het persoonlijk bezocht heb (wat bij mijn weten de enige keer geweest is, dat ik in een fictief gebied liep), maar ook omdat er zo’n mooie vertaling van bestaat. In het Wobegon-meer waarnaar het dorp is genoemd, is zonder veel moeite de uitdrukking wo(e)begone te herkennen: treurig, somber, naargeestig, getroffen, bezocht.
Omdat Lake Wobegon niet ver onder de grens met het tweetalige Canada ligt, heeft het ook een Franse naam. Onder verwijzing naar Lac Majeur staat het neerslachtige oord ook bekend als Lac Malheur.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637

Bookmark and Share

Elif Shafak – Zo houd je moed in een tijd van verdeeldheid


Elif Shafak – Ills.: Joseph Sassoon Semah

Hoe kunnen we hoop, vertrouwen en geloof in een betere wereld voeden in een wereld die voelt alsof-ie op instorten staat, waar ontgoocheling en verbijstering heerst en we niet worden gehoord? Door de pandemie maken we nu een betekeniscrisis mee: fundamentele concepten moeten worden geherdefinieerd. De democratie is veel fragieler dan we dachten: ze is een delicaat ecosysteem van checks-and-balances dat voortdurend voeding en verzorging behoeft, aldus Elif Shafak.

Elif Shafak gelooft in de kracht van verhalen om te laten zien hoe democratie, tolerantie en vooruitgang door schrijven kunnen worden gevoed. Zij is geboren in Frankrijk, groeide op in Turkije, Spanje en de Verenigde Staten, en is nu staatsburger van het Verenigd Koninkrijk, maar leeft vooral in ‘Verhalenland’.
Als romanschrijfster voelt ze zich aangetrokken door verhalen en door stiltes. Haar aandacht is vooral gefocust op de ‘periferie’, de gemarginaliseerde, achtergestelde, rechteloze en gecensureerde stemmen. En op taboes: politieke, culturele en gendertaboes, want als we niet luisteren naar afwijkende meningen, stoppen we met leren.
Groepsdenken of sociale mediabubbels voeden en versterken de herhaling. Daarom moeten we blijven bewegen, intellectuele nomaden worden, tijd doorbrengen aan de randen van de samenleving.

De mensen zijn ontgoocheld doordat hun stem niet wordt gehoord, worden geconfronteerd met een politiek systeem dat bestaat uit marketingsteksten, een financiële markt die wordt gedreven door hebzucht en winst, recente gebeurtenissen die niet meer verlopen op de lineaire progressieve manier zoals eerder. Mensen zijn verbijsterd doordat kunstmatige intelligentie en data steeds meer invloed krijgen, zonder dat gewacht wordt totdat het menselijk verstand het kan bevatten. Wat rest is een grote leegte, een onzeker bestaan en een onbekend en onvoorspelbaar begin, waar we helemaal alleen zijn, zonder dat we deel uit maken van een collectief. We zijn ongerust over de toestand van de wereld, en onze plaats daarin, of juist gebrek aan een eigen plaats. We hebben een voortdurende onrust, een existentiële angst, we zijn kwetsbaar. We zijn bezorgd en boos. Hoe kunnen we die individuele en collectieve woede omzetten in een positieve kracht en betrokken zijn? En niet apathisch zijn waardoor we geïsoleerd raken.

Het staat voor Elif Shafak vast dat we niet kunnen terugkeren naar de situatie van voor de pandemie. We hebben de keuze tussen het nationalisme, de ‘eigen volk eerst’-benadering of de weg naar internationale communicatie en samenwerking. De keuze is afhankelijk van economische en politieke factoren, maar ook van het debat over identiteit. Hoe we onze identiteit benaderen zal onze volgende stappen bepalen, aldus Shafak. Zij definieert zichzelf als een wereldburger, een universele ziel, burger van de hele mensheid. We moeten allemaal geëngageerde, betrokken burgers worden. Verhalen kunnen ons daarbij helpen, ze leveren een genuanceerder, reflectievere manier om te beschouwen, ervaren, voelen en herinneren. Ze geven inzicht in de complexiteit en rijkdom van identiteiten, en van de schade die we aanrichten als we die proberen te reduceren tot één enkel definiërend kenmerk. Verhalen hebben een herscheppende kracht om ‘mensen samen te brengen, onze cognitieve horizon te verbreden, en langzaam maar zeker meer empathie en wijsheid te ontwikkelen’.

Elif Shafak – Zo houd je moed in een tijd van verdeeldheid. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2020. 96 pag. ISBN9789046828151

Elif Shafak schrijft in het Engels en Turks. Haar werk is in vijftig talen vertaald en won diverse internationale prijzen.

Elif Shafak – The revolutionary power of diverse thought

“From populist demagogues, we will learn the indispensability of democracy,” says novelist Elif Shafak. “From isolationists, we will learn the need for global solidarity. And from tribalists, we will learn the beauty of cosmopolitanism” A native of Turkey, Shafak has experienced firsthand the devastation that a loss of diversity can bring — and she knows the revolutionary power of plurality in response to authoritarianism. In this passionate, personal talk, she reminds us that there are no binaries, in politics, emotions and our identities. “One should never, ever remain silent for fear of complexity,” Shafak says.

Check out more TED Talks: http://www.ted.com

Bookmark and Share

Wat moet ik ermede? Over opvallende boektitels


Jean Rhys – Good Morning Midnight – First UK edition 1939

Een van de mooiste titels in mijn boekenkast vind ik Good Morning, Midnight (1939), een kleine roman van de Engelse schrijfster Jean Rhys (1890-1979). Die titel is de beginregel van een gedicht uit 1862 van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886):

Good Morning – Midnight –
I’m coming Home –
Day – got tired of Me –
How could I – of Him?

Sunshine was a sweet place –
I liked to stay –
But Morn – didn’t want me – Now –
So – Goodnight – Day!
I can look – can’t I –

When the East is Red?
The Hills – have a way – then
That puts the Heart – abroad

You – are not so fair – Midnight –
I chose – Day –
But – please take a little Girl –
He turned away!

Ook in de Nederlandse letteren zijn titels te vinden die ontleend zijn aan poëzie en proza, en vaak niet van werk van de minsten. Zo is de roman Wie nu geen huis heeft (1974) van Maartje Luccioni een ondubbelzinnige verwijzing naar het gedicht ‘Herbsttag’ van Rainer Maria Rilke, waarvan de laatste vijf van de twaalf regels luiden:

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Ischa Meijers Brief aan mijn moeder zou niet zo geheten hebben zonder Kafka’s Brief an den Vater (1919) en Doeschka Meijsings roman Vuur en zijde (1992) niet zo, als H. Marsmans `Paradise Regained’ niet was begonnen met

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van de morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

Renate Rubinstein was voor de titel van haar in 1970 verschenen bundel Hedendaags feminisme schatplichtig aan Carry van Bruggens Hedendaags Fetisjisme (1925), dat, al doet de titel misschien anders vermoeden, essays over taal bevat. En voor de bloemlezingen met humoristisch proza die ikzelf samenstelde onder de titel Licht Letterland ben ik natuurlijk dank verschuldigd aan Tjeempie! of Liesje in Luiletterland (1968) van Remco Campert of, zoals de eerste uitgave vermeldde, Remko Kampert.

Read more

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives