Merlijn Twaalfhoven – Het is aan ons ~ Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.

Merlijn Twaalfhoven. Ills.: Joseph Sassoon Semah

In zijn idealistische en bevlogen boek ‘Het is aan ons’ beschrijft Merlijn Twaalfhoven hoe iedereen kan bijdragen aan het oplossen van wereldproblemen. Hij stelt zich ten doel de wereld te redden en analyseert hoe het kunstenaarschap hierbij kan helpen: kunst kan houvast bieden in onzekere tijden. Twaalfhoven spreekt niet over een mooi afgerond kunstwerk – kunst moet open zijn – en iedereen moet eraan mee kunnen doen. Kunst is een speeltuin, een laboratorium voor nieuwe verbintenissen en onbevangen vragen. Het proces verloopt van Waarnemen, Voelen, Denken naar Maken. Het komt samen in een praktisch idealisme.
Twaalfhoven is op zoek naar ‘de verbinding van de nabijheid’.
Dat vereist een systeemverandering, een gezamenlijke toekomstvisie die op een waarachtige manier de menselijke waarden naar buiten brengt. Een praktisch, procesmatig idealisme.

Als componist en theatermaker organiseerde Merlijn Twaalfhoven wereldwijd voorstellingen. Hij ging de concertzaal uit en zette de muziek midden in de wereld. Als altviolist reisde hij in 1996 naar Bosnië, vlak nadat de vrede was getekend. Zijn concerten werden ‘unieke ontmoetingen’. De plaats waar werd gespeeld, werd van cruciaal belang. Hij zag wat muziek kan betekenen, al was het natuurlijk niet voldoende om een blijvende verandering tot stand te brengen. Met zijn werk voegt hij ‘een druppeltje toe aan een emmer die zich langzaam vult met vrede, moed, hoop, contact en gelijkwaardigheid’. Hij maakt ons deelgenoot van zijn reizen naar ook andere conflictgebieden waar kunst het verschil kan maken: zoals een Syrisch vluchtelingenkamp in Jordanië, de buitenwijken van Sarajevo, een huiskamerfestival in Jeruzalem, een oude pistolenfabriek in Zaandam, de Carnegie Hall in New York en een VN-conferentie in Alpbach, waar de kunstenaar werd uitgenodigd om te praten over de rol van kunst bij het halen van VN-doelen. De ontmoeting leidde helaas niet tot een concreet vervolg.

Het maken van kunst is vooral uitbesteed aan professionals, aldus Twaalfhoven. We lijken het vermogen te verliezen om zelf emoties, twijfels en dromen tastbaar te maken en vertraging te creëren. Maar schoonheid en verwondering verdienen een plek in ons leven.
Iedereen heeft een kunstenaar in zich, vrij vertaald naar Joseph Beuys. We hebben een ‘kunstenaarsmindset’ nodig, een speelse, onderzoekende, open en creatieve houding om bij te dragen aan een betere wereld. We hebben het allemaal in ons om krachten te bundelen, verhalen te vertellen, en iets van waarde te maken, tastbaar te maken wat in onszelf zit. Dan maken we het verschil.
‘Het is aan ons’, aldus Merlijn Twaalfhoven.

Hij sluit af met wat we kunnen leren van de kerk:
Ten eerste: markeer tijd en ruimte
Ten tweede: vind je houvast
Ten derde: spreek je idealen uit
Ten vierde: doe het samen
En ten slotte: vier je voortgang!

Atlas Contact, Amsterdam, 2020. ISBN9789045039800

Merlijn Twaalfhoven is componist en oprichter van The Turn Club, een samenwerkingsverband van kunstprofessionals, veranderaars en bruggenbouwers. Hij werkte o.a. met Het Nationale Ballet, Toneelgroep Amsterdam en het Kronos Quartet.

De bijeenkomst in Paradiso (d.d. 1 november 2020) naar aanleiding van het verschijnen van het boek ‘Het is aan ons. Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.’:




Zoveel soorten van verdriet: poëziecitaten in rouwadvertenties

Dood ben ik pas als jij me bent vergeten
Rust nu maar uit
Weggaan is iets anders dan het huis uitsluipen

Het gebruik om iemands overlijden publiekelijk te melden door middel van een rouwannonce in een dagblad is zeker meer dan twee eeuwen oud. Puck Kooij heeft er een boek aan gewijd. De titel, Heden gij, morgen ik. Gedenken in proza en poëzie (Amsterdam, 1995) is een variant op het gezegde “Heden ik, morgen gij” (in het Latijn hodie mihi, cras tibi), afkomstig uit een apocrief bijbelboek, met de betekenis “Wat mij vandaag overkomt, kan u morgen treffen”.

Kooij stelt in haar boek, dat de eerste rouwadvertentie verscheen in de “Oprechte Haarlemse Dingsdagse Courant van den 16 Augustus, 1791”. Die luidde

’s Gravenhage den 15 Augustus. ”In den nacht van den 12 op den 13 deezer, is alhier, aan den gevolgen van eene Borstkwaal, in den ouderdom van byna 67 Jaaren, overleden, de Wel-Eerwaardige en zeer Geleerde Heer CASPARUS VAN DER HEIDE.{..}
Zyne Assche ruste in vrede, en zyn Aandenken blyve in zegen, by alle zyne binnenlandsche en buitenlandsche Vrienden en Bekenden, aan welken mits deezen, hun geleeden verlies wordt bekend gemaakt, door den aangestelden Testaments-Executeur.“

Was de toon van zulke aankondigingen, hoewel plechtig, vooral zakelijk en informatief, gaandeweg verandert die. Kooij: “Halverwege de 19 de eeuw worden advertenties gekenmerkt door een soberder woordgebruik. (..) Spectaculaire veranderingen in de rouwadvertenties in vorm en inhoud deden zich vooral voor in de jaren negentig van de 20 e eeuw. De uitlatingen en uitroepen werden steeds creatiever en vrijmoediger, zodanig dat van terughoudendheid nauwelijks meer sprake is en de ‘emotie-cultuur’ hoogtij vierde.”

Tot die veranderingen hoort sindsdien ook het in de annonce opnemen van poëzieregels die een gemoedstoestand weergeven, hetzij nog door de overledene bij leven zelf bepaald, hetzij door de nabestaanden. Rouwpoëzie is minder bekend onder de naam funeraire poëzie, wat afstamt van het Franse funéraire, een begrafenis betreffend. Het komt ook voor in het woord funerarium, rouwcentrum.

Misschien wel het meet sprekende voorbeeld van de rol die een poëziecitaat ging innemen in de rouwannonce, is een gedicht van Nel Benschop (1918-2005):

In memoriam voor een vriend

Rust nu maar uit – je hebt je strijd gestreden.
Je hebt het als een moedig man gedaan.
Wie kan begrijpen, wat je hebt geleden?
En wie kan voelen, wat je hebt doorstaan?
Rust nu maar uit – je taak is afgekomen;
vandaag heeft God de kroon op ’t werk gezet
dat je eenmaal in Zijn kracht hebt ondernomen.
De zin was af. God heeft een punt gezet.
Maar ‘t valt ons moeilijk om de zin te vatten
van ‘t zwijgen van je laatste harteklop.
Misschien alleen maar dit: de afgematten
en moeden varen als met arendsvleuglen op …

Benschops bundels horen tot de best verkochte in ons land en de beginregel(s) van dit In memoriam horen tot de meest geciteerde. De columnist Nico Scheepmaker viel op dat dit citeren niet altijd geheel letterlijk gebeurde. Sterker nog, hij turfde de varianten en wijdde daar in 1985 een artikel aan voor het maandblad Onze Taal, onder de titel “Rust nu maar uit: 77 variaties”. (Het stuk verscheen ook in een bundeling van zijn columns, Maar mooi! Beschouwingen over poëzie. Amsterdam, 1992).
Zelden werd het gedicht in zijn geheel geciteerd, meestal werd volstaan met de eerste vier regels.
Varianten daarop waren bijvoorbeeld

Rust nu maar uit in vrede
Jij hebt je strijd gestreden
Geen mens begrijpt wat jij hebt doorstaan
Vol moed heb jij het begaan

of

Rust nu maar uit,
je hebt je strijd gestreden.
Wie kan voelen wat je hebt doorstaan,
wie kan begrijpen wat je hebt geleden.
Je hebt het als een moedig man doorstaan.
Rust nu maar uit

Maar vaker werd alleen de eerste regel uit eigen herinnering opgediept. Een selectie:

Wie kan beseffen wat je hebt geleden
Wie kon begrijpen wat je hebt geleden
Niemand weet wat je hebt geleden
Wie weet hoe hij heeft geleden
Geen mens weet wat je hebt geleden
Wie kan zeggen wat je hebt geleden

Opmerkelijk is, dat uit het werk van de christelijke dichteres Nel Benschop niet geciteerd wordt in christelijke bladen als Trouw. Daar treft men in rouwannonces uitsluitend citaten uit de bijbel en psalmen aan.

Na Nel Benschops In memoriam is waarschijnlijk het populairste rouwgedicht een gedichtje van Toon Hermans (1916-2000) – hij sprak zelf van versjes –:

Sterven doe je niet ineens,
maar af en toe een beetje,
en alle beetjes die je stierf,
‘t is vreemd, maar die vergeet je.
Het is je dikwijls zelfs ontgaan.
Je zegt: ik ben wat moe,
maar op een keer dan ben je
aan je laatste beetje toe.

Of zelfs twee van die versjes, al is Een vriend – “Je hebt iemand nodig stil en oprecht” – strikt genomen geen rouwvers.

Literair gehalte
Wordt het literair gehalte van het werk van Nel Benschop en Toon Hermans in vakkringen soms betwijfeld – in dat verband vallen wel eens termen als rijmelarij en versjeskunde -, de poëtische zeggingskracht van twee van onze belangrijkste dichteressen staat niet ter discussie. Het gedicht Sotto Voce van M. Vasalis (1909-1998) (de titel – letterlijk “onder de stem” – is een term uit de muziek en betekent “met ingehouden stem”) – hoort zonder twijfel tot de meest geciteerde funeraire verzen.

Sotto Voce

Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo’n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, t geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.

Arm en beschaamd zo arm te zijn.

Het gedicht, waarvan gewoonlijk slechts de eerste vijf versregels geciteerd worden, heeft een tragische autobiografische bron: in 1943 overlijdt haar zoontje Dicky aan kinderverlamming, achttien maanden oud. Aan diens dood zijn ook de gedichten Phoenix I en Phoenix II gewijd.
Ogenschijnlijk afstandelijker, maar bij nadere beschouwing zeker zo indringend, niet in het minst door het veelvuldig herhalen van “zeven maal”, is De gestorvene van Ida Gerhardt (1905-1997).

De gestorvene

Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zeven maal, om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Over die herhaling schrijft Gerrit Komrij in zijn prozabundel In liefde bloeyende ((Amsterdam, 1999): “De dichteres spreekt een bezwerende formule uit – en meteen maar de sterkste die er is, met uit de getallensymboliek dat allerheiligste tovergetal zeven en met een Bijbelse verwijzing naar het instorten van de muren van Jericho, waar zeven priesters met zeven ramsbazuinen zevenmaal omheen liepen – het is van het eerste begin duidelijk dat haar zeven maal om de aarde te gaan meer op een processie lijkt dan op een survival-tocht met hakmes en heupflacon.”

Troost
Voor een gedicht dat niet expliciet over sterven gaat, wordt Weggaan van Rutger Kopland (1934-2012) verrassend veel geciteerd. Blijkbaar spreekt de metafoor van weggaan voor overlijden veel nabestaanden aan. En ook uit de gedachte dat het afscheid niet voor eeuwig is, zullen veel mensen troost putten.

Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.
Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.

Die hoop op een hernieuwd contact met of voortleven van de overledene, al is het dan ook in een andere vorm, werd een categorie op zich. Ook in Nel Benschops “A Dieu” klinkt die hoop door. De eerste vier van de twaalf regels luiden

Je bent niet dood – de Heer heeft je geroepen
bij Hem te wonen in Zijn glanzend huis;
Je hoeft geen rust en vrede meer te zóeken.
je hebt ze nu – want je bent veilig thuis.

Sprekend voorbeeld van het voortleven in andere vormen is het In memoriam dat Hanny Michaelis (1922-2007) schreef voor de joodse dichteres en verzetsstrijdster Reina Prinsen Geerligs (1922-1943). Zij werd in Sachsenhausen gefusilleerd en voor haar nagedachtenis stichtten haar ouders een prijs voor het beste literaire debuut. Het gedicht van Michaelis bleek breder toepasbaar, getuige vele rouwannonces.

In memoriam

Meen niet dat zij gestorven is –
Over de velden rijst haar schim
Ten voeten uit tegen de kim,
Ontheven aan de duisternis.
Zie hoe zij aan de einder brandt,
Een ranke, smetteloze vlam
Die lichtend aan de as ontkwam,
Gelouterd en onaangerand.
Lieflijker dan een bloesemblad
Dat geurend aan zijn knop ontviel,
Ademt haar wezen door de ziel
Van hen die zij heeft liefgehad.
En in de diepten van hun hart,
Uit doolhoven van leed ontward,
Weerspiegelt zich haar beeltenis.

Meen niet dat zij gestorven is!

Eenzelfde opeenvolging van beeldspraken biedt “Do not stand at my grave and weep”. De mythe wil, dat het geschreven zou zijn door een Britse soldaat in de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven in Vlaanderen en bestemd was voor zijn geliefde in Engeland. De realiteit is echter een stuk minder romantisch. De tekst werd in 1932 geschreven door de Amerikaanse Mary Elizabeth Frye (1905-2004) en door haar zelf als pamflet aan de man gebracht.

Do not stand at my grave and weep,
I am not there; I do not sleep.
I am a thousand winds that blow,
I am the diamond glints on snow,
I am the sun on ripened grain,
I am the gentle autumn rain.
When you awaken in the morning’s hush
I am the swift uplifting rush
Of quiet birds in circling flight.
I am the soft starlight at night.
Do not stand at my grave and cry,
I am not there; I did not die.

Het gedicht werd al snel internationaal populair. Het is bijvoorbeeld verkrijgbaar als geplastificeerd kaartje en is in tientallen talen vertaald, onder meer in het Fries en het Nederlands.

Huil niet aan mijn graf.
Ik ben daar niet. Ik slaap niet.
Ik ben duizend winden die waaien.
Ik ben de diamanten glinstering op sneeuw.
Ik ben het zonlicht op het rijpend graan.
Ik ben de zachte herfstregen.
Als je in de morgenstilte wakker wordt,
ben ik de snel opstijgende vlucht
kalm rondcirkelende vogels.
Ik ben de vriendelijke ster die ´s nachts schijnt.
Huil niet aan mijn graf
Ik ben daar niet. Ik ben niet dood.

Dit is een van een aantal varianten, want net als het gedicht van Nel Benschop waarvan Nico Scheepmaker 77 variaties telde, komt dit vers in vele versies voor. Enkele voorbeelden van vertalingen van de eerste twee regels:

Ga niet staan huilen aan mijn graf, ik ben daar niet. Ik rust daar niet.
Huil niet aan mijn graf. Daar ben ik niet. Ik slaap niet.
Sta niet aan mijn graf, huil niet. Ik ben er niet. Ik ben niet gestorven.
Sta aan mijn graf zonder verdriet, ik ben daar niet, ik slaap er niet.
Sta niet aan mijn graf en huil, ik ben er niet. Ik slaap niet.

Jean Pierre Rawie (1951) schreef een aantal sonnetten over sterven met een grote herkenbaarheid, blijkens de vele annonces waarin een citaat uit zijn werk te vinden is. Met name de gedichten over het overlijden van zijn ouders worden veelvuldig gebruikt in rouwadvertenties.

Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

De dichter stelde zelf een bloemlezing met 47 van “de mooiste rouwgedichten” samen uit zijn oeuvre, onder de titel Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad (Amsterdam, 2003).

Pop
Een redelijk recente tendens is, dat er niet geput wordt uit de funeraire poëzie maar uit de teksten van popsongs, een trend die wellicht is ingezet met het nummer Vanmorgen vloog ze nog, uit de musical Tjechov (1991) van Robert Long en Dimitri Frenkel Frank. De meest geciteerde regels blijken vooral van toepassing als de bezongene jong overleden is:

Vanmorgen vloog ze nog
Zo onbelemmerd en gracieus
En zo verheven
Zo’n sierlijk wezentje
‘t Was geschapen om te zweven

Profaner is het gebruik van de meezinger Leven na de dood van Freek de Jonge (1944) uit 1997, een bewerking van het nummer Death is not the end van Bob Dylan op diens album Down in the groove (1988). Gewoonlijk wordt in zo’n rouwadvertentie de regel “Moet je weten Er is leven na de dood” voorafgegaan door een regel die rijmt op dood, wat niet zelden leidt tot al dan niet bedoelde ongein.
Dan is een keuze uit het werk van Bram Vermeulen (1946-2004), die jarenlang met Freek de Jonge het duo Neerlands Hoop (in Bange Dagen) vormde, een betere keus. Hij biedt daartoe twee nummers, waarvan in de meeste gevallen alleen het refrein geciteerd wordt, soms alleen de eerste twee regels daarvan, zoals van De steen, van het album Rode wijn (1988).

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt altijd een weg omheen.

en soms ook alleen de laatste twee, zoals van Testament (op Vriend en vijand, 1991)

Als ik dood ga, huil maar niet
ik ben niet echt dood moet je weten
‘t is maar een lichaam dat ik achterliet,
dood ben ik pas als jij me bent vergeten

Veel gebruik wordt er ook gemaakt van de tekst van Zeg me dat het niet zo is van Frank Boeijen (1957), te vinden op zijn album Een zomer aan het eind van de twintigste eeuw (1989).

Zeg me dat het niet zo is
Zeg me dat het niet zo is
Zeg me dat het niet waar is

Kom we gaan, trek je jas aan
Anders wordt het te laat
Kom eens hier
Ik houd je vast
Ik laat je nooit meer gaan
En ik vertel je een grap die je laat huilen van de lach
En we vergeten de blikken van de mensen in de stad

We doen net alsof het niet zo is
Alsof het niet zo is
Alsof het niet waar is

We doen net alsof ze gewoon verder leeft
Alsof ze gewoon verder leeft
Zelfs als het niet zo is

Interessant aan de tekst is, dat wat een gesprek tussen twee geliefden lijkt in de laatste drie regels een monoloog blijkt te zijn gericht tot de overledene. Dit is een voorbeeld van monologue morbide, een stijlfiguur die in de popmuziek onder meer ook is toegepast door Cat Stevens in Lady d’Arbanville, waarin de regel Why do you sleep so still? een niet te missen verwijzing is naar haar dood.
Door gebruik te maken van poëziecitaten, kunnen nabestaanden – en in toenemende mate de overledene zelf al bij leven – hun gevoelens beter onder woorden brengen, ook al zijn dat woorden van anderen, dan met clichés als “Tot ons leedwezen”, “Diep bedroefd geven wij kennis” en “Volkomen onverwacht is ons ontvallen“.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637




Een bom in Londen – Joseph Conrad, zijn roman The Secret Agent en een Franse kleermaker

Greenwich Royal Observatory

De Pools-Engelse schrijver Joseph Conrad (1857-1924), auteur van onder meer Heart of Darkness en Lord Jim, liet zich voor zijn roman The Secret Agent (1907) inspireren door een ware gebeurtenis: een poging tot een bomaanslag op het Greenwich Royal Observatory in 1894. De gebeurtenis was niet meer tot dan de aanleiding voor de roman, stelde Conrad. Van de achtergronden ervan zou hij niet op de hoogte zijn geweest. Maar was dat wel zo? Wat waren dan deze achtergronden?

Joseph Conrad

Revolutionairen
In The Secret Agent beschrijft Conrad hoe Adolf Verloc, een winkelier in brocante, pornografie en voorbehoedsmiddelen, de broer van zijn vrouw aanzet een aanslag te plegen op het Greenwich Royal Observatory. Het verhaal speelt zich af in 1886. Verloc behoort tot een geheime anarchistische groep die in Londen opereert. Maar ook verricht hij hand en spandiensten in opdracht van een buitenlandse – Russische? – ambassade. Een diplomaat van de ambassade vertelt dat zijn land de Britse respons op de activiteiten van revolutionairen uit zijn land te zwak vind. Een eventuele aanslag zou de waakzaamheid zeker opvoeren. Verloc weet zijn inwonende zwager Stevie, een jongen met een verstandelijke beperking, aan te zetten een bomaanslag te plegen op het Greenwich Royal Observatory.
Ook heeft Verloc goede contacten met hoge politiefunctionarissen. Die laten hem bij de voorbereidingen oogluikend zijn gang gaan.
Met een bom in de zak van zijn overjas, struikelt Stevie halverwege het pad heuvelopwaarts naar het observatorium en blaast zichzelf op. Een briefje dat wordt gevonden in de resten van zijn overjas, zet de politie op het spoor van Verloc. Wanneer zijn vrouw Winnie achter de waarheid komt, zijn de gevolgen voor Verloc noodlottig: hij wordt door Winnie vermoord.
Wanneer Winnie daarna vlucht en een nieuw leven wil beginnen, blijkt ook haar geluk van korte duur.

Persiflage
Naast dit tragische familiedrama kent het boek ook een luchtiger kant. Zo is de karakterschets die Conrad geeft van de anarchistische kringen waarin Verloc verkeert, nogal dik aangezet, een persiflage bijna. De leden van zijn geheime anarchistische groepje worden neergezet als grotesk orerende beroepsrevolutionairen, die soms de zelfkant van de maatschappij nauwelijks ontstegen lijken te zijn. Karikaturale personages weliswaar, maar toch geïnspireerd op bestaande personen uit de anarchistische beweging. Michaelis, de filosoof van de groep, lijkt geënt op Michael Bakoenin en Peter Kropotkin, twee van de grote denkers van het anarchisme. Een ander lid, bijgenaamd The Professor, is een deskundige in explosieven, en vertoont grote gelijkenis met de Duitse anarchist Johann Most, onder meer auteur van het boekwerkje Revolutionäre Kriegswissenschaft, een handleiding tot het fabriceren van bommen.
Centraal staat in het boek echter de aanslag die Stevie moet gaan plegen: een vrijwel exacte kopie van wat er op 15 februari 1894 gebeurde op het wandelpad naar het Greenwich Royal Observatory.

Martial Bourdin

Motieven
Op die dag verliet de Franse anarchist Martial Bourdin zijn kamer in Fitzroy Street in Londen.
Bij zich droeg hij een handgemaakte bom. Op Westminster nam hij de tram naar Greenwich Park. Daar nam hij een pad naar het Royal Observatory. Halverwege de heuvel kwam hij vermoedelijk ten val waarbij de bom tot ontploffing kwam. Zwaar gewond werd Bourdin naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis vervoerd. Zonder dat hij zijn naam noemde of iets zei over zijn motieven, overleed hij daar een half uur later. Waarschijnlijk had hij een aanslag willen plegen op het observatorium.
Het is altijd een raadsel gebleven wat Bourdins beweegredenen voor de aanslag waren. Het observatorium gold niet als een markant kapitalistisch symbool. Ook als symbool van de Britse staat lijkt het vergezocht. Iets als de Houses of Parlement zou in dat geval meer voor de hand gelegen hebben. Het observatorium diende immers in de eerste plaats de wetenschap.
Wel bevond zich in het observatorium de klok die sinds 1852 de Greenwich Mean Time (GMT) aangaf. In 1880 besloot de Britse regering deze als standaardtijd te hanteren. Met enige fantasie valt hooguit te beargumenteren dat de klok een symbool vormde voor de controle die de Britse staat dankzij de GMT uitoefende over het dagelijks leven van de arbeidende bevolking. Maar deze redenering lijkt vergezocht.
Een andere vraag die politieonderzoekers zich stelden was of de actie van Bourdin een soloactie was of dat hij bij de voorbereiding hulp had gehad. Opvallend was verder dat Bourdin een groot geldbedrag bij zich droeg. Waarom? Wilde hij na zijn daad mogelijk snel het land verlaten? En hoe was de Fransman eigenlijk in Londen verzeild geraakt en wat voerde hij er uit?

Strenge wetten
Londen was in de jaren rond 1890 een toevluchtsoord geworden voor socialisten, anarchisten, Russische nihilisten en andere revolutionairen die, op het gevaar vervolgd te worden, niet langer in eigen land konden blijven. Buitenlandse politieke bannelingen van allerlei pluimage en nationaliteit vonden in Londen makkelijk hun draai. In kringen van landgenoten werden ze snel opgenomen.
Peter Kropotkin had na zijn gevangenschap in Rusland, spoorslags het continent verlaten – Frankrijk dreigde hem uit te leveren aan Rusland – en had zich in 1886 in Londen gevestigd. Daar was hij in dat jaar betrokken bij de oprichting van de Freedom Group. Ook de Russische revolutionairen Stepniak en Félix Volkhovsky hadden zich in Londen gevestigd, evenals de Duitse anarchist Rudolf Rocker en de Oostenrijkse historicus van het anarchisme Max Nettlau.
In Frankrijk brak tijdens de jaren van het ‘anarchisme van de daad’ een ware heksenjacht op anarchisten uit. De bomaanslagen door Ravachol (1892) en Vaillant (1893) waren aanleiding voor het aannemen van strenge wetten, gericht op het vervolgen van anarchisten. Door deze Lois scélérates werd de persvrijheid aanzienlijk beknot en anarchistische propaganda verboden. Antimilitaristische activiteiten en propaganda tegen de staat waren niet langer toegestaan. Voor de anarchistische beweging in Frankrijk betekende dit een enorme aderlating. Het publiceren van tijdschriften en het organiseren van bijeenkomsten waren vrijwel onmogelijk geworden. Naar schatting zo’n vijfhonderd Franse anarchisten namen de wijk naar Londen, onder wie Louise Michel, de heldin van de Commune.

Kleermaker
Ook de Nederlandse anarchist Alexander Cohen, volop actief in de anarchistische beweging in Parijs, ondernam de reis over het Kanaal. Cohen schreef in Parijs voor een aantal anarchistische tijdschriften en was correspondent voor Recht voor Allen van de socialistische voorman Domela Nieuwenhuis. Hij was zeer goed bevriend met anarchistisch publicist en kunstcriticus Félix Fénéon en de latere anarchist van de daad Emile Henry. Henry pleegde onder meer de beruchte bomaanslag op Café Terminus in Parijs op 12 februari 1894, slechts drie dagen voor de bomontploffing in Greenwich. Voor zijn daden werd hij op 12 mei 1894 terechtgesteld. Ook Henry verbleef enige tijd in Londen.
Vanuit Parijs kwam ook de Parijse kleermaker Martial Bourdin naar Londen. Hij was 26 jaar oud, geboren in Tours. In Parijs was Bourdin lid geweest van L’Aguille (De Naald), een organisatie van anarchistische kleermakers. Na een korte gevangenisstraf voor het organiseren van een anarchistische bijeenkomst vertrok hij naar Londen waar hij werk vond in de kleermakerswerkplaats van zijn broer. In Londen werd hij een geregelde bezoeker van de Autonomie Club, waar discussie- en propagandabijeenkomsten werden gehouden. Bourdin was een tijdje secretaris van de Franse sectie van de club. Hij was een geregelde bezoeker van de drukkerij van het tijdschrift The Torch of Anarchy, voor een praatje of om de laatste nieuwtjes op te pikken.

Olivia en Helen Rossetti en vader William Rossetti

Tijdschrift
Dit tijdschrift werd tussen 1891 en 1894 gemaakt door twee zussen, Olivia Rossetti (1875-1960) en Helen Rossetti (1879-1969), dochters van de schrijver William Rossetti. Hun moeder was Lucy Madox Brown, auteur van een biografie van Mary Wollstonecraft. Haar halfzuster was de moeder van de Britse schrijver Ford Madox Ford.
Zowel vader Rossetti als oom Ford Madox Ford verkeerden in vooruitstrevende literaire en politieke kringen. Het huis van de Rossetti’s is wel beschreven als een soort salon waar progressief denkende en kunstminnende figuren graag over de vloer kwamen en van gedachten wisselden over politiek en cultuur. De Rosetti’s raakten onder meer bevriend met Peter Kropotkin, Stepniak en andere Russische revolutionairen, William Morris en George Bernard Shaw.
Nog in hun tienerjaren, beïnvloed door de brochure An Appeal to the Young van Kropotkin, besloten de zussen Rossetti een tijdschrift uit te geven, gewijd aan het anarchistisch gedachtegoed. Vanuit de kelder van hun ouderlijk huis maakten ze de eerste paar nummers en gaven ze de brochure Why I Am An Anarchist van George Bernard Shaw uit. Een vriend van de familie zorgde voor de toebehoren voor een kleine drukkerij. In Ossulston Street, in een arme buurt van Londen, vestigden ze de drukkerij en de redactieruimte van het tijdschrift. De drukkerij werd een aanloopplek voor allerlei actieve anarchisten, en diende ook als vergaderlokaal. Vaak werd er gezamenlijk gegeten. Max Nettlau was een geregelde bezoeker, net als Louise Michel en de Italiaanse anarchist Malatesta. Alexander Cohen liep er regelmatig binnen, evenals Emile Henry en Martial Bourdin.
In The Torch verschenen artikelen van onder anderen Louise Michel, Sébastien Faure, Malatesta, Emile Zola, Octave Mirbeau en de jonge Ford Madox Ford. De impressionistische schilder Camille Pissarro maakte enkele tekeningen voor het blad. Alexander Cohen schreef voor The Torch een fel artikel waarin hij de zojuist wegens homoseksualiteit veroordeelde Oscar Wilde verdedigde, en het artikel The Case for Mrs. Eden, waarin hij als een van de eersten in de Engelse taal, voor de vrouw het recht op abortus bepleitte.[1]

Provocateur
Conrad had weliswaar een ware gebeurtenis als uitgangspunt voor zijn roman genomen, maar hij stelde dat de inhoud verder geheel aan zijn verbeelding was ontsproten. Destijds, in 1894, zo beweerde hij, waren de berichten over de geplande aanslag hem volledig ontgaan omdat hij in het buitenland verbleef. Conrad was in Frankrijk, maar daar kan de door Emile Henry gepleegde aanslag hem toch moeilijk zijn ontgaan. Ongetwijfeld zal de Franse pers ook naar de Greenwich bom hebben verwezen. Die was immers slechts drie dagen na de aanslag in Parijs.
Conrad hoorde pas van de Greenwich bom in 1906, zo stelde hij, toen de affaire in een gesprek met zijn goede vriend Ford Madox Ford, toevallig ter sprake kwam. Dat lijkt echter onwaarschijnlijk. Conrad wist wel degelijk meer over de achtergronden, zo schreef Ford Madox Ford later.
In het boek zet Verloc Stevie aan tot het plegen van de aanslag. Ook in werkelijkheid was het aannemelijk dat een provocateur actief betrokken was bij de voorbereidingen. Verschillende bronnen maken althans melding van de rol van een politiespion.
Sir Robert Anderson, in 1894 Second Assistant Commissioner van de Metropolitan Police, schreef later in zijn memoires dat de politie van te voren op de hoogte was van activiteiten van Bourdin, maar die dag niet kon ingrijpen. Toen Bourdin op 15 februari 1894 zijn huis verliet, werd hij gevolgd maar in het straatgewoel raakte men hem kwijt. Anderson ‘vergat’ echter te vermelden dat zijn eigen dienst kennis had van de voorbereiding van een aanslag en Bourdin min of meer zijn gang had laten gaan.

Ford Madox Ford

‘Halve gek’
In een brochure over de affaire beweerde de anarchist David Nicoll destijds dat H. B. Samuels, de zwager van Bourdin en uitgever van het anarchistische blad Commonweal, een politiespion was. Hij zou Bourdin tot zijn daad hebben aangezet. Nicoll beweerde dat een man genaamd Fauset McDonald het zwavelzuur voor de bom aan Bourdin had geleverd. Ook anderen uit de beweging onderschreven de beweringen van Nicoll over Samuels.
Toen Nicholl echter meer personen uit de beweging ervan ging betichten voor de politie te spioneren, kreeg hij een deel van de beweging tegen zich. Prominente anarchisten als Kropotkin en Charlotte Wilson distantieerden zich in een open brief van Nicholl. De rol van Nicholl was daarmee uitgespeeld, maar in de Engelse beweging bleef de affaire nog jaren doorsudderen.
Het meest overtuigend zijn echter de verklaringen van Ford Madox Ford (1873-1939). Als schrijver is hij tegenwoordig vrijwel vergeten, ook al wordt zijn roman The Good Soldier gerekend tot één van de beste romans van de twintigste eeuw. Veel lezers kennen hem als een van de figuren in de literaire kring rond James Joyce en Ernest Hemingway in de jaren twintig in Parijs. In A Moveable Feast, de memoires van Hemingway over zijn tijd in Parijs, geeft hij een niet al te flatteus beeld van Ford.
Ford was een groot bewonderaar van Kropotkin. Vaak zocht hij hem op in zijn cottage en maakten ze lange wandelingen in de natuur. Ford was geen actieve anarchist, maar dankzij zijn contacten met de zussen Rossetti verkeerde hij aan de zijlijn van de beweging. Hij was dan ook goed op de hoogte van wat daar speelde. In zijn memoires beschrijft hij hoe hij in 1906 Joseph Conrad, die toen aan The Secret Agent werkte, had voorzien van anarchistische literatuur en hem informatie over bepaalde anarchisten had gegeven. Zelfs over het plot van de aanslag op het Observatory kon Ford inlichtingen geven, hem verteld door Herbert Asquith, de vroegere Home Secretary. Het idee van een aanslag op het Greenwich Observatory zou afkomstig zijn van een Russische agent-provocateur genaamd Azev. De Rus was in de jaren negentig actief geweest in Londen. Hij had geopperd een ‘halve gek’ in te huren en hem met een bom op pad te sturen naar het observatorium, om zodoende een reactie van de Britse regering ten aanzien van Russische revolutionairen te kunnen uitlokken.

Het ongemarkeerde graf van Martial Bourdin op St. Pancras Cemetary, Londen

Roman
Dat Martial Bourdin het slachtoffer was geworden van de manipulaties van een agent-provocateur was een opvatting die onder anarchisten in Londen breed werd gedragen. Dat blijkt ook uit de roman van Isabel Meredith uit 1903, getiteld A Girl among the Anarchists.
De roman beschrijft het wel en wee rond een anarchistisch tijdschrift genaamd The Bomb, en de drukkerij waar het vervaardigd wordt, in het Londen van rond 1894. Dat The Bomb niets anders dan The Torch kan zijn is duidelijk, want Isabel Meredith was het pseudoniem van Olivia en Helen Rossetti. De roman is geen geromantiseerd of fictief verhaal. Volgens tijdgenoten van de Rossetti’s is het een meer dan waarheidsgetrouwe beschrijving van de jaren dat de zussen het blad in Ossulton Street drukten en uitgaven. De namen van personen zijn echter gewijzigd. In de persoon Augustin Myers is niettemin Martial Bourdin te herkennen. Bourdins zwager H.B. Samuels wordt in de roman opgevoerd als zijn broer Jacob Myers. Fauset McDonald, de man die Bourdin waarschijnlijk van zwavelzuur voorzag, krijgt de naam Dr. Armitage. Alexander Cohen figureert in de roman als Armand Sylvestre. Dat Cohen bekend stond als een notoire grappenmaker wordt ook in de roman duidelijk. Ook komt hij met een ingenieus plan om een gezochte Italiaanse anarchist onopvallend uit de drukkerij te smokkelen.

Reputatie
Door literatuurcritici en –historici zijn veel studies verricht over de thema’s, opbouw, chronologie en achtergronden van The Secret Agent. Zelfs over het sfeerbeeld van Londen in de roman.
Een vraag blijft echter waarom Conrad beweerde niets te weten van de achtergronden van de affaire. Was hij misschien bang dat hij zijn serieuze reputatie als romanschrijver teniet zou doen wanneer hij zou toegeven zich verdiept te hebben in het anarchisme? Is dat ook de reden waarom hij een karikaturaal beeld schetst van anarchisten? Blijkbaar wilde hij onder geen beding met het anarchisme geassocieerd worden.
Een aantal elementen uit de informatie van Ford paste hij toe in de roman: een man met een bom op weg naar het observatorium blaast zichzelf op; de agent-provocateur en zelfs de ‘halve gek’ van Azev, geprojecteerd op de verstandelijk beperkte Stevie. Het drama van de familie Verloc voegde hij eraan toe.
Aan de Schotse politicus R.B. Cunninghame Graham schreef hij in 1907: ‘ …I am glad you like the S. Agent. Vouz comprenez bien that the story was completely written without malice. It had some importance for me as a new departure in genre and as a sustained effort in ironical treatment of a melodramatic subject, – which was my technical intention…’

Alexander Cohen

Verontwaardiging
Enkele dagen na de ontploffing schreef een Nederlandse krant: ‘De man, die met de ontplofbare stoffen in zijn zak te Greenwich struikelde en op de meest pijnlijke wijze zelf het slachtoffer werd der vernietigingswerktuigen, waarmede hij de maatschappij bedreigde, schijnt in relatie te staan tot andere te Londen vertoevende anarchisten. Door de bij hem gevonden papieren zal het misschien aan de Engelsche politie gelukken, eenige gevaarlijke personen het land uit te zetten.’
Daarmee verwoordde de krant in eerste instantie de verontwaardiging bij de Britse pers en in de publieke opinie. De woede zakte echter snel weg toen meer en meer duidelijk werd dat de politieautoriteiten een dubieuze rol in de affaire hadden gespeeld. Arrestaties in verband met de zaak bleven uit en niemand werd het land uitgezet.
Alexander Cohen besteedt in zijn memoires Van anarchist tot monarchist (1936) slechts enkele regels aan het gebeuren. Hij noemt Bourdin zelfs niet bij naam, maar geeft wel keurig antwoord op de vraag wie nu eigenlijk blaam trof in de affaire: ‘De énige ‘outrage’, of vóórbereiding daartoe, die, destijds in Engeland plaats had: men vond […] het verminkte lichaam van een, door de bom die hij vervoerde uiteengereten persoon, een Frans kleermaker, wiens naam mij is ontschoten, deze aanslag, zeg ik, werd vrij algemeen toegeschreven aan den overdreven dienstijver der continentale politie, die, met de oogluikende instemming van Scotland Yard, m.a.w. van de Engelse Intelligence Service, de Britse regering wilde nopen tot de uitbanning van de reeds in Engeland vertoevende, en het niet-toelaten, op haar grondgebied, van toekomstige anarchistische uitwijkelingen. Maar de grove toeleg was zódanig in het oog gelopen, dat zelfs de aanvankelijk het hevigst misbaar makende kranten al gauw haar gekunstelde verontwaardiging tegen de, van Albions gastvrijheid misbruik makende ‘foreign criminals’ lieten uitgloeien als een stervend stoppelvuurtje.’

Noot:
[1] Op 12 juni 1895 schreef Alexander Cohen aan Domela Nieuwenhuis: ‘Die lui [van The Torch] krygen nog steeds Recht voor Allen niet in ruil van hun blad, in weerwil van myn herhaald verzoek en uwe belofte. Waarom niet?’




StAWIL: Steun Acroniem – Weg met Initiaal- of Letterwoord

In het spraakgebruik wordt elke schrijfwijze die korter is dan het volledige woord of de volledige woorden – KNVB, NPO, bios, svp, VARA, p.n.o.k., O.T, bv. – een afkorting genoemd. En als er al een onderscheid wordt aangebracht, is het tussen letterwoord – UNO, JAC – en afkorting de rest.

Er is een verfijnder – en zinniger – indeling te bedenken. Dat is bijvoorbeeld gedaan door Dr. C.G.L. Apeldoorn. In het ‘Voorbericht’ bij zijn Afkortingen (Utrecht, 1983) oppert hij een indeling in verkortingen, afkortingen en initiaalwoorden.

De driedeling van Apeldoorn maakt het volgende onderscheid :
1. verkorting, waarbij het eind van een woord – prof(essor) – of het begin van een woord – (auto)bus – wordt weggelaten;
2. afkorting, waarbij van een of meer woorden een of meer letters gebruikt worden: m.m., B.Z.N., v.m., h., n.v.t.;
3. initiaalwoord.

Die laatste groep valt in drie soorten uiteen: 1. de initialen vormen een uitspreekbaar woord (AVRO, FIFA); 2. ze zijn niet als één woord uit te spreken (CDA, NCB, PVC); 3. om er een normaal uit te spreken woord van te maken, neemt men meer dan alleen de beginletters (BENELUX).
Een bezwaar tegen Apeldoorns indeling is, dat er drie te onderscheiden vormen onder één term (initiaalwoord) gebracht worden, terwijl één daarvan (PSP, DDR, WVC, enz.) onder zijn eigen definitie van ‘afkorting’ valt en een andere (FEBECOOP: Federatie der Belgische Coöperatieven) zich niet tot de initialen beperkt.

De resterende vorm (UNIFIL, NOS) is derhalve de zuiverste vorm van het initiaalwoord, en het is die vorm die nog altijd hardnekkig met ‘letterwoord’ wordt aangeduid. Een foeilelijk woord en nog zinledig ook, al was het maar omdat elk woord per definitie een letterwoord is, zoals ook elk getal een cijfergetal is.. Die nietszeggende, hoogst verwarrende term dient snel vervangen te worden door een betere, een duidelijke, een informatie-dragende naam. Acroniem, bijvoorbeeld.
Er is geen reden waarom dit type afkorting in het vervolg in het Nederlands níét acroniem zou heten.
En er zijn – ten minste twee – uitstekende redenen waarom we ze voortaan wèl zo zouden noemen.

De eerste is dat het initiaal- of letterwoord in alle moderne vreemde talen met deze term wordt aangeduid. De tweede reden is dat het woord acroniem is opgebouwd uit twee delen die beide in tal van gebruikelijke Nederlandse woorden voorkomen. Acro, van het Griekse akron (punt, spits, uiteinde), verschijnt bijvoorbeeld in acropolis (letterlijk: stad op de top), acrobaat (van akrobatos: op de tenen gaand) en acrofobie (hoogtevrees). Tot de mooiste reken ik acromegalie (het Griekse megas is groot; vandaar de afwijking die reuzengroei van handen en voeten veroorzaakt) en acrostichon, het gedicht waarvan de eerste letters van elke versregel een woord, naam of uitspraak vormen.
Het tweede deel van acroniem stamt van het Griekse onuma (naam) en komt voor in onder meer pseudoniem, synoniem en anoniem. Zonder overdrijven kan daarom geconcludeerd worden dat ‘acro’ en ‘niem’ al lang en in tal van samenstellingen in onze taal gebruikt worden, alleen nog niet of nauwelijks in combinatie met elkaar. Er is dus alle reden om wat tot nu toe doorgaans met letterwoord werd aangeduid, namelijk een afkorting die zich als één woord laat uitspreken, voortaan acroniem te noemen.

Historie
De laatste tijd, laten we zeggen vanaf de Tweede Wereldoorlog, is er een explosie van acroniemen, maar dat wil niet zeggen dat het verschijnsel niet al veel ouder is. Het oudste voorbeeld komt wellicht uit de bijbel: de tekst op het bord dat boven Christus’ hoofd aan het kruis bevestigd werd.
Die tekst luidt: INRI, het acroniem van het Latijnse Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum, Jezus van Nazareth, Koning der Joden.
In de begintijd van het christendom was ICHTHUS (Grieks voor vis) het symbool voor Christus en diende het als wachtwoord voor de geheime, want verboden bijeenkomsten van de eerste christenen. ICHTHUS is de afkorting van Iesous CHristos THeou hUios Soter, Jezus Christus, Zoon van God, Verlosser.
Veel meer biedt de historie niet, tot in 1602 de VOC, de Vereenigde Oostindische Compagnie, werd opgericht, al is het twijfelachtig of dat toen als één woord werd uitgesproken.
Het eerste moderne acroniem danken we waarschijnlijk aan het ontstaan van de Algemeene Vereniging Radio Omroep in 1923. Ook hierbij is het trouwens de vraag of er van het begin af AVRO gezegd is. Het lijkt me geen onredelijk criterium dat iets niet alleen een acroniem kàn zijn, maar het in de praktijk ook is. Om die reden valt bijvoorbeeld KRO uit de boot. Veilig kan gesteld worden dat het zuivere acroniem een kind van de twintigste eeuw is.

UNO en ONU
Een sector waar al snel veel acroniemen verschenen, was de voetbalsport. Met het toenemen van de FC Plaatsnaam verdwijnen de mooiste uit de publiciteit, maar bij de ware liefhebbers worden nostalgische herinneringen opgeroepen door namen als DOS en NOAD: Door Oefening Sterk; Nooit Ophouden, Altijd Doorgaan. Dat waren de dagen van Rigtersbleek en Limburgia, Enschedesche Boys en Zwartemeer. Die tijd komt nooit meer terug.
De Tweede Wereldoorlog gaf een ferme stoot tot de verdere opmars. Tot de meest praktische behoorde LIB, dat zowel in het Engels (Light Infantery Batallion) als in het Nederlands (Lichte Infanterie Bataljon) inzetbaar was, en tot de welluidendste AMACAB (Allied Military Administration, Civil Affairs Branch).
Maar pas na die oorlog nam het gebruik van acroniemen serieuze vormen aan. De UNO ontstond, de United Nations Organization, en de NATO, de North Atlantic Treaty Organization. In het Frans bestaan ze precies andersom maar niet minder acroniem: ONU en OTAN. Door de UNO werden andere organisaties in het leven geroepen. Daaronder UNICEF, het United Nations International Children’s Emergency Fund, en UNESCO, de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization.

Vruchtbare bronnen zijn ook het onderwijs – de Mammoetwet bracht ons, onder veel meer, MAVO en HAVO, LEAO, MEAO en HEAO – en de sociaal-economische hoek. De SER, de Sociaal-Economische Raad, heeft zijn licht laten schijnen over deels door de tijd al achterhaalde onderwerpen als de VAD, de VermogensAanwasDeling, de WIR, de Wet op de InvesteringsRekening, APO, een ArbeidsPlaatsenOvereenkomst, en VUT, Vervroegde UitTreding.
Tot de jongste lichting behoren acroniemen uit het ARC, het Alternatieve Relaties Circuit, zoals de LAT-relatie, Living Apart Together, de WOP-relatie (wippen, ontbijten, pleite) en de BOM, de Bewust Ongehuwde Moeder.
Veel komen er ook voort uit het ruimte-onderzoek. Bekend zijn de ANS (Astronomische Nederlandse Satelliet) en de IRAS (InfraRed Astronomy Satellite), maar minder lees je over MRUASTAS, een Medium-Range Unmanned Aerial Surveillance and Target Acquisition System, en DISCO, Dual Irradiance and Solar Constant Orbiter.
Aan sommige voorbeelden – WIR, DISCO – is te zien dat er wel eens een paar tussenwoordjes weggesmokkeld moeten worden; bij andere – ICHTHUS, RADAR (RAdio Detecting And Ranging) – wordt meer dan alleen de beginletter van elk woord gebruikt. Ook dat is een argument vóór het gebruik van de term acroniem (acro betekent immers punt, spits) boven namen als initiaalwoord of beginletterwoord.

Bloody Awful
Het is een zeker teken dat iets leeft in de taal, als er door de gebruikers van die taal mee gespeeld wordt, als er varianten op bedacht worden of grappen mee gemaakt. Voor HEMA circuleert behalve de officiële – Hollandse EenheidsprijzenMaatschappij Amsterdam – ook een officieuze invulling: Hier Etaleert Men Afval. En NOZEM heette de afkorting te zijn van Nederlandse Onderdaan Zonder Enig Moraal.

Dankbare voorwerpen van milde spot zijn de namen van luchtvaartmaatschappijen. Zo wordt de voormalige SABENA in plaats van Société Anonyme Belge d’Exploitation de la Navigation Aérienne ook opengevouwen tot Sauf Accidents, Bien Entendu, Nous Arriverons (ongelukken daargelaten, wel te verstaan, zullen we aankomen). En GARUDA, de Indonesische luchtvaartmaatschappij, kreeg als postkoloniale variant: Good And Reliable Under Dutch Administration (goed en betrouwbaar onder Nederlands beheer). Britse luchtvaartmaatschappijen kunnen helemaal geen goed doen: voor BOAC – inmiddels ter ziele – bedachten collega’s van de concurrentie Better On A Camel en voor BA (British Airways) Bloody Awful.

Niet zelden worden acroniemen voor de gelegenheid bedacht. Dat lijkt het geval met het 13 letters tellende EENHEIDSWORST: de Enige Echte Nederlandse Hardwerkende En Intellectueel Denkende Sportvereniging Welke Onder Rustige Situaties Traint.
Wie er eenmaal oog voor heeft, ontdekt voortdurend nieuwe en verrassende kanten aan het acroniem. Zoals VOLDULOSTA, de Vereniging van Oud-Leerlingen Der ULO-School Te Aalsmeer, dat een acroniem binnen een acroniem bevat. Of de ware achtergrond van het ogenschijnlijk nederige woordje PEC, de naam van een voetbalclub uit Zwolle. In PEC gingen ooit twee clubs samen wier namen het Champions League-gebeuren een onverwachte glans gegeven zouden hebben, waren zij niet opgegaan in de Prins Hendrik Ende Desespereert Niet Combinatie.

De komende tijd zal, zo moet maar gehoopt worden, het makkelijk uit te spreken en beter te onthouden acroniem in steeds meer gevallen verkozen worden boven de traditionele afkorting.
Voorbeelden te over in de commercie, maar vooral in de techniek, zoals in de astronomie, de wapenwedloop (AWACS, START) en de computerwereld: BASIC (Beginners All-purpose Symbolic Instructions Code) of COBOL (COmmon Business Oriented Language).
En anders moet misschien maar de Actiegroep Steun Acroniem – Weg met Initiaal- of Letterwoord opgericht worden.

Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637




Esreteip

In antwoord op de vraag naar de opmerkelijkste naam in de Nederlandse literatuur zou het werk van Bordewijk ongetwijfeld vaak genoemd worden. Alleen Bint (1934) al biedt een hele rij memorabele namen, zoals Whimpysinger, Van der Karbargenbonk en Taas Daamde, Surdie Finnis, Schattenkeinder, Bolmikolke, Klotterbooke en Kiekertak, namen die hij overigens gewoon in het telefoonboek van Rotterdam gevonden had. Of Karakter (1938), met zijn namen van gewapend beton: Dreverhaven, Katadreuffe en Kalvelage.

Hoog op mijn lijst zou Inigo Wintrop staan, de hoofdfiguur in Cees Nootebooms roman Rituelen (1980). Een intrigerende naam: welluidend, ongebruikelijk, on-Nederlands en toch ook niet gemakkelijk aan een andere taal te verbinden. Zijn roepnaam – Inni – is een palindroom. Maar hij zou niet op de eerste plaats staan. Die is voor Esreteip. Niet zozeer omdat dat de merkwaardigste, onbegrijpelijkste, vreemdste of gewrongenste is, maar omdat die naam in slechts acht letters een paar eeuwen cultuurpolitiek, koloniaal beleid en calvinistische hypocrisie oproept.

Het was algemeen bekend dat veel van de heren die in “Nederlandsch-Indië” het vaderlands gezag vertegenwoordigden, er een of meer inlandse vrouw(en) op na hielden: een bijzit, een snaar, een njai. Het was evenzeer bekend dat uit zulke relaties vaak kinderen voortkwamen. Nu waren de Nederlandse verwekkers meestal niet zeer geneigd hun snaar te trouwen of, als ze zelf al deugdzaam, dat wil zeggen met een Nederlandse vrouw, getrouwd waren, het kind als het hunne te erkennen. Maar wel ontstond de gewoonte om de bloedband met het kind aan te geven, zeker als het een jongen was. Dat gebeurde vaak door het kind bij de Burgerlijke Stand te laten inschrijven, niet onder de naam van de vader maar onder de omgekeerde versie daarvan. Zo ontstonden bijvoorbeeld de naam Redlum, Reyem of Rhemrev. En Esreteip.

Dat verschijnsel is onomwonden vastgelegd in het werk van de chroniqueur van Nederlands-Indië bij uitstek, P.A. Daum (1850-1898). Twee duidelijke voorbeelden zijn te vinden in de roman Nummer Elf (1895). Op bladzijde 8 wordt een jonge Indo-vrouw geïntroduceerd:
Er ging een deur open, en om de hoek keek een mooi donker kopje met een overvloed van donkere krulletjes op het voorhoofd, grote schitterende zwarte ogen, en een vrolijk lachende mond met parelwitte tanden. ’t Was Ypsilante Nesnaj wier militaire vader haar zijn omgekeerde geslachtsnaam had gegeven en de malle voornaam, die hij had gelezen in een boek over een Griekse prins.

Twee pagina’s verder richt de Nederlandse hoofdpersoon, Vermey, zich tot een klerk ofwel, in Daums woorden, ‘een kopiist’:
Hij liet een kopiist roepen, een broodmagere, grauwbruine jongeman; een dier Indo-europeanen die nooit transpireren en altijd koude handen hebben, maar meestal slim genoeg zijn.
‘Esreteip,’ zei Vermey (’s mans grootvader had Pieterse geheten), je weet dat het vandaag de veertiende is.’
‘Ja meneer’.

Dat Daum deze namen gebruikt en er ter plekke een toelichting bij geeft, illustreert dat daarmee geen grote geheimen verklapt worden. Iedereen wist dat het gebeurde, iedereen kende er in eigen familie- of vriendenkring voorbeelden van, maar er hardop over praten deed men niet.

De naam Esreteip bestaat overigens wel degelijk: een aantal kabinetten geleden, bijvoorbeeld, kende Suriname een minister Esreteip. Waarmee tevens geïllustreerd is, dat dit gebruik niet alleen in Oost-Indië, maar ook in Suriname en op de Nederlandse Antillen voorgekomen zal zijn.
Soms leende een naam zich nog slechter voor omdraaiing dan Vermehr of Pieterse. Als het resultaat echt onuitspreekbaar dreigde te worden, kon er nog altijd een anagram van gemaakt worden: Sermham uit Harmsen of Served uit De Vries. Of het eerste stukje werd er achteraan geplakt: datzelfde De Vries werd dan Vriesde, een naam die in het betaald voetbal (bij F.C. Den Haag speelden twee broers met die naam) en in de damesatletiek (bij de Surinaamse atlete Laetitia Vriesde) was aan te treffen.

Een nog indirectere vorm van erkenning was het kind opzadelen met de naam van de plaats waar de vader vandaan kwam, maar ook dan in omgekeerde vorm. Het telefoonboek van Amsterdam telde lange tijd nog steeds twee nummers op de naam Madretsma. Ook Madrettor bestaat.

De groei van deze groep namen werd ook beïnvloed door de dragers van die namen zelf.
Generaties lang hadden Nederlandse vaders hun trots over hun bij een bijzit verwekt nageslacht geuit in een omdraaiing van de feiten, maar de kinderen zelf wensten er soms zelf ook wel iets in te zeggen hebben. Zij hadden niet iets te verbergen, integendeel, zij waren deels van Europese afkomst en waren daar trots op. En om dat te laten blijken, draaiden zij hun naam weer om en voegden die toe aan wat er al stond. Riemer Reinsma geeft in zijn boekje Aangenaam. Mag ik mij voorstellen? (Amsterdam, 1986) de voorbeelden Redlod van Dolder en Satoor de Rootas.

Wellicht vleit u zich met de gedachte dat het u onmiddellijk zou opvallen als u een zo opmerkelijke naam als Madretsma of Esreteip onder ogen zou krijgen. Maar ons waarnemingsvermogen heeft een flinke marge ingebouwd en iets moet er wel heel erg uitspringen, willen wij het als afwijking van een norm opmerken. Vrijwel dagelijks komen we namen tegen (althans, kunnen we namen tegenkomen) die volgens het hierboven beschreven procédé ontstaan zijn.

In de zo mediterraan ogende achternaam van Jack Gadella, tekstschrijver van een aantal nummers voor ‘Kinderen voor kinderen’, vinden we het woord ‘alledag’ terug. De Vlaamse actrice Alida Neslo is van Surinaamse afkomst. ‘Olsen’ klinkt weliswaar Scandinavisch maar is wel een veel logischer volgorde van letters dan Neslo. De naam van Surinames eerste Olympisch en wereldkampioen zwemmen, Anthony Nesty, heeft eenzelfde constructie. Een bekend Nederlands jazzmuzicus is Rob Essed, een Volkskrant-redactrice heet Yvonne van Gnirrep .

Een koloniaal verleden leeft niet alleen voort in de geschiedenisboeken en in het slechte geweten van een natie, maar ook in de kleine details van alledag.
Voor wie er oog voor heeft.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637




Koninkrijk op eieren. Reflecties op 10 jaar 10.10.10

Samengesteld door Joop van den Berg & René Zwart
Uitgave ADCaribbean b.v. 2020. ISBN ontbreekt

Vijftig mensen die beroepsmatig geïnteresseerd zijn in de verhoudingen binnen het Koninkrijk hebben zich op verzoek van de samenstellers van de bundel Koninkrijk op eieren. Reflecties op 10 jaar 10.10.10, Joop van den Berg & René Zwart, gebogen over de vraag hoe we ervoor staan tien jaar na 10.10.10.

Mr. Pieter van Vollenhove, voorzitter van het Comité Koninkrijksrelaties, ziet die deelname als teken dat het Koninkrijk ‘bij velen leeft’. In zijn Voorwoord vertelt hij dat hij ‘van de samenstellers vernam [..] dat vrijwel iedereen die benaderd is onmiddellijk bereid was tot medewerking. En dat hun betrokkenheid bij het Koninkrijk zo groot is dat vrijwel niemand zich heeft gehouden aan de voorgestelde lengte. Ook dat spreekt mij zeer aan, omdat het past bij één van mijn favoriete motto’s: wie schrijft die blijft!’
De conclusie dat het onderwerp bij velen leeft gezien de bereidwilligheid van de auteurs, getuigt van een positieve levenshouding. Want de vijftig auteurs zijn niet willekeurig uit een volgepakt voetbalstadion geplukt.

De inleiding, geschreven door de samenstellers, heeft als titel Een les voor de toekomst.
Daarmee geven de auteurs direct de eindconclusie van de bundel prijs. Na lezing van al die bijdragen kun je nl. niet anders concluderen dan dat het jubileum geen reden voor feestelijkheden is.
Zoals René Zwart in de Proloog de stand van zaken samenvat:
‘Voor velen op de eilanden is het leven er alleen maar slechter op geworden: sinds 10-10-10 heeft de armoede er een vlucht genomen, zelfs in de bijzondere BES-gemeenten die onder de rechtstreekse hoede van Haagse ministeries vallen.’
Mocht de lezer nog hopen op een meevaller, concludeert Zwart een paar regels verderop: ‘Minstens zo treurig is het gesteld met de bestuurlijke verhoudingen. Exemplarisch daarvoor is dat uitgerekend de wens geschillen in de kiem te kunnen smoren een hardnekkige bron van wrevel is.’
Dan moet je nog aan de opstellen beginnen.

De eerste bijdrage is van mevrouw Camelia-Römer. Zij was twee keer minister-president en meerdere keren minister van de Nederlandse Antillen. Van april 2015 tot 24 juli 2020 was zij, met enkele maanden onderbreking, minister in Curaçao. In 2006 werd zij door toenmalig premier De Jongh-Elhage gevraagd zitting te nemen in het adviseursteam dat de onderhandelingen op weg naar 10-10-10 begeleidde.

In vijf bladzijden weet mevrouw Camelia-Römer de lezer de laatste restjes hoop op een blijmoedige bundel te ontnemen.
Één alinea vat het ongenoegen over de onderlinge verhoudingen helder samen, en laat de historische context zien van waaruit gedacht wordt:
‘Het bizarre is dat de regering van Curaçao in 2016 nog publiekelijk complimenten van het College financieel toezicht ontving en nu opeens krijgen we te horen dat er de afgelopen tien jaar niks goed is gegaan.
Dat is niet geloofwaardig. Natuurlijk zijn er zaken die beter kunnen en moeten. Wij zijn mensen in een land in wording, komend uit de pijnlijke geschiedenis van slavernij en het zijn van kolonie, eerst als slaven en daarna als ‘onderdanen’, steeds ondergeschikt gemaakt aan ‘personen’ uit het ‘moederland’, en zijn middenin in een emancipatorisch proces werkend aan de opbouw van onze eigenwaarde, uitgedrukt in een nog verder zelf te schrijven historie van onze Afrikaanse, Europese, Indiaanse en overigens gemengde achtergrond, onze tambu, ons Papiamentu, onze kruiden, onze kunst enzovoorts.

De tweede bijdrage is van de hand van Alexander Pechtold. De heer Pechtold was van 31 maart 2005 tot 3 juli 2006 minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en daarna tot 10 oktober 2019 voorzitter van de Tweede Kamerfractie van D66. Van 2017 tot 2019 was hij tevens voorzitter van de vaste Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties.

De heer Pechtold is wat verdrietig als hij terugkijkt op tien jaar 10.10.10: Het begint ermee dat je in Den Haag met een lampje moet zoeken naar de weinigen die echt geïnteresseerd zijn in de eilanden. Het is een dossier waarmee je niet kunt scoren.’
Daar zit je dan.

De bijdrage van de huidige baas van de rijbewijzen eindigt met de vaststelling dat we alles anders zouden doen als we niet die gemeenschappelijke geschiedenis kenden.
In de woorden van Pechtold:
Het is waar: als je nu vanaf nul opnieuw mocht beginnen en op de tekentafel een nieuwe staat maakt, dan zou niemand een koninkrijk als het onze maken. Het zijn de historische toevalligheden die ons bij elkaar brachten. Maar toch, ons gezamenlijk verleden, onze gemeenschappelijke waarden en gedeelde symbolen verbinden ons. En brengen ons samen in een koninkrijk dat meer is dan een staatsvorm. Het gaat om gelijke kansen en gelijke rechten voor alle mensen, bescherming van kwetsbaren, goed onderwijs en goede gezondheidszorg en voldoende banen, dat zijn de beste garanties voor een welvarende toekomst.

Hoe edelmoedig deze slotconclusie ook klinkt, de bewoners van de zes eilanden hebben deze woorden in de afgelopen jaren in allerlei varianten voorbij zien komen. Vermoedelijk zullen ze na lezing niet naar het strand hollen om de horizon af te speuren op zoek naar die onvermijdelijke stip.

Het is verleidelijk om alle bijdragen langs te gaan. Zij verdienen alle aandacht.
Want de bijdragen geven een goed overzicht van de verschillende visies op de geschiedenis en daarmee inzicht in de huidige verhoudingen.
Het is te hopen dat het boek een groot publiek weet te vinden.
De kosten kunnen geen drempel zijn, ‘Koninkrijk op eieren’ is als e-boek gratis te downloaden via: www.koninkrijk.nu.

Dat je bij lezing zo nu en dan struikelt over de cliché’s van de politici, is misschien onaangenaam. Maar als je wilt dat je kippen eieren leggen, moet je het kakelen verdragen.