Angela Saini – Superieur. De terugkeer van de Rassentheorie


Angela Saini Ills.: Joseph Sassoon Semah

Superieur van de wetenschapsjournalist Angela Saini is een verslag van het uitgebreide onderzoek naar de biologische feiten rondom het begrip ras.
Bestaat er een verband tussen ras en IQ? Welk ras is het beste? Zijn wij één mensensoort of niet? Wat kan het moderne wetenschappelijke bewijsmateriaal ons echt vertellen over de menselijke verschillen, en wat betekenen die vervolgens?

Deze vragen zijn allerminst gedateerd. De rassentheorie beleeft een zorgwekkende comeback, in wetenschap en politiek. Angela Saini onderzoekt in Superieur pseudowetenschappelijk beweringen en theorieën over ras, en toont aan waarom ze onhoudbaar zijn. Angela Saini komt tot de conclusie dat de biologie deze vraag niet kan beantwoorden. Als we de betekenis van ras willen begrijpen, moeten wij begrijpen hoe macht werkt. Een onderzoek van de Verlichting via het negentiende-eeuwse imperialisme en de twintigste-eeuwse eugenetica naar de revival van de rassentheorie in de eenentwintigste eeuw.

Saini toont in Superieur aan hoe macht het idee van ras telkens weer opnieuw vormgeeft, hoe macht de wetenschappelijke feiten beïnvloedt. De betekenis houdt verband met de tijd.
Lang hebben witte mensen van Europese afkomst zich aan de top van de machtshiërarchie bevonden en bouwden hun wetenschappelijk verhaal over de menselijke soort rond dit geloof. Maar geen enkele regio of volk heeft recht op een claim op superioriteit.
‘Ras is het tegenargument. Ras komt in de kern van de zaak neer op het geloof dat we van geboorte anders zijn, diep in ons lichaam, misschien zelfs qua karakter en intellect, en in onze uiterlijke verschijning.’ Het is het idee dat bepaalde groepen mensen bepaalde aangeboren kwaliteiten hebben. Ras, gevormd door macht, heeft een eigen kracht verkregen. Witheid werd de zichtbare maatstaf van de menselijke moraliteit. Sinds de Verlichting hadden veel Europese denkers zich verenigd rond het idee dat de mensheid één was, dat we dezelfde gemeenschappelijke vermogens deelden. Ook al was er een rassenhiërarchie, ook al waren er mindere mensen en betere mensen, we waren allemaal nog steeds menselijk. In de volgende eeuw vroeg men zich weer af, of we echt wel tot hetzelfde soort behoorden: want waarom zagen wij er niet hetzelfde uit en gedroegen we ons niet op dezelfde manier? Het is geen toeval dat de moderne ideeën over ras zijn gevormd tijdens de hoogtijdagen van het Europese kolonialisme, toen de machthebbers overtuigd waren van hun eigen superioriteit. In de VS werd dezelfde verwrongen logica gebruikt om de slavernij te rechtvaardigen. En de wetenschap voorzag het racisme van intellectueel gezag.

De rassentheorie heeft zich altijd op het kruispunt van wetenschap en politiek opgehouden, en van wetenschap en economie. Ras was niet alleen een middel om fysieke verschillen te classificeren, het was ook een manier om de menselijke vooruitgang te meten, en om te kunnen oordelen over de capaciteiten en rechten van anderen, aldus Saini. Ook Hitlers ideologie van rassenhygiëne had geen kans van slagen zonder wetenschappers, zij zorgden voor het theoretisch kader en droegen bij aan het klaren van de klus zelf. Degenen wier ideeën het regime goed te pas kwamen werden gepromoot en gevierd.

In 1950 formuleerde UNESCO, vlak na de Tweede Wereldoorlog, zijn eerste verklaring over ras, waarin de eenheid tussen mensen werd benadrukt in een gezamenlijke inspanning om een einde te maken aan wat wordt gezien als het gevolg van een ‘fundamenteel anti-rationeel denksysteem.’ Alle mensen behoren tot dezelfde soort ‘Homo sapiens’. Het grootste deel van de zichtbare diversiteit is cultureel van aard. Een cruciaal moment in de geschiedenis. Racisme was niet langer aanvaardbaar. Wetenschappers en antropologen gingen grotendeels achter UNESCO staan.

We denken dat de verschrikkingen van de Holocaust en eerdere genocides, de slavernij en het kolonialisme tot een andere tijd behoren. Dat eugenetica een vies woord is. Saini definieert eugenetica als is een berekende manier van denken over het menselijk leven; mensen worden gereduceerd tot louter delen van een geheel, die hun ras omlaag- of omhoogtrekken. Bijna alles wat we zijn is al beslist voordat we geboren zijn. Maar er zijn weer nieuw wegen gevonden om raciale verschillen te onderzoeken, en dat sommige rassen iets beter waren dan de andere. Na de Tweede Wereldoorlog hebben intellectuele racisten nieuwe netwerken opgezet met het doel racisme weer respectabel te maken. De eugenetici en rassentheorie waren niet verdwenen met de ondergang van het naziregime. Ras werd herpositioneerd voor de eenentwintigste eeuw. Ze noemt als een van de voorbeelden de Indiase regering, die in 2018 een commissie in het leven had geroepen om de geschiedenis te herschrijven. Een mythische versie van de geschiedenis zou worden gepropageerd waar in Indiase dominante geloof, het hindoeïsme, in het hele Indiase verleden centraal zou worden gesteld.
De hindoe-superioriteit zou sommige Indiërs de kans bieden hun zelfrespect terug te winnen, collectieve trots te laten gelden, en een nieuw gevoel van nationale identiteit bouwen.

We blijven steeds maar terugkomen op ras omdat we er vertrouwd mee zijn. Onze moderne ideeën over ras zijn nauw verbonden met hoe we eruitzien. In biologische termen lijken echter de verschillen niet verder te gaan dan de huid. Het is een vergissing te denken dat de interne verschillen even groot zijn als de externe verschillen lijken. De opkomst van nationalisme en racisme heeft velen van ons verrast. Identiteitspolitiek heeft velen in de greep. Het doel is hetzelfde: het benadrukken van de verschillen ten bate van politiek gewin.
Zij doet geen beroep een gedeelde menselijkheid. Alles om maar ‘superieur’ te zijn.

Angela Saini – Superieur. De terugkeer van de Rassentheorie. Uitgeverij Ten Have, Amsterdam, 2020. ISBN 9789025907174

Angela Saini is wetenschapsjournalist voor BBC Radio. Haar werk is onder andere gepubliceerd in New Scientist en The Economist.
Eerder verscheen bij Uitgeverij Ten Have Ondergeschikt: Hoe kennis over vrouwen ons misleidt en wat we daaraan kunnen doen.

Bookmark and Share

Anaclept en cento: de kunst van het herdichten


Drs.P. 1969 – Foto: en.wikipedia.org

Buiten de limerick en het sonnet, het ollekebolleke en het Sinterklaasgedicht kent de letterkunde nog veel meer versvormen, waarvan de meeste zich verborgen houden in de nevelen der eeuwigheid.
Een ondergewaardeerd genre is het herdichten. Sommige dichters hebben namelijk niet genoeg aan hun eigen werk, maar vieren hun inspiratie ook bot op andermans verzen, niet zelden zo intensief dat dat hele bundels vol persiflages en parodieën, parafrases en pastiches opgeleverd heeft. Drs. P vulde, als Coos Neetebeem, de bundel Antarctica (’s-Gravenhage, 1980), waarin hij bijvoorbeeld de kern van Willem Kloos’ bekendste sonnet terugbracht tot

Ik ben een God in`t diepst van mijn gedachten
En zit in’t binnenst van mijn ziel ten troon
Maar verder ben ik helemaal gewoon
Met haaruitval en spijsverteringsklachten

en die van A.C.W. Starings’ Oogstlied (‘Sikkels klinken; Sikkels blinken; Ruisend valt het graan. Zie de bindster garen! Zie, in lange scharen, Garf bij garven staan!) tot

Sikkels klinken
Sikkels blinken
Ruisend valt het graan
Als je iemand weg ziet hinken
heeft hij’t fout gedaan

Gerrit Komrij publiceerde een bundel met de alleszeggende titel Onherstelbaar verbeterd (Amsterdam, 1981), waarin hij een aantal gedichten compleet herschreef. ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem, althans het eerste kwatrijn daarvan,

Natuur is voor tevredenen en legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

werd bij Komrij

De Kalverstraat

Cultuur is om m’n reet mee af te vegen.
En dan: wat is cultuur nog in dit land?
Een steekje los, een stukje in de krant,
Gekeuvel met wat prietpraatjes ertegen.

Read more

Bookmark and Share

An unhappy childhood: een zoektocht in drie tafereeltjes


I

In het Bzzlletin-nummer van april 1992 stond een vraaggesprek dat ik had met Adriaan van Dis.(klik hier)  Toen ik het onder ogen kreeg, trof mij de allereerste vraag. Die luidde: ‘Als ik Nathan Sid, Zilver of Indische duinen lees, denk ik: Wilde had gelijk toen hij zei An unhappy childhood is a writer’s goldmine. Dat verbaasde me, want ik wist zeker dat in de kopij die ik ingeleverd had, stond: ‘Poe had gelijk…’. Het was immers een uitspraak van Edgar Allan Poe, en die bleek nu door de hoofdredacteur op eigen gezag veranderd.
Om zijn eigenzinnig optreden af te straffen, besloot ik hem meteen de exacte vindplaats in het werk van Poe als bewijs te leveren. Toen ik die na een half uur vruchteloos bladeren nog niet gevonden had, begon mij twijfel te bekruipen. Ik nam het werk van Gerard Reve erbij, want die had deze uitspraak meermalen geciteerd, o.a. in Nader tot U (1966) en Brieven aan Bernard S. (1981), en, meende ik, zelfs eens als motto voor een van zijn romans gebruikt.
Ook dat was verspilde tijd; wel vond ik voorin de roman Oud en eenzaam (1978) het gedicht Alone van Poe, waarvan de eerste woorden luiden: From childhood’s hour I have not been as others were. Dat zal wel de bron van de verwarring geweest zijn.
En toen ik na enig zoeken in het Verzameld Werk van Oscar Wilde – je kunt immers niet weten – ook niets gevonden had, raakte ik stilaan geïrriteerd. Wel vond ik in Reve’s De taal der liefde (1972) op pagina 45 deze passage: ‘Ik werk maar rustig voort. Ik streef naar ongeveer e-e-n hoofdstuk per maand. “All art is quite useless.”’ Dat is een uitspraak van Oscar Wilde, die wellicht voor mijn hoofdredacteur de aanleiding voor zijn ingreep geweest was.

Ik doorzocht elk aforismenboek en elk literair handboek waar ik de hand op kon leggen, maar vond nergens ook maar de geringste aanwijzing. Mijn verbazing nam toe dat dit aforisme, dat mij tamelijk gangbaar leek, in geen enkele citatenbundel te vinden was, Nederlands noch Engels noch Amerikaans.
In hetzelfde Bzzlletin-nummer staat een artikel over het journalistieke werk en de gedichten van Nico Scheepmaker. Een van de aardigste dingen die de journalist Scheepmaker deed, was zich in een vraag vastbijten en niet opgeven voor hij het antwoord gevonden had. In de bundel Het bolletje van IBM (1987), waaraan ik met de dichter-journalist zelf heb mogen werken, staan daarvan een paar goede voorbeelden. Zo zocht hij eens met grote vasthoudendheid naar de maker van een van Neerlands bekendste anonieme verzen, beginnend met

Een mens lijdt dikwijls ‘t meest
Door ‘t Lijden dat hij vreest
Doch dat nooit op komt dagen.

Vergeefs, want hoewel hij iedereen inschakelde die meer dat twee regels poëzie uit het hoofd kende, van Gerrit Komrij tot Garmt Stuiveling, bleef zijn queeste zonder resultaat. Daar liet hij het niet bij zitten: ‘Ik vroeg aan de lezers van mijn dagelijkse Trijfel-column (die immers bij een abonnee-aantal van ruim 900.000 volgens Karel van het Reve & ‘de best geoutilleerde computer van Nederland’ vormen) of ze mij uit de brand konden helpen.’ Hun bereidheid was groot maar de verwarring, om het vervolg kort samen te vatten, werd nog groter..
Het leek mij dan ook geheel in de geest van Nico Scheepmaker mijzelf de taak op te leggen de vindplaats van het gewraakte aforisme te achterhalen. Al snel werd mij een helpende hand toegestoken, want ik was niet de enige die de openingsvraag aan Van Dis met bevreemdinggelezen had. Jan Ypinga uit Arnhem schreef mij een brief, waaruit ik citeer: ‘U schrijft het adagium An unhappy childhood is a writer’s goldmine abusievelijk toe aan Oscar Wilde. Deze, onsterfelijke, regel komt echter uit de koker van Leslie A. Fiedler, en werd in de Nederlandse literatuur dikwijls geciteerd door m.n. Gerard Reve.’

Read more

Bookmark and Share

Jean Rhys en Ed. de Nève – Een dubbelportret


Jean Rhys (1890 – 1979)

I.  Jean Rhys
Tot de meer opmerkelijke literaire comebacks van de vorige eeuw behoort die van Jean Rhys, de Engelse schrijfster die in 1927 debuteerde, maar pas in 1966 naam maakte. Over haar leven is weinig bekend en wat bekend is, is vaak verkeerd.
Ella Gwendolyn Williams, zoals haar eigenlijke naam luidt, werd op 24 augustus 1894 geboren in Roseau op Dominica, in West-Indië, als dochter van een arts uit Wales en een Creoolse. Dat is niet – zoals vaak gedacht wordt – een kleurlinge, maar een blanke geboren in de koloniën. Toen Jean Rhys het omslag zag van de Nederlandse vertaling van Wide Sargasso Sea, waarop een Surinaamse in klederdracht staat afgebeeld, zei ze: ‘What’s that woman with that funny hat doing on a book of mine?

Haar moeder was een strenge Schotse vrouw met de meisjesnaam Lockhart, afkomstig uit een oud geslacht, dat zich al twee generaties als planters in West-Indië had gevestigd. Maar ze was ’zwaar’ gebleven, ze kon niet Engelser.
Ella is op één na de jongste van drie meisjes en twee jongens. Het was de gewoonte de dochters naar een finishing school in Engeland te sturen, maar Ella wil toneelspeler worden en haar vader steunt haar in dat wilde plan. Op zestienjarige leeftijd vertrekt ze naar een tante in Engeland, maar al na een paar maanden sterft haar vader en is er geen geld meer om de studie voort te zetten.

Ze verwisselt de theorie voor de praktijk en trekt rond met een music-hall gezelschap. Een ervaring die later zijn neerslag zal vinden in de roman Voyage in the dark (1934). Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog ontmoet ze Jean Lenglet, geboren in Tilburg als zoon van een Franse vader en een Nederlandse moeder, die op zijn zeventiende naar Parijs getrokken was waar hij schilderlessen volgde aan de academie en ‘s avonds zong in de cabarets Le Chat Noir en Le Lapin Agile op Montmartre. Later zou hij onder de naam Edouard de Nève een aantal boeken publiceren.
Ze trouwen in 1919 en wonen korte tijd in Den Haag, maar zijn werk als secretaris en tolk bij de Vredescommissie brengt hen onder meer naar Boedapest en Wenen. Het is een gelukkige tijd. Ze hebben geld, Ella wordt bewonderend la poupée de porcelaine de Saxe, het poppetje van Saksisch porcelein, genoemd en herinnert zich deze periode later in vrolijke verhalen.
Op weg van Boedapest naar Parijs wordt in Ukkel een dochter geboren, Maryvonne. Ze is niet blij met het kind: ‘damned baby’. Al eerder had ze een zoontje gekregen, dat na een paar weken aan longontsteking overleden was.

In de jaren twintig oefende Parijs een grote aantrekkingskracht uit op jonge Engelse en Amerikaanse kunstenaars. Ella en Jean vestigen zich op la Rive Gauche, de linker Seine-oever. De Engelse schrijver en editor Ford Madox Ford placht in die dagen als een kloek jonge artistieke talenten te bewaken en hulp op allerlei gebied te offreren. Zo ontmoet hij ook Jean Rhys wanneer haar huwelijk is stukgelopen. Haar hele bezit bestaat uit “een jurk, een paar schoenen en het manuscript van een onpubliceerbare roman”. Ze vindt onderdak op 84 Rue Notre Dame des Champs, in het huis van Ford en zijn tweede vrouw, Stella Bowen. Ford geeft haar literair en Stella cosmetisch advies, maar het blijft niet bij beleefdheidsvragen.

Stella Bowen: “Ik was ongemeen langzaam in de ontdekking dat zij en Ford verliefd waren. (..) Ik was gecast in de rol van de gelukkige echtgenote die alle kaarten in handen hield, en het meisje in die van de arme, moedige en wanhopige bedelares die voorbestemd was teleurgesteld te worden door de bourgeoisie. Ik leerde welk een machtige wapens zwakheid en pathos waren en hoe sterk de positie is van iemand die niets te verliezen heeft.”
De verhouding duurt niet lang, maar vindt zijn literaire neerslag in twee romans van Jean Rhys. Ford en Bowen zijn geportretteerd als het ‘ruimdenkende’ echtpaar Heidler in Quartet (1927) en ook De Nève is aanwezig in de persoon van Stephan. De periode na de relatie is verwerkt tot After leaving Mr. Mackenzie (1930).
Dezelfde situatie als in Quartet wordt beschreven in een boek van De Nève, In de strik (1932), maar dan vanuit het perspectief van Stephan die in de gevangenis zit. Ford  – wiens echte naam Hueffer is – wordt opgevoerd als Hübner. Henriëtte van Eyk, de tweede vrouw van De Nève/Lenglet: “Stephan werd gearresteerd wegens oplichterij. Maar in werkelijkheid, vertelde hij me, is hij gearresteerd omdat hij probeerde Ford te vermoorden. Hij was ontzettend jaloers.”

Ford publiceert enkele verhalen van Jean Rhys in zijn Transatlantic Review en schrijft in een voorwoord bij haar debuut, de verhalenbundel The Left Bank and Other Stories (1927): “Miss Rhys’s work seems to me to be very good, so vivid, so extraordinarily distinguished by the rendering of passion, and so true, that I wish to be connected with it. ”

Ze komt in contact met James Joyce, Ezra Pound en Ernest Hemingway, maar zo heel belangrijk zal de rol die ze in Montparnasse speelde, niet geweest zijn. In geen enkele van de talloze studies en memoires over die tijd wordt ze ook maar genoemd. Haar laatste jaren in Parijs zijn ongelukkig, met vaak alleen de fles als gezelschap. Aan het eind van de jaren twintig keert ze terug naar Engeland.
Tot 1933 wil Jean Lenglet niet van een scheiding weten, om precies te zijn tot hij Henriëtte van Eyk leert kennen. Van Eyk: “Toen we trouwden zou Maryvonne bij haar moeder blijven, maar dat ging niet, omdat die zo vreselijk dronk. En als ze dronk, werd ze zo agressief. Maryvonne had geen leven, ze kreeg niet regelmatig te eten. Toen is ze weer naar Nederland gehaald, en werd op een katholieke kostschool gedaan.”

Read more

Bookmark and Share

Octave Mirbeau: het gedroomde reisverslag


Een Charron Girardot & Voigt uit 1903

In 1907 publiceerde de Franse schrijver Octave Mirbeau – zie Rozenberg Quarterly 1 aug. j.l. – een boek getiteld La 628-E8. Het is een merkwaardig boek, niet alleen vanwege de raadselachtige titel, ook door de inhoud. 628E8 is het nummerbord van een auto, een Charron Girardot & Voigt uit 1903, waarmee Octave Mirbeau rond 1905 een aantal reizen door het noorden van Frankrijk, België, Nederland en Duitsland gemaakt zou hebben. Het boek oogt op het eerste gezicht als een reisverslag, maar is het dat wel? Waarom wijkt dit boek qua inhoud zo af van het andere werk van Mirbeau? Wat probeert hij de lezer met dit boek duidelijk te maken?

Ongelijkheid
Het Dagboek van een kamermeisje van Octave Mirbeau zal voor veel lezers geen onbekende titel zijn, en anders is men misschien bekend met een van de vier filmversies van het boek. De strekking van dat boek is een aanklacht tegen de sociale ongelijkheid in de samenleving, vormgegeven in dagboekfragmenten van het kamermeisje Célestine. Vanuit haar ondergeschikte positie weet zij zich op de maatschappelijke ladder op te werken tot café-eigenaresse. Eenmaal daar, dan blijkt haar houding tot haar ondergeschikten nauwelijks anders dan die van haar vroegere werkgevers. Zo zie je maar, de kans is klein is dat in maatschappelijke verhoudingen wezenlijk iets kan veranderen, stelt Mirbeau.

Tekening door Pierre Bonnard in La 628­E8

Collagetechniek
Dagboek van een kamermeisje was een rechtlijnige roman volgens de toen heersende literaire traditie, het eerder verschenen Le jardin des supplices (De tuin der folteringen, 1899) was dat zeker niet. Mirbeau plaatste hierin fragmenten in een verschillende schrijfstijl, met verschillende verhaallijnen in een niet-chronologische volgorde. In het boek levert hij kritiek op de Franse binnenlandse en buitenlandse politiek, kolonisatie en de Europese zogenaamde beschavingsvormen.
In La 628E8 past Mirbeau een soortgelijke collagetechniek toe. Ogenschijnlijk is het boek een reisverslag: Mirbeau maakt met een auto met chauffeurmonteur diverse reizen door Frankrijk, Nederland, België en Duitsland. Op niet-chronologische wijze beschrijft hij belevenissen en landschappen, steden, dorpen en personen. Als passagier vanaf de achterbank en tegelijk als deelnemer aan de reis levert hij commentaar op een breed scala aan onderwerpen. Hij schetst de leef-en werkomstandigheden van de arbeidende bevolking in plekken die hij doorkruist, hij reageert op sociale ongelijkheid, bekritiseert het militarisme en fulmineert tegen de kerk en haar instituties en tegen de Europese vorstenhuizen.

Satire
Tegelijkertijd pleit hij voor technische vernieuwingen die de mensheid vooruit zullen helpen in de hoop dat deze een betere wereld dichterbij brengen. Nu eens geeft hij zijn mening, dan weer laat hij iemand die hij ontmoet de kritiek leveren. Aan de ene kant komt hij onomwonden voor zijn opvatting uit, dan weer verbergt hij deze subtiel onder een laagje cynisme of hij draait zijn kritiek juist om en verpakt deze als satire, waarmee hij de lezer op het verkeerde been zet.
Maar is het boek ook werkelijk een reisreportage? Mirbeau zelf schrijft: ‘Maar is het wel een verslag? Is het zelfs wel een reis? Zijn het niet eerder dromen, dagdromen, herinneringen, indrukken en verhalen die niets te maken hebben met de bezochte landen maar die eenvoudigweg in mij werden opgeroepen door het gezicht van iemand die ik ontmoette, een landschap dat ik vluchtig zag of een stem die ik dacht te horen zingen of huilen in de wind?’
Inderdaad levert het verslag geen enkel bewijs dat de verhaalde reizen ook daadwerkelijk zo hebben plaatsgevonden. Mirbeaus verslag kan net zo goed met een Baedeckergids als bron, in zijn studeerkamer tot stand zijn gekomen. Koos hij bewust voor deze literaire vorm omdat de traditionele romanvorm hem te weinig mogelijkheden bood? Wellicht kon hij zo beter aandacht schenken aan zijn maatschappijkritiek, aan observaties van sociale omstandigheden en zijn hoop op verandering van de samenleving.

Religieuze walm
Het commentaar bij zijn waarnemingen is soms geraffineerd, vaak met enige nuance, dan weer recht voor z’n raap, gekoppeld aan gebeurtenissen die een reiziger mee zou kunnen maken. Zijn kritiek op sociale omstandigheden verpakt hij in woorden waaruit een duidelijke sympathie blijkt voor werkvolk als arbeiders, dienstmeiden en bedienend personeel. Wanneer zijn chauffeur het niet zo nauw neemt met het geld van zijn opdrachtgever als hij moet tanken en iets in eigen zak steekt, doet Mirbeau daar niet moeilijk over.
Soms stapt hij in de huid van de heersende elite: hij noemt Frankrijk het land van ‘vooruitgang, edelmoedigheid en vernuft’. De cynische ondertoon is duidelijk want zijn klaagzang over de slechte wegen en de armoedige dorpen en steden in het noorden van Frankrijk, is de weerklank van de werkelijkheid.
België vindt hij niet veel beter. In dat land is sprake van een ‘verziekende, religieuze walm’ die ‘een sombere schaduw werpt’ over het land. Het katholicisme noemt hij een ‘koppig geloof’ waarmee hij zijn afkeer van de kerk laat blijken en Brussel vindt hij een afgrijselijke stad. De Belgische koning leidt volgens hem aan grootheidswaanzin. En wat is er over van het België als arbeidersbolwerk dat opstand en verzet kende? Is het wellicht ingepakt door de als inquisitie opererende priesters en bisschoppen, zo vraagt Mirbeau zich af.

Cynische bespiegelingen
Zijn kritiek op vorstenhuizen en militarisme verpakt hij in een gesprek met een anonieme medereiziger in Duitsland. Hij laat deze fulmineren tegen keizer Wilhelm II, diens militarisme, grootheidswaanzin en afkeer van socialisten.
Andere onderwerpen behandelt hij meer bespiegelend. Opmerkelijk is bijvoorbeeld hoe hij over dieren schrijft. Aan de ene kant schetst hij een gemoedelijke sfeer waarbij dieren in de landerijen grazen, aan de andere kant vindt hij dat koeien, paarden en kippen toch wel dom en paniekerig reageren op het verschijnsel auto. Maar ja, dit is onontkoombaar, want is immers de auto niet het voorbeeld van de vooruitgang? Daar kan dus wel eens iets mis gaan.
Met dezelfde cynische ondertoon trekt hij die lijn door naar de mens. De auto symboliseert progressie en verbetering, en Mirbeau juicht bijna wanneer hij beschrijft hoe heerlijk het is ‘een beest’ te worden in een auto, landschappen aan je voorbij te zien flitsen, over wegen te zoeven, en onderdeel te zijn van snelheid. De mens verliest in een auto weliswaar ieder gevoel voor menselijkheid, maar dat is de consequentie van vooruitgang. Dat moet die domme plattelanders die deze stap vooruit niet accepteren, maar eens duidelijk gemaakt worden. Ze moeten niet zeuren. En wanneer die vooruitgang een mensenleven kost (in het boek sterft een meisje door een ongeluk met een auto), dan is dat sneu, maar zo nu en dan onvermijdelijk.

Vernieuwende kunstvormen
Mirbeau stond open voor radicale vernieuwing, voor positieve veranderingen. Dat blijkt uit zijn artikelen waarin hij zich een aanhanger van het anarchisme toont, maar al eerder uit zijn belangstelling voor vernieuwende kunst en cultuur, zoals het Franse expressionisme, voor het werk van schilders als Paul Signac, Pissaro en Van Gogh. Met het boek La 628E8 sluit hij zich aan bij de vernieuwing in de kunst rond de eeuwwisseling. Literatuur moest immers niet een behoudend, statisch karakter hebben, niet krampachtig vasthouden aan tradities vond hij, maar juist doorbrekend zijn en nieuwe vormen ontdekken. Zij moet andere richtingen aanboren en open staan voor andere kunstvormen. Mirbeau doet dat met La 628E8 door observaties van de dagelijkse werkelijkheid en een kritische maatschappijbeschouwing te vermengen. Niet in de vorm van een pamflet of een vlammend artikel, maar door dit subtiel als reisverslag te verpakken om zo een ander lezerspubliek te kunnen trekken. Hij speelde bovendien handig in op de in de negentiende eeuw ontstane belangstelling voor het (literaire) reisverslag.

Ontdekkingsreizen
In een periode van innovatieve ontdekkingen op het gebied van wetenschap en techniek en nieuwe richtingen in politiek, filosofie en cultuur, paste interesse voor andere landen, continenten en culturen. Er bleek vraag te zijn naar op papier gezette verslagen en beschrijvingen van reizen naar nauwelijks ontdekte streken en landen, maar ook naar dichter bij gelegen gebieden (bijv. Henry James, A Little Tour of France, 1884). Dit was voor het gemiddelde lezerspubliek onontgonnen terrein en vrijwel onbereikbaar vanwege de beperkte financiële middelen en de geringe reismogelijkheden in die tijd.
Zo schreef Goethe al in 1816 een verslag van een reis door Italië en al in de achttiende eeuw beschreven Samuel Johnson en James Boswell hun tochten door Schotland. In de negentiende eeuw verschenen serieuze verslagen van ontdekkingsreizen door Siberië, India, de Arabische landen en Afrika. Ook ontstond het fictieve reisverhaal, soms in de vorm van een (utopische) avonturenroman, zoals Gulliver’s Travels (1726) van Jonathan Swift dat al was. Ook een titel als Heart of Darkness (1902) van Joseph Conrad, werk van Robert Louis Stevenson en zelfs van Karl May passen in dit genre.

Avonturenverhalen
De tegelijkertijd toenemende frequente verschijning van goedkope lectuur, zoals populaire geïllustreerde tijdschriften waarin vaak sensationele reis- en avonturenverhalen werden opgenomen, zorgde voor een toename van het lezerspubliek. Met La 628E8 schaarde Mirbeau zich doelbewust onder de auteurs van het reisverhaalgenre. Zijn verslag heeft weliswaar geen opzienbarend karakter, maar precies daarom sloot het aan bij de dagelijkse werkelijkheid van lezers, die hij hoopte niet alleen enigszins in verwarring te brengen, maar toch zeker aan het denken te zetten.

Bronnen:
Een (gedeeltelijke) Nederlandse vertaling van La 628E8, met illustraties van de kunstenaar Pierre Bonnard verscheen als Bonnard, Schetsen van een reis. Uit het dagboek van Octave Mirbeau ‘La 628E8’. Met illustraties van Pierre Bonnard, Bloemendaal 1990.
Nummer 198 van het tijdschrift De AS (2017) is geheel aan Mirbeau gewijd.

Bookmark and Share

Herman Sandman – Bob Dylan: Kovvie in ‘t Zielhoes


Zo schrijft de een over een optreden van Paul Simon in Haarlem, schrijft een ander over Bob Dylan die niet in Haarlem optrad en word je gewezen op het verhaal van Herman Sandman over een fietsende Dylan in het noorden van Groningen

Herman Sandman:

Bob Dylan, dé Bob Dylan, bracht tijdens Europese tournees wel eens een bezoekje aan het noorden van Groningen. De beroemde Amerikaanse singer/songwriter ging dan fietsen in de buurt van Noordpolderzijl. Hij vond het Hogeland mooi. De streek, het landschap, deed hem denken aan het gebied waar hij vandaan kwam, Duluth, Minnesota.
Het klonk te mooi om waar te zijn. Tot ik enkele weken later met Douwe van der Bijl in café De Drie Uiltjes zat. Douwe toonde zich een Dylan-fan en ik vertelde wat ik had gehoord.
‘Hm,’ zei hij.
Daarop kwam hij met een nog mooier verhaal.

Henk Scholte, onze Henk Scholte, in stad en ommeland bekend als verhalenverteller en folkzanger, was op een goede dag in Noordpolderzijl en stapte ’t Zielhoes binnen.
‘Hou is t?’ vroeg Henk aan de waard, de fameuze (inmiddels overleden) Siert van Warner.
‘Rustig,’ was het antwoord, ‘d’r zit allenig n gekke Amerikoan aan de bar kovvie te drinken.’
Waarop de blik van Scholte richting hoek van de bar ging en hij bijna een hartverzakking kreeg.
Bob Dylan.
Scholte begon vervolgens tegen de kroegbaas uit te varen: ‘Dat is gain gekke Amerikoan. Waist die wel wel dat is??!! Dat is Bob Dylan!!!’
Van Warner was bepaald niet onder de indruk: ‘Dat kin mie hailemoal niks schelen. As hai zien kovvie moar betoalt.’

Deze anekdote verscheen in Kleintje Boek & Wereld, uitgegeven door AFDH Uitgevers, Enschede/Doetinchem 2015.

Op zijn blog publiceerde Sandman in 2015 deze anekdote in het Engels. Met een extraatje. Als journalist wil Sandman natuurlijk weten of het verhaal wel op waarheid berustte. De eenvoudigste manier om daarachter te komen, was een berichtje aan Bob Dylan sturen.

Na een tijdje kwam het antwoord. Van meneer Dylan zelf.
[…] I remember riding past places with names like Usquert, Stitswerd en Zandeweer. We had coffee in a café with a strange owner. He just sat there. But you know, I still liked it there, because it was the first place where people didn’t gaze at me. As I was paying for the coffee I sensed that he didn’t trust me at all, not knowing who I was. And yes, you are right: next, a white bearded man came in. A fifty- year old Jesus lookalike with a hangover. ’A druid’, I guessed. […]

Het volledige verhaal is hier te vinden: http://herman-sandman.blogspot.com/2015/02/bob-dylan-loves-cycling-in-holland.html

Nu we toch bezig zijn. Er doet een verhaal de ronde dat een mevrouw een strandwandeling maakte in Oostende. Ze ontmoet een meneer. Ze raken in gesprek en gaan uiteindelijk koffiedrinken. Die meneer was Bob Dylan.
Of die mevrouw zich even wil melden.

1992. Duinkerken. Anneke Hoftijzer en Bob Dylan

4 augustus – Een dag later:

Riep ik gisteren op tot een speurtocht in Vlaanderen, vandaag kan iedereen weer rustig naar huis.
Een paar uur naar de oproep meldde Martin Smit dat de mevrouw in kwestie Anneke Hoftijzer heet. Zij kwam Bob Dylan in 1992 tegen in Duinkerken. Niks Oostende.

In het boek Encounters with Bob Dylan. If You See Him, Say Hello (Humble Press, San Francisco, 2000) staan een veertigtal toevallige ontmoetingen met Dylan, soms met fotografisch bewijs.
Ook het verhaal van mevrouw Hoftijzer staat in dit boek. Zij vertelt dat ze in 1992 tijdens een wandeling door Dylan werd aangesproken met de vraag of zij de jongeman die foto’s van hem maakte, wilde vragen daarmee te stoppen. In de veronderstelling dat de jongeman bij mevrouw Hoftijzer en haar zus hoorde. Als duidelijk is dat de fotograferende jongeman niet bij de twee zussen hoort, biedt Dylan zijn excuses aan en nodigt hen uit voor een drankje.
Als mevrouw Hoftijzer na 25 minuten opstaat om afscheid te nemen, staat ook Dylan op, kijkt haar aan en zegt: ‘You know, I really like you.’
In de woorden van mevrouw Hoftijzer: ‘Then he kissed both my hands and bid us farewell. I have to say, it took me several weeks to get over it.’
Dat ze vier jaar later Dylan tegen het lijf loopt tijdens een wandeling in Magdeburg is een ander verhaal.

Zie ook:
http://rozenbergquarterly.com/paul-simon-en-de-lage-landen/
http://rozenbergquarterly.com/bob-dylan-in-haarlem/

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives