Museumtram


Bij het instappen zie ik al dat de conducteur de baan van zijn leven heeft. Gewapend met rode vlag en het fluitje paraat, regelt hij bij de overgang het verkeer. Routineus springt hij daarna weer op de wagon en trekt kordaat aan een touwtje waardoor er een vrolijk belletje rinkelt. Een hardere bel voorin bevestigt het teken dat de kust veilig is.
Ook de machinist kwijt zich met hart en ziel aan zijn functie. De glimlach om mijn lippen sterft een stille dood als ik terugdenk aan het net afgelegde bezoek. Zevenentachtig is een leeftijd waarop de mogelijkheden het leven met de volle honderd procent te omarmen niet altijd even groot meer zijn. Halverwege de heldere uitleg van mijn kant over hoe de wereld ervoor staat vandaag de dag, zag ik mijn oom in slaap sukkelen.
Door deze terugblik denk ik na over het tijdelijke van dit aardse bestaan. Gedachten die mijn van nature opgewekte karakter lichtelijk aantasten terwijl de tram langs het Amsterdamse bos rijdt.

Bij de vierde halte stapt een aandoenlijke peuter aan de hand van zijn moeder aan boord. Er zijn plaatsen genoeg, maar de dreumes besluit naast mij te gaan zitten.
Na enig klimwerk zit ie en knikt vriendelijk naar me.
‘Trein’, roept hij enthousiast.
‘Tram’, zeg ik.
‘Trein’, herhaalt de hummel.
‘Tram’, zeg ik.
De uk kijkt me aan, laat zich van de stoel zakken en waggelt naar zijn moeder.
Het is blijkbaar zo gewoon geworden om met onjuiste informatie te leven dat zo’n jongetje de waarheid niet onder ogen wil zien.

Bookmark and Share

Tientje


Buurman dommelt.
Ik zet de stoel bij het bed.
Na tien minuten doet hij een oog open.
Hij gaat langzaam rechtop zitten.
‘Zijn we er al?’, vraagt hij.
Ik knik.
Hij pakt een brillenkoker van het nachtkastje.
Er zit een tientje in.
‘Ik heb geld”, stelt hij vast.
‘Dat is altijd handig’, zeg ik.
‘Je weet maar nooit’, beaamt buurman en dut weer in.

Bookmark and Share

Dieren


‘Mag ik even bij je komen zitten?’
Het buurmeisje dat vaker aanschuift als ik de krant wil lezen op het vertrouwde terras gaat in afwachting van mijn knikje alvast naast me zitten.
‘Drink je bier?’, vraagt ze. Ze duwt haar lange, zwarte lokken opzij.
‘Nee’, zeg ik, ‘koffie.’
‘Wil je een paar chips?’
Ze pakt een handjevol uit haar rode tasje. Ik schud mijn hoofd.
‘Lust jij rabarber?’
‘Ja, dat vind ik lekker’, antwoord ik, ‘maar dan wel met veel suiker gemaakt.’
‘Ik lust het niet’, zegt ze, ‘wat eet jij niet?’
‘Daar moet ik over nadenken, maar pompoensoep bijvoorbeeld hoef ik niet iedere dag.’
Ze kijkt naar Willem, de cafékat die op het tafeltje naast ons ligt.
‘Hou je van dieren?’
Ze kijkt me aan nu Herman voor ons staat. Ik geef toe.
‘Mag ik een fristi met een ijsblokje?’, bestelt ze.
Ik vouw de krant maar op.
‘Wat las je?’
‘Het nieuws’, antwoord ik.
‘Je mag wel verder lezen’, zegt ze voor ze de volgende vraag stelt. ‘Wat was het nieuws?’
‘Dat weet ik niet. Ik had nog maar een paar regels gelezen en toen kwam jij.’
‘Dank u wel’, zegt ze, haar drankje wordt gebracht.
Ze kijkt weer naar de krant.
‘Donderdag ben ik jarig’, vertelt ze, ‘dan word ik tien. Mama komt een paar uur thuis.’
‘Dat is mooi’, antwoord ik, ‘hoe gaat het nu?’
‘Niet zo goed’, zegt papa. Ze schudt haar hoofd. Een bootje tuft puffend voorbij. Een donkere wolk komt dichterbij.
‘Je hebt nog geen antwoord gegeven op mijn vraag’, zegt ze, ‘hou je van dieren?’

Bookmark and Share

Amsterdam gezien door Franse reizigers in de 18e en 19e eeuw


Jan van der Heyden (1637-1712) Ills.: yalepress.yale.edu

Amsterdam: mierenhoop, universeel warenhuis voor specialiteiten, mondiale marktplaats, pakhuis en stapelmarkt van het heelal, ontmoetingsplaats der volkeren. Deze beeldspraak wordt regelmatig gebruikt door Franse reizigers op bezoek in Nederland in de 18e eeuw. De stad wordt ook vaak vergeleken met de antieke handelssteden Sidon en Carthago, met Tyrus en Salente uit de bekende Aventures de Télémaque (1699) van Fénelon, met Babylon of met het eigentijdse Venetië. In de 19e eeuw duiken er af en toe ook nieuwe metaforen op. De romanschrijver Joris-Karl Huysmans bijvoorbeeld ziet Amsterdam als “de diva van Holland”, de “hoofdrolspeelster op het toneel der grote steden”.

Na de Franse revolutie en de tijd van Napoleon is de positie van Nederland en daarmee ook het beeld van Amsterdam grondig gewijzigd. Maar ook de status van het reisverhaal als genre is niet meer hetzelfde. In de 18e eeuw wordt het reisverhaal geclassificeerd als onderdeel van de geografie, een van de categoriën van het vak geschiedenis. Reizigers citeren naar hartelust uit gidsen zoals Les Délices de la Hollande, een boekje waarin Amsterdam, vanaf de eerste editie van 1651 tot aan het einde van de 18e eeuw, met veel bewondering wordt beschreven. Pas in de 19e eeuw gaat het genre reisverhaal, dat altijd al bepaalde mogelijkheden op literair gebied inhield, echt bij de literatuur horen. Reisverslagen zijn dan erg populair, en voor ze uitkomen als boek, verschijnen ze vaak eerst in de vorm van een feuilleton in tijdschriften.

Onder de auteurs van de 19e eeuwse reisverhalen bevinden zich enkele grote sterren uit het Franse literaire landschap: dichters of romanschrijvers als Huysmans, Théophile Gautier, Gérard de Nerval, Victor Hugo en Eugène Fromentin, de historicus Jules Michelet, de filosoof Hippolyte Taine en minder grote, onder wie Maxime du Camp, Louise Colet, Jean Aicard, Emile Montégut, Edmond Texier en Arsène Houssaye. Uit de 18e eeuw kennen we naast grootheden als Diderot, de markies de Sade, Bernardin de Saint-Pierre, abbé Coyer en de dichteres Mme du Boccage, vooral veel volstrekt onbekende auteurs die een reisverslag over Holland hebben nagelaten. Nooit in druk verschenen, maar bewaard in archieven. Opgesteld naar de smaak van hun tijd als iets met wetenschappelijke intentie of pretenties, of volgens het model van de lichtvoetige reisbrieven, waarin eruditie bewust vermeden werd. Maar altijd was er daarbij de bedoeling om een globaal beeld van het bezochte land te geven met informatie over geschiedenis, aardrijkskunde, regeringsvorm, godsdienst, zeden en gewoonten, steden en monumenten. In de 19e eeuw gaat de subjectiviteit van de reiziger een steeds belangrijker rol spelen en de ontdekking van het land gaat meestal samen met de ondekking van de eigen impressies en emoties.

In de 19e eeuw speelt voor reizigers in Holland ook een andere factor een belangrijke rol: de ontdekking of herontdekking van de Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw. Dit aspect is niet afwezig in de 18e eeuw, maar het is vooral vanaf 1795 dat de doeken van de Hollandse school een ongekende populariteit gaan genieten. In dat jaar werd namelijk het schilderijenkabinet van stadhouder Willem V als oorlogsbuit naar Parijs overgebracht en in het Louvre tentoongesteld. Onder de bewonderaars waren leerling-schilders die er schilderijen kwamen kopiëren, maar ook een steeds breder publiek, en omstreeks 1820-1830, met de opbloei van de romantiek, ook kunstcritici. Deze populariteit vond ook zijn neerslag in de literatuur: verschillende Nederlandse schilders, waaronder Rembrandt, zijn de hoofdpersonen in toneelstukken, gedichten en novellen. In deze periode ondernamen veel Fransen een ware pelgrimstocht naar Holland om er de musea en particuliere verzamelingen te bezoeken. Read more

Bookmark and Share

Bezoek


Buurman vraagt of ik weet waar hij zijn fiets heeft neergezet.
‘Je fiets?’, vraag ik.
‘Ergens bij de Blauwbrug misschien’, zegt buurman.
‘Ik ga straks wel even kijken’, zeg ik. Om nu te vertellen dat hij al veertig jaar niet meer op zijn boot in de Amstel woont, lijkt me onnodig.
‘Mooi’, zegt buurman, ‘kun je misschien ook kijken of Ank al thuis is.’
Ook die taak neem ik op me. Om nu te vertellen dat Ank al lang niet meer in ons midden is, lijkt me overbodig.
De activiteitenmevrouw komt binnen.
‘U heeft bezoek’, zegt ze, ‘ik kwam kijken of u mee wilt naar muziek.’
Buurman staat op. Wijst op mij.
‘Hij gaat toch naar Ank.’

Bookmark and Share

Samen


De juriste komt zeven minuten te laat binnen, in haar linkerhand een servet waarin een tosti ligt.
‘De lunch schoot erbij in’, zegt ze tegen het hoofd Personeelszaken. En neemt een hap.
De Balkenende in me vraagt zich af of het de ideale houding is om een ontslaggesprek te voeren.
Na het voorstellen, stelt ze de eerste spelregel vast.
‘Ik praat natuurlijk tegen Anneke, u luistert.’
Het is al snel duidelijk dat we er samen wel uit zullen komen en dat we het beste met Anneke voor hebben.
‘Maar je moet natuurlijk niet denken dat wij iedereen maar geld mee kunnen geven.’
‘Heeft Anneke daar dan om gevraagd?’, vraag ik.
‘Hoe bedoelt u? We gaan het toch niet over details hebben?’

Ja, misschien was het eerste gesprek van Personeelszaken met Anneke, die de zestig nadert, niet ideaal verlopen. Maar dat is ondertussen een gepasseerd station, stelt de juriste.
‘Dat hebben we toch vorige keer al uitgelegd?’
Dat er consequenties aan dat eerste gesprek verbonden zijn die nogal slecht voor Anneke uitpakken, is iets waar we wel uit zullen komen. Want, nogmaals, we hebben het beste met Anneke voor. En we gaan vanaf nu, stap voor stap, alles uitleggen.
‘We hebben echt wel begrip voor je situatie, hoor. Het valt ook allemaal niet mee. Maar,’ besluit ze, ‘wij hebben niets fout gedaan.’
Over deze conclusie gaan we het nog es hebben.

Ondertussen zit Anneke stil in haar hoekje. Ze neemt niet deel aan het gesprek.
De wangspieren van het zwijgende hoofd van Personeelszaken hebben het moeilijk. Regelmatig springt een deel van haar wang, dichtbij het rechteroog, eerst even omhoog en dan opzij.
Ze had de eerste zeven minuten die ze met ons door mocht brengen in het kamertje, naar het plafond gekeken. Er werd geen woord gewisseld.

Uit de juriste rollen ondertussen snuffelstages, klusjes en ja, ook het woord outplacement komt voorbij.
‘Want uiteindelijk moeten we naar een oplossing. En dus is het de vraag of je wel wilt werken.’
Als ik opmerk dat dat een vreemde vraag is als je bijna 15 jaar in het ziekenhuis werkt, wordt ze boos.
‘Zo komen we geen stap verder,’ stelt ze vast, ‘u denkt dat wij tegen Anneke zijn, dat we haar kwijt willen. Dat is niet de inzet. We zoeken samen met Anneke naar oplossingen. Zij is niet ziek, ze kan werken, alleen niet op haar afdeling. En niet in dit ziekenhuis.’
Ze kijkt naar haar schrijfblok. Tikt met haar pen op de tafel.
‘Hoe gaan we nu verder?’, vraagt ze.
De wang van Personeelszaken hupt nog een keer naar rechts.
‘Ik hoop dat het duidelijk is dat we er samen uit willen komen, maar niet alle tijd hebben.’

Bookmark and Share
image_pdfimage_print

  • About

    Rozenberg Quarterly aims to be a platform for academics, scientists, journalists, authors and artists, in order to offer background information and scholarly reflections that contribute to mutual understanding and dialogue in a seemingly divided world. By offering this platform, the Quarterly wants to be part of the public debate because we believe mutual understanding and the acceptance of diversity are vital conditions for universal progress. Read more...
  • Support

    Rozenberg Quarterly does not receive subsidies or grants of any kind, which is why your financial support in maintaining, expanding and keeping the site running is always welcome. You may donate any amount you wish and all donations go toward maintaining and expanding this website.

    10 euro donation:

    20 euro donation:

    Or donate any amount you like:

    Or:
    ABN AMRO Bank
    Rozenberg Publishers
    IBAN NL65 ABNA 0566 4783 23
    BIC ABNANL2A
    reference: Rozenberg Quarterly

    If you have any questions or would like more information, please see our About page or contact us: info@rozenbergquarterly.com
  • Like us on Facebook

  • Follow us on Twitter

  • Archives