Inge – Altijd in beweging. Elke stap een nieuw evenwicht.

Neergaan is niet altijd vallen
Je legt je benen zachtjes neer in een spagaat
Je armen eroverheen
Je hoofd eroverheen
Rust
In de lucht klinkt de muziek door
De aarde draait onder je door
Wiegt je
Na een paar maten draai je langzaam weer omhoog
Een pirouette
De armen reiken
Hoger en hoger
Je springt en bent los

 

Om te kunnen dansen moeten je voeten altijd wakker zijn, klaar staan voor de volgende pas. Ook als je stil staat. Balans betekent ook: altijd klaar zijn voor een volgende beweging.
Inge, een blonde vrouw met rustige heldere ogen, danst al sinds ze jong is. Haar eerste stapjes zette ze in Voorhout en door een verhuizing zette ze haar eerste danspassen in Enkhuizen. Toen ze ging studeren sprong ze naar Amsterdam, waar ze danste van Bos en Lommer naar de Baarsjes naar het Javaplein naar de Insulindeweg. En ook naar de Bootstraat op Wittenburg waar ze bij een hospita woonde. Toen ze er voor het eerst met de bus heen ging, dacht ze “Waar gáát deze bus naartoe??”

De Oostelijke Eilanden zijn eilanden en zo voelen ze ook echt, al liggen ze in Amsterdam Centrum. Ze vond het een heel fijne buurt, compact, midden in de stad én met een echt dorpsgevoel. Ze bracht het jongste kind van de hospita ook wel eens naar school, de buurtschool waar haar eigen zoon inmiddels ook heen gaat. Want na jaren, en meerdere andere woonplekken, woont ze nu alweer een aantal jaar op Wittenburg, op een steenworp afstand van haar oude hospita.

Toch was het niet een bewuste keuze om precies hier weer terecht te komen. Ze was in Amsterdam gaan studeren omdat dat toch wel the place to be was. Als tiener ging je winkelen in Amsterdam, als twintiger ging je studeren in Amsterdam. Maar studeren was geen vrijheid-blijheid voor Inge. Omstreeks de start van haar studie orthopedagogiek werd haar vader ernstig ziek en tegen het einde van haar studie overleed hij, veel te jong, op zijn vijftigste. Die jaren van zijn ziekte waren heel zwaar voor haar. Ze pendelde veel heen en weer tussen Amsterdam en Enkhuizen. En naar de balletschool in het naburige Grootebroek, want dat was haar redding: héél véél dansen.
Dan kon ze alles even opzij zetten. Terwijl ze in Amsterdam niet echt een sociaal leven opbouwde, vormde de groep mensen waarmee ze danste haar sociale leven, haar wortels. Het was een plek waar ze zich geborgen voelde en waar ze in de beweging tot rust kon komen.
Haar moeder begreep dat niet. ‘Die balletschool heb je toch al helemaal gezien? Moet je niet eens van ballet af? Je woont in Amsterdam. Maak je eens los.’ Ze wilde Inge juist altijd stimuleren om er op uit te trekken, de wereld te zien, onafhankelijk te zijn. En tegelijk vindt ze tegenwoordig de afstand Enkhuizen-Amsterdam juist erg groot, nu ze oma is. Inge voelt de afstand ook, maar voelt hem anders dan haar moeder. Een kilometer is altijd 1000 meter, maar voor de één is dat een hardlooprondje tijdens een verkoudheid, voor de ander is soms elke stap teveel.

Na haar studie begon ze te werken als gezinsvoogd en na een jaar kwamen er heel veel kilometers tot haar moeder in Enkhuizen bij toen ze voor een organisatie in Boston in de Verenigde Staten ging werken. In een uitwisselingsprogramma bracht ze over hoe in Europa met jeugdzorg wordt omgegaan. En via dat programma leerde ze een man kennen waar ze tot over haar oren verliefd op werd. Een Zwitser waarmee ze op avontuur ging door de VS, en waarmee het avontuur door ging toen Inge naar Nederland en hij naar Zwitserland terug ging. Weer pendelde Inge veel, tot hij besloot bij haar te komen wonen, op dat moment weer even in Enkhuizen.

Het bracht wat rust niet meer te hoeven pendelen, en dat kon ze goed gebruiken want na terugkomst uit de Verenigde Staten was de koek bij Inge even op. Studeren, afstuderen, een eerste baan. Het overlijden van haar vader na jaren ziekbed. Haar moeder die twee maanden daarna ook kanker bleek te hebben, waar ze gelukkig van genas. Een prachtige maar ook intense reis naar de Verenigde Staten. En een hemelshoge verliefdheid die haar wereld op zijn kop zette.
Het was een achtbaan en even teveel. Ze nam gas terug en nam rust.
En na een poos kwam ze er weer langzaam bovenop. Samen met haar man verhuisde ze naar de Baarsjes in Amsterdam en begon ze te werken bij een organisatie gespecialiseerd in jeugdhulp.

De fascinatie met familie en familierelaties begon al heel vroeg. Volgens Inge’s moeder, ook gezinsvoogd, wilde Inge vroeger als klein kind al alles weten van de familie en de familiegeschiedenis. Feiten bleven niet echt hangen maar de verhalen wel. ‘Hoe was opa? Hoe was oma?’
Ze wilde weten hoe bepaalde situaties waren ontstaan, waarom mensen bepaalde beslissingen namen, hoe mensen met elkaar omgingen. Achter de feiten zitten altijd de verhalen.
In haar familie waren de familiebanden ingewikkeld. In welke familie niet? Haar ouders waren uit elkaar gegaan toen ze nog klein was. Gelukkig konden ze goed afspraken maken, maar het was toch pijnlijk. En ook fascinerend. Inge’s gevoeligheid voor de draadjes tussen mensen ging samen met gevoeligheid over haar eigen plek tussen die draadjes. Ze was een onzeker en verlegen kind, dat buikpijn kreeg als een ander kind in haar klas gepest werd, ze voelde de pijn en de onrechtvaardigheid. Tegelijk durfde ze er niet tegenin te gaan, bang als ze was zelf buiten de groep te worden gezet.

Onzekerheid heeft Inge lang achtervolgd in de vorm van het zogenaamde impostor syndrome, de overtuiging die iemand kan hebben dat ondanks goede prestaties zij of hij op een dag door de mand valt en iedereen ziet dat zij/hij de geleverde prestaties eigenlijk niet kan, dat zij/hij heeft gesjoemeld om het te bereiken.
Zo dacht Inge altijd dat ze niet goed kon leren, en op puur geluk van de mavo op de havo op het hbo terecht was gekomen. Na haar hbo-propedeuse sociaal agogische dienstverlening ging ze orthopedagogiek studeren. Ze had gewoon toevallig al die voldoendes gehaald. En op dit moment heeft ze net vanuit haar werk een tweejarige post-doctorale opleiding orthopedagoog generalist afgerond, ‘ook met geluk hahaha!’.

Gelukkig is dit onzekere gevoel aan het slijten. Hoewel het ook niet alleen negatief is. Op haar eerste opleidingsplek kreeg ze eens de feedback dat ze wat onzeker was. Ze vatte dit op als kritiek maar haar werkbegeleider bedoelde het juist als iets positiefs: Inge stelde altijd extra vragen, wilde de zaken goed begrijpen, van haar twijfel en zoeken werd het werk beter.
En juist in het werken met kinderen is het vragen en het zoeken, de interesse naar het verhaal enorm belangrijk. Ze gaat zitten met de kinderen, tekenvel erbij en stiften om te tekenen. Vraagt ze dan: “Waar maak je je zorgen over? Waar zou je je minder zorgen over willen maken?” En, heel belangrijk: “Wat is er goed?” Inge veert helemaal op als ze hierover vertelt.

Dat vindt ze ook wel mooi aan deze tijd, dat de benadering veelal oplossingsgericht is en niet meer zo probleemgericht. De blik is veel breder: er zijn dingen lastig in het leven maar niet alles, er zijn ook veel dingen goed en leuk. Daarnaar op zoek gaan met de kinderen is heel mooi.
Met de ouders is ze altijd op zoek naar de intentie. Bijna 100% van de ouders heeft goede intenties en houdt van zijn of haar kind. Alleen is het gedrag om die intenties te bereiken soms onhandig. Zo nemen ouders ook weer hun eigen opvoeding met zich mee, ook zij zijn vroeger met een bepaalde missie en idee opgevoed. Een jeugd kan diepe sporen nalaten en mensen kunnen een leven bezig zijn met het leren omgaan met die sporen.

De recente opleiding die ze heeft gedaan heeft Inge weer extra herinnerd aan hoe complex het is om een fijne opvoeding op te bouwen. Goede hechting, een veilige basis bieden, de behoeftes van je kind kunnen zien en ernaar kunnen handelen… De intenties stromen vaak in overvloede, maar die stroom wordt omgebogen, verlegd, afgekapt, ingedamd, verhuld door iemands eigen ervaringen en pijn. De opleiding was voor Inge een spiegel over haar relatie met haar moeder, en deed haar weer des te meer beseffen dat ‘dit het is’. Inge valt even stil, houdt woorden binnen…
Dan vervolgt ze: “Beter genieten van wat er is en je niet branden aan dingen die je toch niet kan veranderen.”

Ze is nu zelf ook moeder, en ervaart dat het krijgen van een kind een trommeltje aan héél veel emoties opent. Wat je voelt voor je kind en wat je doet met je kind, is ook weer een spiegel. Graag zou ze haar zoontje helemaal plat willen knuffelen elke keer dat ze hem ziet, terwijl ze weet dat haar stoere mannetje daar lang niet altijd op zit te wachten. Dan moet ze zich inhouden.
Gaat Inge door haar opleiding en werk ook analytischer te werk in de opvoeding van haar eigen zoon? Inge moet lachen. Ze heeft inderdaad veel kennis over kinderen en opvoeden maar het is tegelijk ook een handicap. Ze merkt dat ze vaak ook buiten haar werk ‘aan’ staat, als ze situaties in het wild tegen komt. Dat kan haar spontaniteit in de weg zitten. En daarnaast, je kan nog zoveel weten van iets, maar eigenlijk weet je ook weer helemaal niks. Want elke ouder en elk kind is anders. En vooral, thuis komen alle emoties erbij. Thuis is ze gewoon Mama Inge. Haar zoontje is haar grote trots, daar is ze zo vol van! Inge’s heldere ogen stralen.

Ze hoopt haar zoon de vaardigheden mee te geven om een fijn leven te leiden, om fijne mensen om zich heen te verzamelen. Dat hij dingen doet waar hij blij mee is. Dat hij blij is er te zijn. Willen dat je kind gelukkig is, is zo lastig om te willen! Je kan bouwstenen meegeven waar hij zelf hopelijk een mooi huis mee kan bouwen.
Intenties en het leven, het is wat het is. Maar dat maakt het leven niet minder waardevol. Inge vindt haar werk in de jeugdzorg prachtig, ondanks de pijn die ze bij mensen tegen komt, ze probeert ook hier bouwstenen mee te geven. Zo is ze nu bezig met een meisje dat moeite heeft met dat haar vader steeds verschijnt in haar leven en dan weer verdwijnt. Inge maakt het niet mooier dan het is: de vader is niet te veranderen, dit is het nu. Maar… dat is geen eindpunt. Samen met het meisje kijkt ze dan naar wat dit met haar doet, dat ze zich afgewezen voelt, en zoeken ze naar het antwoord op ‘maakt dit jou een minder mooi mens?’ (Spoiler: Nee!)

Geen eindpunt. Altijd in beweging. Wat Inge heeft geleerd in haar leven: ‘Dat ik er weer bovenop kom!’ Dat het wel goed komt. Ze kan dingen heel eng en spannend vinden, en dan doet ze ze toch. Ze spreekt de woorden krachtig uit.
Blijkbaar zit ergens een diep basisvertrouwen. Misschien geeft ‘het is wat het is’ ook kracht voor de volgende stap. Zoals bijvoorbeeld misschien nog een keer een studie doen. Op een dag gaan werken met de andere kant van de generaties, oudere mensen. En ook, zichzelf beetje bij beetje steeds meer gewoon goed te vinden. Dat lukt steeds beter maar ook dat is een levenslang pad.
Ondertussen is ze stinkend trots op wat ze heeft bereikt. Zoals op haar reis naar de Verenigde Staten, op het afmaken van haar studie, op het afronden van de post-doctoraal. Ze heeft het toch maar geflikt!

Met dansen is Inge nooit opgehouden. Het is echt een grote liefde. Als ze naar dansvoorstellingen gaat, dan voélt ze de dans alsof ze zelf op dat podium staat. Als tiener had ze wel danseres willen worden bij Madonna, en dan hele wereld over mee op tournee! Nu is ze wel blij dat ze geen professioneel danser is geworden. Ze lest tegenwoordig nog steeds, bij een leuke lerares in de Watergraafsmeer, die wel professioneel danseres is geweest en de verhalen erover zijn niet mals.
Het zou geen fijn pad voor Inge zijn geweest. En het dansen zit toch ín haar.
Altijd in beweging. Elke stap een nieuw evenwicht.

Dit portret van Inge is onderdeel van een serie over de Oostelijke Eilanden: http://rozenbergquarterly.com/de-oostelijke-eilanden/




Noam Chomsky: Trump Has Revealed The Extreme Fragility Of American Democracy

Noam Chomsky

Even after Trump-appointed bureaucrat Emily W. Murphy of the General Services Administration signed a letter enabling Biden to start working with federal agencies and prepare for a transition of power, Donald Trump has personally continued to resist conceding, thus breaking the tradition of a peaceful transition to power.

What is he after with his bogus legal challenges of a “rigged and stolen” election? Can he really hope for a legislative coup? Is the contemporary United States a country divided not merely on political and ideological issues among its body politic, but, more frighteningly, along different conceptions of reality? And will Trumpism continue after Trump has left office? Revered public intellectual Noam Chomsky sheds light on these questions with groundbreaking insights in this exclusive interview for Truthout.

C.J. Polychroniou: U.S. election officials have declared the 2020 election “the most secure in American history.” Yet, the Trump campaign continues to mount legal challenges to the electoral process, pushing outrageous falsehoods, while Rudy Giuliani has gone so far as to make outlandish claims of a vast global conspiracy to steal the election from the Great Leader. In your view, what is really behind Trump’s legal challenges?

Noam Chomsky: Speculation of course, but I’ll indulge in a bad dream — which could become reality if we are not on guard, and if we fail to recognize that elections should be a brief interlude in a life of engaged activism, not a time to go home and leave matters in the hands of the victors.

I suspect that Trump and associates regard their legal challenges as a success in what seems a plausible strategy: keep the pot boiling and keep the loyal base at fever pitch, furious about the “stolen” election and the efforts of the insidious elites and the “deep state” to remove their savior from office.

That strategy seems to be working well. According to recent polls, “Three-quarters (77%) of Trump backers say Biden’s win was due to fraud” and “The anger among Trump’s base is tied to a belief that the election was stolen.” Rejection of the legal challenges with ridicule may please liberal circles, but for the base, it may be simply more proof of the Trump thesis: the hated elites will stop at nothing in their machinations.

Meanwhile, this strategy requires keeping the wrecking ball — Trump’s symbol — actively at work. Do nothing to deal with the pandemic, even delay in providing data to Biden’s team while a top nurse’s union warns of “catastrophic death” in the growing chaos while “our hospitals are knowingly still not prepared” and the government is on vacation.

Viewed through the lens of this vile strategy, if the pandemic gets worse, so much the better. Then local officials will try to impose restrictions and even lockdowns to control patriotic Americans — in line with the plans of the supposed “Communist-run deep state” — leading to economic harm and intrusions on normal life. Meanwhile, Trump and his associates could abandon other normal governmental activities so that when Biden establishes what they describe as a “fake government” on inauguration day, the immediate problems will be severe and failure likely.

On that day, which will live in infamy among the faithful, Trump might set up what he claims is an authentic government in Mar-a-Lago, with Mitch McConnell’s Senate in his pocket and a furious popular base. The next step would be to make the country ungovernable, a specialty that McConnell has been perfecting for a decade and that an accomplished demagogue like Trump can manage reflexively. Everything that goes wrong can be blamed on the treacherous “elites.”

Trump and associates might, as some have speculated, set up an alternative media empire, incorporating talk radio and other far right outlets but perhaps not Fox, which has shown occasional signs of disobedience. Then they could come roaring back into power in 2022-2024, feeding on growing discontent.

They would then be free to destroy the environment with abandon and maximize short-term profit for their primary constituency, impose discipline on what remains of government, tame the media, institute harsh authoritarian measures elsewhere, and continue with their abject service to their masters — the real elites, the very rich and the corporate sector, the decision-makers, as recent academic research once again establishes very clearly.

It’s of no little interest that we have to turn to the world’s leading business journal, the very respectable London Financial Times, to read some elementary truths about what could once claim to be a leading democracy: “Anyone with a pulse,” Financial Times Associate Editor Rana Foroohar writes, “knows that in the US today the system is rigged in favour of the wealthy and powerful.” Foroohar adds:
One particularly illuminating paper [just cited] found that considering the opinions of anyone outside that top 10 per cent was a far less accurate predictor of what happened to government policy. The numbers showed that: ‘not only do ordinary citizens not have uniquely substantial power over policy decisions; they have little or no independent influence on policy at all’. We have had decades of legislative tweaks to everything from tax policy to corporate governance and accounting standards that have favoured capital over labour. Supreme Court decisions such as the Citizens United case have also dramatically increased the amount of money funneled into political campaigning. This has left the nature of America’s political economy perilously close to an oligopoly.

If the Trump strategy is anything like the speculation outlined above, the prevailing oligopoly might look like a fond memory.

Anger and contempt for “elites” is not a mistake, even if the real elites are effectively concealed by the propaganda machine.

The masters do not much like Trump. His vulgar antics undermine their preferred image as humane and benign figures who labor tirelessly for the common good, directing “soulful corporations,” trustworthy guardians in whose hands our future is safe. But they may find it hard to fault someone whose major legislative achievement is a tax scam designed to enrich the very rich while imposing a heavier tax burden on the undeserving (and unwitting) majority.

Trump’s hopes for denying a Biden election win lie with a legislative revolt — that is, by overturning the certification process. Experts indicate that such an outcome has a very slim chance of taking place, yet the fact that it is even considered as a possibility surely reveals something utterly problematic about the way democracy functions in the United States. Can you share your views with us on this matter, and discuss what it would take to make the democratic process in the U.S. actually democratic?

Whatever the validity of my speculation about the goals and success of the Trump strategy, the whole election reveals the extreme fragility of American democracy. It is amazing enough that someone whose malevolent decision to provoke an out-of-control pandemic has just killed tens of thousands of Americans can even run for office, even carry much of the country with him, and that the political party that virtually shines his shoes can win a resounding victory at every level apart from the White House. That’s putting aside Trump’s major “achievements”: driving to near-term environmental catastrophe and sharply increasing the threat of terminal war, crimes that scarcely registered in the electoral process.

Trump’s rejection of the election results is just the coda to his quite impressive campaign to accomplish an authoritarian takeover, with the executive purged while his close associate Mitch McConnell converts the Senate into a joke, functioning almost entirely to enrich the rich and stack the judiciary with young, far right justices whose task will be to impose the ultra-reactionary Trump-McConnell agenda for a generation.

But that is only the icing on the cake. Foroohar of the Financial Times, whom I quoted earlier, is quite right that the malaise cuts far deeper. It traces back as far as the constitutional order, which was established on the principle that “those who own the country ought to govern it” (first Chief Justice John Jay) and that a prime duty of government is to “protect the minority of the opulent against the majority” (leading framer James Madison).

Hard struggles ensued to overturn the “Framers’ Coup” against democracy — the title of the gold standard of scholarship on the framing of the Constitution, by Michael Klarman. There have been periods of progress and of regression. We have just endured 40 years of regression, the neoliberal regime, a bitter assault against democracy and on the kind of society that can sustain it. An estimate of the monetary cost to the general population was recently given by the Rand Corporation: $47 trillion transferred from the working and middle classes (90 percent of the population) to the super-rich; the top 0.1 percent doubled their share of wealth to 20 percent of the total since Ronald Reagan.

The Rand figures are a considerable underestimate. Tens of trillions more were “transferred” after Reagan opened the spigots for tax havens, shell companies and other devices to rob the public. More were developed under Clinton’s deregulatory mania. Reagan and his partner Margaret Thatcher moved at once to undermine the labor movement, setting in motion the campaigns to deprive working people of the primary means to resist the assault. The serious decline of functioning democracy is a virtual corollary of the radical concentration of wealth and dispatch of much of the general population to stagnation and precarity.

There is no need to review the rest of the sordid story once again. But it is important to remember the deep roots of the undemocratic structure of the government. In the 18th century, despite the Framer’s Coup, the U.S. Constitution was an important step toward democracy, so much so that the great statesmen of Europe invoked the venerable domino theory. They feared that “the pernicious doctrines of republicanism and popular self-rule” spread by “the apostles of sedition” who had freed themselves from Britain’s grip might encourage similar “vicious principles” beyond.

That was then. A lot has happened in 250 years. If the U.S. were to apply for membership in the European Union today, it would probably be rejected. The radically undemocratic character of the Senate would be sufficient reason. There is surely something a little odd about the respected doctrine of “originalism,” holding that we should be bound by the ideas of a group of wealthy white slaveowners 250 years ago, even putting aside the cynical ways “originalist” and “textualist” doctrines are often applied in practice.

Even without Trump, the United States would still be facing a severe constitutional crisis. But that is only a fraction of the problem. Democracy is at best a fragile reed when people spend most of their waking lives under the rule of a master with virtually absolute power. That was understood very well by working people in the early days of the industrial revolution, who struggled hard against this attack on their fundamental rights and personal dignity. They also expressed their concern that a day might come when wage slaves “will so far forget what is due to manhood as to glory in a system forced on them by their necessity and in opposition to their feelings of independence and self-respect,” a day they hoped would be “far distant.”

Thoughts worth contemplating.

Millions of Trump’s supporters seem to believe that their leader actually won the election. In fact, there have even been signs claiming, “World Knows Trump Won.” In light of this, it seems to me that the contemporary United States is not simply a divided and polarized nation on political and ideological issues alone, but that we also have alternative epistemologies in operation: one segment of the population believes in actual facts and relies on science for an explanation of the world, while another segment of the citizenry is under the spell of falsehoods, disinformation and deception. How do you explain this peculiar phenomenon, especially since we are talking about a very rich and technologically advanced country?

A little caution is needed here.

This is the country of the Scopes trial. When I was a student at an Ivy League college, lectures on the theory of evolution were introduced with the professor’s warning that you don’t have to believe this but it’s important to know what some people think. Today, “Both Protestants and Catholics are considerably more likely to say evolution was guided or allowed by God than they are to say that humans evolved due to processes such as natural selection, or to say that humans have always existed in their present form.”  Over 40 percent of Americans expect the Second Coming by mid-century, while over 80 percent of the population believe in miracles.

In some ways, we’re not that far from centuries ago.

It’s also important to consider the devastating impact of the neoliberal regime on much of the country, with particular severity in rural areas that were also major centers of manufacturing. After steady growth for many years, employment in manufacturing declined from its 1979 peak of almost 20 million to under 13 million 40 years later. The decline was in large part the result of policy choices: bipartisan investor rights agreements, mislabeled “free trade agreements,” which provided unparalleled protection and other rights to corporate power while setting working people in competition with the most poorly paid and repressed workers in the world. That has been a large factor in the devastation of rural America: towns depopulated or abandoned, no jobs or hospitals or other services, general malaise and a justified sense of having been abandoned. That’s hardly conducive to participation in the most advanced sectors of global culture.

The sources of the divide you mention are complex. The split, however, is very real. And it has major impacts. Right now, the country is in the grip of a severe pandemic. It was understood by scientists in 2003, after containment of the SARS epidemic, that another coronavirus was likely. The cultural divide soon emerged. When Obama took office in 2009, one of his first acts was to convene the president’s scientific advisory council to request them to provide a pandemic response plan. They did. It was implemented, and remained in force until January 2017, when one of Trump’s first acts was to dismantle it, opening the most anti-science administration in modern history, with consequences that we have seen on many fronts — and with effects on popular culture.

The conflict of epistemologies is real. It is no simple matter to explain or to deal with it. The future will depend substantially on how the conflict is resolved.

One way or another, Trump will leave office soon. But the question that still lingers in the air is whether Trumpism will also be gone. In your view, is there Trumpism without Trump?

Returning to my original speculation, I think both Trump and Trumpism will remain with us for a long time, both the individual himself and the poisonous currents he has unleashed. These poisons may be virulent enough to bring civilization to a horrifying end. There are workable solutions to the crises that humans face in this uniquely dangerous moment of human history. What happens within the most powerful country in human history cannot fail to have an overwhelming impact on what eventuates — an impact even on survival of human society in any recognizable form.

This interview has been lightly edited for clarity.

C.J. Polychroniou is a political economist/political scientist who has taught and worked in universities and research centers in Europe and the United States. His main research interests are in European economic integration, globalization, the political economy of the United States and the deconstruction of neoliberalism’s politico-economic project. He is a regular contributor to Truthout as well as a member of Truthout’s Public Intellectual Project. He has published several books and his articles have appeared in a variety of journals, magazines, newspapers and popular news websites. Many of his publications have been translated into several foreign languages, including Croatian, French, Greek, Italian, Portuguese, Spanish and Turkish. He is the author of Optimism Over Despair: Noam Chomsky On Capitalism, Empire, and Social Change, an anthology of interviews with Chomsky originally published at Truthoutand collected by Haymarket Books.

 




Boerenbruiloftghurt en schabouwelijk: neologismen en vergeetwoorden

Taal leeft. Dat wil zeggen dat er woorden verdwijnen, dat er nieuwe woorden bij komen of bestaande woorden een tweede of andere betekenis krijgen. Dat woorden verdwijnen is wel erg neutraal gezegd. Dat nieuwe woorden of betekenissen ontstaan, wordt meestal goed geboekstaafd, bijvoorbeeld in taalrubrieken in dag-, week- of maandbladen, in boeken die een overzicht van nieuw aangetroffen woorden bieden of in verkiezingen van het woord van het jaar. En in elke nieuwe druk van de serieuze woordenboeken staan honderden neologismen ofwel nieuwvormingen.

Zulke overzichten zijn er niet van woorden die niet of nauwelijks meer gebruikt worden, woordenboeken schrappen gewoon wat niet meer in de gratie is, het valt niet op dat je een bepaald woord al een paar jaar niet meer gehoord hebt. Woorden verdwijnen niet, ze sterven af.

Dat wordt duidelijk zichtbaar als er toch eens een poging tot overzicht gedaan wordt, zoals in 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Utrecht/Antwerpen, 2015). Daarin staan honderden woorden die aangedragen zijn door luisteraars van het radioprogramma de Taalstaat, die een bedreigd of inmiddels uitgestorven woord opperden en aldus het “Gezelschap Van Geadopteerde Vergeetwoorden” vormden.
Woorden als stoop (oude maat voor vloeistoffen), geverseerd (bedreven, ingewijd in), mitsgaders (alsook, benevens) en peeuwen (klagen, jeremiëren). Of winterkeuken (gerechten die ’s winters gegeten worden), schabouwelijk (zeer bedenkelijk, heel slecht), druistig (wild, onbesuisd), kwispedoor (spuwbak) en kalefakker (praatjesmaker).
De schrijfster Nelleke Noordervliet, die de selectie deed, stelt in haar Inleiding: “Dat woorden in onbruik raken is niet verwonderlijk, maar met hun verdwijnen nemen ze een heel klein stukje geschiedenis met zich mee.” En: “Nee, we kunnen niet alles redden. Maar we kunnen wel onze taal in al haar rijkdom gebruiken.”

Corona
Neologismen ontstaan vaak in een cluster, een woordfamilie, een qua thema of vakgebied samenhangend geheel. Voor de hand liggende voorbeelden zijn popmuziek – rap, ska, grunge, ambient, noise – en de digitale revolutie, de wereld van printen en appen, van vlog en sexten.
Een actueel voorbeeld van zo’n cluster biedt de coronapandemie. Die heeft inmiddels al zo veel nieuwvormingen doen ontstaan, dat Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, er een heus boek mee kon vullen: De taal van het nieuwe normaal. Corona in 1000 en enige woorden (Varik, 2020). Uiteraard komen daarin de termen ter sprake die sinds enige tijd tot ons dagelijks spraakgebruik horen, van af- en opschalen tot lockdown, van virusdreiging en vaccinatiewedloop.
Maar het bevat ook pareltjes, met soms wel een beetje erg ruime toelichting: “doornroosjedeal: afspraak waarbij een levensvatbare onderneming die door bijzondere omstandigheden, zoals corona, financieel in moeilijkheden verkeert tijdelijk uitstel van betaling van de schuldeisers krijgt om niet failliet te hoeven gaan, zodat de onderneming bij een normalisering van de omstandigheden door kan; genoemd naar het sprookje Doornroosje van de gebroeders Grimm, dat gaat over een prinses die door een betovering honderd jaar in slaap ligt in een door doornstruiken omgeven kasteel, totdat een prins haar komt wakker kussen.”, “huidhonger: behoefte aan fysieke aanraking, m.n. bij mensen die langdurig alleen moeten zijn, bv. wanneer ze in hun eentje in quarantaine of zelfisolatie zitten”, “niesdab: niesreflex waarbij iemand zijn neus naar zijn elleboogholte van zijn ene arm brengt en daarin niest, terwijl hij zijn andere arm zijdelings omhoogsteekt, zo genoemd naar de dansmove dab” en “hoestschaamte: schaamte die iemand ervaart als hij hoest in het gezelschap van anderen die weleens zouden kunnen denken dat hij een ziekte heeft waardoor hij anderen zou kunnen besmetten”. Het is niet gewaagd te stellen, dat de meeste van deze woorden en uitdrukkingen zeer tijdgebonden zijn en een volgende druk van de Dikke Van Dale niet zullen halen.
Den Boon ziet trouwens een parallel tussen de opmars van het virus en de groei die hij verwacht voor de pandemieneologismen: ”Lexicografisch gezien is dit niet meer dan een eerste inventarisatie van de coronawoordenschat, waarvan de omvang zich de komende jaren ongetwijfeld verdubbelt of verdrie- of verviervoudigt.”
Hij schreef overigens ook, samen met Julius ten Berge, het Verdwijnwoordenboek. Woorden die wegvielen uit onze woordenschat (’s-Hertogenbosch, 2008).

Scrummen
Waar vergeetwoorden bij gebrek aan gebruik langzaamaan uit beeld verdwijnen, is van nieuwvormingen meestal wel duidelijk waar en wanneer zij het licht zagen. Als Geert Wilders in de Tweede Kamer de hoofddoekjes van moslima’s “kopvodden” noemt, mag u rustig aannemen, dat daar brainstormsessies aan voorafgegaan zijn om tot een term te komen die tegelijk zo kwetsend mogelijk is en makkelijk in het spraakgebruik blijft hangen.
Dus als uw vaatwastabletten “zijdeglansparels” blijken te bevatten of in uw half volkoren zit “broodverbetermiddel“, stel u daarbij dan gerust een sessie voor waarin duur betaalde en daarom in strak pak gestoken en in door de zaak geleasde Maserati’s rond rijdende copywriters in lange vergaderingen en via speelse associatie-rondes tot die briljante vondsten komen. Japke-d. Bouma kent die sessies uit eigen ervaring en geeft in Ga lekker zèlf in je kracht staan. De ergste clichés op kantoor (Amsterdam, 2019) een vermakelijke blik in zo’n brainstormzitting, al heet dat tegenwoordig in die praktijk “scrummen”:
“Scrummen is een hele toestand met regels, rollen en pokerkaarten (..). Dat lijkt allemaal niet zo revolutionair, maar het grote voordeel van scrummen is dat er voor al die dingen die we al miljarden jaren hetzelfde deden nu allemaal chille Engelse woorden zijn verzonnen.
Zo heet een manager een ‘scrum master’, heet het begin een ‘kick off’, werk je niet, maar hou je korte ‘sprints’, heet de baas een ‘product owner’, heeft de klant een ‘user story’, en wordt de vergadering ‘stand up’ genoemd omdat je er bij moet staan want anders wordt het een gewone vergadering en dat is niet hip.”

Karnevers
Zo’n explosieve combinatie van creativiteit en speelsheid leidt gemakkelijk tot excessen, althans lexicografische. Een praktijkvoorbeeld.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw was het oma. Grootmoeders cake, de opoe-fiets, grandma’s freshly baked cookies: als het maar op de een of andere manier aan een grootmoederfiguur was gekoppeld, gaf dat een product meteen een aura van ouderwetse betrouwbaarheid, vooroorlogse degelijkheid en onweerstaanbare nostalgie.
De advertenties en reclamecampagnes wedijverden om het meest getrouwe cliché van de oer-oma: een door het leven gegroefd gelaat maar met liefdevolle ogen, een brilletje – niet het allergoedkoopste uit de winkel maar toch onmiskenbaar van het ziekenfonds -, vertederend krullende grijze lokken, blauwgrijze spoeling van Schwarzkopf en een zwarte omslagdoek (zelf gehaakt!) rond de schouders tegen een kille nazomerbries.
Maar aan grootmoeders wervingskracht kwam in de jaren tachtig een einde toen de Hema – toch al nooit te beroerd om op een tendens in te haken – de opoefiets in haar kleurenfolders opnam. Toen moesten de reclamemakers uitkijken naar een ander clichébeeld. Nou ja, clichébeeld, in reclametermen heet dat vermoedelijk ‘een vergeneraliseerd individu met grote identificeringswaarde’. En dat werden Jan en Marie.
Lang voor het op het Binnenhof begon door te dringen, hadden de reclamejongens namelijk al heel scherp door dat het milieu een onderwerp met toekomst was: uitgestrekte groene weiden, tevreden grazende koeien, imposante wolkenluchten boven een polderdijk; u dacht toch niet dat Martine Bijl voor haar lol tussen de spitskolen zat?

Pieter Bruegel de Oude – De boerenbruiloft (1567 of 1568)

De mensen hadden weer behoefte aan bewust eten, aan vers en gezond, aan goed kauwen voor je het doorslikt. Uit die filosofie kwam de boerenlandmelk voort. Vanuit die gedachte werd de met natuurlijke rechtsdraaiende melkzuren verrijkte drinkyoghurt ontworpen. Met dat beeld voor ogen kwam iemand op het idee de eeuwenoude hangop ‘umer’ te gaan noemen en op het deksel “herinnert aan hangop” te zetten.
En het werkte. Wat het verschil was, wist geen mens, maar het heette boerenland-dit of karnevers-dat, en dus werd het gekocht. En gevreten. Maar er is een grens, zelfs voor reclamemakers. Die werd bereikt toen P.N. – voluit: Boerderijmelkveredeling P(uur) N(atuur), dat zegt eigenlijk al genoeg – een “overheerlijke zachtzure standyoghurt” op de markt bracht. (Standyoghurt is, volgens mijn op kringlooppapier gedrukte macrobiologische encyclopedie, een lobbige roeryoghurt. Nu weet ik nog niets.)
Op de beker waarin dit kostelijk vocht verpakt is, prijkt met gepaste trots de naam: Boerenbruiloftghurt van Jan en Marie. Daaronder staat een hoogst onduidelijke afbeelding. Een bejaarde, wat kromgetrokken man giet een emmer leeg in een melkbus – dat zal Jan zijn – en wat verder zit iemand in zo’n alle geslachtskenmerken vervagende overall een koe te melken; dat moet dus Marie wezen.
Wat die twee oudjes, die tweemaal daags door noodweer en tegenwind het land op moeten om de uiers te legen, met een boerenbruiloft van doen hebben, is volmaakt onbegrijpelijk. En dat is misschien ook wel juist de bedoeling, want wat een boerenbruiloft – hossen, hijsen, speeksel dat uit de mondhoeken druipt, een eeltige hand die onder een rok tast; ja, als het op clichés aankomt, weet ik ook van wanten – met de lobbigheid van dioxinevrije melkzuren te maken heeft, zou zelfs de duurst betaalde reclamejongen, Maserati of niet, nog niet duidelijk kunnen maken.


Robert-Henk Zuidinga (1949) studeerde Nederlandse en Engelse Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur, taal- en bij uitzondering – over film.
De drie delen Dit staat er bevatten de, volgens zijn eigen omschrijving, journalistieke nalatenschap van Zuidinga. De boeken zijn in eigen beheer uitgegeven. Belangstelling? Stuur een berichtje naar: info@rozenbergquarterly.com– wij sturen uw bericht door naar de auteur.
Dit staat er 1. Columns over taal en literatuur. Haarlem 2016. ISBN 9789492563040
Dit staat er II, Artikelen en interviews over literatuur. Haarlem 2017. ISBN 9789492563248
Dit staat er III. Bijnamen en Nederlied. Buitenlied en film, Haarlem 2019. ISBN 97894925636637




Merlijn Twaalfhoven – Het is aan ons ~ Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.

Merlijn Twaalfhoven. Ills.: Joseph Sassoon Semah

In zijn idealistische en bevlogen boek ‘Het is aan ons’ beschrijft Merlijn Twaalfhoven hoe iedereen kan bijdragen aan het oplossen van wereldproblemen. Hij stelt zich ten doel de wereld te redden en analyseert hoe het kunstenaarschap hierbij kan helpen: kunst kan houvast bieden in onzekere tijden. Twaalfhoven spreekt niet over een mooi afgerond kunstwerk – kunst moet open zijn – en iedereen moet eraan mee kunnen doen. Kunst is een speeltuin, een laboratorium voor nieuwe verbintenissen en onbevangen vragen. Het proces verloopt van Waarnemen, Voelen, Denken naar Maken. Het komt samen in een praktisch idealisme.
Twaalfhoven is op zoek naar ‘de verbinding van de nabijheid’.
Dat vereist een systeemverandering, een gezamenlijke toekomstvisie die op een waarachtige manier de menselijke waarden naar buiten brengt. Een praktisch, procesmatig idealisme.

Als componist en theatermaker organiseerde Merlijn Twaalfhoven wereldwijd voorstellingen. Hij ging de concertzaal uit en zette de muziek midden in de wereld. Als altviolist reisde hij in 1996 naar Bosnië, vlak nadat de vrede was getekend. Zijn concerten werden ‘unieke ontmoetingen’. De plaats waar werd gespeeld, werd van cruciaal belang. Hij zag wat muziek kan betekenen, al was het natuurlijk niet voldoende om een blijvende verandering tot stand te brengen. Met zijn werk voegt hij ‘een druppeltje toe aan een emmer die zich langzaam vult met vrede, moed, hoop, contact en gelijkwaardigheid’. Hij maakt ons deelgenoot van zijn reizen naar ook andere conflictgebieden waar kunst het verschil kan maken: zoals een Syrisch vluchtelingenkamp in Jordanië, de buitenwijken van Sarajevo, een huiskamerfestival in Jeruzalem, een oude pistolenfabriek in Zaandam, de Carnegie Hall in New York en een VN-conferentie in Alpbach, waar de kunstenaar werd uitgenodigd om te praten over de rol van kunst bij het halen van VN-doelen. De ontmoeting leidde helaas niet tot een concreet vervolg.

Het maken van kunst is vooral uitbesteed aan professionals, aldus Twaalfhoven. We lijken het vermogen te verliezen om zelf emoties, twijfels en dromen tastbaar te maken en vertraging te creëren. Maar schoonheid en verwondering verdienen een plek in ons leven.
Iedereen heeft een kunstenaar in zich, vrij vertaald naar Joseph Beuys. We hebben een ‘kunstenaarsmindset’ nodig, een speelse, onderzoekende, open en creatieve houding om bij te dragen aan een betere wereld. We hebben het allemaal in ons om krachten te bundelen, verhalen te vertellen, en iets van waarde te maken, tastbaar te maken wat in onszelf zit. Dan maken we het verschil.
‘Het is aan ons’, aldus Merlijn Twaalfhoven.

Hij sluit af met wat we kunnen leren van de kerk:
Ten eerste: markeer tijd en ruimte
Ten tweede: vind je houvast
Ten derde: spreek je idealen uit
Ten vierde: doe het samen
En ten slotte: vier je voortgang!

Atlas Contact, Amsterdam, 2020. ISBN9789045039800

Merlijn Twaalfhoven is componist en oprichter van The Turn Club, een samenwerkingsverband van kunstprofessionals, veranderaars en bruggenbouwers. Hij werkte o.a. met Het Nationale Ballet, Toneelgroep Amsterdam en het Kronos Quartet.

De bijeenkomst in Paradiso (d.d. 1 november 2020) naar aanleiding van het verschijnen van het boek ‘Het is aan ons. Waarom we de kunstenaar in onszelf nodig hebben om de wereld te redden.’:




Nieuwe informatie over de onderduik in Jutphaas

November 2020. Nadere informatie over mijn grootvader Egbertus Hendrikus Schellinger (Bert) en diens dochter (mijn moeder) Johanna Elisabeth Margaretha Hendrika Schellinger (Joke).

Bert Schellinger
Bert werd geboren te Den Helder, 7 juni 1895. Zijn ouders en voorouders kwamen van Oudeschild (Texel). Later verhuisde hij naar Amsterdam. Hij trouwde op 2 februari 1921 met Johanna Elisabeth de Vries (eveneens Joke) te Weesp.
Op 30 januari 1939 verhuisden ze naar de W.A. Vultostraat 98 in Jutphaas. In dit huis heeft later 7 maanden lang Sonja van Es ondergedoken gezeten. Het huis werd ook als doorgangshuis gebruikt.
Op de kaart van Utrecht zie je dat deze straat in het verlengde ligt van de Constantijn Ezaijstraat, waar Paula en Coen verbleven bij de familie Jan Kooy. Dit was een collega van Bert. Beide mannen waren sergeant in het leger, bij hetzelfde legeronderdeel en beide geboren in Den Helder, bovendien vrijwel even oud.

In maart 1944 verhuisde hij naar de Van Humboldstraat 103 bis te Utrecht en later in februari 1945 naar de Weerdsingel W.Z.11 bis., ook in Utrecht. Eind 1947 verhuisde hij naar Amsterdam. Het paar scheidde van elkaar in 1957, waarna hij opnieuw trouwde met Hendrika Johanna (Henny) Bruintjes. Hij is overleden op 23 september 1976. Hij was toen 81. Zijn eerste echtgenote Joke overleed in 1979. In dat zelfde jaar overleed ook zijn tweede vrouw.

Joke Schellinger
Bert had twee dochters: Betty, geboren 12 juni 1922 en Joke, geboren 20 november 1923. Naar verluid verbleef zijn echtgenote (mijn oma) gedurende lange tijd tijdens de oorlog in een sanatorium, dochter Betty woonde in Eindhoven. Dochter Joke woonde samen met Bert in Jutphaas. Na de oorlog kreeg Joke een relatie met een zekere Jan van der Kooi (niets van doen met de Jan Kooy uit het boek). Uit deze relatie kwamen twee kinderen voort, ik zelf op 25 september 1950 en mijn broer Bert in december 1953 (overleden in 2009). Nadat deze relatie werd beëindigd, trouwde zij in 1953 in Amsterdam met de weduwnaar Cees Faber, die al 5 kinderen had. Uit deze nieuwe relatie werden nog 2 kinderen geboren. Mijn moeder Joke overleed op 13 mei 1982.

Bert Schellinger in 1957, Joke Schellinger, data niet bekend, naar schatting, tussen 1943 en 1947. 




Hogeschool van Amsterdam – Literatuur en Vertellen. Deze ontspoorde wereld

Als je de website https://literatuurenvertellen.webnode.nl bezoekt, kijk Paula Bermann je aan.
De site is gemaakt als onderdeel van het vak Literatuur en Vertellen van de Hogeschool van Amsterdam. Eén van de boeken die de studenten mochten lezen was Deze ontspoorde wereld.

Op verzoek van een docent heeft een van de kleinkinderen van Paula Bermann, Linda Bouws, vragen beantwoord over de publicatie en de mogelijke impact die de uitgave had op de familie.

Over de geschiedenis van de dagboeken (vijf schriften)

Linda Bouws: ‘De dagboeken van mijn grootmoeder Paula Bermann stonden bij ons thuis in de kast in de Van Eeghenstraat. Hoe ze daar zijn terechtgekomen is niet duidelijk. De dagboeken moeten uit het onderduikadres van mijn grootouders, vlak voor ze verraden zijn, zijn verplaatst naar een veiliger plek. Als kind werd ik door ze aangetrokken, maar kon ze niet lezen: dicht geschreven cahiers in het Duitse Kurrentschrift, in een heel evenwichtig handschrift. Mijn moeder Sonja, haar zuster Inge en broer Hans hebben zo’n veertig jaar na het beëindigen van WO II besloten de vier cahiers te laten vertalen in modern Duits door Johan H. Winkelman. Hij heeft er drie jaar over gedaan. Mijn moeder, haar zus en haar broer wilden het niet publiceren, de tekst was te emotioneel en confronterend.’

Vraag:
Het dagboek is pittig wat betreft de inhoud. Het biedt een inzicht in politiek en oorlog, maar vooral ook in een persoonlijke situatie. Doordat het een dagboek is, staan er buitengewoon openhartige gedachten en gedachtegangen in. Hoe was dat voor jullie om te lezen? En later gepubliceerd en geopenbaard te zien? 

Linda Bouws: ‘Als ik voor mij zelf spreek: ik had het dagboek in de Duitse vertaling al gelezen toen het in 1987 en de volgende jaren werd vertaald in modern Duits, en was er toen zeer door geraakt, ook om mijn grootmoeder te leren kennen. Ik was vooral geïntrigeerd door de verhalen over mijn moeder Sonja en de andere familieleden, en hoe het hun allemaal is vergaan. Al lezend wist ik ook hoe het Paula, Coen en Inge was vergaan nadat ze opgepakt waren, Paula’s trieste zelfmoord na de dood van haar man en dat maakte het lezen extra wrang. Bij de voorbereidingen van de Nederlandse publicatie werd ik ook geraakt door de politieke observaties in haar boek en de paralellen met nu. De meeste kleinkinderen hadden de dagboeken niet gelezen, of slechts fragmenten. Het kwam hard binnen.’

Een aardige opdracht was om de studenten een selectie te laten maken van boeken genoemd in Deze ontspoorde wereld. Zie: Steinz en Bermann (PDF)
Deze powerpoint presentatie geeft een goede indruk van de opdrachten: Deze ontspoorde wereld ppt (PDF)

Op de website literatuurenvertellen.webmode.nl staan de boeken die bij het project aandacht kregen. Alleen ontbreekt het boek waarvan de auteur je aankijkt als je de site bezoekt.